Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2022:74

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-01-2022
Datum publicatie
12-01-2022
Zaaknummer
202100375/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 november 2020 heeft de raad van de gemeente Uithoorn het bestemmingplan "Bedrijventerrein Uithoorn 2020" vastgesteld. Het voorliggende plan gaat over het bedrijventerrein van Uithoorn. De voorheen geldende bestemmingsplannen dateren vanaf 1996. Deze bestemmingsplannen zijn volgens de raad al geruime tijd aan herziening toe. Het voorliggende bestemmingsplan is een actualisatie van voorgaande bestemmingsplannen en heeft als hoofddoel dat het bedrijventerrein Uithoorn in de toekomst een aantrekkelijke vestigingslocatie blijft voor nieuwe en gevestigde ondernemers. Hercules is gevestigd aan de Molenlaan 29 in Uithoorn (hierna: het perceel) en is een metaalconstructiebedrijf en apparatenbouwer. Hercules kan zich niet met het plan verenigen omdat met het plan het bedrijf wordt beperkt in zijn bedrijfsvoering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2022/8
Milieurecht Totaal 2022/7363
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202100375/1/R1.

Datum uitspraak: 12 januari 2022

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.       Konstruktiebedrijf Hercules B.V. en anderen (hierna tezamen en in enkelvoud: Hercules), gevestigd te Uithoorn,

2.       Stichting Uithoorn in Bedrijf en Ondernemersvereniging Uithoorn (hierna tezamen en in enkelvoud: SUB), gevestigd te Uithoorn,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Uithoorn,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 26 november 2020 heeft de raad het bestemmingplan "Bedrijventerrein Uithoorn 2020" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben Hercules en SUB beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Hercules, SUB en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 november 2021, waar Hercules, vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en [gemachtigde B], bijgestaan door mr. J.M. Smits, rechtsbijstandsverlener te Nieuwegein, en SUB, vertegenwoordigd door [gemachtigde C] en [gemachtigde D], bijgestaan door mr. M.D. de Wit, advocaat te Uithoorn, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       Het voorliggende plan gaat over het bedrijventerrein van Uithoorn. De voorheen geldende bestemmingsplannen dateren vanaf 1996. Deze bestemmingsplannen zijn volgens de raad al geruime tijd aan herziening toe. Het voorliggende bestemmingsplan is een actualisatie van voorgaande bestemmingsplannen en heeft als hoofddoel dat het bedrijventerrein Uithoorn in de toekomst een aantrekkelijke vestigingslocatie blijft voor nieuwe en gevestigde ondernemers.

2.       Hercules is gevestigd aan de Molenlaan 29 in Uithoorn (hierna: het perceel) en is een metaalconstructiebedrijf en apparatenbouwer. Hercules kan zich niet met het plan verenigen omdat met het plan het bedrijf wordt beperkt in zijn bedrijfsvoering. Uit de stukken en wat op zitting is besproken blijkt dat de Stichting Uithoorn in Bedrijf een gezamenlijk initiatief is van belangenverenigingen van ondernemers in Uithoorn en De Kwakel. De Stichting Uithoorn in Bedrijf behartigt namens de aangesloten ondernemersverenigingen hun belangen. De Ondernemersvereniging Uithoorn maakt hier, volgens SUB, onderdeel van uit, maar is wel een afzonderlijke rechtspersoon. Het beroep is ingesteld namens de twee afzonderlijke rechtspersonen. SUB kan zich ook niet verenigen met het bestemmingsplan, vanwege de beperkingen die hieruit voortvloeien voor de ondernemers.

3.       De toepasselijke regelgeving is, voor zover deze niet is opgenomen in de uitspraak zelf, opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt onderdeel uit van deze uitspraak.

Toetsingskader

4.       Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Is het besluit van 30 september 2021 een besluit als bedoeld in artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht?

5.       Artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) luidt:

"Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben."

