Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2022:572

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-02-2022
Datum publicatie
23-02-2022
Zaaknummer
202003203/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij vier onderscheiden besluiten van 28 augustus 2017 heeft het college van burgemeester en wethouders van Stichtse Vecht aan de eigenaren van de woningen op de adressen [locatie 1], [locatie 2], [locatie 3] en [locatie 4] te Maarsen tegemoetkomingen toegekend in door hen geleden planschade. Bij besluit van 2 november 2017 heeft het college van burgemeester en wethouders van Stichtse Vecht de eigenaar van de woning op het adres [locatie 5] een tegemoetkoming toegekend in door hem geleden planschade. Op verzoek van [appellante sub 1] is de bestemming van het perceel [locatie 6] te Maarssen gewijzigd, zodat [appellante sub 1] dit perceel kan gebruiken om woningen te bouwen. [appellante sub 1] is op grond van een met de gemeente Stichtse Vecht gesloten planschadeovereenkomst gehouden de tegemoetkomingen die het college moet toekennen vanwege de voor haar gunstige wijziging van het planologische regime te vergoeden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202003203/1/A2.

Datum uitspraak: 23 februari 2022

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.       [appellante sub 1], gevestigd te [plaats],

2.       [appellant sub 2], wonend te Maarssen, gemeente Stichtse Vecht,

3.       [appellant sub 3], wonend te Maarssen, gemeente Stichtse Vecht,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden­Nederland van 7 april 2020 in zaak nr. 18/3416 in het geding tussen:

[appellante sub 1]

en

het college van burgemeester en wethouders van Stichtse Vecht.

Procesverloop

Bij vier onderscheiden besluiten van 28 augustus 2017 heeft het college aan de eigenaren van de woningen op de adressen [locatie 1], [locatie 2], [locatie 3] en [locatie 4] te Maarsen tegemoetkomingen toegekend in door hen geleden planschade.

Bij besluit van 2 november 2017 heeft het college de eigenaar van de woning op het adres [locatie 5] een tegemoetkoming toegekend in door hem geleden planschade.

Bij besluit van 31 juli 2018 heeft het college het door [appellante sub 1] tegen de hiervoor genoemde besluiten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij besluit van 9 juli 2019 heeft het college de eerder door hem toegekende tegemoetkomingen lager vastgesteld.

Bij uitspraak van 7 april 2020 in zaak nr. 18/3416 heeft de rechtbank het door [appellante sub 1] tegen de besluiten van 31 juli 2018 en 9 juli 2019 ingestelde beroepen gegrond verklaard, deze besluiten vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen op de door [appellante sub 1] gemaakte bezwaren met inachtneming van haar uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Bij uitspraak van 7 april 2020 in zaak nr. 19/3157 heeft de rechtbank het door [appellant sub 2] tegen het besluit van 9 juli 2019 ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen ervan in stand blijven.

[appellante sub 1] heeft tegen de uitspraak van de rechtbank in zaak nr. 18/3416 hoger beroep ingesteld.

[appellant sub 2] heeft tegen de uitspraak van de rechtbank in zaak nr. 19/3157 hoger beroep ingesteld. Omdat [appellant sub 2] geen gronden heeft aangevoerd, heeft de Afdeling dit hoger beroep bij uitspraak van 6 juli 2020 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Bij uitspraak van 27 januari 2021 heeft de Afdeling het door [appellant sub 2] daartegen gedane verzet ongegrond verklaard.

Bij besluit van 23 juni 2020 heeft het college, ter uitvoering van de door de rechtbank in haar uitspraak in zaak nr. 18/3416 gegeven opdracht, opnieuw beslist op de door [appellante sub 1] gemaakte bezwaren, deze bezwaren gegrond verklaard en de tegemoetkomingen vastgesteld op de in het besluit van 9 juli 2019 genoemde bedragen.

[appellant sub 2] en [appellant sub 3] hebben beroep ingesteld tegen het besluit van 23 juni 2020.

[appellante sub 1] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven naar aanleiding van het besluit van 23 juni 2020.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven naar aanleiding van het hoger beroep van [appellante sub 1].

