Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2022:2742

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-09-2022
Datum publicatie
21-09-2022
Zaaknummer
202201124/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 december 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders van Reusel-De Mierden een aanvraag van [appellant] om een tegemoetkoming in planschade afgewezen. [appellant] is eigenaar van een woning aan [locatie] in Reusel. Op 28 december 2012 is het bestemmingsplan "Kleine Hoeven 2012" (hierna: het nieuwe plan) inwerking getreden. Daarmee is op de gronden tegenover zijn woning een bedrijventerrein mogelijk gemaakt. Voorheen mochten deze gronden voor agrarische doeleinden worden gebruikt. [appellant] heeft het college verzocht om een tegemoetkoming in de planschade, omdat zijn woning door de inwerkingtreding van het nieuwe plan volgens hem in waarde is gedaald.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2022/428
JOM 2022/423
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202201124/1/A2.

Datum uitspraak: 21 september 2022

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in Reusel, gemeente Reusel-De Mierden,

appellant,

tegen de tussenuitspraak van 19 augustus 2021 en de uitspraak van 7 januari 2022 van de rechtbank Oost-­Brabant in zaak nr. 20/1554 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Reusel-De Mierden.

Procesverloop

Bij besluit van 4 december 2019 heeft het college een aanvraag van [appellant] om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Bij besluit van 28 april 2020 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 16 februari 2021 heeft het college het door [appellant] tegen het besluit van 4 december 2019 gemaakte bezwaar alsnog gegrond verklaard en een tegemoetkoming van € 10.000,00 toegekend.

Bij tussenuitspraak van 19 augustus 2021 (hierna: de tussenuitspraak)

heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld een in die uitspraak geconstateerd gebrek aan dat besluit te herstellen.

Bij besluit van 14 september 2021 heeft het college de onderbouwing van het besluit van 16 februari 2021 aangevuld.

Bij uitspraak van 7 januari 2022 (hierna: de einduitspraak) heeft de rechtbank het door [appellant] ingestelde beroep, voor zover dat gericht is tegen het besluit van 28 april 2020, niet-ontvankelijk verklaard, voor zover dat gericht is tegen de besluiten van 16 februari 2021 en 14 september 2021, gegrond verklaard en deze beide besluiten vernietigd. De tussenuitspraak en de einduitspraak zijn aangehecht.

Tegen de tussenuitspraak en de einduitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Bij besluit van 29 maart 2022 heeft het college opnieuw beslist op het door [appellant] tegen het besluit van 4 december 2019 gemaakte bezwaar, deze bezwaren gegrond verklaard en aan hem opnieuw een tegemoetkoming van € 10.000,00 toegekend.

Tegen dit besluit heeft [appellant] een zienswijze naar voren gebracht.

De Afdeling heeft de zaak behandeld op de zitting van 12 juli 2022, waar [appellant], bijgestaan door mr. B. Oudenaarden, advocaat in Arnhem, en ing. P.J.T.E van Helvoort, en het college, vertegenwoordigd door M. van der Hoff, zijn verschenen. Van de zijde van het college is ing. F.P.J. van Lent RMT, taxateur, als deskundige gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.       [appellant] is eigenaar van een woning aan [locatie] in Reusel. Op 28 december 2012 is het bestemmingsplan "Kleine Hoeven 2012" (hierna: het nieuwe plan) inwerking getreden. Daarmee is op de gronden tegenover zijn woning een bedrijventerrein mogelijk gemaakt. Voorheen mochten deze gronden voor agrarische doeleinden worden gebruikt. [appellant] heeft het college verzocht om een tegemoetkoming in de planschade, omdat zijn woning door de inwerkingtreding van het nieuwe plan volgens hem in waarde is gedaald.

Besluitvorming

2.       Bij besluit van 4 december 2019 heeft het college zijn aanvraag afgewezen. Hieraan heeft het college een advies van Antea Group (hierna: Antea) van 15 november 2019 ten grondslag gelegd. In dit advies is geconcludeerd dat de planologische wijziging weliswaar tot een planologisch nadeliger situatie heeft geleid, maar dat de schade als gevolg daarvan niet hoger is dan het normale maatschappelijke risico als bedoeld in artikel 6.2 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), zodat de geleden schade in zijn geheel voor rekening van [appellant] behoort te blijven en daarmee niet voor vergoeding in aanmerking komt.