5.1.    Bij besluit van 30 september 2021 heeft de raad het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Uithoorn 2020 (Herstelbesluit)" vastgesteld. Voor zover de raad zich op het standpunt stelt dat dit besluit  een besluit is zoals bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, overweegt de Afdeling het volgende. In het bestemmingsplan "Uithoornlijn en busverbinding Uithoorn" is de voorziene verlengde tramlijn die bekend staat als de Uithoornlijn planologisch vastgelegd en is ten westen van de Amsterdamseweg een onderstation planologisch mogelijk gemaakt en in de verbeelding opgenomen. Dit onderstation ligt ook binnen het bedrijventerrein van Uithoorn en valt binnen de grenzen van het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Uithoorn 2020", zoals vastgesteld op 26 november 2020. De raad heeft aangegeven dat in dat laatste plan dit onderstation verkeerd in de verbeelding is opgenomen en hij aan de betrokken gronden ten onrechte de bestemming "Groen" heeft gegeven. Met het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Uithoorn 2020 (Herstelbesluit)", vastgesteld op 30 september 2021, is alleen dit hersteld. Het op die datum vastgestelde plan betreft ook uitsluitend de gronden van het onderstation. Dit besluit heeft in verband daarmee geen betrekking op onderdelen van het besluit van 26 november 2020 waartegen de beroepen van Hercules en SUB zijn gericht. Het voorgaande geeft daarom geen aanleiding om het besluit van 30 september 2021 aan te merken als een besluit in de zin van artikel 6:19 van de Awb. De beroepen van Hercules en SUB worden om die reden niet geacht mede gericht te zijn tegen het besluit van 30 september 2021.

Beroepsgrond van SUB over kantoren

Kantoren

6.       SUB betoogt dat het vestigen van zelfstandige kantoorruimte en/of zelfstandige zakelijke en creatieve dienstverlening binnen de bestemming "Bedrijf" ten onrechte alleen mogelijk is, indien gebruik wordt gemaakt van een in het bestemmingsplan opgenomen wijzigingsbevoegdheid. SUB verwijst in dit verband naar artikel 3.6.4 van de planregels. Om het bedrijventerrein aantrekkelijk te maken en ook in de toekomst aantrekkelijk te houden, is het volgens SUB belangrijk dat rekening wordt gehouden met toekomstige ontwikkelingen en de wensen van de ondernemers. Het mogelijk maken van zelfstandige kantoren is zo’n toekomstige ontwikkeling waarmee rekening moet worden gehouden. De raad heeft volgens SUB niet in redelijkheid kunnen oordelen dat dit voorlopig niet wenselijk is. Het bij recht toestaan van kantoren in het bestemmingsplan zou volgens SUB een positief effect hebben, omdat kleinere bedrijven zich zullen vestigen op het bedrijventerrein, waar nu een groot deel van de bebouwing leegstaat. Daardoor wordt het probleem van leegstand en verloedering aangepakt. Kantoorruimte kan bovendien volgens SUB gezien worden als een optisch prettige overgang tussen woningen en bedrijventerreinen.

6.1.    Artikel 3.6.4 van de planregels luidt:

"Het bevoegd gezag is bevoegd overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening het bestemmingsplan te wijzigen voor het toestaan van zelfstandige kantoren en/of zelfstandige zakelijke en creatieve dienstverlening, mits voldaan wordt aan de volgende regels:

a. zelfstandige kantoren en/of zelfstandige zakelijke en creatieve dienstverlening zijn niet toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'veiligheidszone - bevi';

b. het groepsrisico berekend is en een verantwoording is opgesteld;

c. voorzien is in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein, zoals bepaald in artikel 23.1;

d. nieuwe zelfstandige kantoren en/of zelfstandige zakelijke en creatieve dienstverlening aan de Amsterdamseweg dienen ontsloten te worden op een ventweg;

e. waarden en belangen van derden niet onevenredig worden geschaad of kunnen worden geschaad;

f. dat uit onderzoek blijkt dat de extra verkeersgeneratie niet bijdraagt aan een afname van de verkeersveiligheid en bereikbaarheid;

g. dat uit onderzoek blijkt dat de verschillende milieuaspecten geen belemmering vormen;

h. in geval het een uitbreiding betreft van meer dan 500 m² de toelichting van het wijzigingsplan een beschrijving van de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling bevat."

