Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2022:345

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-02-2022
Datum publicatie
09-02-2022
Zaaknummer
202101545/1/V1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2021:1625, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 september 2017 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om haar een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) te verlenen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2022/68
JV 2022/77 met annotatie van Vreede, N.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202101545/1/V1.

Datum uitspraak: 2 februari 2022

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 24 februari 2021 in zaak nr. 20/6930 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 18 september 2017 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 17 augustus 2020 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 februari 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De vreemdeling heeft een nader stuk ingediend.

De staatssecretaris heeft op verzoek van de Afdeling schriftelijke inlichtingen gegeven. De vreemdeling heeft daarop gereageerd.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 november 2021, waar de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S.T.C. Rebergen, advocaat te Arnhem, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. M.M. van Asperen, advocaat te Den Haag, vergezeld door mr. Z. van der Meulen, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst, zijn verschenen. Ook is [referent] tevens een meerderjarige zoon (hierna: de zoon) van de vreemdeling, verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       De vreemdeling heeft de mvv aangevraagd met als doel gezinshereniging bij de zoon op grond van artikel 8 van het EVRM.

1.1.    De vreemdeling is van Palestijnse afkomst en geboren op 1 januari 1941. Zij verblijft in een Syrisch vluchtelingenkamp. Niet is in geschil dat de vreemdeling ernstig ziek en hulpbehoevend is. Zo blijkt uit de door haar overgelegde stukken van haar behandelaars dat zij een zwakke fysieke gesteldheid heeft, die gepaard gaat met ouderdomsdoofheid, astma en hartfalen en dat zij hiervoor medicatie gebruikt. Verder lijdt de vreemdeling aan matige tot ernstige bronchiale aandoeningen met van tijd tot tijd ernstige en hevige aanvallen. Ook lijdt zij aan nachtelijke apneu. Voor deze aandoeningen heeft de vreemdeling een zuurstofspray en Continuous Positive Airway Pressure-therapie nodig. Tot slot lijdt zij aan hoge arteriële spanningen.

Verder is niet in geschil dat de zoon, die inmiddels de Nederlandse nationaliteit heeft, sinds het overlijden van zijn vader in 2007 voor de vreemdeling zorgt en dat de vreemdeling vóór het vertrek van de zoon naar Nederland in 2014 bij hem, zijn echtgenote en hun kinderen, de kleinkinderen van de vreemdeling, in Syrië woonde. Ook is niet in geschil dat er in Syrië geen reëel alternatief is voor de door tussenkomst van de zoon door derden in Syrië geboden zorg. De Afdeling verstaat hieronder dat er in Syrië geen reële mogelijkheid bestaat dat andere familieleden of derden zonder tussenkomst van de zoon de benodigde zorg geven (zie de uitspraak van de Afdeling van 4 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1003, onder 3.2).

De rechtbankuitspraak

Gezinsleven

2.       De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris in het besluit van 17 augustus 2020 heeft aangenomen dat tussen de vreemdeling en de zoon meer dan gebruikelijke banden bestaan. Dit houdt in dat de vreemdeling, de zoon en de kleinkinderen van de vreemdeling - die een groot gedeelte van hun leven met de vreemdeling hebben samengewoond - gezinsleven hebben in de zin van artikel 8 van het EVRM. Ook is volgens de rechtbank niet in geschil dat een objectieve belemmering bestaat om dit gezinsleven in Syrië uit te oefenen.

Belangenafweging

3.       De rechtbank heeft over de door de staatssecretaris gemaakte belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM overwogen dat de vreemdeling nooit rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad en het gezinsleven niet in Nederland is aangegaan of ontwikkeld. De afwijzing van de aanvraag heeft daarom geen inmenging in het gezinsleven tot gevolg. De staatssecretaris hoeft de aanvraag volgens de rechtbank in dat geval alleen in te willigen als er zeer bijzondere feiten en omstandigheden zijn. De vreemdeling heeft in de gronden niet toegelicht waarom haar Palestijnse achtergrond een zeer bijzonder feit is dat maakt dat de aanvraag moet worden ingewilligd, aldus de rechtbank.

4.       De rechtbank heeft ook overwogen dat de staatssecretaris terecht geen doorslaggevend gewicht aan de belangen van de minderjarige kleinkinderen van de vreemdeling heeft toegekend, omdat de primaire zorg voor de kleinkinderen altijd bij de zoon en zijn echtgenote heeft gelegen.

