Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2022:967

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-03-2022
Datum publicatie
30-03-2022
Zaaknummer
202005157/1/R3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2020:2700, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 februari 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders van Almelo aan Stichting Christelijke Gemeente Nederland (CGN) Almelo op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een servicegebouw ter ondersteuning van de sport en het terreinbeheer op het perceel Almelosestraat 11 in Almelo. Op 8 januari 2019 heeft CGN een aanvraag gedaan voor de bouw van een servicegebouw voor ondersteuning van sport en terreinonderhoud op het perceel. Het servicegebouw zal worden gebruikt als stallingsruimte, voor bergingen en kleedkamers en als schuil- en rustmogelijkheid voor de leden van de geloofsgemeenschap van CGN. Het servicegebouw maakt deel uit van de ontwikkeling van een ontmoetingscentrum met bijbehorende voorzieningen, voor leden van de geloofsgemeenschap CGN, waarvoor de raad van de gemeente Almelo bij besluit van 24 mei 2016 het bestemmingsplan "Bavinckel" heeft vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202005157/1/R3.

Datum uitspraak: 30 maart 2022

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A], wonend te Almelo, en anderen,

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 18 augustus 2020 in zaak nr. 19/1966 in het geding tussen:

[appellant A] en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Almelo.

Procesverloop

Bij besluit van 12 februari 2019 heeft het college aan Stichting Christelijke Gemeente Nederland (CGN) Almelo (hierna: CGN) op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een servicegebouw ter ondersteuning van de sport en het terreinbeheer op het perceel Almelosestraat 11 in Almelo (hierna: het perceel).

Bij besluit van 19 september 2019 heeft het college het door [appellant A] en anderen daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, voor zover het is ingediend door [appellant A], [appellant B], [appellant C], [appellant D] en [appellant E]. Het college heeft het bezwaar, voor zover het is ingediend door [appellant F], gedeeltelijk gegrond verklaard. Het college heeft het besluit van 12 februari 2019, met aanpassing van drie documenten en toevoeging van één document, ongewijzigd in stand gelaten.

Bij uitspraak van 18 augustus 2020 heeft de rechtbank het door [appellant A] en anderen daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en anderen hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant A] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op zitting behandeld op 8 februari 2022, waar [appellant A] en anderen, van wie [appellant A] en [appellant D], bijgestaan door [belanghebbende], en het college, vertegenwoordigd door mr. D.A. Cohen en mr. I. Piksen, zijn verschenen. Verder is op de zitting CGN, vertegenwoordigd door [gemachtigden], als partij gehoord.

Overwegingen

1.       Het op deze zaak betrekking hebbend wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Deze bijlage maakt deel uit van de uitspraak.

Inleiding

2.       Op 8 januari 2019 heeft CGN een aanvraag gedaan voor de bouw van een servicegebouw voor ondersteuning van sport en terreinonderhoud op het perceel. Het servicegebouw zal worden gebruikt als stallingsruimte, voor bergingen en kleedkamers en als schuil- en rustmogelijkheid voor de leden van de geloofsgemeenschap van CGN. Het servicegebouw maakt deel uit van de ontwikkeling van een ontmoetingscentrum met bijbehorende voorzieningen, voor leden van de geloofsgemeenschap CGN, waarvoor de raad van de gemeente Almelo bij besluit van 24 mei 2016 het bestemmingsplan "Bavinckel" (hierna: het bestemmingsplan) heeft vastgesteld. Bij uitspraak van 8 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:355, heeft de Afdeling het door onder andere [belanghebbende] en anderen daartegen ingediende beroep ongegrond verklaard. Het college heeft de gevraagde omgevingsvergunning verleend. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat geen van de in artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo genoemde weigeringsgronden van toepassing is en dat het daarom gehouden was de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen te verlenen.

3.       De rechtbank heeft over het beroep van [appellant A] en anderen geoordeeld dat zich geen weigeringsgronden voordoen als bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo en dat het college de vergunning terecht heeft verleend.

4.       [appellant A] en anderen zijn het niet eens met de uitspraak van de rechtbank en hebben hoger beroep ingesteld.

