Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2022:2524

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-08-2022
Datum publicatie
31-08-2022
Zaaknummer
202200936/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 januari 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer twee parkeervakken gelegen langs de Fluitschipkade in Zoetermeer aangewezen als parkeerplaatsen voor het opladen van elektrische voertuigen. Het besluit is genomen om een doelmatig en zuinig energiegebruik te bevorderen en om de bruikbaarheid van de weg te waarborgen. [appellant] woont in de directe omgeving van aangewezen parkeervakken. Hij vreest voor verkeersonveilige situaties. Daarom heeft hij bezwaar gemaakt. Op 6 juli 2020 heeft [appellant] het college in gebreke gesteld in verband met het uitblijven van de beslissing op bezwaar. Vervolgens heeft het college het besluit van 16 juli 2020 genomen zonder het advies van de bezwaarcommissie af te wachten. Het bezwaar is ongegrond verklaard. [appellant] is het hier niet mee eens en heeft beroep ingesteld. Volgens hem had het college de beslistermijn moeten verlengen en het advies van de bezwaarcommissie moeten afwachten of hem zelf moeten horen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Abkort 2022/362
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202200936/1/A2.

Datum uitspraak: 31 augustus 2022

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Zoetermeer,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 22 december 2021 in zaak nr. 20/5413 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer.

Procesverloop

Bij besluit van 14 januari 2020 heeft het college twee parkeervakken gelegen langs de Fluitschipkade in Zoetermeer aangewezen als parkeerplaatsen voor het opladen van elektrische voertuigen.

Bij besluit van 16 juli 2020 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 december 2021 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 juli 2022, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. M.J. Angenent en B. Smit, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       Bij het besluit van 14 januari 2020 heeft het college twee  parkeervakken langs de Fluitschipkade ten zuiden van de woning [locatie] aangewezen als parkeerplaatsen voor het opladen van elektrische voertuigen. Het besluit is genomen om een doelmatig en zuinig energiegebruik te bevorderen en om de bruikbaarheid van de weg te waarborgen. [appellant] woont in de directe omgeving van aangewezen parkeervakken. Hij vreest voor verkeersonveilige situaties. Daarom heeft hij bezwaar gemaakt.

1.1.    Bij brief van 27 februari 2020 heeft het college de beslissing op het bezwaarschrift verdaagd met zes weken. Het college heeft het bezwaar voorgelegd aan de Commissie Bezwaarschriften (hierna: bezwaarcommissie). Op 20 mei 2020 heeft de hoorzitting bij de bezwaarcommissie plaatsgevonden. Naar aanleiding van die hoorzitting heeft het college op 29 mei 2020 aanvullende informatie verstrekt aan de bezwaarcommissie.

1.2.    Op 6 juli 2020 heeft [appellant] het college in gebreke gesteld in verband met het uitblijven van de beslissing op bezwaar. Vervolgens heeft het college het besluit van 16 juli 2020 genomen zonder het advies van de bezwaarcommissie af te wachten. Het bezwaar is ongegrond verklaard.

1.3.    [appellant] is het hier niet mee eens en heeft beroep ingesteld. Volgens hem had het college de beslistermijn moeten verlengen en het advies van de bezwaarcommissie moeten afwachten of hem zelf moeten horen. Ook heeft hij aangevoerd dat op de locatie van het oplaadpunt sprake is van een kruispunt waar niet geparkeerd mag worden op een afstand van minder dan vijf meter. Volgens [appellant] zullen gevaarlijke situaties ontstaan. De rechtbank is hem hierin niet gevolgd en heeft het beroep ongegrond verklaard.

Wettelijk kader en toetsingskader

2.       Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

3.       Het college komt bij het nemen van een verkeersbesluit beoordelingsruimte toe bij de uitleg van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: Wvw 1994) genoemde begrippen. Afhankelijk van de beroepsgronden gaat de bestuursrechter in op de vraag of de manier waarop het college van die beoordelingsruimte gebruik heeft gemaakt in overeenstemming is met het recht. Daarbij moet de bestuursrechter nagaan of het college redelijkerwijs de beoordelingsruimte op die manier heeft kunnen invullen.

