Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2022:2528

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-08-2022
Datum publicatie
31-08-2022
Zaaknummer
202105126/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 april 2020 heeft het bestuur van de raad voor rechtsbijstand het besluit van 15 oktober 2019, waarbij een vergoeding is vastgesteld van € 1546,84, herzien, en de vergoeding lager vastgesteld op € 787,83. [appellante] is advocaat en neemt deel aan het High Trust-programma van de raad. Uitgangspunt van dit programma is dat de vraag of een zaak toevoegingswaardig is niet langer door de raad naar aanleiding van een toevoegingsaanvraag, maar door de rechtsbijstandverlener voorafgaand aan het indienen van de aanvraag wordt beoordeeld. Afgegeven toevoegingen en vastgestelde vergoedingen worden vervolgens achteraf steekproefsgewijs gecontroleerd. [appellante] heeft aan [persoon] als slachtoffer in een strafzaak bij het gerechtshof Den Haag rechtsbijstand verleend. Daarvoor heeft de raad een toevoeging verleend. Op 15 oktober 2019 heeft [appellante] een aanvraag ingediend om een vergoeding vast te stellen voor de werkzaamheden die zij heeft verricht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202105126/1/A2.

Datum uitspraak: 31 augustus 2022

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], kantoorhoudend te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 juni 2021 in zaak nr. 20/4053 in het geding tussen:

[appellante]

en

het bestuur van de raad voor rechtsbijstand.

Procesverloop

Bij besluit van 7 april 2020 heeft de raad het besluit van 15 oktober 2019, waarbij een vergoeding is vastgesteld van € 1546,84, herzien, en de vergoeding lager vastgesteld op € 787,83.

Bij besluit van 5 juni 2020 heeft de raad het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 30 juni 2021 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 april 2022, waar [appellante] en de raad, vertegenwoordigd door mr. C.W. Wijnstra, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       [appellante] is advocaat en neemt deel aan het High Trust-programma van de raad. Uitgangspunt van dit programma is dat de vraag of een zaak toevoegingswaardig is niet langer door de raad naar aanleiding van een toevoegingsaanvraag, maar door de rechtsbijstandverlener voorafgaand aan het indienen van de aanvraag wordt beoordeeld. Afgegeven toevoegingen en vastgestelde vergoedingen worden vervolgens achteraf steekproefsgewijs gecontroleerd.

1.1.    [appellante] heeft aan [persoon] als slachtoffer in een strafzaak bij het gerechtshof Den Haag rechtsbijstand verleend. Daarvoor heeft de raad een toevoeging verleend. Op 15 oktober 2019 heeft [appellante] een aanvraag ingediend om een vergoeding vast te stellen voor de werkzaamheden die zij heeft verricht. Bij besluit van 15 oktober 2019 heeft de raad een vergoeding vastgesteld van € 1546,84. Bij arrest van 11 oktober 2019 heeft het gerechtshof de wederpartij veroordeeld in de proceskosten tot een bedrag van € 759,00. Tijdens een steekproefcontrole is gebleken dat [appellante] dit niet heeft opgegeven bij de aanvraag van 15 oktober 2019.

1.2.    Gelet op artikel 32, derde lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand (hierna: Bvr 2000) wordt een proceskostenvergoeding in mindering gebracht op de toevoegvergoeding. Op grond van het vijfde lid wordt hiervan afgeweken als aan de proceskostenveroordeling niet is voldaan en er redelijkerwijs ook geen zicht is op voldoening. In Werkinstructie ‘Art. 32 Bvr 2000 Proceskostenvergoeding/Voorschot’ (hierna: Werkinstructie) is bepaald dat de raad op grond van het vijfde lid kan besluiten de proceskostenvergoeding niet of gedeeltelijk in mindering te brengen als een advocaat heeft aangetoond dat de vordering oninbaar is.