Het hoger beroep

Procedureel

5.       [appellant A] en anderen betogen dat de rechtbank hun procedurele bezwaren niet correct heeft behandeld. Kijkend naar hun bezwaren zal de Afdeling eerst ingaan op het bezwaar dat de aanvraag niet gewijzigd had mogen worden. Het antwoord op die vraag is immers mede bepalend voor het antwoord op het bezwaar dat niet de juiste procedure is gevolgd en het bezwaar dat enkele appellanten ten onrechte niet als belanghebbende zijn gekwalificeerd.

Wijziging van de aanvraag

6.       [appellant A] en anderen betogen dat de rechtbank heeft miskend dat de wijziging van het beoogde gebruik van een deel van het servicegebouw, dat oorspronkelijk was bedoeld voor het gebruik als kantine, niet van ondergeschikte aard is. De aanpassing van de aanvraag op dit punt, waardoor dit deel niet meer kan worden gebruikt als kantine, is volgens hen een dusdanig ingrijpende wijziging, dat niet meer gesproken kan worden van hetzelfde bouwplan.

6.1.    De Afdeling stelt vast dat in de bouwtekening bij de oorspronkelijke aanvraag was opgenomen dat een deel van het servicegebouw zou worden gebruikt als kantine. In de bezwaarfase is de bouwtekening gewijzigd, in zoverre dat de omschrijving kantine is verwijderd. In de notitie "Omgevingsvergunning servicegebouw op de Bavinckel te Almelo" van 6 juni 2019, die deel uitmaakt van het besluit van 19 september 2019, staat dat het desbetreffende deel van het servicegebouw gebruikt zal gaan worden voor het schuilen voor weersinvloeden en het nuttigen van een kop koffie en zelf meegebrachte broodjes. Het aangevraagde gebruik van de rest van het servicegebouw, zoals kleedkamers, bergingen en stallingsruimte, blijft ongewijzigd.

6.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 11 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2329), is het college gerechtigd en in bepaalde gevallen zelfs verplicht om de indiener van een aanvraag in de gelegenheid te stellen zijn aanvraag zodanig te wijzigen of aan te vullen, dat geconstateerde beletselen voor het verlenen van de vergunning worden weggenomen. Daarbij zal het moeten gaan om wijzigingen van ondergeschikte aard, waarvoor volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling geen nieuwe aanvraag is vereist.

6.3.    Evenals de rechtbank en het college acht de Afdeling de in de gewijzigde aanvraag aangebrachte beperking van het gebruik van een deel van het servicegebouw als van ondergeschikte aard. Daarvoor hoefde geen nieuwe aanvraag te worden ingediend. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, ziet de gewijzigde aanvraag, evenals de oorspronkelijke aanvraag, op het realiseren van een servicegebouw. Het gebruik van dit gebouw is behoudens het gebruik als kantine niet gewijzigd.

Het betoog slaagt niet.

Procedurele fouten

7.       [appellant A] en anderen betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college bij de verlening van de omgevingsvergunning procedurele fouten heeft gemaakt. [appellant A] en anderen keren zich tegen de overwegingen van de rechtbank dat zij niet kunnen opkomen voor de belangen van onbekende derden, het in het besluit van 12 februari 2019 hanteren van een onjuiste bezwarentermijn, het niet op de juiste wijze kennisgeven van dit besluit en het ten onrechte niet bekendmaken van dit besluit in het gemeenteblad van de gemeente Borne. Op de zitting hebben [appellant A] en anderen nog betoogd dat het standpunt van de rechtbank dat artikel 3:12 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) alsmede de verplichting tot publicatie van het besluit van 12 februari 2019 in de Staatscourant niet van toepassing is op de beoordeling van het voorliggende besluit, zich niet verdraagt met het arrest van het Hof van Justitie van 14 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:7 (arrest Varkens in Nood), en de uitspraken die de Afdeling op 14 april 2021 en 4 mei 2021 over de toepassing van artikel 6:13 van de Awb heeft gedaan.

