Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2022:2538

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-08-2022
Datum publicatie
31-08-2022
Zaaknummer
202105569/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 juni 2021 heeft de raad van de gemeente Heemskerk het bestemmingsplan "Water acker 2" vastgesteld. Het bestemmingsplan voorziet in een juridisch planologisch kader voor de ontwikkeling van een appartementsgebouw met 48 appartementen en bijbehorend parkeerterrein op de hoek van de Starweg - Water Acker. Daarbij is bij recht voorzien in verschillende bouwhoogtes met een maximum van 20,5 meter, aflopend in hoogte van noord naar zuid. Voor het deel op de kop met de Starweg is planologisch voorzien in maximaal zes bouwlagen aflopend naar een langwerpiger deel bestaande uit maximaal vier bouwlagen. KHS is initiatiefnemer en voornemens het appartementsgebouw te ontwikkelen. [appellant] en anderen kunnen zich als omwonenden niet verenigen met deze ontwikkeling van het momenteel nog onbebouwde terrein. Zij wonen allen op een afstand van minder dan 100 meter tot het plangebied en vrezen voornamelijk vanwege de voorziene bouwhoogte onevenredige gevolgen voor hun woon- en leefklimaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202105569/1/R1.

Datum uitspraak: 31 augustus 2022

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend te Heemskerk,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Heemskerk,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 1 juni 2021 heeft de raad het bestemmingsplan "Water acker 2" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De maatschap KHS heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] en anderen en KHS hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 mei 2022, waar [appellant] en anderen, vertegenwoordigd door [appellant] en bijgestaan door mr. K. van Driel, advocaat te Heemskerk, en de raad, vertegenwoordigd door mr. B.M. Kocken, advocaat te Oestgeest, en J.J. Verlegh, zijn verschenen. Voorts is ter zitting KHS, vertegenwoordigd door [gemachtigden] en bijgestaan door mr. J.S. Haakmeester, advocaat te Baarn, als partij gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.       Het bestemmingsplan voorziet in een juridisch planologisch kader voor de ontwikkeling van een appartementsgebouw met 48 appartementen en bijbehorend parkeerterrein op de hoek van de Starweg - Water Acker. Daarbij is bij recht voorzien in verschillende bouwhoogtes met een maximum van 20,5 meter, aflopend in hoogte van noord naar zuid. Voor het deel op de kop met de Starweg is planologisch voorzien in maximaal zes bouwlagen aflopend naar een langwerpiger deel bestaande uit maximaal vier bouwlagen. KHS is initiatiefnemer en voornemens het appartementsgebouw te ontwikkelen. [appellant] en anderen kunnen zich als omwonenden niet verenigen met deze ontwikkeling van het momenteel nog onbebouwde terrein. Zij wonen allen op een afstand van minder dan 100 meter tot het plangebied en vrezen voornamelijk vanwege de voorziene bouwhoogte onevenredige gevolgen voor hun woon- en leefklimaat.

Wettelijk kader

2.       Relevante wettelijke bepalingen en planregels zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage is onderdeel van deze uitspraak.

Toetsingskader

3.       Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.

Beoordeling van het beroep

Inspraak

4.       Over het betoog van [appellant] en anderen dat geen sprake is geweest van participatie waarbij direct omwonenden zeggenschap hebben gehad voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan, overweegt de Afdeling dat het bieden van inspraak voorafgaande aan de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan geen deel uitmaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geregelde bestemmingsplanprocedure. Het niet bieden van inspraak in die eerdere fase heeft daarom geen gevolgen voor de rechtmatigheid van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan.

Het betoog faalt.

Leeswijzer beroepsgronden bouwhoogte

5.       [appellant] en anderen kunnen zich vooral niet verenigen met de voorziene bouwhoogte van het meest noordelijk gelegen bouwdeel van het appartementsgebouw van 20,5 meter. Appellanten spreken zelf over een hoogte van maximaal ongeveer 22 meter. Zij vrezen hierdoor een aantasting van hun woon- en leefklimaat en voeren in dat verband verschillende beroepsgronden aan. Zo vrezen zij voor een aantasting van hun privacy en voor geluid-, schaduw-, en windhinder. Volgens hen is deze bouwhoogte ook niet passend in de omgeving en kan ook met een lagere bouwhoogte in het plangebied in eenzelfde aantal woningen worden voorzien. De Afdeling bespreekt deze beroepsgronden eerst afzonderlijk om vervolgens te kunnen beoordelen of de raad zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de nadelige gevolgen van de voorziene bouwhoogte niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.