De raad heeft het besluit van 15 oktober 2019 bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 7 april 2020 herzien, omdat [appellante] niet heeft aangetoond dat de vordering van € 759,00 oninbaar is. Zij heeft volgens de raad recht op een vergoeding van € 1546,83 verminderd met € 759,00. Daarom heeft de raad de vergoeding lager vastgesteld op € 787,83.

Oordeel van de rechtbank

2.       De rechtbank heeft overwogen dat [appellante] niet heeft onderbouwd dat de vordering oninbaar is. De algemene stelling van [appellante] dat daders in strafzaken vaak geen verhaal bieden, is daarvoor onvoldoende. De rechtbank heeft verder van belang geacht dat op de zitting is gebleken dat de proceskostenvergoeding inmiddels geïnd zou kunnen worden, omdat het arrest van het gerechtshof onherroepelijk is. [appellante] is echter niet van plan om daarvoor indien nodig een deurwaarder in te schakelen, omdat zij het financiële risico dat daarbij komt kijken te groot acht. Met de raad is de rechtbank van oordeel dat het op de weg van [appellante] ligt om de proceskostenvergoeding in eerste instantie te verhalen bij de dader, indien nodig door middel van een deurwaarder. De dader is als wederpartij immers verantwoordelijk voor betaling van deze kosten. Als vervolgens blijkt dat de dader geen verhaal biedt, dan krijgt [appellante] de kosten alsnog vergoed door de raad. De rechtbank begrijpt dat dit systeem in de praktijk kan leiden tot een lange wachttijd totdat de betaling van de proceskostenvergoeding daadwerkelijk plaatsvindt en dat dit een zekere inspanningsverplichting voor de advocaat meebrengt. Dat betekent echter niet dat het bestreden besluit de toets in rechte niet kan doorstaan.

Wettelijk kader

3.       Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Hoger beroep en beoordeling ervan

4.       [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat sprake is van oninbaarheid van de proceskostenvergoeding. Deze werd verrekend, terwijl het arrest van het gerechtshof niet uitvoerbaar bij voorraad was en nog niet onherroepelijk was. Het instellen van een rechtsmiddel heeft dan schorsende werking. De rechtbank stelt ten onrechte impliciet dat een advocaat maar moet wachten op de uitspraak in de volgende procedure voordat de proceskostenvergoeding kan worden verhaald. In het beleid staat niet dat in een opvolgende procedure aangetoond moet worden dat de vordering oninbaar is. Op de zitting heeft [appellante] toegelicht dat het uitgangspunt is dat per instantie een toevoeging wordt aangevraagd en dat per procedure wordt gedeclareerd. Ook heeft zij aangevoerd dat in het reguliere civiele recht in de uitspraak doorgaans wel wordt opgenomen dat de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad is.

[appellante] betoogt ook dat de restrictieve uitleg van het beleid van de raad onverenigbaar is met de door de wetgever beoogde versterking van de positie van slachtoffers in het strafproces. Die wordt bedreigd, omdat de toch al erbarmelijke betaling van de advocaat zodanig in het gedrang komt dat geen advocaat meer op toevoeging bijstand wil verlenen. Het risico bestaat dat een advocaat tot zes á acht jaren moet wachten op betaling voor verleende rechtsbijstand. Verder moet een proceskostenveroordeling ambtshalve worden uitgesproken. [appellante] verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793. Sociaal advocaten die slachtoffers bijstaan zullen de strafrechter verzoeken dat achterwege te laten omdat dit betekent dat zij lang op de uitbetaling van de proceskostenvergoeding moeten wachten, vaak onzeker is of de dader verhaal zal bieden en om de dader te laten betalen vaak kostbare maatregelen nodig zijn. Dergelijke verzoeken zijn niet in overeenstemming met de wens van de wetgever en vormen een risicovolle processtrategie, omdat het afwachten blijft of de strafrechter hierin meegaat. Op de zitting heeft [appellante] toegelicht dat het proceskostenrisico, dat op grond van artikel 18, tweede lid, van de Grondwet, in samenhang met artikel 6 van het EVRM, aan de Staat toebehoort, wordt afgewenteld op de sociaal advocaat en uiteindelijk op de rechtszoekende. De gevolgen van de restrictieve uitleg van het beleid zijn volgens [appellante] onevenredig.