3.       Bij besluit van 28 april 2020 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, waarna [appellant] beroep heeft ingesteld bij de rechtbank. Daarbij heeft hij een tegenrapport opgesteld door taxateur Van Helvoort van 14 januari 2021, overgelegd. Volgens Van Helvoort moet een tegemoetkoming van € 29.800,00 worden toegekend.

4.       Naar aanleiding van de in beroep ingediende stukken heeft het college Antea verzocht om een nader advies uit te brengen. In het advies van 5 februari 2021 is opnieuw een vergelijking gemaakt tussen het bestemmingsplan "Buitengebied 1998" - het oude plan - en het nieuwe planologische regime. Volgens het advies leidt het nieuwe plan tot een planologisch nadeliger situatie voor [appellant] omdat zijn uitzicht als gevolg van het nieuwe plan verslechtert, het nabijgelegen gebied versteent, de omgevingskarakteristiek wijzigt en er enige toename is in milieuhinder. De schade is vervolgens begroot op een bedrag van € 15.000,00. Een bedrag van € 5.000,00 dient volgens het advies op grond van het normale maatschappelijke risico voor rekening van [appellant] gelaten te worden, zodat een tegemoetkoming van € 10.000,00 aan [appellant] voor geleden schade dient te worden toegekend, aldus het advies.

5.       Op basis van dit advies heeft het college bij besluit 16 februari 2021 het bezwaar gegrond verklaard en aan [appellant] een tegemoetkoming van € 10.000,00 toegekend.

De rechtbank

6.       In de tussenuitspraak heeft de rechtbank overwogen dat er geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de in het advies gehanteerde waarde van de woning in de situatie voorafgaand aan de planologische wijziging, onjuist is. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de als gevolg van het nieuwe plan ontstane aantasting van het uitzicht in het advies van Antea, dat het college aan het besluit van 16 februari 2021 ten grondslag heeft gelegd, is onderschat. Dit geldt ook voor de hinder als gevolg van de intensivering van het gebruik op de tegenover [appellant] gelegen gronden. Wel is de rechtbank van oordeel dat de impact van het nieuwe plan op de privacy van [appellant] in het advies onvoldoende is beoordeeld. De rechtbank heeft het college daarom in de gelegenheid gesteld om dit gebrek te herstellen.

7.       Bij besluit van 14 september 2021 heeft het college van deze gelegenheid gebruik gemaakt en heeft het de onderbouwing van het besluit van 16 februari 2021 aangevuld. Hieraan is een aanvullende motivering van Antea van 9 september 2021 ten grondslag gelegd. Volgens het advies leidt de aantasting van de privacy niet tot een verdere verslechtering van de planologische situatie dan eerder is vastgesteld in het advies van 5 februari 2021.

8.       De rechtbank is van oordeel dat hiermee het eerder geconstateerde gebrek niet is hersteld omdat in het nadere advies nog steeds onvoldoende is onderbouwd dat van een verslechtering van de privacy geen sprake is. De rechtbank heeft daarom de besluiten van 16 februari 2021 en 14 september 2021 vernietigd.

Hoger beroep

9.       Het hoger beroep van [appellant] is gericht tegen de tussenuitspraak van de rechtbank waarin een oordeel is gegeven over de vraag of het college gebruik mocht maken van het advies van 5 februari 2021, voor zover het gaat over de aantasting van zijn uitzicht, de in de bestaande situatie te verwachten hinder als gevolg van het toegestane gebruik en de waarde van zijn woning in de oude situatie.

10.     Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen dient voor de beoordeling van een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade te worden onderzocht of de aanvrager als gevolg van de wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren en ten gevolge daarvan schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient de wijziging, waarvan gesteld wordt dat deze planschade heeft veroorzaakt, te worden vergeleken met het oude planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, maar hetgeen maximaal op grond van het oude planologische regime kon worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking heeft plaatsgevonden.