6.2.    De raad stelt dat het bij recht toestaan van kantoren in het bestemmingsplan ertoe kan leiden dat, indien wordt uitgegaan van een invulling van de maximale planologische mogelijkheden, het hele bedrijventerrein transformeert in een kantorenpark. Volgens de raad is dit in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Een kantorenpark leidt volgens de raad tot bereikbaarheidsproblemen en parkeerproblemen, vanwege onder meer de verkeersaantrekkende werking. Daarnaast stelt de raad dat er geen behoefte is aan zoveel oppervlakte aan nieuwe kantoorruimte. Uit de jaarlijkse monitoring van het Platform Bedrijven en Kantoren (Plabeka) blijkt volgens de raad dat veel kantoren in de metropoolregio Amsterdam leeg staan. Dit wordt volgens de raad bevestigd door een in de regio Amstelland-Meerlanden door Stec Groep uitgevoerd onderzoek waarin de omvang van de structurele leegstand in kantoren en bedrijfsvastgoed in de regio in beeld is gebracht. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Toekomstperspectief incourant vastgoed" van 17 november 2020. Uit dit onderzoek blijkt volgens de raad dat in de regio 390.000 m2 aan kantoren leeg stond in juli 2020, waarvan ongeveer 135.000 m2 wordt aangemerkt als structurele leegstand. Dit houdt in dat de bebouwing ter plaatse al langer dan drie jaar leeg staat. Ook blijkt uit het onderzoek dat op bedrijventerreinen in de regio Amstelland-Meerlanden een leegstand van 3% bestaat.

6.3.    De Afdeling overweegt dat de raad, mede onder verwijzing naar het rapport "Toekomstperspectief incourant vastgoed", voldoende heeft gemotiveerd waarom voor zelfstandige kantoren en zelfstandige zakelijke en creatieve dienstverlening een wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan is opgenomen en zelfstandige kantoren niet bij recht zijn toegestaan. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

Het betoog faalt.

De beroepsgronden van Hercules en de overige beroepsgronden van SUB

Functieaanduidingen

7.       Hercules betoogt dat de raad onvoldoende is tegemoet gekomen aan de zienswijze die zij naar voren heeft gebracht tegen het ontwerpplan. In de zienswijze is aangegeven dat vanwege de verschillende functieaanduidingen op het perceel de bedrijfsvoering, zowel waar het gaat om constructiewerkzaamheden als om de apparatenbouw, beperkt wordt. Hercules betoogt dat de raad in het voorliggende plan ten onrechte apparatenbouw niet mogelijk heeft gemaakt doordat aan de verschillende delen van het perceel de functieaanduidingen "specifieke vorm van bedrijf - metaalconstructiebedrijf", "bedrijf tot en met categorie 3.1", "bedrijf tot en met categorie 3.2" en "bedrijf tot en met categorie 2" zijn toegekend. De bedrijfsvoering valt volgens Hercules onder milieucategorie 4.1. Hercules heeft op zitting nader toegelicht dat volgens haar op het gehele perceel een functieaanduiding moet rusten waarbij een bedrijf tot en met milieucategorie 4.1 is toegestaan.

7.1.    De raad stelt dat de bedrijfsvoering van Hercules inderdaad in milieucategorie 4.1 valt. Volgens de raad is in de planregels bij nader inzien ten onrechte de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - metaalconstructiebedrijf" gekoppeld aan een maximale milieucategorie van 3.2. De raad verzoekt in het verweerschrift in de gelegenheid te worden gesteld dit gebrek te herstellen door het toepassen van een zogenoemde bestuurlijke lus als geregeld in de artikelen 8:51a en 8:80a van de Awb.

Naar aanleiding van het verweerschrift en het verzoek van de raad om het gebrek te herstellen oordeelt de Afdeling als volgt. In artikel 3.1, onder r, van de planregels is volgens de raad ten onrechte aan de functieaanduiding "specifieke vorm van bedrijf - metaalconstructiebedrijf", die uitsluitend ligt op het perceel Molenlaan 29, een maximale milieucategorie van 3.2 gekoppeld. De Afdeling stelt vast dat de raad zich dus op een ander standpunt stelt dan hij in het besluit van 26 november 2020 heeft gedaan. Nu niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat dit besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en daarom in strijd is met artikel 3:2 van de Awb. Daarnaast heeft de raad, in aanmerking genomen dat hij erkent dat de bedrijfsvoering van Hercules in milieucategorie 4.1 valt, in strijd met artikel 3:46 van de Awb niet gemotiveerd waarom aan het perceel ook nog de functieaanduidingen "bedrijf tot en met categorie 3.1", "bedrijf tot en met categorie 3.2" en "bedrijf tot en met categorie 2", zijn toegekend. De raad zal voor het herstellen van het gebrek moeten onderzoeken of voor het gehele perceel de functieaanduiding met een maximale milieucategorie van 4.1 moet gelden. De Afdeling zal de vraag of het herstel kan plaatsvinden in de vorm van een bestuurlijke lus bespreken nadat zij hieronder de overige beroepsgronden heeft behandeld.

Het betoog slaagt.