4.1.    Gelet op artikel 32, derde lid, van het Bvr 2000 wordt, indien uit de opgave van de rechtsbijstandsverlener aan het bestuur blijkt van een veroordeling in de kosten van verlening van rechtsbijstand ten behoeve van een partij aan wie een toevoeging is verleend krachtens de wet, het bedrag van deze kostenveroordeling tot ten hoogste het bedrag van de overeenkomstig dit besluit vastgestelde vergoeding, op die vergoeding in mindering gebracht. In het vijfde lid is bepaald dat de raad het derde lid buiten toepassing laat als aan de kostenveroordeling geheel of gedeeltelijk niet is voldaan en er redelijkerwijs ook geen zicht is op voldoening.

In de Nota van Toelichting bij het Besluit van 14 juni 2013 over de wijziging van het Bvr 2000 in verband met de verrekeningsbevoegdheid van de raad bij een proceskostenveroordeling (Stb. 2013, 220; hierna: Nota van Toelichting) is vermeld:

" De ontvangen proceskostenvergoeding wordt in mindering gebracht op de toevoegvergoeding. Hiermee wordt voorkomen dat degene ten behoeve van wie een toevoeging is verleend, een compensatie ontvangt voor proceskosten die hij zelf niet heeft gedragen.

[…]

Voorts is er een nieuw lid toegevoegd dat voorziet in een hardheidsclausule op grond waarvan de raad voor rechtsbijstand kan besluiten niet over te gaan tot verrekening als bedoeld in het derde lid van artikel 32 Bvr. Te denken valt hierbij aan situaties dat de tegenpartij failliet is of dat deze met onbekende bestemming is vertrokken, waardoor inning van de proceskostenveroordeling niet langer mogelijk is. De raad voor rechtsbijstand kan in deze gevallen na ontvangst van een bewijsstuk waaruit blijkt dat hiervan sprake is, zoals een verklaring van de deurwaarder of een kopie van een vonnis, besluiten niet tot verrekening over te gaan."

Op grond van de Werkinstructie kan de raad besluiten om de proceskostenvergoeding niet of gedeeltelijk in mindering te brengen op de vergoeding als de vordering oninbaar blijkt te zijn. Hiervan worden verschillende voorbeelden gegeven. De oninbaarheid moet door de advocaat worden aangetoond, bijvoorbeeld met een vonnis, beschikking of een brief van de deurwaarder.

4.2.    De Afdeling is van oordeel dat dit beleid in beginsel niet in strijd is met de bedoeling van de wetgever. In de Nota van Toelichting is immers als voorbeeld van situaties waarin de raad op grond van artikel 32, vijfde lid, van het Bvr 2000 kan besluiten niet over te gaan tot verrekening, verwezen naar situaties waarin de inning van de proceskostenvergoeding niet langer mogelijk is. Dit neemt echter niet weg dat er andere omstandigheden kunnen zijn die ertoe leiden dat er redelijkerwijs geen zicht is op voldoening. [appellante] heeft gewezen op de omstandigheid dat het arrest van het gerechtshof niet uitvoerbaar bij voorraad was. De proceskosten waren feitelijk dus niet inbaar op het moment dat zij bij de raad de aanvraag indiende om een vergoeding vast te stellen. Op de zitting heeft [appellante] toegelicht dat zij de volgende procedure moest afwachten, omdat tegen het arrest een rechtsmiddel was ingesteld. Die procedure kan lang duren. Verder blijkt uit het arrest van het gerechtshof dat de wederpartij in de strafzaak [persoon] heeft mishandeld en bedreigd en dat hij eerder is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke feiten. Volgens [appellante] is het onwaarschijnlijk dat hij de proceskosten zal betalen zonder dat zij kostbare dwangmiddelen hoeft in te zetten. De raad heeft daar alleen tegenover gesteld dat de vordering op termijn inbaar kan worden en dat het arrest van het gerechtshof inmiddels onherroepelijk is. Ook bestaat volgens de raad een risico dat een toevoegvergoeding én een proceskostenvergoeding zullen worden ontvangen door [appellante]. Gelet op de door [appellante] aangevoerde omstandigheden heeft de raad hiermee onvoldoende gemotiveerd dat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat er redelijkerwijs geen zicht was op voldoening van de proceskostenveroordeling op het moment van de verrekening en dat er dus geen reden was om de hardheidsclausule van artikel 32, vijfde lid, van het Bvr 2000 toe te passen. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, heeft de raad het in mindering brengen van het bedrag van € 759,00 op de vergoeding onvoldoende gemotiveerd.