Stedenbouwkundige gevolgen omgeving

6.       [appellant] en anderen betogen dat de voorziene bouwhoogte enorm afwijkt van de omliggende bebouwing en dat hoogbouw niet noodzakelijk is om de entree van de wijk te accentueren. Met laagbouw kunnen volgens hen in het plangebied evenveel woningen worden gerealiseerd. Daarnaast vrezen zij precedentwerking.

6.1.    Aan nagenoeg het gehele plangebied is de bestemming "Wonen" toegekend. Het appartementsgebouw is voorzien in het noordelijke gedeelte van het plangebied ter plaatse van de aanduiding "bouwvlak" met gedeeltelijk de aanduiding "maximum bouwhoogte: 14 m" en gedeeltelijk de aanduiding "maximum bouwhoogte: 20,5 m". De afstand tussen het voorziene appartementsgebouw enerzijds en de woningen van [appellant A], [appellant] en [appellant B] en [appellant C], onderscheidenlijk aan de [locatie 1], [locatie 2] en [locatie 3] anderzijds varieert van ongeveer 55 tot 75 meter. Tussen hun woningen en het plangebied ligt onder meer de Starweg en een grote vijver met bijbehorende groenstroken. De afstand tussen het voorziene appartementsgebouw en de woningen van [appellant D] onderscheidenlijk [appellant A] aan onderscheidenlijk de [locatie 4] en [locatie 5] bedraagt minimaal ongeveer 50 meter. Ook hiertussen ligt de vijver met bijbehorende groenstroken.

6.2.    De raad erkent dat de bij recht voorziene bouwhoogte van 20,5 meter afwijkt van de hoogte van de omliggende woningen in de woonwijk. De voorziene gestapelde hoogbouw zal volgens de raad echter een herkenbaar punt zijn ter stedenbouwkundige markering van de entree van de woonwijk en tegelijkertijd een stedenbouwkundige afronding van de wijk. Met alleen laagbouw zou dit stedenbouwkundige accent volgens de raad niet worden gecreëerd. In wat [appellant] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad zich uit een stedenbouwkundig oogpunt redelijkerwijs niet op dit standpunt mocht stellen. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het plangebied aan de oostkant wordt omgeven door lagere woningbouw. Ten noorden en ten westen van het plangebied is juridisch planologisch voorzien in deels gemengde bestemmingen en deels woonbestemmingen met maximale bouwhoogten die variëren van 11 tot 15 meter.

Het betoog faalt.

Privacy en uitzicht

7.       [appellant] en anderen vrezen voor een aantasting van hun uitzicht en privacy, omdat vanuit de voorziene appartementen direct zicht zal bestaan op hun woningen en tuinen. Ook wijzen zij op het zicht vanaf de balkons van het appartementsgebouw op hun woningen en bijbehorende tuinen. In de planregels is volgens hen ook niet geborgd dat bij de bovenste twee bouwlagen de gevelkozijnen van de woonkamers zijn verkleind ten opzichte van wat initiatiefnemer oorspronkelijk voor ogen stond, om het zicht richting de achtertuinen van de woningen aan de Egelantier te verminderen.

7.1.    De raad erkent dat sprake zal zijn van enige verslechtering van het uitzicht van [appellant] en anderen en van enige inkijk vanuit de voorziene appartementen in de woningen en tuinen van [appellant] en anderen. Gezien de afstand van minimaal 50 meter tussen de voorziene appartementen enerzijds en de woningen van [appellant] en anderen anderzijds, leidt het voorziene appartementsgebouw volgens de raad echter niet tot een onevenredige aantasting van de privacy. De raad acht de aantasting van de privacy en het uitzicht van [appellant] en anderen mede gerechtvaardigd gezien de ligging van hun woningen in een stedelijke omgeving en het algemene belang van de gemeente bij de ontwikkeling van de voorziene 48 woningen, waarvan gelet op artikel 4.1, onder d, van de planregels 30% sociale huurwoningen. In wat [appellant] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich hiermee op een onredelijk standpunt stelt of dat de raad redelijkerwijs niet had af mogen zien van waarborgen van de privacy van [appellant] en anderen in de planregels.

Het betoog faalt.

