Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2022:26

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-01-2022
Datum publicatie
05-01-2022
Zaaknummer
202106180/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 juli 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag zijn beslissing om op 16 juni 2021 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een doos die op 16 juni 2021 is aangetroffen naast een ondergrondse restafvalcontainer (hierna: ORAC) ter hoogte van het Hofwijckplein 8 in Den Haag. Het college is ervan uitgegaan dat [appellant] de doos verkeerd heeft aangeboden, omdat zijn naam en adres op het adreslabel op de doos staan. [appellant] betwist dat de aangetroffen doos van hem afkomstig is. Hij stelt dat hij nooit iets heeft besteld online. Hij vermoedt dat er fraude is gepleegd met zijn adres en naam.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202106180/1/R4.

Datum uitspraak: 5 januari 2022

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Den Haag,

appellant,

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 12 juli 2021 heeft het college zijn beslissing om op 16 juni 2021 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 126,00, voor rekening van [appellant] komt.

Bij besluit van 20 september 2021 heeft het college het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 december 2021, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door D. van der Klaauw, zijn verschenen.

Overwegingen

1.       De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een doos die op 16 juni 2021 is aangetroffen naast een ondergrondse restafvalcontainer (hierna: ORAC) ter hoogte van het Hofwijckplein 8 in Den Haag. Het college is ervan uitgegaan dat [appellant] de doos verkeerd heeft aangeboden, omdat zijn naam en adres op het adreslabel op de doos staan.

2.       [appellant] betwist dat de aangetroffen doos van hem afkomstig is. Hij stelt dat hij nooit iets heeft besteld online. Hij vermoedt dat er fraude is gepleegd met zijn adres en naam. Hij stelt dat hij contact heeft opgenomen met PostNL en dat uit hun bestand blijkt dat er nooit iets is besteld op die datum of ervoor of erna. Daarbij klaagt hij dat op de foto van het adreslabel, die bij het controlerapport bij het besluit van 12 juli 2021 is gevoegd, de afzender van het pakket niet leesbaar is. Daardoor kan hij geen contact opnemen met de afzender om uit te zoeken wat en wanneer er is besteld.

2.1.    Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling mag ervan worden uitgegaan dat de persoon tot wie de aangetroffen afvalstoffen kunnen worden herleid, ook de overtreder is, tenzij de betrokkene het tegendeel aannemelijk maakt. Zie voor een uiteenzetting van deze rechtspraak de uitspraak van 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2432.

2.2.    Door het adreslabel is de doos tot [appellant] te herleiden. Dit betekent dat het college mag aannemen dat hij de overtreder is, tenzij hij aannemelijk maakt dat hij niet degene is geweest die de doos verkeerd heeft aangeboden. Met zijn stelling dat hij nooit iets heeft besteld en zijn vermoeden dat er fraude is gepleegd met zijn adres en naam, heeft hij dat niet aannemelijk gemaakt. Omdat de aangetroffen doos is geadresseerd aan zijn naam en adres, moet worden aangenomen dat de doos op zijn adres is bezorgd, ook al stelt hij het pakket niet zelf besteld te hebben. Dat hij zelf nooit iets heeft besteld, zoals hij aangeeft, en dat hij niet bij de afzender kan uitzoeken wat er wanneer is besteld, is daarom niet relevant. Verder heeft [appellant] met de door hem gestelde omstandigheid dat uit het bestand van PostNL blijkt dat er nooit iets is besteld rond de datum waarop de doos is aangetroffen, ook niet aannemelijk gemaakt dat hij niet degene is geweest die de doos verkeerd heeft aangeboden, omdat hij de doos al eerder kan hebben ontvangen, maar pas later heeft weggegooid.

Ter zitting heeft [appellant] toegelicht dat hij vermoedt dat zijn buurvrouw fraude heeft gepleegd met zijn naam en adres, omdat hij haar pakketjes niet meer wilde aannemen. Hij stelt dat zij dagelijks pakketjes bestelt maar nooit thuis is, waardoor de pakketbezorger altijd bij hem aanbelt. [appellant] heeft zijn vermoeden van de door zijn buurvrouw gepleegde fraude echter niet met enig bewijsstuk onderbouwd of anderszins aannemelijk gemaakt.

Aangezien [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet degene is geweest die de doos verkeerd heeft aangeboden, heeft het college hem terecht als overtreder aangemerkt.

Het betoog faalt.

3.       Het beroep is ongegrond.

4.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.S. Kors, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 5 januari 2022

687