Dubbelbestemmingen "Waterstaat - Waterkering" en "Waterstaat - Waterlopen"

8.       Het betoog van Hercules is gericht tegen het plandeel met de dubbelbestemmingen "Waterstaat - Waterkering" en "Waterstaat - Waterlopen", omdat door het toekennen van deze dubbelbestemmingen volgens haar ten onrechte een deel van de bedrijfsbebouwing, bestaande uit een gedeelte van het hoofdgebouw, een opslagunit en een afspuitplaats, onder het overgangsrecht is gebracht. Volgens Hercules heeft de raad onvoldoende gemotiveerd dat deze dubbelbestemmingen in overeenstemming zijn met een goede ruimtelijke ordening en is daarbij ook onvoldoende rekening gehouden met de belangen van het bedrijf. Hercules is het niet eens met artikel 16.3 van de planregels. Volgens Hercules kan weliswaar een omgevingsvergunning verleend worden voor het bouwen in afwijking van artikel 16.2 van de planregels, ten behoeve van de bestemming "Bedrijf", maar wordt dit ten onrechte afhankelijk gesteld van de goedkeuring van de beheerder van de waterkering. Hetzelfde geldt volgens Hercules voor artikel 17.3.1 van de planregels. Ook in dit artikel is de bevoegdheid opgenomen om in afwijking van artikel 17.2 van de planregels een omgevingsvergunning te verlenen voor het bouwen, maar ook hier is dit volgens Hercules ten onrechte afhankelijk gesteld van de goedkeuring van de beheerder van de waterloop.

9.       Het betoog van SUB richt zich tegen de planregeling voor het gehele gedeelte van het plangebied ten zuidoosten van de zogenoemde Thamerringsloot met de bestemming "Bedrijf" en de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterkering". SUB is het niet eens met de toegekende dubbelbestemming. Volgens SUB heeft deze bestemming tot gevolg dat er in totaal op een oppervlak van circa 21.000 m2, gelet op artikel 16 van de planregels, nog maar beperkt bebouwing mogelijk is. Daardoor worden volgens haar de ter plaatse gevestigde bedrijven in hun bedrijfsvoering en uitbreidings- en vestigingsmogelijkheden beperkt. Volgens SUB heeft de raad het gedeelte ten onrechte als waterkeringsgebied aangemerkt dan wel onvoldoende gemotiveerd waarom sprake is van een waterkeringsgebied. Volgens SUB heeft de raad bij het toekennen van de dubbelbestemming onvoldoende de belangen van de ter plaatse gevestigde ondernemers meegewogen. Daarnaast is volgens SUB sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel. SUB voert hiertoe aan dat in het bestemmingsplan "Vinckebuurt", waar ook de Thamerringsloot onderdeel van is, in de planregels minder strenge eisen worden gesteld wat betreft de bouwmogelijkheden op gronden met de bestemming "Waterstaat - Waterkering" dan in het voorliggende plan.

10.     De raad stelt dat, in tegenstelling tot wat Hercules betoogt, met het toekennen van de dubbelbestemmingen de bestaande bebouwing niet onder het overgangsrecht is gebracht. Dat is volgens de raad alleen het geval als de bebouwing met de vereiste watervergunningen is gerealiseerd en in strijd is met het voorliggende bestemmingsplan, als het overgangsrecht buiten beschouwing wordt gelaten. Volgens de raad is het gebruik van de bestaande bebouwing, na herstel van het onder 6.1 vastgestelde gebrek, echter als zodanig bestemd in het voorliggende plan.

De raad stelt verder dat ten noorden van het perceel aan de Molenlaan 29 een secundaire waterkering en een primaire watergang in de vorm van de Thamerringsloot liggen. Volgens de raad is het waterschap Amstel, Gooi en Vecht (hierna: AGV) het bevoegde gezag om regels en beperkingen te stellen aan het gebruik van de kern- en beschermingszones van deze waterstaatswerken op grond van de Keur. Volgens de raad is het waterschap verantwoordelijk voor dit deel van de goede ruimtelijke ordening. De raad wijst verder op artikel 30 van de Provinciale Ruimtelijke Verordening (hierna: PRV) en artikel 6.77 van de Omgevingsverordening NH2020 waarin de gemeente verplicht wordt om vanuit het oogpunt van ruimtelijke ordening bepalingen in het bestemmingsplan op te nemen die zorgen voor de bescherming van waterkeringen en primaire wateren. Volgens de raad zijn de beschermingszones zoals die in het bestemmingsplan zijn opgenomen met de dubbelbestemmingen "Waterstaat - Waterkering" en "Waterstaat - Waterlopen", in overeenstemming met de PRV en de regels van het waterschap.