Schaduwhinder

8.       [appellant] en anderen betogen dat hun zon- en daglichttoetreding zal afnemen, omdat dit plan - met inachtneming van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid uit artikel 9.1, aanhef en onder a, van de planregels - voorziet in een bouwhoogte van 22,5 meter. Volgens [appellant] en anderen volgt uit de schaduwstudie dat zij nadeel ondervinden in de vorm van schaduwwerking. Zij vragen zich af hoe de raad tot de conclusie is gekomen dat deze aantasting niet onevenredig is, en waarom zij überhaupt enige schaduw zouden moeten dulden.

8.1.    Ten behoeve van het bestemmingsplan is een schaduwstudie verricht die als bijlage bij de plantoelichting is gevoegd. Uit deze schaduwstudie volgt wat de schaduwwerking is van de bij recht voorziene bouwhoogte van 20,5 meter op de omliggende woningen in de maanden januari, april en oktober op verschillende tijdstippen op de dag. Voor zover [appellant] en anderen hebben aangevoerd dat in het onderzoek geen rekening is gehouden met de afwijkingsbevoegdheid als neergelegd in artikel 9.1, aanhef en onder a, van de planregels, overweegt de Afdeling het volgende. De raad heeft toegelicht dat op grond van artikel 9.1, aanhef en onder a, van de planregels het college van burgemeester en wethouders slechts een omgevingsvergunning kan verlenen voor een overschrijding van de bouwhoogte met maximaal 10%, mits die overschrijding van belang is voor de technische realisering van bouwwerken in aansluiting op bestaande bouwwerken. Daarmee wordt - in tegenstelling tot wat [appellant] en anderen veronderstellen - volgens de raad niet voorzien in een extra bouwlaag, maar in bijvoorbeeld lift opbouwen, lichtkoepels, antennemasten, luchtverversingsapparatuur en dergelijke. Deze uitleg acht de Afdeling niet onjuist. In wat [appellant] en anderen in zoverre hebben aangevoerd ziet de Afdeling daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de schaduwstudie dusdanige gebreken en leemten in kennis bevat dat de raad deze niet aan zijn besluit ten grondslag mocht leggen.

Het betoog faalt.

8.2.    De raad heeft toegelicht dat uit de schaduwstudie volgt dat de woningen aan de Egelantier alleen in het voor- en najaar in de middag kortstondig enige schaduwwerking van het voorziene appartementsgebouw zullen ervaren. Zo valt op 26 oktober om vier uur ‘s middags schaduw op de woningen aan de Egelantier. Voor zover [appellant] en anderen er op wijzen dat de schaduwhinder in december niet is onderzocht en zij stellen dat deze tussen 14:00-16:00 uur voor de woningen aan de Egelantier groot zal zijn,  heeft de raad onweersproken toegelicht dat op 15 januari vanaf drie uur ’s middags enige extra schaduwwerking optreedt nabij enkele woningen aan de Egelantier.

Ten aanzien van de woningen aan de [locatie 4]-[locatie 5] volgt uit de schaduwstudie dat op de onderzochte tijdstippen niet van enige schaduwwerking sprake is. In aanvulling hierop heeft de raad toegelicht dat de woningen aan de Suykers acker in het uiterste geval in het voor- en het najaar gedurende een korte periode in de middag enige schaduwhinder kunnen ondervinden.

De raad stelt zich, onder verwijzing naar de schaduwstudie, dan ook terecht op het standpunt dat de voorziene bouwhoogte geen onevenredige schaduwwerking zal hebben op de woningen van [appellant] en anderen. In wat [appellant] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet op dit standpunt heeft kunnen stellen.

Het betoog faalt.

Geluidhinder

9.       [appellant] en anderen vrezen geluidsoverlast als gevolg van de voorziene hoogte van het gebouw doordat er hinderlijke fluittonen zullen optreden en er weerkaatsing van verkeersgeluid op de Starweg richting hun woningen zal plaatsvinden. Daarnaast vrezen zij geluidhinder bij een ingebruikname van de balkons door de toekomstige bewoners van de appartementen. In het akoestisch onderzoek dat ten grondslag is gelegd aan het bestemmingsplan, is volgens hen ten onrechte niet ingegaan op de gevolgen van het plan voor hun akoestisch woon- en leefklimaat.