Nadat het college heeft vastgesteld welke verkeersbelangen naar zijn oordeel bij het besluit moeten worden betrokken, moet het die belangen tegen elkaar afwegen. Bij die afweging heeft het bestuursorgaan beleidsruimte. De bestuursrechter gaat niet na of hij in het concrete geval tot hetzelfde besluit zou zijn gekomen. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of de voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van het verkeersbesluit niet onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen (artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb)).

Hoger beroep en beoordeling ervan

Advies bezwaarcommissie niet afgewacht

4.       [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de omstandigheid dat het college het bezwaar ongegrond heeft verklaard, zonder het advies van de bezwaarcommissie af te wachten, het bestreden besluit niet onrechtmatig maakt. [appellant] voert aan dat het college heeft gehandeld in strijd met de bedoeling van de wetgever. Hij verwijst naar de memorie van toelichting bij artikel 7:10 van de Awb (Kamerstukken II, 1988-1989, 21 221, nr. 3, blz. 152) de Verordening Bezwaarschriften van de gemeente Zoetermeer en de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 20 juli 2020, ECLI:NL:RBNHO:2020:6557. Verder brengt [appellant] naar voren dat de rechtbank in dit verband ten onrechte heeft overwogen dat hij het college al in gebreke had gesteld en het daarom niet in de rede lag om aan hem toestemming te vragen om de beslistermijn te verlengen. Het college had immers moeten weten dat de ingebrekestelling prematuur was. Volgens [appellant] is hij ook in zijn belangen geschaad. Als de bezwaarcommissie in het advies zou hebben aangegeven dat geen sprake is van een kruispunt dan was hij niet in beroep gegaan. Als de commissie in zijn voordeel had geoordeeld dan had hij over een deskundigenadvies beschikt. Daarmee had hij een rechtszaak met enig vertrouwen tegemoet gezien.

4.1.    Op de zitting heeft het college toegelicht dat, daargelaten of de ingebrekestelling prematuur was, het heeft willen tegemoetkomen aan de wens van [appellant] om op korte termijn een besluit op bezwaar te ontvangen. Ook heeft het college erkend dat het advies van de bezwaarcommissie ten onrechte niet is afgewacht en dat daarom een gebrek kleeft aan het besluit van 16 juli 2020. Naar het oordeel van de Afdeling kan dit gebrek worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, omdat aannemelijk is dat [appellant] daardoor niet is benadeeld. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, heeft het college in het besluit van 16 juli 2020 betrokken wat bij de bezwaarcommissie naar voren is gebracht. Voor zover het college niet alles zou hebben betrokken, had [appellant] daartegen op kunnen komen in beroep. Dat heeft hij ook gedaan. Daarnaast gaat de uitspraak van de rechtbank van 20 juli 2020, waarnaar [appellant] heeft verwezen, over een andere situatie. Het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer had in die zaak geweigerd stukken openbaar te maken naar aanleiding van een verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur van de appellante in die zaak en de bezwaarcommissie had niet kunnen beoordelen of dat terecht was. Voor zover [appellant] heeft gesteld dat hij het advies van de bezwaarcommissie zou hebben laten meewegen bij zijn beslissing om al dan niet in beroep te gaan, is dit onvoldoende om aannemelijk te achten dat hij door het gebrek is benadeeld. De bezwaarcommissie adviseert het college bij het nemen van een beslissing op bezwaar. Anders dan [appellant] stelt, is het advies van de commissie geen deskundigenadvies (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 3 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2235). [appellant] had voor het nemen van zijn beslissing om in beroep te gaan juridische bijstand kunnen vragen.

Het betoog faalt.

Kruispunt

5.       [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat bij de parkeervakken geen sprake is van een kruispunt en dat daarom de regel dat binnen vijf meter van een kruispunt niet mag worden geparkeerd hier niet geldt. Hij voert aan dat sprake is van een kruispunt in de zin van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: RVV 1990) en verwijst naar het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 28 april 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:3441. Het verkeersbesluit is volgens hem in strijd met artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van het RVV 1990.

