Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2022:2534

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-08-2022
Datum publicatie
31-08-2022
Zaaknummer
202104899/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 juni 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Lelystad onder meer in de buurt Zoom locaties aangewezen voor de plaatsing van ondergrondse restafvalcontainers. [appellant] woont aan de [locatie] in Lelystad. Hij vreest dat plaatsing van een orac op locatie 1507 in de nabijheid van zijn woning zal leiden tot een aantasting van zijn woon- en leefklimaat en dat het rustige karakter van het gebied zal worden aangetast. De locatie ligt aan de rand van een park. De orac is inmiddels geplaatst, maar nog niet in gebruik.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202104899/1/R1.

Datum uitspraak: 31 augustus 2022

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant, wonend te Lelystad,

en

het college van burgemeester en wethouders van Lelystad,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 8 juni 2021 heeft het college onder meer in de buurt Zoom locaties aangewezen voor de plaatsing van ondergrondse restafvalcontainers (hierna: orac’s).

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 augustus 2022, waar [appellant], bijgestaan door mr. L. Brouwers, rechtsbijstandsverlener te Leusden, en het college, vertegenwoordigd door mr. G. Paulich en K. Volger, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       [appellant] woont aan de [locatie] in Lelystad. Hij vreest dat plaatsing van een orac op locatie 1507 in de nabijheid van zijn woning zal leiden tot een aantasting van zijn woon- en leefklimaat en dat het rustige karakter van het gebied zal worden aangetast. De locatie ligt aan de rand van een park. De orac is inmiddels geplaatst, maar nog niet in gebruik.

Oordeel van de Afdeling

2.       De Afdeling is van oordeel dat het beroep ongegrond is. De Afdeling zal dit oordeel hierna motiveren aan de hand van de bespreking van de beroepsgronden van [appellant].

Bekendmaking besluit

3.       [appellant] betoogt dat het besluit niet op de juiste wijze bekend is gemaakt, omdat in de bekendmaking daarvan in strijd met artikel 3:45 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) geen rechtsmiddelenclausule was opgenomen. Ook was in de bekendmaking in strijd met artikel 3:42 van de Awb zoals dat toen luidde niet vermeld waar en wanneer het besluit ter inzage lag. Verder is het besluit ten onrechte niet via internet bekendgemaakt.

3.1.    De Afdeling overweegt dat deze beroepsgrond gaat over mogelijke onregelmatigheden van na de datum van het bestreden besluit. Alleen al daarom kunnen deze mogelijke onregelmatigheden de rechtmatigheid van het besluit niet aantasten. Deze mogelijke onregelmatigheden kunnen daarom geen reden zijn voor de vernietiging van het bestreden besluit.

Het betoog slaagt niet.

Nota van zienswijzen

4.       [appellant] betoogt dat in de nota van zienswijzen ten onrechte staat vermeld dat artikel 4 van de Afvalstoffenverordening Lelystad 2010 de basis is voor het aanwijzen van locaties voor een ondergrondse inzamelvoorziening. Dat is onjuist omdat de basis daarvoor een andere bepaling in de Afvalstoffenverordening 2020 Lelystad is. Het besluit is daarom volgens hem niet met de vereiste zorgvuldigheid vastgesteld. Verder is volgens hem in de nota van zienswijzen onvoldoende ingegaan op zijn zienswijze, omdat niet een rectie is gegeven op alle argumenten die hij heeft aangevoerd.

4.1.    Het college heeft erkend dat in de nota van zienswijzen de onjuiste wettelijke basis voor het aanwijzen van locaties voor een ondergrondse inzamelvoorziening is vermeld.

4.2.    De Afdeling overweegt dat in de nota van zienswijzen de wettelijke basis voor het bestreden besluit weliswaar onjuist staat vermeld, maar dat betekent niet dat het besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid is vastgesteld. De onjuiste vermelding van de wettelijke basis behoort namelijk niet tot de dragende motivering van het bestreden besluit. Verder is het niet in strijd met de motiveringsplicht die in artikel 3:46 van de Awb is opgenomen dat het college niet op elk afzonderlijk argument in de zienswijze van [appellant] is ingegaan. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken.