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 december 2021, waar [appellante sub 1], vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. A. Daan, advocaat te Deventer, en het college, vertegenwoordig door A.M.B. Lagarde en S.L. Wegman, zijn verschenen. Verder is mr. drs. C.M.L. van der Lee KRMT, werkzaam bij de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: SAOZ), gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.       Op verzoek van [appellante sub 1] is de bestemming van het perceel [locatie 6] te Maarssen gewijzigd, zodat [appellante sub 1] dit perceel kan gebruiken om woningen te bouwen. [appellante sub 1] is op grond van een met de gemeente Stichtse Vecht gesloten planschadeovereenkomst gehouden de tegemoetkomingen die het college moet toekennen vanwege de voor haar gunstige wijziging van het planologische regime te vergoeden. Vóór de wijziging van het ter plaatse geldende planologische regime rustte op het perceel [locatie 6] de bestemming "Agrarisch", met de functieaanduidingen "fruitteelt" en "bedrijfswoning". Sinds de wijziging van het planologische regime rusten op dit perceel de bestemmingen "Wonen", "Tuin" en "Verkeer - Verblijfsgebied". [appellante sub 1] heeft met gebruikmaking van de nieuwe planologische mogelijkheden veertien woningen gerealiseerd.

2.       De eigenaren van de woningen op de adressen [locatie 1], [locatie 5], [locatie 2], [locatie 3] en [locatie 4] hebben ieder afzonderlijk het college om een tegemoetkoming verzocht in de planschade die zij lijden als gevolg van de voor [appellante sub 1] gunstige bestemmingswijziging. Het college heeft in navolging van adviezen van de SAOZ van juni en september 2017 bij besluiten van 28 augustus 2017 en 2 november 2017 tegemoetkomingen toegekend aan de eigenaren.

3.       [appellante sub 1] kon zich niet verenigen met de besluiten van 28 augustus 2017 en 2 november 2017 en heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Het college heeft deze bezwaren bij besluit van 31 juli 2018 ongegrond verklaard. [appellante sub 1] heeft hiertegen beroep ingesteld. De eigenaren van de woningen op de adressen [locatie 5] en [locatie 4], [appellant sub 2] en [appellant sub 3], hebben als derde-belanghebbenden deelgenomen aan de beroepsprocedure.

4.       Het college heeft op 9 juli 2019, tijdens de beroepsprocedure, een nieuw besluit genomen op de door [appellante sub 1] gemaakte bezwaren. Aan dit besluit heeft het college een nader advies van de SAOZ van 28 juni 2019 ten grondslag gelegd. In het besluit heeft het college een groter deel van de door de SAOZ begrote schadebedragen tot het normaal maatschappelijk risico van de eigenaren van de woningen gerekend, namelijk 5% van de waarde van hun woningen, waar dat eerder 3% en 4% was. Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1] en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

Het door [appellante sub 1] ingestelde beroep (zaak nr. 18/3416)

5.       De rechtbank heeft in haar uitspraak op het beroep van [appellante sub 1] (met zaak nr. 18/3416) vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat de eigenaren van de woningen op de adressen [locatie 1], [locatie 5], [locatie 2], [locatie 3] en [locatie 4] planschade lijden. Evenmin is in geschil wat de waarde van de woningen was voor de wijziging van het planologische regime van het perceel [locatie 6]. Tussen [appellante sub 1] en het college is verder niet in geschil dat een schadebedrag ter grootte van 5% van de waarde van de woningen voor rekening van de eigenaren van de woningen blijft. Wel is de omvang van het planologisch nadeel in geschil. Volgens [appellante sub 1] heeft de SAOZ ten onrechte geen rekening gehouden met de mogelijkheid van erfbebouwing op de percelen van de woningeigenaren onder het oude planologische regime. Verder heeft de SAOZ ten onrechte geen rekening gehouden met de mogelijkheid dat op het perceel [locatie 6] sleufsilo’s met een hoogte van 2,50 m konden worden gebouwd onder het oude regime. De stort- en stapelhoogte was ter plaatse niet beperkt en het was daarom mogelijk tot aan de perceelgrens in folie verpakt kuilgras op te slaan in stapels hoger dan 2,50 m. Omdat de SAOZ met deze mogelijkheden geen rekening heeft gehouden, heeft zij de waarde van de woningen onder het oude planologische regime en daarmee ook de schade van de eigenaren te hoog vastgesteld, aldus [appellante sub 1].