11.     Op het perceel Molenlaan 29 gelden wat betreft het gedeelte van de bestaande bebouwing dat volgens Hercules onder het overgangsrecht is gebracht en voor zover hier verder van belang de bestemmingen "Bedrijf" en de dubbelbestemmingen "Waterstaat - Waterkering" en "Waterstaat - Waterlopen".

11.1.  De Afdeling overweegt met betrekking tot het betoog van Hercules dat de raad ten onrechte een deel van de bestaande bebouwing op het perceel onder het overgangsrecht heeft gebracht het volgende. Op grond van artikel 16.2 van de planregels mag op of in de gronden met de bestemming "Waterstaat - Waterkering" alleen gebouwd worden ten behoeve van het aanleggen en onderhouden van de waterkering. Op grond van artikel 17 van de planregels mogen op de gronden met de bestemming "Waterstaat - Waterlopen" alleen bouwwerken van geringe omvang gebouwd worden, welke noodzakelijk zijn voor beheer en behoud van primaire wateren. Op de zitting is door Hercules aangegeven dat de bestaande bebouwing is gerealiseerd voorafgaand aan de vaststelling van het voorliggende plan, met de daarvoor benodigde omgevingsvergunningen voor bouwen. Er bestaat geen aanleiding om te veronderstellen dat die mededeling onjuist is. Daarom moet het ervoor worden gehouden dat de bestaande bebouwing op het moment van het vaststellen van het voorliggende plan legaal aanwezig was. Vast staat dat de bestaande bebouwing niet is opgericht ten behoeve van het aanleggen en onderhouden van de waterkering of ten behoeve van het beheer en onderhoud van de primaire wateren. De Afdeling overweegt dat in tegenstelling tot wat de raad stelt, het gebruik van de bestaande bebouwing op het perceel bij gebreke van een omgevingsvergunning voor afwijken op grond van artikel 16.3 en 17.3.1 van de planregels dus in strijd is met artikel 16.2 en 17.2 van de planregels. De omstandigheid dat het gebruik, als het onder 6.1 geconstateerde gebrek op juiste wijze wordt hersteld, niet in strijd is met de bestemming "Bedrijf", doet daaraan niet af. Dat volgens de raad de bestaande bebouwing alleen onder het overgangsrecht valt indien deze met de benodigde watervergunningen is gerealiseerd, volgt de Afdeling niet. Het al dan niet realiseren van bebouwing met een watervergunning doet er in dit kader niet toe.

In beginsel moet legaal bestaande bebouwing en gebruik als zodanig in het bestemmingsplan worden bestemd. Indien nieuwe planologische inzichten daartoe aanleiding geven en het belang bij de beoogde nieuwe bestemming zwaarder weegt dan de gevestigde rechten en belangen, kan uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening daarvan worden afgezien. In dat geval kan het bestaande legale bouwwerk/gebruik onder het overgangsrecht worden gebracht als de raad aannemelijk maakt dat het bouwwerk/het gebruik op termijn zal worden verwijderd/beëindigd. Met het overgangsrecht wordt namelijk beoogd een tijdelijke situatie te overbruggen.      

Gelet op het voorgaande is de bestaande bebouwing op het perceel Molenlaan 29 onder het overgangsrecht gebracht. In de artikelen 24.1 en 24.2 van de planregels worden aan respectievelijk het bouwen en het gebruik met betrekking tot de bestaande bebouwing beperkingen gesteld. Hierdoor wordt Hercules beperkt in de mogelijkheden om dit gedeelte van het bedrijf te exploiteren. De raad heeft niet gemotiveerd waarom de bestaande bebouwing onder het overgangsrecht is gebracht. Het lijkt overigens ook niet de bedoeling geweest te zijn van de raad om de bestaande bebouwing en het gebruik daarvan op termijn te laten verwijderen onderscheidenlijk beëindigen. In dat geval had het op de weg van de raad gelegen de bestaande bebouwing positief te bestemmen. Aangezien de raad dit heeft nagelaten en niet heeft gemotiveerd waarom de situatie wel onder het overgangsrecht is gebracht, is het plan op dit punt in strijd met artikel 3:46 van de Awb vastgesteld.

Het betoog slaagt.