Het betoog slaagt niet.

Heeft het college mogen besluiten dat in de Zoom gebruikt wordt gemaakt van orac’s voor de inzameling van huishoudelijk afval?

5.       [appellant] betoogt dat het college ten onrechte heeft besloten dat in de Zoom gebruikt wordt gemaakt van orac’s voor de inzameling van huishoudelijk afval. Het college heeft per buurt aan de hand van een enquête bepaald welk inzamelmiddel voor huishoudelijk afval wordt gebruikt. Het college heeft gekozen voor orac’s als inzamelmiddel voor een buurt als de inwoners van die buurt in de enquête meerderheid de voorkeur gaven aan orac’s als inzamelmiddel voor restafval. Als de inwoners in meerderheid de voorkeur gaven aan een vierde container aan huis als inzamelmiddel voor restafval, koos het college dat als inzamelmiddel voor de buurt. Het college heeft op basis van deze enquête bepaald dat in de Zoom orac’s worden gebruikt als inzamelmiddel. [appellant] wijst op een enquête die enkele inwoners van de Zoom in december 2020 zelf hebben gehouden en waaruit volgt dat de inwoners van de Zoom op dat moment in meerderheid de voorkeur geven aan een vierde container aan huis als inzamelmiddel. Volgens [appellant] had het college op basis van die enquête zijn keuze moeten herzien. [appellant] voert ook aan dat het mogelijk is om de Zoom in twee gedeelten te splitsen waarbij in het ene gedeelte een vierde container aan huis krijgt en het andere gedeelte orac’s. Hij wijst er daarbij op dat in Landerijen Noord/Oost, Oostrandpark, de Rozengaard en Gors ook is gekozen voor het inzamelen van afval via een vierde container aan huis. Landerijen Noord/Oost en Rozengaard liggen dichtbij de Zoom zodat het volgens [appellant] maar een kleine aanpassing vergt om in een deel van de Zoom het afval via een vierde container aan huis in te  Het is volgens [appellant] ook in strijd met het gelijkheidsbeginsel dat in de Zoom niet op straatniveau is bepaald of afval via een orac dan wel een vierde container aan huis wordt ingezameld, terwijl afval in Rozengaard en Gors via een vierde container aan huis wordt ingezameld. Rozengaard en Gors zijn volgens [appellant] straten en geen buurten.

5.1.    Het college stelt zich in de eerste plaats op het standpunt dat de keuze voor orac’s als inzamelmiddel niet in deze procedure aan de orde kan komen. Verder heeft het college toegelicht dat het in de enquête die enkele inwoners van de Zoom zelf hebben gehouden geen aanleiding heeft gezien om zijn keuze voor de plaatsing van orac’s in de Zoom te herzien. Daarbij is van belang dat de betrouwbaarheid van het gemeentebestuur anders zou worden aangetast. De inwoners van de buurten hebben de gelegenheid gekregen hun mening te geven in een enquête en zij mogen erop vertrouwen dat de uitkomsten van die enquête leidend zijn in de besluitvorming. Ook zouden dan in andere buurten nieuwe enquêtes moeten worden gehouden wat leidt tot vertraging in de besluitvorming. Ook kan het leiden tot grote kosten voor de gemeente. Als een buurt in een nieuwe enquête toch de voorkeur geeft aan een vierde container aan huis, moeten er namelijk kosten worden gemaakt voor het verwijderen van de al geplaatste orac’s en het uitzetten van vierde containers aan huis.