9.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat nader onderzoek naar de akoestische gevolgen voor [appellant] en anderen niet nodig is, omdat hij niet verwacht dat door de ontwikkeling van het appartementsgebouw een hoge geluidbelasting bij de woningen van [appellant] en anderen zal optreden. In wat [appellant] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet op dit standpunt heeft mogen stellen. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de raad ten aanzien van de gevreesde fluittonen heeft toegelicht dat hij het ontstaan daarvan niet aannemelijk acht vanwege het ontbreken van direct omliggende (hoge) bebouwing aan de kant van de woonwijk. En ten aanzien van de door [appellant] en anderen gevreesde weerkaatsing van geluid van het wegverkeer op de Starweg is de afstand tussen het voorziene appartementsgebouw en de woningen van [appellant] en anderen volgens de raad te groot. Deze aannames van de raad acht de Afdeling, gezien de situering van het bouwvlak ten opzichte van de woningen van [appellant] en anderen in combinatie met de voorziene bouwhoogtes en de ter plaatse van de woningen van [appellant] en anderen aanwezige groenstrook langs de Starweg bepaald niet onaannemelijk.

Het betoog faalt.

Windhinder

10.     [appellant] en anderen vrezen als gevolg van de voorziene bouwhoogte windhinder. De raad had hier volgens hen uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening onderzoek naar moeten doen.

10.1.  De Afdeling overweegt dat er geen rechtstreeks werkende concrete wettelijke normen zijn voor windhinder die de raad in acht moet nemen bij het vaststellen van een bestemmingsplan. Uit de algemene norm van artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) volgt echter wel dat de raad bij het vaststellen van een plan dat - vanwege de voorziene hoge bebouwing - gevolgen kan hebben voor het windklimaat in de omgeving, deze gevolgen moet onderzoeken en de aanvaardbaarheid daarvan moet onderbouwen. Vergelijk bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 23 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:864, onder 12.5. De raad verwacht niet dat [appellant] en anderen windhinder zullen ervaren, omdat de afstand van het voorziene appartementsgebouw tot de omliggende woningen te groot is gelet ook op de hoogte van die omliggende woningen. Windtunneleffecten zijn volgens de raad niet te verwachten. Onder die omstandigheden kon volgens de raad worden afgezien van nader onderzoek op dat punt. In de enkele stelling van [appellant] en anderen ziet de Afdeling geen aanknopingspunten om de raad hierin niet te volgen. Hierbij neemt de Afdeling ten aanzien van de woningen van [appellant] en anderen aan de Elegantier in aanmerking dat de afstand tot het voorziene appartementsgebouw en de woningen met bijbehorende tuinen minimaal 55 meter bedraagt en dat daartussen groenstroken liggen, alsmede een sloot, een fietspad en een weg met daaraan evenwijdig een bomenrij. Ten aanzien van de woningen van [appellant] en anderen aan de Suykers acker neemt de Afdeling in aanmerking dat de afstand tot die woningen van [appellant] en anderen minimaal ongeveer 40 meter bedraagt en dat de voorziene bouwhoogte van het appartementsgebouw aan de kant van de Suykers acker maximaal 14 meter bedraagt.

Het betoog faalt.

Belangenafweging bouwhoogte

11.     De raad onderkent dat de voorziene bouwhoogte gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat van [appellant] en anderen. Maar met de voorziene 48 appartementen, waarvan op grond van artikel 4.1, aanhef en onder d, van de planregels 30% van de woningen sociale huurwoningen moeten zijn, wordt volgens de raad een noodzakelijke bijdrage geleverd aan het benodigde woningaanbod in de gemeente. Voor zover [appellant] en anderen de behoefte aan de voorziene 48 appartementen betwisten, overweegt de Afdeling dat in paragraaf 3.2.2 van de plantoelichting uitgebreid in is gegaan op de behoeftevraag. Hierbij wordt geconcludeerd dat het bestemmingsplan voorziet in een behoefte. In de enkele betwisting van deze conclusie ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestemmingsplan in zoverre ondeugdelijk is gemotiveerd of dat de raad de voorgaande maatschappelijke bestemming niet heeft kunnen vervangen.

Volgens de raad kan met laagbouw binnen het bouwvlak niet hetzelfde aantal en soort woningen worden gerealiseerd. De Afdeling ziet geen aanknopingspunten om aan de juistheid van deze stelling van de raad te twijfelen. Gelet op het voorgaande en met inachtneming van wat onder 6-10.1 is overwogen, ziet de Afdeling in wat [appellant] en anderen hebben aangevoerd dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de nadelige gevolgen van de voorziene bouwhoogte onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad geen zwaarder gewicht mocht hechten aan het belang bij de ontwikkeling van de voorziene woningbouw dan aan het belang van [appellant] en anderen bij een lagere bouwhoogte.

