Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2022:70

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-01-2022
Datum publicatie
12-01-2022
Zaaknummer
202000760/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 mei 2019 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant aan [vergunninghouder] een vergunning verleend op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming voor het uitbreiden/wijzigen van een industrieel bedrijf aan de [locatie] te Helmond. [vergunninghouder] exploiteert op het perceel aan de [locatie] in Helmond een bedrijf voor het op- en overslaan en het bewerken van meststoffen. Op 16 november 2018 heeft [vergunninghouder] een Wnb-vergunning aangevraagd voor een wijziging en uitbreiding van het bedrijf. Bij besluit van 21 mei 2019 heeft het college deze vergunning verleend. [appellanten] vinden dat deze vergunning ten onrechte is verleend, omdat zij vrezen dat de emissies ten gevolge van de vergunde activiteit schade zullen veroorzaken aan natuurgebieden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202000760/1/R2.

Datum uitspraak: 12 januari 2022

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], beiden wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 20 december 2019 in zaken nrs. 19/1768 en 19/1799 in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B]

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant.

Procesverloop

Bij besluit van 21 mei 2019 heeft het college aan [vergunninghouder] een vergunning verleend op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming voor het uitbreiden/wijzigen van een industrieel bedrijf aan de [locatie] te Helmond.

[appellanten] hebben tegen het besluit van 21 mei 2019 beroep ingesteld.

Bij uitspraak van 20 december 2019 heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld.

[vergunninghouder] heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

[appellanten] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 mei 2021, waar [appellanten], in de persoon van [appellant B], bijgestaan door [gemachtigde], zijn verschenen. Voorts is ter zitting als partij gehoord [vergunninghouder], vertegenwoordigd door ing. R. Aartssen, bijgestaan door mr. P.E. de Bièvre en mr. H.P. IJkelenstam, advocaten te Amsterdam.

Overwegingen

Inleiding

1.       [vergunninghouder] exploiteert op het perceel aan de [locatie] in Helmond een bedrijf voor het op- en overslaan en het bewerken van meststoffen. Op 16 november 2018 heeft [vergunninghouder] een Wnb-vergunning aangevraagd voor een wijziging en uitbreiding van het bedrijf. Bij besluit van 21 mei 2019 heeft het college deze vergunning verleend.

[appellanten] vinden dat deze vergunning ten onrechte is verleend, omdat zij vrezen dat de emissies ten gevolge van de vergunde activiteit schade zullen veroorzaken aan natuurgebieden.

Aangevallen uitspraak

2.       De rechtbank heeft het beroep van [appellanten] tegen het besluit van 21 mei 2019 ongegrond verklaard en hun beroepsgronden niet inhoudelijk besproken, omdat het relativiteitsvereiste aan hen is tegengeworpen. De afstand tussen de percelen van [appellanten] en het dichtstbijgelegen Natura 2000-gebied is volgens de rechtbank namelijk te groot om het gebied tot hun directe woon- en leefomgeving te kunnen rekenen. Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat het college de bescherming van andere natuurgebieden dan Natura 2000-gebieden niet in de besluitvorming hoefde te betrekken, aangezien de op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb aangevraagde vergunning uitsluitend ziet op de bescherming van het behoud van de natuurwaarden in Natura 2000-gebieden.

Hoger beroep

Relativiteitsvereiste

3.       [appellanten] voeren aan dat de rechtbank er ten onrechte vanuit is gegaan dat zij niet belanghebbend zijn. Vanwege deze strenge leer zijn er volgens hen weinig mogelijkheden om voor het algemene belang van de natuurbescherming op te komen, terwijl iedere burger wordt geraakt door de vergunningverlening. Aangezien de natuur niet voor zichzelf kan opkomen, zijn [appellanten] van mening dat zij namens de natuur tegen de vergunning moeten kunnen opkomen. Zij stellen dat dit van belang is, omdat industriële bedrijven zoals [vergunninghouder] verplicht zijn om jaarlijks een PRTR-verslag op te stellen waarin zij rapporteren over hun afval, energie- en watergebruik en emissies naar lucht, water en bodem. Volgens [appellanten] heeft [vergunninghouder] structureel geen milieujaarverslagen (e-MJV) en geen PRTR-rapportages opgesteld. Daardoor zijn volgens [appellanten] procedurele fouten gemaakt en heeft [vergunninghouder] onjuiste gegevens in AERIUS ingevoerd. Verder betogen zij dat de emissiecijfers waarop de vergunningaanvraag is gebaseerd niet representatief zijn, omdat de emissiewaarden slechts eenmaal zijn gemeten, een onjuiste correctiefactor voor geur is toegepast en in AERIUS een onjuist aantal procesuren is ingevoerd.

3.1.    Anders dan [appellanten] veronderstellen heeft de rechtbank niet geoordeeld dat zij geen belanghebbenden zijn bij het besluit van 21 mei 2019, maar heeft de rechtbank geoordeeld dat het relativiteitsvereiste aan beiden kan worden tegengeworpen. In het hiernavolgende zal de Afdeling de hoger beroepsgrond van [appellanten] dat de rechtbank hen ten onrechte het relativiteitsvereiste heeft tegengeworpen, bespreken.

3.2.    Artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) luidt: "De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept."

Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.

3.3.    De bepalingen in de Wnb over de beoordeling van projecten en andere handelingen die gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied, zijn daarin opgenomen ter bescherming van het behoud van de natuurwaarden in deze gebieden. Uit de uitspraak van de Afdeling van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, in het bijzonder overwegingen 10.49-10.52, volgt dat de individuele belangen van natuurlijke personen bij het behoud van een goede kwaliteit van hun leefomgeving, waarvan een Natura 2000-gebied deel uitmaakt, zo verweven kunnen zijn met het algemene belang dat de Wnb beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen.

De woning van [appellant A] bevindt zich op ongeveer 5 km van het dichtstbijgelegen Natura 2000-gebied "Strabrechtse Heide & Beuven". Gelet hierop maakt het betreffende Natura 2000-gebied geen onderdeel uit van de directe leefomgeving van [appellant A]. Evenmin bestaat aanleiding voor het oordeel dat het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied "Strabrechtse Heide & Beuven" onderdeel uitmaakt van de directe leefomgeving van [appellant B], omdat de afstand tussen zijn woning en het Natura 2000-gebied ruim 7 km is.

Gelet op het voorgaande bestaat geen verwevenheid tussen de individuele belangen van [appellanten] bij het behoud van een goede kwaliteit van hun leefomgeving en het algemene belang dat de Wnb beoogt te beschermen. Dit betekent dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat zij zich, gelet op artikel 8:69a van de Awb, niet op die norm kunnen beroepen. Omdat de beroepsgronden van [appellanten] gezien het relativiteitsvereiste niet tot vernietiging van het besluit tot verlening van de vergunning kunnen leiden, ziet de Afdeling af van een inhoudelijke bespreking daarvan.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie

4.       Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.  

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.J.J.M. Pans, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.F.W. Tuit, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.         

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2022

425-975