6.       De rechtbank heeft geoordeeld dat het besluit van 31 juli 2018 onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en niet is voorzien van een deugdelijke motivering. Over het besluit van 9 juli 2019 heeft de rechtbank als volgt geoordeeld. In haar nader advies van 28 juni 2019 heeft de SAOZ voldoende inzichtelijk gemaakt dat zij rekening heeft gehouden met de mogelijkheid van erfbebouwing op de percelen [locatie 2] en [locatie 3]. Het is naar het oordeel van de rechtbank op basis van het nader advies evenwel onvoldoende aannemelijk dat de realisatie van sleufsilo’s onder het oude planologische regime met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid was uitgesloten. Op dit punt is ook het besluit van 9 juli 2019 onzorgvuldig voorbereid en niet voorzien van een deugdelijke motivering.

7.       De rechtbank heeft het college opgedragen een nieuw besluit te nemen, waarin het nader motiveert waarom het onder het oude planologische regime niet mogelijk was sleufsilo’s te realiseren op het perceel [locatie 6].

Het door [appellant sub 2] ingestelde beroep (zaak nr. 19/3157)

8.       In haar uitspraak op het door [appellant sub 2] ingestelde beroep (met zaak nr. 19/3157) heeft de rechtbank geoordeeld dat het college het normaal maatschappelijk risico op 5% heeft kunnen stellen. Dit betekent dat [appellant sub 2] aanspraak heeft op een tegemoetkoming van € 5.000,00, aldus de rechtbank.

Het door [appellante sub 1] ingestelde hoger beroep

9.       [appellante sub 1] kan zich niet verenigen met de uitspraak van de rechtbank op het door haar ingestelde beroep en heeft daarom hoger beroep ingesteld.

10.     [appellante sub 1] betoogt dat de rechtbank bij de beoordeling van de besluitvorming van het college de planologische situatie zoals die eruitzag voor de wijziging van het planologische regime onjuist heeft ingevuld. Hiertoe voert [appellante sub 1] aan dat de rechtbank ten onrechte alleen is uitgegaan van de mogelijkheid van erfbebouwing op de percelen op de adressen [locatie 2] en [locatie 3], terwijl ook op de andere percelen aan de Klokjeslaan erfbebouwing kon worden gerealiseerd. [appellante sub 1] voert verder aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de SAOZ in haar advies van september 2017 ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de mogelijkheid dat op het perceel op het adres [locatie 5] bijgebouwen en overkappingen tot 3 m hoog konden worden opgericht. In haar nader advies van 28 juni 2019 heeft de SAOZ te kennen gegeven dat ook als zij rekening houdt met bebouwing met een hoogte van 3 m op de tussenliggende percelen dit een planologisch nadeel oplevert, maar dat dit zich niet vertaalt in een groter schadebedrag. Volgens [appellante sub 1] is dit onjuist en hadden de eerder niet bij de beoordeling betrokken bouwwerken tot bijstelling van de door de SAOZ begrote planschade moeten leiden. De rechtbank heeft zich bij de invulling van de planologische mogelijkheden onder het oude regime op het perceel [locatie 6] verder ten onrechte beperkt tot de vraag of op dit perceel sleufsilo’s konden worden opgericht. Omdat het perceel een agrarische bestemming had, konden hier ook veevoederbalen worden opgeslagen. In het voorheen geldende bestemmingsplan was geen limitering opgenomen voor de opslag van dergelijke balen. Dit betekent dat bij de planvergelijking rekening had moeten worden gehouden met een onbeperkte stapelhoogte. De vraag of sleufsilo’s hadden kunnen worden gerealiseerd onder het oude planologische regime moet volgens [appellante sub 1] bevestigend worden beantwoord. Dat het niet logisch was of bedrijfseconomisch niet wenselijk was om op het perceel [locatie 6] een agrarisch bedrijf te exploiteren, betekent niet dat het met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kon worden uitgesloten. Dat het, zoals het college stelt, niet gebruikelijk is dat sleufsilo’s worden opgericht op een perceel als [locatie 6] betekent ook niet dat het planologisch niet mogelijk was. De rechtbank heeft dit alles niet onderkend, aldus [appellante sub 1].