Bij de beoordeling van een verzoek om tegemoetkoming in planschade als gevolg van planologische ontwikkelingen op gronden van derden, moet worden uitgegaan van de voor de aanvrager meest ongunstige invulling van de planologische mogelijkheden van die gronden (zie de overzichtsuitspraak van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2582, onder 2.1 en 2.2).

Uitzicht

11.     [appellant] betwist ten eerste het oordeel van de rechtbank over de aantasting van zijn uitzicht en de mate van verstening van zijn omgeving door het nieuwe plan. Deze aspecten zijn volgens hem in het advies van 5 februari 2021 onderschat. [appellant] betoogt dat in het advies in zoverre ten onrechte waarde is gehecht aan de bouwmogelijkheden die op grond van het oude bestemmingsplan waren toegestaan op de gronden waaraan de bestemming "Agrarisch-technisch hulpbedrijf, annex voertuigstalling met afleverpunt voor motorbrandstoffen" was toegekend. Het perceel waaraan deze bestemming was toegekend ligt volgens [appellant] op zodanig ruime afstand van zijn woning dat het niet bepalend was voor zijn uitzicht. Ook betoogt [appellant] dat er in het advies ten onrechte van is uitgegaan dat zijn uitzicht in de bestaande situatie al werd aangetast door de woonbestemmingen die waren toegekend aan de gronden schuin tegenover zijn perceel. Deze bouwmogelijkheden konden volgens [appellant] niet leiden tot een belemmering van enige betekenis van zijn uitzicht omdat er vanuit zijn woning geen direct zicht was op die percelen en omdat deze ruime percelen slechts geringe bouwmogelijkheden kenden. De rechtbank heeft volgens [appellant] bij de beoordeling van deze aspecten bovendien ten onrechte geen waarde gehecht aan de door hem in beroep overgelegde foto van google-maps waarop het vrije uitzicht en de landelijke omgeving te zien is.

11.1.  In het advies van 5 februari 2021 is beoordeeld of het nieuwe plan heeft geleid tot een aantasting van het uitzicht van [appellant]. In dat kader is een vergelijking gemaakt tussen het oude en het nieuwe plan. In de oude situatie was er volgens het advies tot een afstand van ongeveer 100 meter sprake van een vrij uitzicht. Schuin tegenover de woning was sprake van bebouwing met een maximale hoogte van 8 meter die het uitzicht belemmerde. Op grond van het nieuwe plan is bebouwing met een maximale bouwhoogte van 9 meter toegestaan op een afstand van ongeveer 35 meter op de gronden direct tegenover het perceel van [appellant]. Hiermee leidt het nieuwe plan volgens het advies tot een toename van bouwmassa aan de voorzijde van zijn perceel en daarmee tot een verdergaande verslechtering van zijn uitzicht en een verdergaande verstening van het gebied tegenover de woning van [appellant]. Bovendien is hiermee volgens het advies het karakter van de omgeving in negatieve zin gewijzigd van agrarisch gebied naar bedrijventerrein.

11.2.  Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat in het advies van Antea terecht de bebouwing is betrokken die met het oude plan was toegestaan op een afstand van ongeveer 100 meter van het perceel van [appellant]. Deze bouwmogelijkheid maakt dat in de oude situatie geen sprake was van een geheel vrij uitzicht. Weliswaar is deze bebouwing gelegen op een veel grotere afstand van de woning van [appellant] dan de bebouwing die met het nieuwe plan is toegestaan, maar als gevolg van die mogelijkheid was het uitzicht in de oude situatie toch al in enige mate beperkt.

11.3.  Ook zijn de woningen die met het oude plan schuin tegenover de woning van [appellant] mogelijk waren, terecht betrokken bij de beoordeling van het uitzicht en de mate van verstening van de omgeving. Zoals hiervoor overwogen moet er in de planvergelijking een vergelijking worden gemaakt met hetgeen maximaal op grond van het oude planologische regime kon worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking heeft plaatsgevonden. Uit de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Buitengebied 1998" volgt dat bebouwing binnen de bestemming "Wonen" was toegestaan op een afstand van minimaal 5 meter van de perceelsgrens. Het ging weliswaar om ruime percelen, maar de woning op het meest oostelijk gelegen perceel mocht daardoor toch op een afstand van ongeveer 30 meter van de woning van [appellant] worden gebouwd. Dat er vanuit de woning van [appellant] geen zicht was op dergelijke bebouwing, kan de Afdeling gelet op de nabije ligging ervan niet volgen.