Het betoog slaagt.

5.       Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, wordt nog het volgende overwogen.

Beroep en beoordeling ervan

6.       [appellante] heeft verzocht om de raad te veroordelen in de kosten die zij in bezwaar en beroep heeft gemaakt. Volgens [appellante] was zij genoodzaakt om haar belangen te laten vertegenwoordigen door een advocaat gespecialiseerd in het bestuursrecht. De bestuursrechtelijke procedure is een totaal andere dan de strafrechtelijke praktijk. Het gaat in dit geval ook om een steekproefcontrole waarbij een groot deel van de toevoegingen is afgewezen. De verrekeningen van de toevoegingen brengen behoorlijke financiële consequenties met zich mee.

6.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 18 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3205), hoeft een advocaat redelijkerwijs geen kosten van rechtsbijstand te maken in een procedure over de vergoeding van de door hem of haar verleende rechtsbijstand. Deze kosten zijn zodanig inherent aan de uitoefening van de eigen praktijk, dat niet kan worden staande gehouden dat een advocaat daarvoor redelijkerwijs kosten moet maken door inschakeling van een derde, die ter zake beroepsmatige rechtsbijstand verleent.

In wat [appellante] heeft aangevoerd bestaat geen grond voor het oordeel dat deze zaak feitelijk of juridisch zodanig complex is dat van dit uitgangspunt moet worden afgeweken.

Het betoog faalt.

7.       Gelet op wat in overweging 4.2 is overwogen, is het beroep tegen het besluit van 5 juni 2020 gegrond. Dat besluit komt voor vernietiging in aanmerking.

Wat betekent deze uitspraak?

8.       Deze uitspraak betekent dat, gelet op artikel 32, derde lid, van het Bvr 2000, het bedrag van een proceskostenveroordeling in beginsel in mindering wordt gebracht op de vergoeding voor rechtsbijstand. In het vijfde lid is bepaald dat de raad dat bedrag niet verrekent als er redelijkerwijs geen zicht is op voldoening van de proceskostenveroordeling. Tot deze conclusie moet worden gekomen als een rechtsbijstandsverlener aantoont dat de vordering oninbaar is, zoals ook in het beleid van de raad is neergelegd, maar ook andere omstandigheden kunnen leiden tot de conclusie dat er geen zicht is op voldoening. Gelet op de door [appellante] aangevoerde omstandigheden, vindt de Afdeling dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd dat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat er redelijkerwijs geen zicht was op voldoening op het moment van het verrekenen van de proceskostenveroordeling. De raad heeft het verrekenen van de proceskostenvergoeding met de toevoegvergoeding in dit geval dan ook onvoldoende gemotiveerd. Daarom moet de raad een nieuw besluit op bezwaar nemen.

Judiciële lus en proceskosten

9.       Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat tegen het door de raad te nemen nieuwe besluit op bezwaar alleen bij haar beroep kan worden ingesteld.

