Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2022:963

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-03-2022
Datum publicatie
30-03-2022
Zaaknummer
202105165/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2021:3311, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 maart 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Heerde een aanvraag om tegemoetkoming in planschade van [appellant] afgewezen. [appellant] is sinds 13 september 1991 eigenaar van perceel [locatie] te Wapenveld. [appellant] heeft verzocht om een tegemoetkoming in planschade ten gevolge van het op 25 september 2013 in werking getreden bestemmingsplan "Buitengebied Oost". Het nieuwe bestemmingsplan staat het varen in kano’s op de nabij gelegen waterloop Evergunne toe, terwijl dat volgens [appellant] op grond van het vorige bestemmingsplan "Uiterwaarden" niet was toegestaan. Volgens [appellant] leidt het nieuwe bestemmingsplan tot waardevermindering van zijn perceel door aantasting van zijn privacy en rust, waardoor hij schade lijdt. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college de aanvraag van [appellant] terecht heeft afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2022-0079
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202105165/1/A2.

Datum uitspraak: 30 maart 2022

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Wapenveld, gemeente Heerde,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 30 juni 2021 in zaak nr. 20/5344 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Heerde.

Procesverloop

Bij besluit van 17 maart 2020 heeft het college een aanvraag om tegemoetkoming in planschade van [appellant] afgewezen.

Bij besluit van 1 september 2020 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 30 juni 2021 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 februari 2022, waar [appellant], bijgestaan door mr. K.M. Weinans, advocaat te Zwolle, en het college, vertegenwoordigd door S. Vosselman, zijn verschenen.

Overwegingen

Voorgeschiedenis

1.       [appellant] is sinds 13 september 1991 eigenaar van perceel [locatie] te Wapenveld. [appellant] heeft verzocht om een tegemoetkoming in planschade ten gevolge van het op 25 september 2013 in werking getreden bestemmingsplan "Buitengebied Oost" (hierna: het nieuwe bestemmingsplan). Het nieuwe bestemmingsplan staat het varen in kano’s op de nabij gelegen waterloop Evergunne toe, terwijl dat volgens [appellant] op grond van het vorige bestemmingsplan "Uiterwaarden" (hierna ook: het oude bestemmingsplan) niet was toegestaan. Volgens [appellant] leidt het nieuwe bestemmingsplan tot waardevermindering van zijn perceel door aantasting van zijn privacy en rust, waardoor hij schade lijdt.

2.       Het college heeft aan het in bezwaar gehandhaafde besluit van 17 maart 2020 een door de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: SAOZ) opgesteld advies van februari 2020 ten grondslag gelegd. Volgens de SAOZ bevatte het bestemmingsplan "Uiterwaarden" geen verbod om op de waterloop Evergunne met kano’s te varen. De SAOZ is tot de conclusie gekomen dat het nieuwe bestemmingsplan voor [appellant] geen planologisch nadeel oplevert, omdat kanovaart zowel in het oude als in het nieuwe bestemmingsplan mogelijk was.

3.       De rechtbank heeft geoordeeld dat het college de aanvraag van [appellant] terecht heeft afgewezen.

Maatstaf

4.       Voor de beoordeling van een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade dient te worden onderzocht of de aanvrager als gevolg van de desbetreffende wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren en ten gevolge daarvan schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient de desbetreffende wijziging, waarvan gesteld wordt dat deze planschade heeft veroorzaakt, te worden vergeleken met het oude planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, maar wat maximaal op grond van het oude planologische regime kon worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking heeft plaatsgevonden. Alleen ingeval realisering van de maximale mogelijkheden met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten, kan aanleiding bestaan om van dit uitgangspunt af te wijken. Zie de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 28 september 2016 onder 2.1 en 2.3, ECLI:NL:RVS:2016:2582.

Hoger beroep

5.       [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat op grond van het oude bestemmingsplan kanovaart op de waterloop Evergunne was toegestaan.

[appellant] voert primair aan dat de waterloop Evergunne in het oude bestemmingsplan niet was bestemd voor scheepvaart. Dit volgt volgens hem uit het zinsdeel ‘voor zover van toepassing’ in de doeleindenomschrijving voor gronden met de bestemming "Water". Volgens [appellant] betekent dit zinsdeel dat scheepvaart op gronden met de bestemming "Water" niet was toegestaan, tenzij het van toepassing is. Er waren drie waterlopen binnen het plangebied van het oude bestemmingsplan. Volgens [appellant] was op één van die waterlopen scheepvaart niet van toepassing en daarom niet toegestaan, omdat volgens hem anders het zinsdeel een dode letter zou zijn en alleen maar verwarring zou scheppen. De waterloop Evergunne was van de drie waterlopen de kleinste, het minste geschikt voor verkeer over water en voor deze waterloop ontbreekt een aanduiding op de plankaart. Daarom was volgens [appellant] scheepvaart op de waterloop Evergunne op grond van het oude bestemmingsplan niet toegestaan. Volgens [appellant] heeft de rechtbank bij de uitleg van het zinsdeel ‘voor zover van toepassing’ ten onrechte de breedte en diepgang van de waterloop Evergunne betrokken, omdat de uitleg van planregels daardoor ten onrechte afhankelijk wordt van de feitelijke situatie en fysieke mogelijkheden. Volgens [appellant] moeten planregels begrepen kunnen worden zonder ter plaatse de situatie te bezien en afhankelijk te zijn van wisselende fysieke mogelijkheden. De uitleg van de rechtbank is volgens hem dan ook in strijd met de rechtszekerheid.