11.4.  Gelet op het voorgaande is de rechtbank terecht tot het oordeel gekomen dat in het advies bij de beoordeling van de aantasting van het uitzicht van [appellant] en de mate van verstening van de omgeving, de juiste bestaande planologische situatie als uitgangspunt is genomen. De rechtbank is daarbij terecht voorbijgegaan aan de door [appellant] overgelegde foto van google-maps aangezien de foto slechts een beeld geeft van de feitelijke situatie ter plaatse en niet van de planologische situatie die bepalend is voor de vraag of het nieuwe plan heeft geleid tot een verslechtering. Voor het oordeel dat de gevolgen van het nieuwe plan in zoverre in het advies zijn onderschat, ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding, zodat het betoog niet slaagt.

Gebruiksmogelijkheden

12.     [appellant] betoogt verder dat de hinder die in de oude situatie te verwachten was van de tegenover zijn woning liggende onbebouwde agrarische gronden in het advies is overschat. De rechtbank heeft volgens hem in dat kader ten onrechte tegengeworpen dat hij niet heeft onderbouwd waarom geen rekening mocht worden gehouden met het laden en lossen van vrachtwagens. Volgens [appellant] is het aan de adviseur om te onderbouwen waarom deze vorm van hinder betrokken mocht worden in de beoordeling.

12.1.  Volgens het advies van 5 februari 2021 diende op de gronden recht tegenover de woning van [appellant] in de oude situatie rekening te worden gehouden met hinder door het bewerken van het land in de vorm van geluid, stof en lichthinder van het materieel of geurhinder als gevolg van het houden van dieren. Verder kon in de oude situatie hinder worden ondervonden van het tuincentrum dat op een afstand van 45 meter van de woning van [appellant] was toegestaan. Door de aanwezigheid van personen, verkeer en bedrijvigheid kon hinder in de vorm van geluid en lichthinder plaatsvinden. Ook kon hinder in de vorm van omgevingsgeluiden en een beperking van de privacy, worden ervaren door de schuin tegenover de woning van [appellant] gelegen woonbestemmingen. Ten slotte kon in de bestaande situatie al hinder worden ondervonden door de provinciale weg aan de voorzijde van de woning.

In de nieuwe situatie is sprake van een diversiteit aan functies en een toename van bebouwing op de gronden tegenover het perceel van [appellant], zodat sprake zal zijn van een toename van geluid-, geur- en trillinghinder. Daarbij is volgens het advies van belang dat met het nieuwe plan ook lichtmasten van 15 meter zijn toegestaan die de uitstraling en het karakter van het gebied verdergaand aantasten. De intensivering van het gebruik maakt volgens het advies dat het nieuwe plan in zoverre leidt tot een planologische verslechtering.

12.2.  In het eerdere advies van 15 november 2019 dat ten grondslag lag aan het besluit van 4 december 2019 is bij de beoordeling van de te verwachten hinder ook het geluid van ladende en lossende vrachtwagens van belang geacht. Zoals uit het voorgaande blijkt, is die hinder in het advies van 5 februari 2021 dat het college ten grondslag heeft gelegd aan het besluit op bezwaar van 16 februari 2021 en dat door de rechtbank in de tussenuitspraak is beoordeeld, niet langer betrokken. Weliswaar heeft de rechtbank dit ten onrechte niet onderkend, maar dit geeft geen aanleiding om de tussenuitspraak te vernietigen. Met de rechtbank is de Afdeling namelijk van oordeel dat [appellant] niet heeft onderbouwd waarom de beoordeling van dit hinderaspect in het advies van 5 februari 2021 niet gevolgd kan worden. De kale stelling dat de hinder die verband houdt met het gebruik van onbebouwde agrarische gronden te zwaar is aangezet, is onvoldoende om tot het oordeel te komen dat het planologisch nadeel van het nieuwe plan in zoverre in onderschat.