12.     Wat betreft de betogen van Hercules en SUB dat de raad ten onrechte de dubbelstemming "Waterstaat - Waterkering" en/of de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterlopen" heeft toegekend aan het perceel Molenlaan 29 en de gehele strook ten zuidoosten van de Thamerringsloot, overweegt de Afdeling het volgende. Op de vaststelling van het bestemmingsplan was, gelet op het overgangsrecht dat is vervat in artikel 12.2 van de op 17 november 2020 in werking getreden Omgevingsverordening NH2020, de PRV van toepassing. Op grond van artikel 30, eerste lid, van de PRV moet de raad voorzien in de bescherming van de waterkerende functie van regionale waterkeringen door op deze functie toegesneden bestemmingen en regels. Ook moet het bestemmingsplan voorzien in een vrijwaringszone aan weerszijden van de waterkeringen opdat reconstructies niet onmogelijk worden gemaakt. Deze lokaal benodigde vrijwaringszones worden overgenomen van de hoogheemraadschappen. Ingevolge het tweede lid is afwijken van de vrijwaringzone, als bedoeld in het eerste lid, slechts mogelijk indien hierover blijkens de toelichting bij het bestemmingsplan overeenstemming is bereikt tussen betrokken gemeenten, waterbeheerder en provincie.

Uit de plantoelichting volgt dat zich twee secundaire waterkeringen in het plangebied bevinden, waaronder de waterkering langs de watergang ten zuiden van de Thamerweg. Deze waterkeringen bestaan uit een kernzone en een beschermingszone en zijn vastgelegd op de Legger van AGV. Daarnaast is de watergang ten zuiden van de Thamerweg, zoals aangegeven op kaart 8 en de digitale verbeelding behorend bij de PRV, aangemerkt als regionale waterkering. De raad heeft om te voldoen aan de verplichting in artikel 30 van de PRV in de verbeelding en in de planregels de bescherming van onder meer de hiervoor genoemde waterkering gewaarborgd door het opnemen van de dubbelbestemmingen "Waterstaat - Waterkering" en "Waterstaat - Waterlopen". De raad heeft bij het toekennen van de dubbelbestemmingen terecht rekening gehouden met wat in de Keur en de Legger staat. De raad stelt evenwel ten onrechte dat het waterschap verantwoordelijk is voor dat gedeelte van de goede ruimtelijke ordening dat gaat over het beschermen van de waterkeringen en de primaire watergangen. Deze stelling vindt geen steun in de wet en overigens ook niet in de PRV. De raad is op grond van artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) verantwoordelijk voor een goede ruimtelijke ordening. De raad heeft in dit kader dan ook ten onrechte zowel in artikel 16.3, onder b, als artikel 17.3.1, onder b, van de planregels het verlenen van een omgevingsvergunning afhankelijk gesteld van de toestemming van de beheerder van de waterkering/waterloop, in dit geval het waterschap. De Afdeling overweegt dat de planregeling er in de kern op neerkomt dat het college van burgemeester en wethouders nooit een omgevingsvergunning kan verlenen indien de beheerder van de waterkering/waterloop hiervoor geen goedkeuring verleent. Dit is in strijd met het stelsel van de wet, zoals dat tot uitdrukking komt in artikel 3.1, eerste lid, van de Wro in samenhang bezien met artikel 2.4, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Met de planregeling wordt miskend dat het aan het college van burgemeester en wethouders is om de uiteindelijke afweging te maken of wel of geen omgevingsvergunning wordt verleend.

Gelet op het voorgaande is het plan, voor zover het de artikelen 16.3, onder b, en 17.3.1, onder b, van de planregels betreft, in strijd met het stelsel van de wet zoals hiervoor omschreven en dient het plan in zoverre vernietigd te worden. De Afdeling wijst de raad erop dat het overigens wel toegestaan is om in de planregeling op te nemen dat voorafgaand aan het verlenen van de omgevingsvergunning overleg dient plaats te vinden met de beheerder van de waterkering/waterloop.

Het betoog slaagt.

13.     Gelet op het voorgaande hoeft op het betoog van SUB dat gaat over het gelijkheidsbeginsel niet in te worden gegaan.

Conclusie

14.     Het beroep van Hercules is gelet op wat onder 7.1, 11.1 en 12 is overwogen gegrond. Ook het beroep van SUB is gelet op wat onder 12 is overwogen gegrond. Gelet op de aard en omvang van de geconstateerde gebreken ziet de Afdeling onvoldoende aanleiding voor het toepassen van een bestuurlijke lus als geregeld in de artikelen 8:51a en 8:80a van de Awb. Dit betekent het volgende.