5.       De rechtbank heeft verder overwogen dat de staatssecretaris enerzijds meer dan gebruikelijke banden heeft aangenomen tussen de vreemdeling en de zoon, waarbij hij heeft betrokken dat de vreemdeling ernstig ziek is en behoefte heeft aan (medische) zorg en ondersteuning. Anderzijds heeft de staatssecretaris tegengeworpen dat de vreemdeling door tussenkomst van de zoon en geholpen door derden in Syrië toegang heeft tot medische zorg. Wel heeft de staatssecretaris erkend dat alle kinderen van de vreemdeling uit Syrië zijn vertrokken (zij wonen in de Verenigde Arabische Emiraten, Oostenrijk en Nederland) en ook ontkent de staatssecretaris niet dat de hulp geboden door derden lastig te krijgen is. De staatssecretaris heeft meer dan gebruikelijke banden aangenomen, omdat er geen reëel alternatief is voor de door derden geboden zorg. Volgens de rechtbank is de tegenwerping door de staatssecretaris dat het gezinsleven op afstand kan worden uitgeoefend, in strijd met de vaststelling dat er geen reëel alternatief is. In het licht van deze bijzondere omstandigheden, kan volgens de rechtbank niet worden volgehouden dat de staatssecretaris zich op het standpunt mocht stellen dat de weigering om verblijf toe te staan gerechtvaardigd is door het algemeen economisch belang van Nederland. Het betoog van de zoon dat hij volledig zorg zal dragen voor de vreemdeling, zowel in financiële zin als voor de huisvesting, heeft de staatssecretaris in zijn geheel niet betrokken bij de beoordeling van het economische belang. Daarnaast is volgens de rechtbank niet gebleken dat de staatssecretaris rekening heeft gehouden met de mate van emotionele afhankelijkheid van de vreemdeling, nu al haar kinderen in het buitenland wonen.

6.       Ook heeft de rechtbank overwogen dat de staatssecretaris niet heeft gemotiveerd waarom het bestaan van de objectieve belemmering niet voldoende is om de belangenafweging in het voordeel van de vreemdeling te laten uitvallen.

7.       Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat de staatssecretaris niet heeft gemotiveerd waarom de zoon geen speciale banden met Nederland heeft. Ook heeft de staatssecretaris volgens de rechtbank niet gemotiveerd waarom er tussen de vreemdeling en een dochter die in Oostenrijk woont meer dan gebruikelijke banden bestaan. De staatssecretaris heeft de vreemdeling dan ook ten onrechte tegengeworpen dat het gezinsleven in Oostenrijk voortgezet zou kunnen worden, aldus de rechtbank.

Grieven

8.       In de derde grief keert de staatssecretaris zich tegen de onder 7 weergegeven overweging van de rechtbank. Deze grief behoeft in deze uitspraak geen bespreking meer. De staatssecretaris heeft ter zitting namelijk verklaard dat hij niet meer tegenwerpt dat de zoon geen speciale banden met Nederland heeft, omdat dit met name een rol speelt als er geen objectieve belemmeringen zijn om het familie- en gezinsleven in het land van herkomst uit te oefenen en er daardoor een vrije vestigingskeuze is. Ook heeft de staatssecretaris ter zitting verklaard dat hij niet meer tegenwerpt dat er nog een dochter van de vreemdeling in Oostenrijk woont, omdat de zoon altijd voor de vreemdeling heeft gezorgd.

9.       De staatssecretaris betoogt in de eerste grief dat hij inderdaad heeft aangenomen dat tussen de vreemdeling en de zoon meer dan gebruikelijke banden bestaan en dat tussen de vreemdeling en haar kleinkinderen hechte persoonlijke banden bestaan. Hij bestrijdt niet dat tussen betrokkenen gezinsleven bestaat in de zin van artikel 8 van het EVRM.

9.1.    De staatssecretaris wijst er evenwel op dat ook als de financiële en medische situatie van een ouder zodanig is (geworden) dat die een beroep moet doen op elders verblijvende kinderen, en als uit dien hoofde wordt aangenomen dat meer dan gebruikelijke banden bestaan tussen een ouder en volwassen kinderen, dat niet betekent dat daarmee ook een positieve verplichting op een lidstaat komt te rusten om aan deze ouder verblijf toe te staan. Aan de lidstaat komt een zekere beoordelingsruimte toe, aldus de staatssecretaris.