[appellant] voert subsidiair aan dat kanovaart niet onder het begrip scheepvaart valt. Aangezien dit begrip in het oude bestemmingsplan niet is omschreven, moet worden uitgegaan van de betekenis die scheepvaart heeft in het normaal spraakgebruik. De rechtbank heeft volgens [appellant] ten onrechte de betekenis van scheepvaart in andere wetgeving bij haar oordeel betrokken. Volgens [appellant] heeft het begrip scheepvaart alleen betrekking op economische activiteiten en wordt een kano daarvoor niet gebruikt, zodat  een kano niet valt onder het begrip scheepvaart.

5.1.    De waterloop Evergunne was in het oude bestemmingsplan bestemd als "Water". Artikel 10.1 van de voorschriften van het oude bestemmingsplan luidt:

"De op de plankaart voor water aangewezen gronden zijn bestemd voor waterberging, waterhuishouding; waterlopen en oeverstroken, - voor zover van toepassing - voor de scheepvaart, met de daarbij behorende andere bouwwerken, waaronder bruggen, dammen en/of duikers en voorzieningen."

5.2.    Vast staat dat het begrip "scheepvaart" niet wordt omschreven in de planregels van het oude bestemmingsplan. De rechtbank heeft daarom terecht overwogen dat het college voor de uitleg van dit begrip heeft kunnen aansluiten bij de betekenis die daaraan in het algemeen spraakgebruik en in andere wetgeving wordt gegeven. In het Van Dale Groot Woordenboek van de Nederlandse Taal is scheepvaart omschreven als: "het varen met schepen als economische activiteit, het reizen en vervoeren te water en al wat daarmee samenhangt". De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college, in navolging van de SAOZ, terecht heeft aangenomen dat kanovaart reizen te water is en dus onder het begrip scheepvaart valt.

5.3.    Anders dan [appellant] betoogt, volgt uit het zinsdeel ‘voor zover van toepassing’ in artikel 10.1 van de voorschriften van het oude bestemmingsplan niet dat op grond van het oude bestemmingsplan geen scheepvaart was toegestaan op de waterloop Evergunne. Uit de tekst van dat zinsdeel kan immers geen verbod worden afgeleid om gronden met de bestemming "Water" te gebruiken voor scheepvaart. In de voorschriften van het oude bestemmingsplan is ook niet bepaald op welke gronden met de bestemming "Water" of in welke gevallen scheepvaart al dan niet van toepassing was en op de plankaart is hierover voor geen van de waterlopen in het plangebied een aanduiding opgenomen. De voorschriften van het oude bestemmingsplan bevatten ook overigens geen verbod om bepaalde gronden met de bestemming "Water" voor scheepvaart, waaronder kanovaart, te gebruiken. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat het zinsdeel ‘voor zover van toepassing’ niet de juridisch planologische betekenis heeft die [appellant] daaraan gehecht wil zien.

Volgens het SAOZ-advies had het bestemmingsvlak "Water" voor de waterloop Evergunne een breedte van ongeveer 9 m. Dat, zoals [appellant] ter zitting heeft gezegd, de waterloop Evergunne een groot gedeelte van het jaar feitelijk niet voor kanovaart kan worden gebruikt, omdat de bedding van de waterloop gedeeltelijk met planten is begroeid en het waterpeil in de waterloop gedurende het jaar sterk fluctueert, is voor de planvergelijking niet relevant. Onder het regime van het oude bestemmingsplan was nabij het perceel van [appellant] planologisch kanovaart op een waterloop van ongeveer 9 m breed toegestaan. De waterloop Evergunne kon door uitdieping, verbreding en onderhoud feitelijk geschikt worden gemaakt voor dit planologisch toegestane gebruik. Kanovaart op de waterloop Evergunne was onder het regime van het oude bestemmingsplan dan ook niet met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid uitgesloten.

5.4.    De conclusie is dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] ten gevolge van het nieuwe bestemmingsplan geen planologisch nadeel en daarmee geen planschade lijdt.

5.5.    De betogen slagen niet.

Slotsom

6.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd.

7.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.C.W. Lange, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H. Oranje, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

w.g. Oranje

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2022

507