15.     Het besluit van 26 november 2020 dient, voor zover ter plaatse van het perceel Molenlaan 29 de functieaanduidingen "bedrijf tot en met categorie 3.1", "bedrijf tot en met categorie 3.2", "bedrijf tot en met categorie 2" en "specifieke vorm van bedrijf - metaalconstructiebedrijf" en de dubbelbestemmingen "Waterstaat - Waterkering" en "Waterstaat - Waterlopen" zijn toegekend, vernietigd te worden. Dit heeft tot gevolg dat op dit perceel alleen nog de enkelbestemming "Bedrijf" en de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie 3" rusten. Deze bestemmingen maken het Hercules, gelet op de formulering van artikel 3 van de planregels, zonder functieaanduiding onmogelijk haar bedrijfswerkzaamheden uit te voeren in de periode tot aan de inwerkingtreding van een nieuw besluit. Ter voorkoming van dit gevolg zal de Afdeling met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb een voorlopige voorziening treffen. De Afdeling zal bepalen dat Hercules alle bedrijfsactiviteiten, voor zover die binnen milieucategorie 4.1 vallen, kan blijven uitvoeren totdat de raad ter uitvoering van deze uitspraak een nieuw besluit heeft genomen en dat besluit in werking is getreden.

16.     Daarnaast dient het besluit van 26 november 2020 te worden vernietigd, voor zover het betreft artikel 16.3, onder b, en artikel 17.3.1, onder b, van de planregels.

17.     De Afdeling zal de raad met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb opdragen om binnen 16 weken na de verzending van deze uitspraak, met inachtneming van wat daarin is overwogen, een nieuw besluit te nemen.

Proceskosten

18.     De raad moet de proceskosten van Hercules B.V. en SUB vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart de beroepen gegrond;

II.       vernietigt het besluit van de raad van de gemeente van Uithoorn van 26 november 2020, waarbij het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Uithoorn 2020" is vastgesteld, voor zover dit betreft:

a. artikel 16.3, onder b, en artikel 17.3.1, onder b, van de planregels;

b. ter plaatse van het perceel Molenlaan 29 de functieaanduidingen "bedrijf tot en met categorie 3.1", "bedrijf tot en met categorie 3.2", "bedrijf tot en met categorie 2" en "specifieke vorm van bedrijf - metaalconstructiebedrijf" en de dubbelbestemmingen "Waterstaat - Waterkering" en "Waterstaat - Waterlopen";

III.      draagt de raad van de gemeente Uithoorn op om binnen 16 weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit tot vaststelling van het plan te nemen voor de onderdelen, genoemd onder II, en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen;

IV.      treft de voorlopige voorziening dat aan het perceel Molenlaan 29 de functieaanduiding "bedrijf tot en met categorie 4.1" wordt toegekend, totdat voor dat plandeel een nieuw bestemmingsplan in werking is getreden;

V.       veroordeelt de raad van de gemeente Uithoorn tot vergoeding van - bij Konstruktiebedrijf Hercules B.V. en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.518,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

- bij Stichting Uithoorn in Bedrijf en Ondernemersvereniging Uithoorn in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.518,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

VI.      gelast aan de raad van de gemeente Uithoorn aan:

- Konstruktiebedrijf Hercules B.V. en anderen het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 360,00 vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

- Stichting Uithoorn in Bedrijf en Ondernemersvereniging Uithoorn het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 360,00 vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. B.P.M. van Ravels en mr. B. Meijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.       

w.g. Sparreboom

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2022

195-966

 

BIJLAGE

 

Bestemmingsplan "Bedrijventerrein Uithoorn 2020"

Artikel 3 Bedrijf

"De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 2': bedrijven in categorie 1 en 2 van de van deze regels deel uitmakende Staat van Bedrijfsactiviteiten;

b. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3.1': bedrijven in categorie 1, 2 en 3.1 van de van deze regels deel uitmakende Staat van Bedrijfsactiviteiten;

c. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3.2': bedrijven in categorie 1, 2, 3.1 en 3.2 van de van deze regels deel uitmakende Staat van Bedrijfsactiviteiten;

d. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 4.1': bedrijven in categorie 1, 2, 3.1, 3.2 en 4.1 van de van deze regels deel uitmakende Staat van Bedrijfsactiviteiten;

e. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 4.2': bedrijven in categorie 1, 2, 3.1, 3.2, 4.1 en 4.2 van de van deze regels deel uitmakende Staat van Bedrijfsactiviteiten;