7.1.    De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak terecht overwogen dat [appellant A] en anderen niet kunnen opkomen voor onbekende derden. Verder bestaat er bij een besluit tot het verlenen van een omgevingsvergunning als het onderhavige voor het college geen wettelijke verplichting om daarvan kennisgeving te doen in een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad van de gemeente Borne, zoals [appellant A] en anderen betogen. De rechtbank heeft verder geconcludeerd dat de door [appellant A] en anderen gestelde procedurele fouten zich in dit geval niet voordoen, omdat bij de voorbereiding en het verlenen van een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo, als volgens de rechtbank hier aan de orde, de reguliere voorbereidingsprocedure van paragraaf 3.2 van de Wabo en niet de uitgebreide voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb van toepassing is. Dit betekent volgens de rechtbank dat de door [appellant A] en anderen genoemde wettelijke vereisten voor bekendmaking en kennisgeving van het primaire besluit hier niet gelden. De Afdeling volgt de rechtbank op dit laatste punt niet geheel. Zoals hiervoor is vastgesteld voorzag het bouwplan, zoals op 8 januari 2019 aangevraagd, in een kantine en was die aanvraag op dat punt in strijd met het bestemmingsplan. Pas na het nemen van het besluit van 12 februari 2019 is de aanvraag aangepast, waardoor er geen strijd meer was met het bestemmingsplan. Omdat het perceel buiten de bebouwde kom is gelegen, kon de gevraagde omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan slechts met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 3˚, van de Wabo worden verleend. Gelet op het bepaalde in artikel 3.10, eerste lid, onder a, van de Wabo was op de aanvraag van 8 januari 2019 de uitgebreide voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb van toepassing met de daarbij behorende procedurele eisen. De rechtbank heeft niet onderkend  dat het besluit van 12 februari 2019 met die wettelijke voorgeschreven procedure had moeten worden voorbereid.

Het betoog slaagt in zoverre.

7.2.    Doende wat de rechtbank had behoren te doen, overweegt de Afdeling hierover het volgende. Vastgesteld moet worden dat hier de reguliere voorbereidingsprocedure is gevolgd en niet de uniforme voorbereidingsprocedure waarover het gaat in het door [appellant A] en anderen het genoemde arrest van het Hof van Justitie en de daarop gevolgde uitspraken van de Afdeling. Tevens moet worden vastgesteld dat uitgaande van de gewijzigde aanvraag de reguliere voorbereidingsprocedure hier de te volgen procedure was. Voorts moet worden geconstateerd dat [appellant A] en anderen door het achterwege laten van de toepassing van de uitgebreide voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb niet zijn benadeeld. Zij hebben immers door middel van de bezwaarprocedure de gelegenheid gekregen om hun belangen kenbaar te maken en zij hebben ook daadwerkelijk bezwaar tegen het besluit van 12 februari 2019 gemaakt. Dat bezwaar heeft ertoe geleid dat de aanvraag van 8 januari 2019 in hun voordeel is aangepast: de met het bestemmingsplan strijdige activiteit is geschrapt. Omdat op het moment van het besluit op bezwaar de aanvraag was gewijzigd en er geen strijd met het bestemmingsplan meer bestond, kon het college naar het oordeel van de Afdeling afzien van herroeping van het besluit van 12 februari 2019. Onder de hiervoor geschetste omstandigheden ziet de Afdeling geen reden voor het oordeel dat er in het niet hebben gevolgd van de uitgebreide voorbereidingsprocedure bij het nemen van het besluit van 12 februari 2019 reden is gelegen om de aangevallen uitspraak en het besluit van 19 september 2019 te vernietigen.

Het betoog slaagt niet.

Belanghebbendheid

8.       [appellant A] en anderen stellen dat de rechtbank [appellant B], [appellant C], [appellant D] en [appellant E] ten onrechte niet als belanghebbende heeft aangemerkt. Hiertoe voeren zij aan dat de rechtbank bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep ten onrechte niet de milieueffecten van het bestemmingsplan voor hun woon- en leefomgeving heeft betrokken, zoals de gevolgen van geluid en verkeer. Verder horen bij het servicegebouw een groot aantal voorzieningen en heeft [appellant D], ondanks de ter plaatse aanwezige begroeiing, vanaf zijn perceel zicht op het servicegebouw.

8.1.    De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak geoordeeld dat het college het bezwaar, voor zover ingediend door [appellant B], [appellant C], [appellant D] en [appellant E], terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat deze personen geen belanghebbenden zijn bij de verleende omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen.