10.1.  Voor de beoordeling van een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade dient te worden onderzocht of de aanvrager als gevolg van de desbetreffende wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren en ten gevolge daarvan schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient de wijziging, waarvan gesteld wordt dat deze planschade heeft veroorzaakt, te worden vergeleken met het oude planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, maar wat maximaal op grond van het oude planologische regime kon worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking heeft plaatsgevonden.

Bij de beoordeling van een verzoek om tegemoetkoming in planschade als gevolg van planologische ontwikkelingen op gronden van derden, moet worden uitgegaan van de voor de aanvrager meest ongunstige invulling van de planologische mogelijkheden van die gronden. Slechts ingeval realisering van de maximale mogelijkheden met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten, kan aanleiding bestaan om van dit uitgangspunt af te wijken (zie de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2582).

10.2.  De Afdeling volgt [appellante sub 1] niet in haar standpunt dat de rechtbank ten onrechte de mogelijkheid van erfbebouwing niet bij haar beoordeling van de door de SAOZ in haar adviezen van juni en september 2017 verrichte planvergelijkingen heeft betrokken. De rechtbank is in de rechtsoverwegingen 19-21 van haar uitspraak ingegaan op de bebouwingsmogelijkheden die het oude planologische regime bood op de percelen van alle woningeigenaren. De rechtbank heeft geconstateerd dat de SAOZ alleen in haar advies dat ziet op het perceel op het adres [locatie 5] inzichtelijk heeft gemaakt dat zij rekening heeft gehouden met de planologische mogelijkheid van bijgebouwen en overkappingen op naburige percelen. Dit heeft zij in haar andere adviezen niet gedaan en die adviezen zijn daarom gebrekkig volgens de rechtbank. De besluiten van 28 augustus 2017 en 2 november 2017, waar deze adviezen aan ten grondslag zijn gelegd, moeten om die reden vernietigd worden. Dat de rechtbank niet is ingegaan op de bebouwingsmogelijkheden van alle percelen, zoals [appellante sub 1] stelt, berust dan ook op een onjuiste lezing van de aangevallen uitspraak.

10.3.  In de overwegingen 22 en 23 van de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank beoordeeld of het hiervoor besproken gebrek ook kleeft aan het nader advies van de SAOZ van 28 juni 2019, dat het college ten grondslag heeft gelegd aan zijn besluit van 9 juli 2019. De SAOZ heeft in dit advies toegelicht dat ook als rekening wordt gehouden met de realisatie van bijgebouwen ter hoogte van 3 m op de percelen van de woningeigenaren, vanuit de woningen, ook op de begane grond, nog steeds zicht is op de nieuwbouw die op het perceel [locatie 6] mogelijk is gemaakt. De woningen zijn namelijk 7 m hoger dan de bijgebouwen die op de percelen [locatie 1], [locatie 5], [locatie 2], [locatie 3] en [locatie 4] zijn toegestaan. De mogelijk gemaakte nieuwbouw is daarom volgens de SAOZ aan te merken als een verslechtering van het uitzicht. De rechtbank heeft geoordeeld dat de SAOZ zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat, als zij de bebouwingsmogelijkheden op de percelen [locatie 1], [locatie 5], [locatie 2], [locatie 3] en [locatie 4] bij de beoordeling van de planschade betrekt, dit niet van invloed is op de uitkomst van de planvergelijkingen zoals die zijn opgenomen in haar eerder uitgebrachte adviezen. De rechtbank vindt daarom dat het college met het nader advies van de SAOZ van 28 juni 2019 bij het aspect uitzicht voldoende rekening heeft gehouden met de maximale invulling van de planologische bebouwingsmogelijkheid van erfbebouwing op de percelen [locatie 2] en [locatie 3]. De Afdeling onderschrijft dit oordeel. In zoverre slaagt het betoog van [appellante sub 1] dan ook niet.