5.2.    De gemeenteraad van Lelystad heeft in de Afvalstoffenverordening 2020 Lelystad het college de bevoegdheid toegekend om regels te stellen over de wijze van inzamelen van huishoudelijk afval. Het college is dus bevoegd om te bepalen welk inzamelmiddel voor huishoudelijk afval wordt gebruikt. Het college heeft niet in een afzonderlijk besluit waartegen beroep openstond een beslissing genomen over het soort inzamelmiddel dat in de  de Zoom wordt gebruikt. Het bestreden besluit strekt daarom niet alleen tot aanwijzing van een locatie, maar ook tot aanwijzing van orac’s als inzamelmiddel voor restafval in de Zoom. Dat betekent dat de keuze om huishoudelijk afval in de Zoom via orac’s in te zamelen in deze procedure aan de orde kan komen. De Afdeling wijst ter vergelijking op haar uitspraak van 3 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:5, onder 6.1.

5.3.    De Afdeling overweegt dat de keuze van het college om huishoudelijk afval in de Zoom via orac’s in te zamelen in hoge mate politiek-bestuurlijk van aard is en door de Afdeling daarom alleen terughoudend kan worden getoetst. De Afdeling is van oordeel dat de keuze van het college niet onredelijk is. Het college hoefde bij zijn keuze redelijkerwijs geen doorslaggevend gewicht toe te kennen aan de uitkomst van de enquête die door enkele inwoners van de Zoom is gehouden, gezien de onder 5.1 vermelde toelichting van het college.

Ook hoefde het college redelijkerwijs de Zoom niet in twee gedeelten op te splitsen waarbij in het ene gedeelte een vierde container aan huis krijgt en het andere gedeelte orac’s. Daarbij is van belang dat het college heeft toegelicht dat een verdere uitsplitsing van buurten naar straatniveau logistiek lastig uit te voeren is voor de afvalinzamelaar en de kosten van inzameling van huishoudelijk afval daardoor onevenredig zouden stijgen.

Het college heeft niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel gehandeld door in Rozengaard en Gors het afval wel te laten inzamelen via een vierde container aan huis. Het college heeft toegelicht dat het de indeling in buurten heeft gemaakt op basis van de verschillende woningtypen, woningdichtheid en inrichting binnen de buurten. Op basis daarvan zijn zowel de Zoom, Rozengaard als Gors als buurten aangemerkt. De inwoners van de Rozengaard en Gors hebben in de enquête die door het gemeentebestuur is gehouden in meerderheid de voorkeur gegeven aan een vierde container aan huis anders dan de inwoners van de Zoom. De Afdeling ziet in wat [appellant] heeft aangevoerd geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het college Rozengaard en Gors niet als buurten heeft mogen aanmerken.

Het betoog slaagt niet.

Heeft het college mogen kiezen voor plaatsing van een orac op locatie 1507?

6.       [appellant] betoogt dat het college ten onrechte heeft gekozen om op locatie 1507 een orac te plaatsen. Volgens hem zal de orac leiden tot een aantasting van zijn woon- en leefklimaat en het rustige karakter van het gebied. Hij vreest voor verkeers- en geluidoverlast en een aantasting van zijn privacy, omdat mensen langs zijn woning van en naar de orac zullen rijden en lopen. Bovendien zal het legen van de orac tot verkeersopstoppingen leiden. Ook vreest [appellant] voor stankoverlast en zwerfaval bij de orac. Op dat zwerfafval zullen dieren afkomen die van het afval zullen eten met negatieve gevolgen voor hun gezondheid. Tot slot vreest hij dat het legen van de orac zal leiden tot aantasting van bomen die in de omgeving staan.

6.1.    Het college stelt zich op het standpunt dat de orac niet zal leiden tot een ernstige aantasting van zijn woon- en leefklimaat en het rustige karakter van het gebied.

6.2.    De Afdeling overweegt dat het college bij de keuze van een locatie voor een orac een afweging moet maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het locatieplan. Daarbij heeft het college beleidsruimte. De Afdeling beoordeelt, aan de hand van de beroepsgronden, of de nadelige gevolgen van de aanwijzing van de locatie niet onevenredig zijn in verhouding tot de met de aanwijzing te dienen doelen. Daarbij beoordeelt zij of het college de locatie geschikt heeft mogen achten voor de plaatsing van de orac.