Het betoog faalt.

Groene inpassing voorziene parkeerplaats

12.     [appellant] en anderen betogen dat de aanleg en instandhouding van de groenwal, een groene haag langs de straat de Ruyn acker, ten onrechte niet in het bestemmingsplan is gewaarborgd. In dit verband wijzen zij erop dat in de plantoelichting wordt gesuggereerd dat deze haag wordt aangelegd.

12.1.  De Afdeling stelt vast dat in paragraaf 2.2 van de toelichting wordt gesproken over de realisering van een beukenhaag aan de zuidzijde van het plangebied, ter afscherming van de daar geprojecteerde parkeerplaatsen. De afdeling stelt ook vast dat de aanleg en het onderhoud daarvan niet in de planregels is gewaarborgd. Zoals de raad ook al in de nota van zienswijzen te kennen heeft gegeven, is de haag in het kader van groene inpassing en esthetisch perspectief wellicht wenselijk, maar acht hij deze uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening niet noodzakelijk. Volgens de raad doen parkeerplaatsen zonder beukenhaag geen onaanvaardbare afbreuk aan de ruimtelijke kwaliteit van het gebied. In wat [appellant] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich redelijkerwijs niet op dit standpunt mocht stellen. Hierbij betrekt de Afdeling de afstand van de woningen van [appellant] en anderen tot de voorziene parkeerplaats en de verschillende reeds tussenliggende groen-, water- en verkeersvoorzieningen.

Het betoog faalt.

Aan-huis-verbonden beroepen

13.     [appellant] en anderen richten zich voorts tegen de afwijkingsbevoegdheid die is neergelegd in artikel 4.5, aanhef en onder b, van de planregels. Zij betogen dat de voorwaarde dat er ‘slechts een beperkt cliëntenbezoek aan huis plaatsvindt’ voor de uitoefening van aan-huis-verbonden beroepen tot een maximaal vloeroppervlak van 35 m² te onbepaald, niet handhaafbaar en in strijd met de rechtszekerheid is.  Daarnaast stellen [appellant] en anderen dat deze regel haaks staat op de woningnood van dit moment.

13.1.  De raad stelt zich op het standpunt dat deze voorwaarde voldoende bepaald, handhaafbaar en rechtszeker is. De raad heeft toegelicht dat aan-huis-gebonden beroepen rechtstreeks zijn toegestaan tot een vloeroppervlak van ten hoogste 20 m2, ingevolge artikel 4.4, onder b, aanhef en onder 1, van de planregels. Voor een groter vloeroppervlak, tot maximaal 35 m2, is volgens de raad een omgevingsvergunning nodig. Aan de door het college van burgemeester en wethouders te verlenen omgevingsvergunning worden door het college vervolgens voorschriften verbonden die het beperkte cliëntenbezoek nader specificeren. De raad stelt zich verder op het standpunt dat de mogelijkheid van een groter vloeroppervlak voor aan-huis-verbonden beroepen niet ten koste gaat van het aantal te realiseren woningen, en daarom niet haaks staat op de woningnood.

13.2.  Artikel 4.4 aanhef en onder b, van de planregels luidt:

"Voor de in artikel 4 lid 1 genoemde gronden gelden de volgende gebruiksregels:

[…]

b. de uitoefening van aan-huis-verbonden beroepen is toegestaan, met inachtneming van de volgende regels:

1. De vloeroppervlak voor aan-huis-verbonden beroepen in de woning en bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 20 m2;

[…]"

Artikel 4.5, aanhef en onder b van de planregels luidt:

"Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 4 lid 4 voor:

[…]

b. de uitoefening van aan-huis-verbonden beroepen tot een maximale vloeroppervlak van 35 m², met inachtneming van de volgende regels:

[…]."

13.3.  De Afdeling overweegt dat ingevolge artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wro bij bestemmingsplan kan worden bepaald dat bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van bij het plan aan te geven regels. Met deze bepaling kan het bevoegd gezag de bevoegdheid worden gegeven op ondergeschikte onderdelen van het plan af te wijken. Een afwijkingsregeling kan slechts betrekking hebben op planregels. Niet kan worden afgeweken van de in de verbeelding opgenomen bestemmingen. Toepassing van een afwijkingsregeling mag evenmin het effect hebben dat feitelijk de bestemming van gronden wordt gewijzigd. Afwijkingsbevoegdheden dienen door voldoende objectieve normen te worden begrensd. Ter vergelijking verwijst de Afdeling naar bijvoorbeeld de uitspraak van 29 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:299.