10.4.  Het betoog van [appellante sub 1] slaagt wel voor het overige. [appellante sub 1] heeft terecht aangevoerd dat de rechtbank in haar uitspraak niet is ingegaan op de mogelijkheid dat op het perceel [locatie 6] veevoederbalen konden worden opgestapeld in stapels hoger dan 2,50 m, de ter plaatse geldende bouwhoogte. De Afdeling stelt vast dat [appellante sub 1] dit standpunt in beroep heeft ingenomen - de rechtbank heeft dit standpunt ook weergegeven in overweging 24 van haar uitspraak. De rechtbank heeft zich vervolgens evenwel beperkt tot de vraag of op het perceel [locatie 6] sleufsilo’s konden worden opgericht. Hierover heeft ze terecht geoordeeld dat het college hierop in zijn besluit van 31 juli 2018 ten onrechte niet en in zijn besluit van 9 juli 2019 onvoldoende is ingegaan. De SAOZ stelt zich in haar aan het laatstgenoemde besluit ten grondslag gelegde advies van 28 juni 2019 op het standpunt dat het aan [appellante sub 1] is aannemelijk te maken dat de realisatie van sleufsilo’s op deze locatie niet slechts een theoretische mogelijkheid is. De rechtbank heeft hierover terecht overwogen dat de bewijslast op deze manier ten onrechte wordt omgedraaid; het college beroept zich erop dat de realisatie van sleufsilo’s met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid was uitgesloten en de SAOZ kon ter onderbouwing van dit standpunt niet volstaan met de opmerking dat bij haar geen vergelijkbare gevallen bekend zijn waarbij de door [appellante sub 1] voorgestane invulling van het plangebied gerealiseerd is. Hoewel de Afdeling de rechtbank dus volgt op dit punt, slaagt het betoog van [appellante sub 1], omdat de rechtbank ten onrechte niet ook een oordeel heeft gegeven over de mogelijkheid dat onder het oude planologische regime veevoederbalen op het perceel [locatie 6] konden worden opgestapeld.

10.5.  Uit het hiervoor overwogene volgt dat het hoger beroep van [appellante sub 1] gegrond is. Op wat dit betekent voor het geschil tussen [appellante sub 1] en het college gaat de Afdeling hieronder nog in. Uit het hiervoor overwogene volgt ook dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de besluitvorming van het college gebrekkig is wat betreft de onderbouwing van het standpunt over de realisatie van sleufsilo’s. De rechtbank heeft het college terecht in de gelegenheid gesteld dit in een nieuw te nemen besluit nader te onderbouwen. De Afdeling zal nu eerst het besluit beoordelen dat het college op 23 juni 2020 heeft genomen ter uitvoering van de door de rechtbank gegeven opdracht, aan de hand van de tegen dit besluit ingestelde beroepen.

Het besluit van 23 juni 2020

11.     Bij besluit van 23 juni 2020 heeft het college ter uitvoering van de door de rechtbank gegeven opdracht nader gemotiveerd waarom volgens hem met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid moet worden uitgesloten dat op het perceel [locatie 6] onder het oude planologische regime sleufsilo’s konden worden gerealiseerd. Op dit perceel rustte de bestemming "Agrarisch", met de functieaanduiding "fruitteelt". Sleufsilo’s worden normaal gesproken niet gebruikt door fruitteeltbedrijven, wel door veehouderijen. Veehouderijen die minder dan zestig koeien houden gebruiken doorgaans geen sleufsilo’s. Het lag niet in de rede dat zich op het perceel [locatie 6] - midden in een woonwijk - een veehouderij die meer dan zestig koeien houdt zou vestigen. In het geval er toch van moet worden uitgegaan dat onder het oude planologische regime sleufsilo’s gebouwd konden worden, heeft dit geen invloed op de door de SAOZ vastgestelde waardes van de woningen. De SAOZ heeft in haar adviezen namelijk al rekening gehouden met de realisatie van 2,5 m hoge bouwwerken, geen gebouwen zijnde, dicht bij de naburige percelen, aldus het college.