9.2.    In dit verband is volgens de staatssecretaris in het besluit van 17 augustus 2020 gemotiveerd uiteengezet dat de vreemdeling door haar medische situatie zeer waarschijnlijk aanspraak zal moeten maken op medische voorzieningen zodra zij in Nederland verblijft. Dit is niet weersproken. Gelet hierop ligt in de lijn der verwachting dat zij kort na aankomst in Nederland aanspraak zal maken op door algemene middelen gefinancierde faciliteiten, zoals een bijstandsuitkering, toeslagen en de gezondheidszorg. Het aan de vreemdeling toestaan van verblijf in Nederland zou dan leiden tot hoge kosten die voor rekening van de Nederlandse staat komen. Het economisch belang gaat volgens de staatssecretaris immers óók over de bescherming van door de overheid betaalde voorzieningen zoals gezondheidszorg, zoals ook is te lezen in paragraaf 6.3 van Werkinstructie 2020/16. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, heeft hij terecht geconcludeerd dat het economisch belang van Nederland prevaleert boven het belang van de vreemdeling bij overkomst naar Nederland, aldus de staatssecretaris.

10.     In de tweede grief betoogt de staatssecretaris dat in het licht van het economisch belang van Nederland het bestaan van een objectieve belemmering onvoldoende is om de belangenafweging in het voordeel van de vreemdeling uit te laten vallen en dat de rechtbank hieraan ten onrechte ongemotiveerd is voorbijgegaan.

Beoordeling van de grieven

11.     De rechtbank heeft terecht overwogen dat de staatssecretaris zich in dit geval ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij een "fair balance" heeft getroffen tussen de belangen van betrokkenen en het economisch belang van Nederland. Immers, niet is in geschil dat de vreemdeling van 2007 tot aan het vertrek van de zoon en zijn gezin uit Syrië in 2014 bij hen heeft gewoond en dat de zoon voor de vreemdeling heeft gezorgd. In die tijd heeft de vreemdeling ook hechte persoonlijke banden opgebouwd met haar kleinkinderen. De zoon is na zijn vertrek uit Syrië door tussenkomst van derden voor de vreemdeling blijven zorgen. Om deze reden bestaan tussen de vreemdeling en de zoon ook meer dan gebruikelijke banden. De objectieve belemmering om het gezinsleven in Syrië te hervatten, is al die tijd blijven bestaan. Uit het arrest van het EHRM van 9 juli 2021, M.A. tegen Denemarken, ECLI:CE:ECHR:2021:0709JUD000669718, paragrafen 162 en 193, waarop de vreemdeling ter zitting heeft gewezen, volgt dat geleidelijk steeds meer gewicht toekomt aan de objectieve belemmering om het familie- en gezinsleven in het land van herkomst uit te oefenen. De zoon is inmiddels Nederlander. Hij heeft ter zitting verklaard dat hij nu alle kosten voor de vreemdeling in Syrië betaalt en dat hij bij toelating tot Nederland van de vreemdeling de (mantel)zorg voor haar op zich zal nemen, haar in huis zal nemen, en alle kosten die daarmee gepaard gaan en te zijnen laste komen, kan en zal betalen. De staatssecretaris heeft deze verklaring niet betwist. De staatssecretaris heeft daarentegen gesteld - en de Afdeling onderschrijft - dat ook wanneer voor de vreemdeling in Nederland een ziektekostenverzekering wordt afgesloten, de kosten van haar medische zorg nog steeds zullen worden afgewenteld op de Nederlandse samenleving en verder dat het een feit van algemene bekendheid is dat huisvesting, verpleeghuiszorg en andere medische zorg voor ouderen in Nederland al langere tijd onder druk staat. Naar het oordeel van de Afdeling, weegt dit algemene gegeven - in het licht van alle omstandigheden van dit geval zoals weergegeven onder 1.1 en de verantwoordelijkheid die de Nederlandse zoon neemt voor de (financiële) zorg van de vreemdeling - echter niet zwaarder dan het belang van de vreemdeling om herenigd te worden met haar zoon.

11.1.  De grieven falen.

Conclusie

12.     Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.

13.     De vreemdeling heeft de Afdeling verzocht om zelf in de zaak te voorzien. De staatssecretaris heeft ter zitting verklaard dat hij zich hier niet tegen verzet.

13.1.  Zoals onder 11 is overwogen, heeft de staatssecretaris zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat hij een "fair balance" heeft getroffen en dat het belang van de vreemdeling minder zwaar weegt. De Afdeling zal, gelet op de hoge leeftijd van de vreemdeling en de lange duur van de procedure, bepalen dat de staatssecretaris binnen twee weken na de datum van deze uitspraak de vreemdeling de gevraagde mvv verleent.

14.     De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        bevestigt de uitspraak van de rechtbank;

II.       bepaalt dat de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid binnen twee weken na de datum van deze uitspraak de vreemdeling de gevraagde mvv verleent;

III.      veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.897,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV.      bepaalt dat van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een griffierecht van € 541,00 wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. H.G. Sevenster en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. Beerse, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen        

w.g. Beerse

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 2 februari 2022

382-861.