13.4.  Op grond van artikel 4.4, aanhef en onder b, van de planregels is de uitoefening van aan-huis-verbonden beroepen bij recht toegestaan, mits wordt voldaan aan de daarin genoemde vijf voorwaarden. Eén van die voorwaarden is dat het vloeroppervlak voor het aan-huis-verbonden beroep in de woning en bijbehorende bouwwerken niet meer dan 20 m2 mag bedragen. De afwijkingsbevoegdheid in artikel 4.5 onder b, van de planregels maakt de uitoefening van aan-huis-verbonden beroepen mogelijk onder de daarin genoemde voorwaarden tot een maximaal vloeroppervlak van 35 m². Eén van die voorwaarden is dat alleen een beperkt cliëntenbezoek aan huis plaatsvindt. Dat in de planregels niet nader wordt gespecificeerd wat wordt verstaan onder "beperkt cliëntenbezoek" maakt naar het oordeel van de Afdeling niet dat de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid in artikel 4.5, onder b, van de planregels daarmee met onvoldoende objectieve normen is begrensd, mede gelet op het gestelde maximum vloeroppervlak van 35m2.

Het betoog faalt.

Verkeersontsluiting

14.     [appellant] en anderen stellen dat het bestemmingsplan een groot aantal extra verkeersbewegingen zal genereren, terwijl niet is onderzocht of de omliggende infrastructuur het extra aantal verkeersbewegingen kan verwerken. Volgens [appellant] en anderen is het kruispunt Water acker - Starweg, gelet op de huidige verkeersdrukte, in de bestaande situatie al niet geschikt als entree voor de wijk, omdat de Starweg aansluit op de Rijksstraatweg, van waaruit grote delen van Heemskerk ontsloten worden.

14.1.  De Afdeling wijst erop dat een bestemmingsplan niet hoeft te regelen hoe een weg of ontsluiting (verkeerstechnisch) wordt ingericht. Deze aspecten hebben geen betrekking op het plan zelf, maar op de uitvoering daarvan. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen. In een bestemmingsplanprocedure kan in het kader van de uitvoerbaarheid van het plan wel de vraag aan de orde komen of de raad zich voldoende ervan heeft vergewist dat een aanvaardbare verkeerssituatie en -afwikkeling in en om het plangebied bestaat en/of kán worden gerealiseerd (vergelijk bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 2 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:654). De raad stelt zich in dit geval op het standpunt dat het plan niet zal leiden tot een significante verslechtering van de verkeersveiligheid en -afwikkeling in en om het plangebied. In wat [appellant] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet op dit standpunt mocht stellen. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de raad in de Nota beantwoording zienswijzen heeft toegelicht dat een toename van verkeersbewegingen wordt voorzien van ongeveer 384 mvt/etmaal. In beginsel zijn 30 km-wegen, zoals de Water acker, volgens de raad ingericht op de verwerking van 5.000 à 6.000 mvt/etmaal. Zonder de nieuwe ontwikkeling zullen in 2030 naar schatting ongeveer 2.680 mvt/etmaal over de Water acker rijden. Bij toename van 400 mvt/etmaal blijft het aantal auto’s per dag ruim binnen de richtlijnen voor 30 km-wegen, aldus de raad. De raad erkent wel dat het kruispunt Water acker - Starweg in combinatie met de aansluiting Helmlaan om een nadere analyse vraagt, vanwege de verkeersveiligheid voor overstekende fietsers. Maar dit is volgens de raad een bestaand probleem dat niet een gevolg is van het voorliggende bestemmingsplan. Het ligt aan de inrichting van het kruispunt. De raad heeft ter zitting onweersproken toegelicht dat de verkeerssituatie op dat kruispunt binnen de geldende planologische regimes kan worden verbeterd en dat dit ook de aandacht van het gemeentebestuur heeft.

Het betoog faalt.