6.3.    De Afdeling is van oordeel dat het college een zwaarder gewicht heeft mogen toekennen aan het belang bij een doelmatige inzameling van afval dat met plaatsing van de orac is gediend dan aan het belang van [appellant] bij een ongewijzigd woon- en leefklimaat. Het college heeft locatie 1507 dus geschikt mogen achten voor plaatsing van de orac. Daarbij betrekt de Afdeling dat het college de nadelige gevolgen voor [appellant] aanvaardbaar heeft mogen achten. De beoordeling of een bestuursorgaan de gevolgen van de aanwijzing voor de omgeving aanvaardbaar heeft mogen achten, kan gaan over nadelen die inherent zijn aan het gekozen inzamelsysteem, zoals geluid- en geuremissie van het gebruik van een orac, toeneming van verkeer van en naar een orac en (verkeers)hinder die gepaard gaat met het legen van een orac. Uit de rechtspraak van de Afdeling volgt echter dat die gevolgen onder normale omstandigheden niet aan aanwijzing van een locatie in de weg hoeven staan. Daarbij is van belang dat geluid- en geurhinder zoveel mogelijk worden voorkomen door de constructie van orac’s en door het regelmatig legen en schoonmaken, dat de verkeersaantrekkende werking in het algemeen beperkt is en dat het legen van orac’s maar van korte duur is. De Afdeling beoordeelt daarom alleen of locatiespecifieke of andere bijzondere omstandigheden maken dat het college in die gevolgen reden had moeten zien om de locatie niet aan te wijzen.

In dit geval zijn er geen locatiespecifieke of andere bijzondere omstandigheden die maken dat het college de gevolgen voor de omgeving niet aanvaardbaar heeft mogen achten. De Afdeling wijst er daarbij op dat op de zitting naar voren is gekomen dat in de Zoom drie orac’s zullen worden geplaatst voor ongeveer 170 huishoudens, uitgaande van de aantallen huishoudens die in de enquêtes van het gemeentebestuur en de inwoners van de Zoom staan vermeld. Dat betekent dat de orac op locatie 1507 door een relatief beperkt aantal huishoudens zal worden gebruikt. Het verkeerd aanbieden van afval en de daarmee gepaard gaande overlast, is een kwestie van handhaving die in beginsel geen rol speelt bij de aanwijzing van een locatie voor containers. Bovendien heeft het college op de zitting toegelicht dat de orac is voorzien van een sensor. Als de orac voor 60% gevuld is, wordt dit gemeld en als de orac voor 80% gevuld is, zal de orac binnen één tot twee dagen worden geleegd. Verder valt niet in te zien dat aanwezige bomen zullen worden aangetast door de orac, omdat deze op ruime afstand van de aanwezige bomen is geplaatst.

6.4.    [appellant] heeft op de zitting aangevoerd dat het college ten onrechte niet heeft gekozen voor een alternatieve locatie.

De Afdeling laat deze beroepsgrond buiten beschouwing vanwege de goede procesorde, omdat het college onvoldoende heeft kunnen reageren op deze beroepsgrond. De mogelijkheid om nieuwe beroepsgronden aan te voeren wordt begrensd door de goede procesorde. De goede procesorde laat het indienen van een nieuwe beroepsgrond niet toe als andere partijen onvoldoende op die beroepsgrond kunnen reageren of de goede voortgang van de procedure daardoor op andere wijze wordt belemmerd.

7.       De Afdeling komt tot de conclusie dat het college heeft mogen kiezen voor plaatsing van een orac op locatie 1507. Het betoog van [appellant] slaagt dus niet.

Proceskosten

8.       Zoals onder 2 is overwogen, is het beroep ongegrond. De raad hoeft daarom niet de proceskosten van [appellant] te vergoeden.

 Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.L. van Driel Kluit, griffier.

w.g. Steendijk

lid van de enkelvoudige kamer     

w.g. Van Driel Kluit

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2022

703