12.     Het besluit van 23 juni 2020 is, gelet op artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van die wet, van rechtswege onderwerp van dit geding.

13.     [appellante sub 1] heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 23 juni 2020. Volgens [appellante sub 1] heeft het college in dit besluit niet aannemelijk gemaakt dat op het perceel [locatie 6] geen sleufsilo’s konden worden opgericht onder het voorheen geldende planologische regime. Zij wijst erop dat het planologisch mogelijk was een veehouderij te exploiteren op dit perceel. Dat het ongebruikelijk is om een veehouderij op een locatie als deze te exploiteren, betekent niet dat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kon worden uitgesloten dat dit had kunnen gebeuren. [appellante sub 1] wijst erop dat een agrarisch bedrijf dat elders stallen en landerijen heeft het perceel [locatie 6] heel goed had kunnen gebruiken voor opslag van bijvoorbeeld ruwvoer. De SAOZ heeft zich op het standpunt gesteld dat de storthoogte van voer in sleufsilo’s in de praktijk nauwelijks hoger is dan de sleufsilo’s zelf. Dit neemt niet weg dat het wel mogelijk was. Omdat voor de opslag van voer geen beperkingen golden, had er rekening mee gehouden moeten worden dat veevoederbalen tot grote hoogtes konden worden opgestapeld. De SAOZ is er verder ten onrechte van uitgegaan dat sleufsilo’s alleen op een afstand van minimaal 25 m van geurgevoelige objecten kunnen worden gerealiseerd. In plastic verpakte veevoederbalen leveren geen stankoverlast op en hadden daarom goed opgeslagen kunnen worden op het perceel. Deze balen hadden met een niet gelimiteerde hoogte tot aan de perceelgrenzen opgestapeld kunnen worden. Het college heeft dit niet onderkend, aldus [appellante sub 1].

13.1.  De Afdeling stelt vast dat onder het oude planologische regime op het perceel [locatie 6] de bestemming "Agrarisch" rustte, met de functieaanduidingen "fruitteelt" en "bedrijfswoning". De gronden met deze bestemming waren bedoeld voor grasland, het beweiden van dieren, de teelt van fruit, kleinschalige detailhandel en parkeren met de daarbij behorende erven, groenvoorzieningen, water, voet- en fietspaden en overige functioneel met de bestemming "Agrarisch" verbonden voorzieningen. Uit deze omschrijving vloeit voort dat opslag op het perceel [locatie 6] enkel kon plaatsvinden voor zover dat ten behoeve van het beweiden van dieren, de teelt van fruit en kleinschalige detailhandel op die gronden - en dus niet elders gelegen gronden - geschiedde. De Afdeling leidt hieruit af dat het niet was toegestaan op het gehele oppervlak van het perceel sleufsilo’s op te richten. Van een niet gelimiteerde opstapeling van balen veevoer in sleufsilo’s zonder overkapping kon dan ook geen sprake zijn. Het was evenmin mogelijk balen veevoer ongelimiteerd buiten een sleufsilo op te stapelen.

13.2.  Uit het hiervoor overwogene volgt dat de Afdeling het standpunt van het college dat de realisatie van sleufsilo’s onder het oude regime zoals bedoeld door [appellante sub 1] met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid was uitgesloten niet deelt; de realisatie van sleufsilo’s was namelijk in het geheel niet mogelijk. Omdat het besluit van 23 juni 2020 berust op een ondeugdelijke motivering, komt dit besluit voor vernietiging in aanmerking.