5.1.    Gelet op artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van het RVV 1990 mag een bestuurder zijn voertuig niet parkeren bij een kruispunt op een afstand van minder dan vijf meter daarvan. Naar het oordeel van de Afdeling verzet dit artikel zich niet tegen het bij verkeersbesluit aanwijzen van parkeervakken op minder dan vijf meter afstand van een kruispunt (vergelijk haar uitspraak van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:314, rechtsoverweging 8.1, in een zaak over een bestemmingsplan en waarnaar de Afdeling op de zitting heeft verwezen). Dat artikel is namelijk gericht tot de bestuurder en niet het college. Alleen al hierom is het verkeersbesluit niet in strijd met artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van het RVV 1990. Overigens moet het college bij het nemen van het verkeersbesluit wel de verkeersveiligheid in acht nemen. Wat [appellant] daarover heeft aangevoerd, wordt besproken in rechtsoverweging 6.1. Voor zover hij heeft beoogd aan te voeren dat het verkeersbesluit ertoe leidt dat automobilisten die in de parkeervakken parkeren, handelen in strijd met artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van het RVV 1990, kan dit niet worden gevolgd. Die parkeervakken zijn namelijk als zodanig aangewezen door middel van een verkeersbord en belijning op het wegdek. Dat zijn verkeerstekens in de zin van artikel 3 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer. In artikel 63 van het RVV 1990 is bepaald dat verkeerstekens boven verkeersregels gaan, voor zover deze regels onverenigbaar zijn met deze tekens. Zelfs al zouden de parkeervakken binnen vijf meter afstand van een kruispunt zijn aangewezen en gerealiseerd, dan handelt een bestuurder die in de parkeervakken parkeert daarom niet in strijd met artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van het RVV 1990.

Gelet op het voorgaande kan het antwoord op de vraag of sprake is van een kruispunt in de zin van het RVV 1990 in het midden worden gelaten en heeft het college zich redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat het waarborgen van de bruikbaarheid van de weg en het bevorderen van een doelmatig of zuinig energiegebruik zijn gediend met het verkeersbesluit.

Het betoog faalt.

Verkeersveiligheid

6.       [appellant] betoogt dat de rechtbank hem ten onrechte niet is gevolgd in zijn standpunt dat door het oplaadpunt gevaarlijke verkeerssituaties zullen ontstaan. Hij voert aan dat situaties zullen ontstaan die in strijd zijn met de artikelen 5 en 5a van de Wvw 1994. Hem heeft het al jaren verbaasd dat er ter plaatse van het kruispunt nooit is gehandhaafd op fout parkeren. Hij bestrijdt niet dat hem niet bekend is of er op die locatie wel eens een verkeersongeval heeft plaatsgevonden, maar in het verleden hebben wel degelijk incidenten plaatsgevonden. Verder is het hem niet duidelijk wat moet worden verstaan onder onevenredige gevolgen.

6.1.    Het onevenredige gevolg van het verkeersbesluit dat [appellant] naar voren heeft gebracht is het ontstaan van verkeersonveilige situaties. Dat er in het verleden fout werd geparkeerd en nooit zou zijn gehandhaafd, is niet relevant voor het antwoord op de vraag of het college het verkeersbesluit heeft mogen nemen. Daarnaast heeft het college aangevoerd dat ter hoogte van de laadpaal een maximumsnelheid van 30 kilometer per uur geldt, dat de intensiteit op het weggedeelte laag is en dat tegemoetkomend verkeer daarom voldoende tijd heeft om op elkaar te anticiperen. De stellingen van [appellant] dat de parkeervakken leiden tot ongewenst verkeersgedrag en dat in het verleden ter plaatse incidenten hebben plaatsgevonden, is onvoldoende voor de conclusie dat het college bij zijn afweging om het verkeersbesluit te nemen niet meer gewicht heeft mogen toekennen aan het waarborgen van de bruikbaarheid van de weg en het bevorderen van een doelmatig of zuinig energiegebruik dan aan de gestelde nadelige gevolgen van het verkeersbesluit voor [appellant]. Overigens heeft het college op de zitting  toegelicht dat ook in de huidige situatie geen meldingen zijn van verkeersincidenten en dat de verkeersveiligheid in de gaten wordt gehouden.