Woon- en leefklimaat toekomstige bewoners appartementsgebouw

15.     [appellant] en anderen betogen dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat een afstand van 10 meter tussen het plangebied en een bedrijventerrein aanvaardbaar is. Zelfs als sprake zou zijn van een gemengd gebied dan zou, volgens hen, vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening de afweging moeten worden gemaakt of woningbouw op 10 meter afstand van bedrijven gewenst is. Daarnaast voeren zij aan dat de bouwhoogte van de woningen aan de Egelantier destijds is gemaximeerd op 7 meter omdat anders geluidnormen zouden worden overschreden. Deze overschrijding geldt volgens hen dan ook voor de voorziene appartementen.

15.1.  Artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) luidt: "De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept."

15.2.  Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.

15.3.  De normen uit de brochure van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de Wet geluidhinder waar [appellant] en anderen zich op beroepen, strekken tot de bescherming van de toekomstige bewoners van het voorziene appartementsgebouw. Niet gebleken is van hun concrete interesse in de koop en/of bewoning van een van die nieuw voorziene woningen. Gelet hierop strekken de ingeroepen normen kennelijk niet tot bescherming van de belangen van [appellant] en anderen. Hetgeen [appellant] en anderen in dit verband aanvoeren kan daarom, gezien artikel 8:69a Awb, niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Daarom ziet de Afdeling af van een verdere inhoudelijke bespreking van hetgeen [appellant] en anderen hierover hebben aangevoerd.

Conclusie

16.     Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

Proceskosten

17.     De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.C. Stoof, griffier.

w.g. Minderhoud

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Stoof

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2022

749-996

 

BIJLAGE - Wettelijk kader

 

Wet ruimtelijke ordening

Artikel 3.6

1. Bij een bestemmingsplan kan worden bepaald dat met inachtneming van de bij het plan te geven regels:

a. burgemeester en wethouders binnen bij het plan te bepalen grenzen het plan kunnen wijzigen;

b. burgemeester en wethouders het plan moeten uitwerken;

c. bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van bij het plan aan te geven regels;

[…].

Het bestemmingsplan Water acker 2

Artikel 4.4

Voor de in artikel 4 lid 1 genoemde gronden gelden de volgende gebruiksregels;

a. de uitoefening van aan-huis-verbonden bedrijven is niet toegestaan;

b. de uitoefening van aan-huis-verbonden beroepen is toegestaan, met inachtneming van de volgende regels:

1. de vloeroppervlak voor aan-huis-verbonden beroepen in de woning en bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 20 m²;

2. horeca-activiteiten zijn niet toegestaan;

3. detailhandelsactiviteiten zijn niet toegestaan, met uitzondering van een beperkte verkoop van aan het beroep gerelateerde producten en ondergeschikt aan de uitoefening van het aan-huis-verbonden beroep

4. het gebruik de woonfunctie ondersteunt, dat wil zeggen dat diegene die de activiteiten in de woning of in een bijbehorend bouwwerk uitvoert tevens een in de Gemeentelijke Basisadministratie ingeschreven bewoner van de woning is;

5. reclame-uitingen zijn niet toegestaan.

[…].

Artikel 4.5

Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 4 lid 4 voor:

[…]

b. de uitoefening van aan-huis-verbonden beroepen tot een maximale vloeroppervlak van 35 m², met inachtneming van de volgende regels:

1. de woonfunctie als hoofddoel en primaire functie gehandhaafd blijft;

2. er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan het woon- en leefmilieu in de omgeving;

3. horeca-activiteiten zijn niet toegestaan;

4. detailhandelsactiviteiten zijn niet toegestaan, met uitzondering van een beperkte verkoop ondergeschikt aan de uitoefening van het aan-huis-verbonden beroep;

5. het gebruik de woonfunctie ondersteunt, dat wil zeggen dat de hoofdbeoefenaar die de activiteit in de woning of in een bijbehorend bouwwerk uitvoert tevens een in de Gemeentelijke Basisadministratie ingeschreven bewoner van de woning is;

6. het gebruik mag niet leiden tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer, dan wel tot een onevenredige toename van de parkeerdruk op de openbare ruimte.

7. het gebruik dient vanuit milieuhygiënisch oogpunt inpasbaar te zijn;

8. er vindt slechts een beperkt cliëntenbezoek aan huis plaats;

9. reclame-uitingen zijn niet toegestaan.

Artikel 9.1

In afwijking van de desbetreffende regels van het plan kan het bevoegd gezag omgevingsvergunning verlenen voor:

a) afwijkingen van maten met ten hoogste 10%, voor zover zulks van belang is voor de technische realisering van bouwwerken in aansluiting op bestaande bouwwerken;

[…].