Het betoog slaagt niet.

Waarde van de woning in de oude situatie

13.     Ook bestrijdt [appellant] de in het advies van Antea van 5 februari 2021 getaxeerde waarde van zijn woning in de situatie voorafgaand aan de planologische wijziging. Hij betoogt dat Antea in dat advies heeft onderkend dat in het eerdere advies het oude planologische regime onjuist was weergegeven. Deze wijziging heeft volgens hem ten onrechte niet geleid tot een hogere waarde van zijn woning. Ook bestrijdt [appellant] het oordeel van de rechtbank dat in het tegenrapport van Van Helvoort een onjuiste planologische vergelijking is gemaakt, waardoor de daarin opgenomen taxatie niet gevolgd kan worden.

13.1.  Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen is bij de bepaling van de waardevermindering maatgevend welke prijs een redelijk denkend en handelend koper voor de onroerende zaak zou hebben geboden onmiddellijk voor de inwerkingtreding van het nieuwe planologische regime en op het tijdstip direct daarna, uitgaande van hetgeen maximaal op grond van het oude en nieuwe planologische regime kon worden gerealiseerd (zie de overzichtsuitspraak van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2582, onder 4.6).

13.2.  In zowel het advies van 15 november 2019 als het advies van 5 februari 2021 is de waarde van de woning van [appellant] voorafgaand aan de planologische wijziging door taxateur Van Lent getaxeerd op een bedrag van € 250.000,00. Daarbij is de in beide adviezen opgenomen planvergelijking als uitgangspunt genomen. Uit het tweede advies volgt echter, zoals op de zitting ook is bevestigd door Van Lent, dat het eerste advies een onjuiste beschrijving bevat van de planologische mogelijkheden van het oude plan, waardoor minder hinder te verwachten was dan waarvan in het eerste advies is uitgegaan. Zoals volgt uit de hiervoor onder 10 genoemde overzichtsuitspraak, is, anders dan de rechtbank heeft overwogen, deze gewijzigde beschrijving van de planologische situatie daardoor wel van belang voor het bepalen van de waarde van de woning in de oude situatie. Dat deze wijziging niet heeft geleid tot een wijziging van de getaxeerde waarde van de woning in de oude situatie kan zonder nadere motivering, die in dit geval ontbreekt, dan ook niet worden gevolgd, zodat het betoog slaagt.

14.     Het hoger beroep is gegrond.

Nader besluit

15.     Bij besluit van 29 maart 2022 heeft het college een nieuw besluit op bezwaar genomen. Gelet op artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van die wet, wordt dit besluit van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.

16.     Met dit besluit heeft het college het door Van de Hout tegen het besluit van 4 december 2019 gemaakte bezwaar gegrond verklaard en opnieuw een tegemoetkoming van € 10.000,00 toegekend. Aan dit besluit ligt het advies van Antea van 5 februari 2021 ten grondslag en in aanvulling daarop het aanvullende planschade-advies van Antea van 24 februari 2022, waarmee het eerdere advies is aangevuld op het punt van de privacy.

Privacy

17.     In het aanvullende planschade-advies van Antea van 24 februari 2022 is geconcludeerd dat het nieuwe plan leidt tot enige verslechtering van de privacy door de komst van bedrijfsgebouwen recht tegenover de woning van [appellant]. Deze verslechtering kan volgens het advies echter grotendeels worden weggestreept, omdat de bedrijfsgebouwen op een grotere afstand van de woning van [appellant] mogelijk zijn gemaakt dan de woningen die in de oude situatie bepalend waren voor de privacy-situatie. Ook is daarbij volgens het advies van belang dat personen in een bedrijfsgebouw in mindere mate aanwezig zijn dan personen in een woning. Bovendien was er onder het oude planologische regime al sprake van inkijk op de voorgevel door passanten op de weg en het fietspad. Volgens het advies leidt de verslechtering van de privacy daarom niet tot een grotere waardevermindering dan eerder is geadviseerd omdat de aantasting van de privacy daarin al is verdisconteerd.

