Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2022:433

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-02-2022
Datum publicatie
16-02-2022
Zaaknummer
202003677/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 oktober 2018 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2022/86
JV 2022/52
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202003677/1/V1.

Datum uitspraak: 10 februari 2022

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 12 juni 2020 in zaak nr. 18/9913 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 1 oktober 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.

Bij besluit van 19 december 2018 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 juni 2020 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. B.W.M. Toemen, advocaat te 's-Hertogenbosch, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Overwegingen

1.       De vreemdeling met de gestelde Soedanese nationaliteit heeft een aanvraag ingediend voor verblijf bij haar drie biologische minderjarige Nederlandse kinderen. De vreemdeling doet een beroep op het arrest van het Hof van Justitie van 10 mei 2017, Chavez-Vilchez, ECLI:EU:C:2017:354, waarin het Hof uitleg heeft gegeven over artikel 20 van het VWEU.

2.       Deze uitspraak gaat over de bewijsmaatstaf en het beoordelingskader voor de identiteit en nationaliteit van een gestelde derdelander die een beroep doet op het arrest Chavez-Vilchez.

3.       De staatssecretaris klaagt in zijn enige grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat in haar geval bijzondere individuele omstandigheden bestaan die meebrengen dat het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel eraan in de weg staat dat zij bij de vaststelling of zij een verblijfsrecht ontleent aan artikel 20 van het VWEU haar identiteit moet bewijzen. De staatssecretaris betoogt onder meer dat de rechtbank dit niet juist heeft getoetst omdat de rechtbank niet heeft onderkend dat het aan de vreemdeling is haar identiteit en nationaliteit met toepassing van de vrije bewijsleer te staven en dat zij dat niet heeft gedaan.

3.1.    Uit de uitspraak van 24 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:356, onder 3.3 en 3.5, volgt dat de staatssecretaris in het kader van een beroep op het arrest Chavez-Vilchez niet van een vreemdeling mag verlangen dat hij een geldig document voor grensoverschrijding of een geldig identiteitsbewijs overlegt als die vreemdeling zijn identiteit en nationaliteit ondubbelzinnig aantoont met andere documenten. Dat betekent dat een vreemdeling niet eerst aannemelijk hoeft te maken dat hij in bewijsnood verkeert voordat hij zijn identiteit en nationaliteit met andere documenten mag aantonen.

3.2.    Anders dan de Afdeling in de uitspraak van 24 februari 2021 heeft overwogen en onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 29 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2159, onder 8.1, overweegt de Afdeling nu dat een vreemdeling die een beroep doet op het arrest Chavez-Vilchez zijn identiteit en nationaliteit niet ondubbelzinnig hoeft aan te tonen met andere documenten. Als een vreemdeling geen geldig document voor grensoverschrijding of een geldig identiteitsbewijs heeft overgelegd om zijn identiteit en nationaliteit aan te tonen, kan hij zijn identiteit en nationaliteit met alle andere middelen, waaronder zijn verklaringen, aannemelijk maken. De staatssecretaris moet vervolgens beoordelen of de vreemdeling daarin is geslaagd. Daarbij moet hij alle door de vreemdeling aangedragen middelen afzonderlijk en in onderlinge samenhang kenbaar bezien. De staatssecretaris mag in dat verband - gemotiveerd - aan de aangedragen middelen een verschillende bewijswaarde toekennen en belang hechten aan verklaringen die een vreemdeling voor het ontbreken van een geldig document voor grensoverschrijding of een geldig identiteitsbewijs heeft gegeven.

3.3.    Niet in geschil is dat de vreemdeling geen geldig document voor grensoverschrijding of een geldig identiteitsbewijs heeft overgelegd. Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat de staatssecretaris kenbaar moet beoordelen of de vreemdeling met alle door haar aangedragen middelen afzonderlijk en in onderlinge samenhang bezien haar identiteit en nationaliteit aannemelijk heeft gemaakt.

De staatssecretaris voert in reactie op de overweging van de rechtbank dat het dossier een duidelijke aanwijzing bevat dat de vreemdeling een derdelander is, terecht aan dat het aannemelijk maken van de identiteit en nationaliteit verder strekt dan de beantwoording van de vraag of aannemelijk is dat een vreemdeling derdelander is. Hierdoor kan de staatssecretaris bijvoorbeeld identiteitsfraude tegengaan, de gestelde juridische gezinsbanden verifiëren, effectief onderzoek doen naar strafrechtelijke antecedenten en controleren of een vreemdeling geen verblijfrecht heeft in een andere lidstaat. De rechtbank heeft terecht bezien of de staatssecretaris alle door de vreemdeling aangedragen middelen afzonderlijk en in onderlinge samenhang kenbaar heeft beoordeeld. De rechtbank heeft echter, gelet op wat de Afdeling onder 3.1 en 3.2 overweegt, een onjuist toetsingskader gehanteerd en niet onderkend dat de vreemdeling niet eerst aannemelijk hoeft te maken dat zij in bewijsnood verkeert voordat zij haar identiteit en nationaliteit aannemelijk mag maken met alle andere middelen.

3.4.    De klacht is dus in zoverre terecht voorgedragen, maar de grief leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De staatssecretaris heeft in de besluiten en het verweerschrift van 16 mei 2019 namelijk niet beoordeeld of de vreemdeling erin is geslaagd haar identiteit en nationaliteit aannemelijk te maken met de door haar aangedragen middelen door ze afzonderlijk en in onderlinge samenhang kenbaar te bezien zoals hiervoor onder 3.2 uiteengezet. In het verweerschrift is de staatssecretaris alleen ingegaan op de huwelijksakte waar de vreemdeling in beroep naar heeft verwezen. De rechtbank heeft dus in het licht van het door de staatssecretaris te hanteren beoordelingskader terecht een motiveringsgebrek geconstateerd. De staatssecretaris moet daarom opnieuw op het bezwaar van de vreemdeling beslissen. Daarbij moet hij betrekken dat vaststaat dat de vreemdeling de biologische moeder van de Nederlandse kinderen is en met de door haar opgegeven identiteit staat vermeld op de geboorteakten van de twee in Nederland geboren kinderen, zij met de kinderen in Nederland woont, onweersproken heeft gesteld de dagelijkse zorg voor haar kinderen te hebben en sinds 2002 met de door haar opgegeven identiteit staat ingeschreven in de Basisregistratie personen.

De grief faalt.

4.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        bevestigt de uitspraak van de rechtbank;

II.       veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 759,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III.      bepaalt dat van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een griffierecht van € 532,00 wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. C.M. Wissels en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.K. de Keizer, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen

w.g. De Keizer

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2022

154-910.