14.     Ook [appellant sub 2] en [appellant sub 3] hebben beroep ingesteld tegen het besluit van 23 juni 2020. Zowel [appellant sub 2] als [appellant sub 3] is het oneens met de verhoging van het normaal maatschappelijk risico naar 5% van de waarde van hun woningen voor de planologische wijziging. Volgens [appellant sub 2] en [appellant sub 3] lag het niet in de lijn der verwachtingen dat op het perceel [locatie 6] woningen zouden worden gerealiseerd. Het college had het normaal maatschappelijk risico daarom op 2% van de waarde van hun woningen moeten stellen, aldus [appellant sub 2] en [appellant sub 3].

14.1.  In haar uitspraak in zaak nr. 19/3157, op het beroep van [appellant sub 2] tegen het besluit van het college van 9 juli 2019, heeft de rechtbank de motivering die het college ten grondslag heeft gelegd aan zijn standpunt dat een normaal maatschappelijk risico van 5% van de woningen gerechtvaardigd is beoordeeld. De rechtbank heeft overwogen dat het plangebied aan alle zijden aan woningen grenst en daarmee een zuivere inbreidingslocatie is. Woningbouw op een dergelijke locatie is volgens de rechtbank een normale maatschappelijke ontwikkeling. De rechtbank heeft verder overwogen dat de SAOZ er terecht op heeft gewezen dat de planologische wijziging past binnen langjarig door de gemeente gevoerd beleid en dat de wijziging gelet op de aard en omvang ervan en de structuur van de directe omgeving als passend kan worden aangemerkt. Op basis van het hiervoor overwogene is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat de onderbouwing van het college een normaal maatschappelijk risico van 5% van de woning van [appellant sub 2] kan dragen. De Afdeling onderschrijft het oordeel van de rechtbank over de door het college geven motivering. Omdat deze motivering ook ten grondslag ligt aan het besluit van 23 juni 2020 slagen de door [appellant sub 2] en [appellant sub 3] daartegen ingestelde beroepen daarom niet.

Finale beslechting van het geschil

15.     De Afdeling ziet aanleiding het geschil tussen [appellante sub 1] en het college definitief te beslechten. Uit het hierboven onder 13.1 overwogene blijkt dat het onder het oude planologische regime niet was toegestaan op het gehele perceel [locatie 6] in plastic verpakte veevoederbalen op te stapelen tot boven de maximale bouwhoogte van 2,50 m. De SAOZ heeft deze suggestie van [appellante sub 1] dan ook terecht buiten haar beoordeling van de omvang van het planologisch nadeel gelaten. Omdat er verder geen grond is te twijfelen aan de juistheid van de door de SAOZ gemaakte beoordeling van het planologisch nadeel dat de wijziging van het planologisch regime op het perceel [locatie 6] met zich heeft gebracht en de door de SAOZ begrote schadebedragen, zal de Afdeling bepalen dat de rechtsgevolgen van het besluit van 23 juni 2020 in stand blijven.

Slotsom

16.     Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, met verbetering van de gronden waarop zij berust. De Afdeling zal het door [appellante sub 1] tegen het besluit van 23 juni 2020 ingestelde beroep gegrond en de door [appellant sub 2] en [appellant sub 3] tegen dit besluit ingestelde beroepen ongegrond verklaren. Het besluit van 23 juni 2020 dient te worden vernietigd vanwege strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De Afdeling zal bepalen dat de rechtsgevolgen van dit besluit geheel in stand blijven.

17.     Het college moet de proceskosten van [appellante sub 1] vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.       bevestigt de aangevallen uitspraak;

III.      verklaart het door [appellante sub 1] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Stichtse Vecht van 23 juni 2020, kenmerk Z/18/145497-D/20/183320, ingestelde beroep gegrond;

IV.      verklaart de door [appellant sub 2] en [appellant sub 3] tegen dit besluit ingestelde beroepen ongegrond;

V.       vernietigt het besluit van 23 juni 2020;

VI.      bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

VII.     veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Stichtse Vecht tot vergoeding van bij [appellante sub 1] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.277,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Stichtse Vecht aan [appellante sub 1] het door haar voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 532,00 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. G.T.J.M. Jurgens en mr. B.J. Schueler, leden, in tegenwoordigheid van mr. W. Dijkshoorn, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen        

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen

Uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2022

735