18.     [appellant] stelt zich op het standpunt dat de gevolgen van het nieuwe plan op zijn privacy met het nieuwe besluit nog steeds zijn onderschat. In het daaraan ten grondslag gelegde advies is volgens hem ten onrechte waarde gehecht aan de omstandigheid dat de nieuwe bedrijfsgebouwen 5 meter verder van zijn woning mogelijk zijn gemaakt dan de woningen die in het oude planologische regime schuin tegenover zijn woning konden worden gebouwd. Dat verschil is volgens hem niet relevant. Gelet op de ligging van de woningen schuin tegenover zijn perceel was er volgens [appellant] in de oude situatie bovendien geen sprake van een aantasting van zijn privacy, terwijl er op grond van het nieuwe planologische regime sprake is van directe inkijk vanuit een gebouw van 9 meter hoog, wat volgens hem zorgt voor een zeer indringende inbreuk op zijn privacy. Verder betoogt [appellant] dat in het advies ten onrechte de aanwezigheidsduur van personen als relevante omstandigheid is betrokken. Daarnaast betoogt [appellant] dat ten onrechte de aard van het gebruik, de toegenomen bouwhoogte en de voor de bebouwing mogelijk gemaakte parkeerplaatsen niet betrokken zijn in het advies en dat de beoordeling van de wijze waarop zijn privacy in de nieuwe situatie wordt aangetast niet overeenkomt met de beoordeling van de andere schadefactoren waarbij is overwogen dat sprake is van zeer intensief gebruik.

18.1.  Met het nieuwe plan is aan de gronden tegenover de woning van [appellant] de bestemming "Bedrijventerrein" toegekend. Uit de planregels volgt dat de gronden daarmee onder meer bestemd zijn voor de uitoefening van een bedrijf van categorie 2, faciliterende dienstverlening en parkeerplaatsen. Daarbij geldt dat de voorgevel in of achter de op de verbeelding aangegeven gevellijn moet worden gebouwd, dat een maximale bouwhoogte geldt van 9 meter, dat bedrijfsgebouwen vrijstaand moeten worden gebouwd en dat de afstand tot de zijdelingse perceelgrens minimaal 3 meter moet bedragen.

In de oude situatie mochten er woningen worden gebouwd op de gronden schuin tegenover de woning van [appellant] op een afstand van ongeveer 30 meter met een maximale bouwhoogte van 8 meter.

18.2.  De rechtbank heeft in haar einduitspraak geconcludeerd dat het college onvoldoende heeft onderbouwd dat van een verslechtering van de privacy geen sprake is. De Afdeling is van oordeel dat met het aanvullende advies van 24 februari 2022 nog steeds onvoldoende is gemotiveerd dat geen sprake is van een noemenswaardige verslechtering van de privacy van [appellant]. Weliswaar is de afstand tussen zijn woning en de toegestane bebouwing aan de overkant van de weg vergroot van 30 naar 35 meter, maar [appellant] wijst er terecht op dat dit afstandsverschil op zichzelf verwaarloosbaar is. Ook omdat in de nieuwe situatie zowel recht als schuin tegenover zijn woning bebouwing is toegestaan terwijl er in de oude situatie sprake was van drie verspreid liggende woningen schuin tegenover zijn woning. Bovendien is anders dan voorheen bebouwing in drie lagen mogelijk gemaakt. Dat de impact beperkter is dan voorheen omdat de aanwezigheidsduur van personen is beperkt, kan evenmin gevolgd worden. Weliswaar kan gesteld worden dat de aanwezigheid van personen bij een bedrijfsgebouw over het algemeen beperkt is tot kantoortijden, maar dat doet er niet aan af dat in de nieuwe situatie gedurende de hele dag medewerkers vanuit de hoogte zicht hebben op de woning van [appellant]. Bovendien is in het advies in zoverre ten onrechte uitgegaan van de feitelijke situatie waarin sprake is van een kantine waarvan slechts gedurende een korte periode overdag gebruik wordt gemaakt.