De rechtbank heeft verder geoordeeld dat het college het bezwaar, voor zover dat is ingediend door [appellant F], terecht ontvankelijk heeft verklaard, omdat hij beschikt over een aangrenzend perceel. Omdat [appellant A] ook eigenaar is van een aangrenzend perceel en de eigenaar was ten tijde van het primaire besluit heeft de rechtbank ook hem als belanghebbende gekwalificeerd. Aan de omstandigheid dat het college het bezwaar, voor zover dat is ingediend door [appellant A], niet-ontvankelijk heeft verklaard, heeft de rechtbank geen gevolgen verbonden, omdat [appellant F] en [appellant A] samen één bezwaarschrift hadden ingediend, en het college de bezwaargronden van [appellant F] inhoudelijk heeft behandeld in het besluit van 19 september 2019.

8.2.    Wie rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit - zoals een bestemmingsplan of een vergunning - toestaat, is in beginsel belanghebbende bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ van de activiteit is een correctie op dit uitgangspunt. Zonder gevolgen van enige betekenis heeft iemand geen persoonlijk belang bij het besluit. Hij onderscheidt zich dan onvoldoende van anderen. Om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van iemand zijn, kijkt de Afdeling naar de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat. Zij bekijkt die factoren zo nodig in onderlinge samenhang. Ook de aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.

8.3.    Met de rechtbank stelt de Afdeling vast dat voor de beoordeling van het belanghebbend zijn van [appellant B], [appellant C], [appellant D] en [appellant E] bepalend is het bestreden besluit dat voorligt. Het gaat om de planologische uitstraling en de gevolgen van de activiteit die dat besluit toestaat en heeft voor hun woon- en leefklimaat. De rechtbank heeft gelet hierop terecht overwogen dat de omstandigheid dat [appellant B], [appellant C], [appellant D] en [appellant E] door de Afdeling als belanghebbende zijn aangemerkt in de procedure over de vaststelling van dat bestemmingsplan niet betekent dat zij ook belanghebbende zijn bij het verlenen van de hier aan de orde zijnde omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen. Dit betekent dat de beoordeling van de gevolgen die het besluit van 19 september 2019 voor hen heeft zich beperkt tot gevolgen van het gebouw en het gebruik van het servicegebouw.

[appellant A] en anderen stellen dat de rechtbank heeft miskend dat zij hinder ondervinden van geluid. Uit het hogerberoepschrift en de op de zitting gegeven toelichting leidt de Afdeling af dat zij daarbij doelen op geluid dat afkomstig is van de in het bestemmingsplan voorziene sport- en speelvelden en het gebruik van een bij het servicegebouw te realiseren terras. Anders dan [appellant A] en anderen menen, moet de omgevingsvergunning voor de bouw van het servicegebouw los hiervan worden gezien. Deze omgevingsvergunning gaat over de gevolgen van het gebouw en het gebruik van het servicegebouw en niet over (activiteiten op) sport- en speelvelden en  een terras. Tegen deze achtergrond heeft de rechtbank terecht ook overwogen dat de door [appellant A] en anderen genoemde aspecten, zoals het geluid vanaf het sportterrein en de verkeersaantrekkende werking van het gehele plangebied, gevolgen zijn van het vaststellen van het bestemmingsplan en niet van de verleende omgevingsvergunning voor het servicegebouw.

De rechtbank heeft verder in zijn beoordeling terecht betrokken dat de percelen en woningen van [appellant B], [appellant C], [appellant D] en [appellant E] op een afstand variërend van ongeveer 170 m tot 480 m van het servicegebouw zijn gelegen en dat vanaf de percelen van [appellant B], [appellant C] en [appellant E] geen zicht en vanaf het perceel van [appellant D] eventueel zicht op het servicegebouw bestaat. Voor zover [appellant A] en anderen aanvoeren dat [appellant D] vanaf zijn perceel zicht zal hebben op het servicegebouw, hebben het college en de rechtbank zich naar het oordeel van de Afdeling terecht op het standpunt gesteld dat het eventuele zicht op het servicegebouw vanaf het perceel van [appellant D], gelet op de afstand van 200 m tot het servicegebouw en de ter plaatse aanwezige begroeiing, niet zodanig is dat dit gevolgen van enige betekenis voor zijn woon- en leefklimaat met zich brengt. Bij dit oordeel heeft de Afdeling de door [appellant A] en anderen overgelegde foto’s van de ligging van de woning van [appellant D] ten opzichte van de locatie van het servicegebouw betrokken.

Het betoog van [appellant A] en anderen dat de rechtbank [appellant A] als eigenaar van een aangrenzend perceel alsnog belanghebbend bij het bestreden besluit acht, maar de door hem daarvan ondervonden gevolgen niet afzonderlijk heeft beoordeeld, slaagt niet. De gronden van [appellant A] zijn gelijkluidend aan de door [appellant F] ingediende gronden. Deze gronden zijn ook als beroepsgronden door de rechtbank inhoudelijk beoordeeld.

8.4.    Het bovenstaande brengt de Afdeling tot de conclusie dat in het door [appellant A] en anderen aangevoerde geen aanleiding wordt gezien voor het oordeel dat de rechtbank [appellant B], [appellant C], [appellant D] en [appellant E] ten onrechte niet heeft aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Hetgeen hierna wordt overwogen, heeft dan ook geen betrekking op laatstbedoelde personen.

Het betoog slaagt niet.

Inhoudelijk

Strijd met het bestemmingsplan

9.       [appellant A] en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat het gewijzigde bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan en dat ten onrechte geen omgevingsvergunning voor de activiteit afwijken van het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo is verleend.

Zij voeren hiertoe aan dat het deel van het servicegebouw dat oorspronkelijk was voorzien als kantine op de bouwtekening een overheersende en dominante uitstraling heeft en dat de oppervlakte van dit deel niet is gewijzigd op de bouwtekening. Daarnaast kan er in het servicegebouw koffie worden geschonken waardoor volgens hen sprake blijft van een horecafunctie, terwijl het bestemmingsplan een horecafunctie niet toestaat.

Ook voeren zij - kort samengevat - aan dat de verleende omgevingsvergunning een onaanvaardbare aantasting betekent van hun woon- en leefklimaat. De rechtbank heeft in dit verband miskend dat een aanvullende aanvraag had moeten worden gedaan, waarbij de milieueffecten van de voorziene ontwikkeling opnieuw moeten worden beoordeeld.

9.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 22 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2779), dient bij toetsing van een bouwplan aan een bestemmingsplan niet slechts te worden bezien of het bouwwerk overeenkomstig de bestemming kan worden gebruikt, maar dient mede te worden beoordeeld of het bouwwerk ook met het oog op zodanig gebruik wordt gebouwd. Dit houdt in dat een bouwwerk in strijd met de bestemming moet worden geoordeeld indien redelijkerwijs valt aan te nemen dat het bouwwerk uitsluitend of mede zal worden gebruikt voor andere doeleinden dan die waarin de bestemming voorziet.

9.2.    Aan de gronden van het perceel waar het servicegebouw is voorzien is in het bestemmingsplan de bestemming "Groen" en de aanduiding "bijgebouwen" toegekend. Uit artikel 6.1, aanhef en onder l, artikel 6.2.1, aanhef en onder b, en artikel 6.3, onder a, van de regels van het bestemmingsplan volgt dat op deze gronden een gebouw van 360 m2 ter ondersteuning van de sportfaciliteiten en het terrein mag worden gebouwd, waarbij het gebruik van dit gebouw gerelateerd dient te zijn aan de levensbeschouwelijke doelstelling van, in dit geval, CGN.

9.3.    De Afdeling ziet in het aangevoerde geen aanleiding voor de conclusie dat het aangevraagde servicegebouw en het gebruik daarvan niet in overeenstemming zijn met de regels van het bestemmingsplan.

Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de omstandigheid dat een deel van het servicegebouw zal worden gebruikt als schuil- en rustmogelijkheid voor de leden van de geloofsgemeenschap van CGN, bij het beoefenen van sport en spel op het terrein, waarbij een kopje koffie mag worden gedronken en meegebrachte voedingsmiddelen mogen worden genuttigd, in overeenstemming is met het bestemmingsplan. De Afdeling stelt vast dat het bestemmingsplan in het servicegebouw, dat binnen het plangebied is voorzien op gronden met de bestemming "Groen", geen horecafunctie toestaat. Een dergelijke horecavoorziening is uitsluitend toegestaan in het op het terrein op te richten ontmoetingscentrum (aangeduid als gebouw A), dat binnen het plangebied op gronden met de bestemming "Maatschappelijk" is toegestaan. Het servicegebouw is niet bedoeld voor gebruik als ontmoetingsruimte, zo heeft het college op de zitting bevestigd. Voor zover [appellant A] en anderen vrezen voor ander gebruik van het servicegebouw dan op grond van de regels van het bestemmingsplan is toegestaan, kan het college worden verzocht daar handhavend tegen op te treden. Dat is een afzonderlijke procedure die hier niet aan de orde is.

Verder heeft de rechtbank terecht overwogen dat de afweging of de beoogde ontwikkelingen op het perceel, waar het nu voorliggende servicegebouw een (klein) onderdeel van uitmaakt, ruimtelijk aanvaardbaar zijn, heeft plaatsgevonden in de procedure die heeft geresulteerd in het besluit tot vaststellen van het bestemmingsplan. Bij het verlenen van de gevraagde omgevingsvergunning voor het servicegebouw moet, gelet op artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo, het college uitsluitend beoordelen of zich voor de omgevingsvergunning één van de in dat artikel opgenomen weigeringsgronden voordoet. De weigeringsgrond als bedoeld in artikel 2.10, aanhef en onder c, van de Wabo doet zich hier niet voor. Artikel 2.10 van de Wabo biedt dan geen ruimte voor een beoordeling van de door hen genoemde aspecten over onder meer milieuoverlast en de nadelige invloed op de ecologische zone De Doorbraak. De rechtbank is terecht tot dit oordeel gekomen.

Het betoog slaagt niet.

Toekomstige ontwikkelingen in het plangebied

10.     Voor zover [appellant A] en anderen betogen dat het bestemmingsplan achterhaald is door de fusie van CGN met een andere afdeling, is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat deze omstandigheid bij de toetsing van de aanvraag om omgevingsvergunning voor bouwen van het servicegebouw aan artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo niet relevant is. De omvang van het servicegebouw en het toegestane gebruik hiervan ligt vast en past binnen de regels van het bestemmingsplan. Als in de toekomst mocht blijken dat dit niet langer het geval is, dan zal het bestemmingsplan mogelijk daarop moeten worden aangepast. Ook dat is een afzonderlijke procedure die hier niet aan de orde is.

Het betoog slaagt niet.     

Wet bibob

11.     [appellant A] en anderen betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college bij de besluitvorming een integriteitsbeoordeling in het kader van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: Wet bibob) had moeten laten opstellen, alvorens de vergunning kon worden verleend. Hiertoe voeren zij aan dat de aanvrager van de omgevingsvergunning in relatie staat tot plegers van strafbare feiten.

11.1.  Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar overzichtsuitspraak van 11 november 2020, onder 10.108, ECLI:NL:RVS:2020:2706), strekt het weigeren van een vergunning met toepassing van de Wet bibob tot bescherming van het algemene belang bij het voorkomen dat de overheid ongewild criminele activiteiten faciliteert. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat er geen zodanige verwevenheid bestaat tussen de individuele belangen van [appellant A] en anderen bij het behoud van een goede kwaliteit van hun directe leefomgeving en het algemene belang dat de Wet bibob beoogt te beschermen. Dit betekent dat zij zich, gelet op artikel 8:69a van de Awb, niet op schending van de normen in de Wet bibob kunnen beroepen. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht overwogen dat het relativiteitsvereiste in de weg staat aan een vernietiging van het besluit van 19 september 2019 op basis van deze beroepsgrond.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie

12.     Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

13.     Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen

Uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2022

159-933

 

BIJLAGE

 

Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Artikel 1:2, eerste lid, van de Awb luidt:

"Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken."

Artikel 3:12 van de Awb luidt:

"1. Voorafgaand aan de terinzagelegging geeft het bestuursorgaan in het in artikel 12 van de Bekendmakingswet voor het bestuursorgaan aangewezen publicatieblad op de in dat artikel bepaalde wijze kennis van het ontwerp.