Het betoog faalt.

Conclusie

7.       Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.S. Sanchit-Premchand, griffier.

w.g. Wissels

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Sanchit-Premchand

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2022

691

 

BIJLAGE - Wettelijk kader

 

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 6:22

Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.

Artikel 7:10

1. Het bestuursorgaan beslist binnen zes weken of - indien een commissie als bedoeld in artikel 7:13 is ingesteld - binnen twaalf weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken.

[…]

3. Het bestuursorgaan kan de beslissing voor ten hoogste zes weken verdagen.

[…]

4. Verder uitstel is mogelijk voor zover:

a. alle belanghebbenden daarmee instemmen,

b. de indiener van het bezwaarschrift daarmee instemt en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad, of

c. dit nodig is in verband met de naleving van wettelijke procedurevoorschriften.

[…]

Artikel 7:13

1. Dit artikel is van toepassing indien ten behoeve van de beslissing op het bezwaar een adviescommissie is ingesteld:

[…]

2. Indien een commissie over het bezwaar zal adviseren, deelt het bestuursorgaan dit zo spoedig mogelijk mede aan de indiener van het bezwaarschrift.

3. Het horen geschiedt door de commissie. […]

[…]

5. Een vertegenwoordiger van het bestuursorgaan wordt voor het horen uitgenodigd en wordt in de gelegenheid gesteld een toelichting op het standpunt van het bestuursorgaan te geven.

6. Het advies van de commissie wordt schriftelijk uitgebracht en bevat een verslag van het horen.

7. Indien de beslissing op het bezwaar afwijkt van het advies van de commissie, wordt in de beslissing de reden voor die afwijking vermeld en wordt het advies met de beslissing meegezonden.

Wegenverkeerswet 1994

Artikel 2

1. De krachtens deze wet vastgestelde regels kunnen strekken tot:

[…]

c. het in stand houden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan;

[…]

3. De krachtens deze wet vastgestelde regels kunnen voorts strekken tot:

a. het bevorderen van een doelmatig of zuinig energiegebruik;

[…]

Artikel 5

Het is een ieder verboden zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd.

Artikel 5a

1. Het is een ieder verboden opzettelijk zich zodanig in het verkeer te gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate worden geschonden, indien daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is. Als zodanige verkeersgedragingen kunnen de volgende gedragingen worden aangemerkt:

a. onvoldoende rechts houden op onoverzichtelijke plaatsen;

[…]

Artikel 15

1. De plaatsing of verwijdering van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen verkeerstekens, en onderborden voor zover daardoor een gebod of verbod ontstaat of wordt gewijzigd, geschiedt krachtens een verkeersbesluit.

2. Maatregelen op of aan de weg tot wijziging van de inrichting van de weg of tot het aanbrengen of verwijderen van voorzieningen ter regeling van het verkeer geschieden krachtens een verkeersbesluit, indien de maatregelen leiden tot een beperking of uitbreiding van het aantal categorieën weggebruikers dat van een weg of weggedeelte gebruik kan maken.

Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW)

Artikel 3

Verkeerstekens zijn:

a. verkeersborden;

b. verkeerslichten en

c. verkeerstekens op het wegdek.

Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990)

Artikel 1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

[…]

bestuurders: alle weggebruikers behalve voetgangers;

[…]

kruispunt: kruising of splitsing van wegen;

[…]

Artikel 24

1. De bestuurder mag zijn voertuig niet parkeren:

a. bij een kruispunt op een afstand van minder dan vijf meter daarvan;

b. voor een inrit of een uitrit;

[…]

Artikel 63

Verkeerstekens gaan boven verkeersregels, voor zover deze regels onverenigbaar zijn met deze tekens.