Op de zitting heeft het college nog het standpunt ingenomen dat er weliswaar sprake is van een beperkte aantasting van de privacy, maar dat de daarmee samenhangende waardevermindering niet tot een hogere tegemoetkoming leidt. Het college vond het vastgestelde schadebedrag van € 15.000 al aan de forse kant, zodat het daarom geen aanleiding ziet dit bedrag nog verder te verhogen. Het college heeft hiermee miskend dat dit op zichzelf geen reden kan zijn voor het niet toekennen van een tegemoetkoming voor de aantasting van de privacy, die er ook volgens het college wel is.

Het betoog slaagt.

19.     Het beroep tegen het besluit van 29 maart 2022 is gegrond. Dit besluit dient te worden vernietigd.

Definitieve beslechting van het geschil

20.     In het licht van het belang om tot een spoedige beëindiging van het geschil te komen ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien. Op de zitting hebben partijen daar desgevraagd ook mee ingestemd. Dit betekent dat het college geen nieuw besluit op bezwaar hoeft te nemen.

21.     Zoals hiervoor overwogen is de omvang van de schade in het advies van Antea van 5 februari 2021 gebaseerd op de verslechtering van het uitzicht, de verstening van de omgeving, de wijziging van de omgevingskarakteristiek en de geringe toename van milieuhinder als gevolg van het nieuwe plan. De schade is begroot op een bedrag van € 15.000,00. Zoals overwogen in 13.2 mocht het college niet zonder nadere toelichting uitgaan van de in het advies gehanteerde waarde van de woning van [appellant] en is, zoals overwogen in 18.2, de aantasting van de privacy van [appellant] als gevolg van het nieuwe plan, in het advies onderschat. Partijen verschillen niet van mening over de omvang van het normaal maatschappelijk risico van 2% zoals gehanteerd door het college, wat neerkomt op een bedrag van ongeveer € 5.000,00. Gelet daarop stelt de Afdeling de planschade die [appellant] van het nieuwe bestemmingsplan "Kleine Hoeven 2012" lijdt ex aequo et bono vast op een bedrag van € 21.000,00, waarvan een bedrag van € 16.000,00 voor tegemoetkoming in aanmerking komt.

22.     Op grond van het voorgaande zal de Afdeling het college veroordelen aan [appellant] een bedrag van € 16.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van ontvangst van de aanvraag tot aan de dag van betaling, toe te kennen. De Afdeling zal ook het besluit van 4 december 2019 herroepen en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 29 maart 2022.

Proceskosten

23.     Het college moet proceskosten vergoeden. Voor zover [appellant] verzocht heeft om vergoeding van verletkosten als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder e, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb), heeft hij het gestelde uurtarief van € 65,00 per uur niet met gegevens onderbouwd. De Afdeling stelt de verletkosten daarom vast tegen het minimumtarief van € 7,- per uur voor 6 uren. Voor zover ook is verzocht om vergoeding van de deskundigenkosten als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder b, van het Bpb, heeft de Afdeling deze kosten vastgesteld tegen een tarief van € 136,19 per uur voor 4 uur.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.       verklaart het door [appellant] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Reusel-De Mierden van 25 mei 2021 ingestelde beroep gegrond;

III.      vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Reusel-De Mierden van 25 mei 2021;

IV.      herroept het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Reusel-De Mierden van 4 december 2019;

V.       bepaalt dat het college van burgemeester en wethouders van Reusel-De Mierden aan [appellant] een tegemoetkoming in planschade toekent van € 16.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 augustus 2018 tot aan de dag van algehele vergoeding;

VI.      bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VII.     gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Reusel-De Mierden aan [appellant] het door hem betaalde recht als bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening vergoedt;

VIII.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Reusel-De Mierden tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 541,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IX.      veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Reusel-De Mierden tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep en het beroep van rechtswege opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.579,82, waarvan € 1.897,50 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

X.       gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Reusel-De Mierden aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 274,00 voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. B.P.M. van Ravels, voorzitter, en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt en mr. B. Meijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.F. Donner-Haan, griffier.

w.g. Van Ravels

voorzitter

 

w.g. Donner-Haan

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 september 2022

674