2. In de kennisgeving wordt vermeld:

a. wie in de gelegenheid worden gesteld om zienswijzen naar voren te brengen;

b. op welke wijze dit kan geschieden;

c. indien toepassing is gegeven aan artikel 3:18, tweede lid: de termijn waarbinnen het besluit zal worden genomen."

Artikel 6:13 van de Awb luidt:

"Geen beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht, geen bezwaar heeft gemaakt of geen administratief beroep heeft ingesteld."

Artikel 8:69a van de Awb luidt:

"De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept."

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)

Artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo luidt:

"Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

[…]

e.      

1°. het oprichten,

2°. het veranderen of veranderen van de werking of

3°. het in werking hebben van een inrichting of mijnbouwwerk,

[…]."

Artikel 2.10 van de Wabo luidt:

"1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:

a. de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 2 of 120 van de Woningwet;

b. de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden het naar het oordeel van het bevoegd gezag niet aannemelijk maken dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij de bouwverordening of, zolang de bouwverordening daarmee nog niet in overeenstemming is gebracht, met de voorschriften die zijn gesteld bij een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 8, achtste lid, van de Woningwet dan wel bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 120 van die wet;

c. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12;

d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a, van de Woningwet, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend;

[…]

2. In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is."

Artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo luidt:

"Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:

1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,

2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat;"

Artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo luidt:

"Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de voorbereiding van de beschikking op de aanvraag om een omgevingsvergunning, indien de aanvraag geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op:

a. een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, voor zover er strijd is met het bestemmingsplan of een beheersverordening en slechts vergunning kan worden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°;"

Besluit omgevingsrecht

Artikel 4, aanhef en onderdeel 9, van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht luidt:

"Voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking:

[…]

9. het gebruiken van bouwwerken, eventueel in samenhang met bouwactiviteiten die de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume niet vergroten, en van bij die bouwwerken aansluitend terrein, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, het uitsluitend betreft een logiesfunctie voor werknemers of de opvang van asielzoekers of andere categorieën vreemdelingen;".

Planregels bestemmingsplan "Bavinckel"

Artikel 6 luidt:

"Groen

6.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a.       groenvoorzieningen;

b.       tuinen;

c.       fiets- en/of voetpaden;

d.       speelvoorzieningen en hierbij passende verblijfsvoorzieningen;

e.       nutsvoorzieningen;

f.       waterhuishoudkundige doeleinden, waterbergingen en waterlopen;

g.       verkeersvoorzieningen ten behoeve van het bestemmingsverkeer;

h.       voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, waaronder begrepen voorzieningen ten behoeve van het vasthouden, bergen, aan- en afvoeren van water;

i.        een sportveld ter plaatse van de aanduiding 'sportveld';

j.        een parkeerterrein ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein';

k.       een bomenlaan ter plaatse van de aanduiding 'bomenrij';

l.        maximaal één gebouw ter ondersteuning van de sportfaciliteiten en het terrein;

met de daarbij behorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en verhardingen.

6.2 Bouwregels

6.2.1 Gebouwen

Binnen deze bestemming mogen geen gebouwen worden gebouwd, met uitzondering van:

a.       nutsvoorzieningen, met inachtneming van de volgende regels:

1.       bouwhoogte maximaal 3 m;

2.       inhoud maximaal 36 m3.

b.       een gebouw ter ondersteuning van de sportfaciliteiten en het terrein, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bijgebouwen', met inachtneming van de volgende regels:

1.       goothoogte maximaal 6 m;

2.       bouwhoogte maximaal 6 m;

3.       gezamenlijke brutovloeroppervlakte bebouwing maximaal 360 m2.

6.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Binnen deze bestemming mogen bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten dienste van deze bestemming worden gebouwd met inachtneming van de volgende regels:

a.       de bouwhoogte van kunstobjecten en bouwwerken ten behoeve van verlichting, geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer bedraagt maximaal 10 meter;

b.       de bouwhoogte van speelinstallaties en ballenvangers bedraagt maximaal 6 meter;

c.       de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt maximaal 3 meter.

6.3 Specifieke gebruiksregels

a.       het gebruik van de in lid 6.1 genoemde doeleinden dienen gerelateerd te zijn aan de levensbeschouwelijke doeleinden zoals in Artikel 7 ('Maatschappelijk');

b.       parkeren mag uitsluitend plaatsvinden ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein'."