10.     De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 juni 2021 in zaak nr. 20/4053;

III.      verklaart het beroep gegrond;

IV.      vernietigt het besluit van het bestuur van de raad voor rechtsbijstand van 5 juni 2020;

V.       draagt het bestuur van de raad voor rechtsbijstand op om binnen twaalf weken na verzending van deze uitspaak met inachtneming van wat hierin is overwogen een nieuw besluit op bezwaar te nemen en dit besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

VI.      bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit alleen bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

VII.     gelast dat het bestuur van de raad voor rechtsbijstand aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 318,00 voor de behandeling van het beroep en hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. B.J. Schueler en mr. W. den Ouden, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.S. Sanchit-Premchand, griffier.

w.g. Borman

voorzitter      

w.g. Sanchit-Premchand

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2022

691

 

BIJLAGE - Wettelijk kader

 

Wet op de rechtsbijstand

Artikel 32

De toevoeging geldt uitsluitend voor het rechtsbelang ter zake waarvoor zij is verleend en, in het geval en een procedure, voor de behandeling daarvan in één instantie, de tenuitvoerlegging van de rechterlijke uitspraak daaronder begrepen.

Artikel 37

1. Het bestuur verstrekt aan een rechtsbijstandsverlener een subsidie, genoemd vergoeding, voor:

a. de door hem op basis van een toevoeging verleende rechtsbijstand;

b. de door hem verleende rechtsbijstand in een zaak waarin een rechtsbijstandsverlener rechtsbijstand heeft verleend in het kader van een door het bestuur getroffen regeling voor het beurtelings verlenen van rechtsbijstand in bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen zaken.

[…]

Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000

Artikel 30

Indien na de vaststelling van de vergoeding feiten of omstandigheden bekend worden waarvan het bestuur redelijkerwijs niet bij de vaststelling op de hoogte kon zijn en op grond waarvan de vergoeding lager zou zijn vastgesteld, dan wel indien de vaststelling onjuist was en de rechtsbijstandverlener dit wist of behoorde te weten, kan het bestuur de vaststelling met terugwerkende kracht wijzigen of intrekken, tenzij vijf jaren zijn verstreken sedert de dag van de vaststelling.

Artikel 32

[…]

3. Indien uit de opgave van de rechtsbijstandsverlener aan het bestuur een veroordeling in de kosten van verlening van rechtsbijstand ten behoeve van een partij aan wie een toevoeging is verleend krachtens de wet blijkt, wordt het bedrag van deze kostenveroordeling tot ten hoogste het bedrag van de overeenkomstig dit besluit vastgestelde vergoeding, op die vergoeding in mindering gebracht.

[…]

5. Indien aan de kostenveroordeling, bedoeld in het derde lid, geheel of gedeeltelijk niet is voldaan en er redelijkerwijs ook geen zicht is op voldoening, laat het bestuur het derde lid buiten toepassing.

Werkinstructie ‘Art. 32 Bvr Proceskostenvergoeding/Voorschot’

Zwaarwegende omstandigheden

Blijkt de vordering oninbaar te zijn, dan kun je op grond van artikel 32 lid 5 Bvr besluiten om de proceskostenvergoeding niet of gedeeltelijk in mindering te brengen.

Bijvoorbeeld als:

- de wederpartij (direct na het vonnis / de uitspraak) failliet is verklaard;

- op de vordering (direct na het vonnis / de uitspraak) een conservatoir derdenbeslag ligt;

- de tegenpartij met ‘de Noorderzon’ is vertrokken;

- de tegenpartij in de Wsnp zit of gebruik maakt van een buitengerechtelijke schuldsanering;

- de door de wederpartij verschuldigde proceskosten door diezelfde wederpartij worden verrekend met een vordering op rechtzoekende.

De oninbaarheid moet door de advocaat worden aangetoond, bijvoorbeeld met een vonnis, beschikking of een brief van de deurwaarder.

Rechtzoekende in schuldsanering of failliet

Je brengt de proceskosten ook niet in mindering als deze is toegewezen aan een rechtzoekende die deelneemt aan een minnelijk traject, is toegelaten tot de WSNP of failliet is. De proceskostenvergoeding valt dan in de boedel van de rechtzoekende. De rechtzoekende moet met recente stukken aantonen dat bovenstaande van toepassing is.