f. ondersteunende zakelijke en creatieve dienstverlening;

g. ondersteunende kantoren;

h. ondersteunende horeca;

i. bestaande perifere detailhandel;

j. bestaande zelfstandige kantoren en bestaande zelfstandige zakelijke en creatieve dienstverlening;

k. bestaande publiekgerichte en maatschappelijke dienstverlening;

l. ondersteunende en productiegebonden detailhandel;

m. internethandel;

n. nutsvoorzieningen;

alsmede voor, ter plaatse van de aanduiding:

o. 'bedrijfswoning': één bedrijfswoning, tenzij een ander aantal is genoemd op de verbeelding;

p. 'specifieke vorm van bedrijf - dansschool en partycentrum': dansschool en horeca categorie IV;

q. 'specifieke vorm van bedrijf - duurzame machinefabriek': duurzame machinefabriek met maximale milieucategorie 3.2;

r. 'specifieke vorm van bedrijf - metaalconstructiebedrijf': een metaalconstructiebedrijf met maximale milieucategorie 3.2;

s. 'specifieke vorm van bedrijf - oliën- en vettenfabriek': een oliën en vettenfabriek met maximale milieucategorie 3.2;

t. 'specifieke vorm van bedrijf - ppg coatings': een bedrijf wat is gespecialiseerd in het vervaardiging van verf, vernis e.d., drukinkt en mastiek met maximale milieucategorie 4.2;

u. 'specifieke vorm van bedrijf - vervaardiging van producten van kunststof': een bedrijf dat producten vervaardigd van kunststof met maximale milieucategorie 5.3;

v. 'specifieke vorm van detailhandel - dierenspeciaalzaak': detailhandel gespecialiseerd in de verkoop van dieren, dierenvoeding en dierenbenodigdheden;

w. 'waterzuiveringsinstallatie': waterzuiveringsinstallatie met maximale milieucategorie 4.2;

met daarbij horende:

x. opslagruimten, magazijnen, opslag-, laad- en losplaatsen;

y. parkeervoorzieningen, (ontsluitings-)wegen, verhardingen en open terreinen;

z. groen-, water-, waterhuishoudkundige voorzieningen."

Artikel 3.2.1

"Op deze gronden mogen met inachtneming van de op de verbeelding aangegeven aanduidingen, uitsluitend ten dienste van de in artikel 3.1 genoemde bestemming worden gebouwd:

a. gebouwen;

b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde."

Artikel 16.1.1

"De voor 'Waterstaat - Waterkering' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen(en), mede bestemd voor:

a. de bescherming en instandhouding van de waterkering;

b. de waterhuishouding met de daarbij behorende voorzieningen;

c. voorzieningen ten dienste van de geleiding en beveiliging van het scheepvaartverkeer."

Artikel 16.2

"Op of in deze gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van het aanleggen en onderhouden van de waterkering."         

Artikel 16.3

"Het bevoegd gezag kan middels een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 16.2 voor het bouwen ten behoeve van de overige bestemmingen mits:

a. dit niet ten koste gaat van de mogelijkheid tot het onderhouden en aanleggen van de waterkering;

b. goedkeuring van de beheerder van de waterkering is verkregen."

Artikel 17.1.1

"De voor 'Waterstaat - Waterlopen' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor:

a. de bescherming, beheer en instandhouding van primaire wateren."

Artikel 17.2.1

"Op deze gronden mogen uitsluitend ten dienste van de in artikel 17.1 genoemde bestemming worden gebouwd:

a. bouwwerken van geringe omvang, welke noodzakelijk zijn voor het beheer en onderhoud van primaire wateren."

Artikel 17.3.1

"Het bevoegd gezag kan middels een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 17.2 voor het bouwen ten behoeve van de overige bestemmingen, mits voldaan wordt aan de volgende regels:

a. bouwen gaat niet ten koste van de mogelijkheid tot het onderhouden en aanleggen van de waterloop;

b. bouwen alleen is toegestaan na goedkeuring van de beheerder van de waterloop."

Artikel 24.1

"Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,

1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;

2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.

b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het artikel 24.1 sub a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het artikel 24.1 sub a met maximaal 10%;

c. artikel 24.1 sub a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan."  

Artikel 24.2

"a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet;

b. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in artikel 24.2 sub a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind;

c. Indien het gebruik, bedoeld in het artikel 24.2 sub a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten;

d. Het bepaalde onder artikel 24.2 sub a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan."