Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2022:2374

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-08-2022
Datum publicatie
24-08-2022
Zaaknummer
202101434/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 februari 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2022/365
NJB 2022/1965
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202101434/1/V3.

Datum uitspraak: 18 augustus 2022

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 25 februari 2021 in zaak nr. NL21.1348 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 25 februari 2021 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 25 februari 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Overwegingen

Inleiding

1.       De vreemdeling heeft de Poolse nationaliteit. De staatssecretaris heeft vastgesteld dat de vreemdeling geen rechtmatig verblijf meer kan ontlenen aan het Unierecht. De vreemdeling heeft vervolgens een asielaanvraag gedaan. Hij heeft in het nader gehoor in de asielprocedure verklaard suïcidale gedachten te hebben gehad en te lijden aan longkanker. De staatssecretaris heeft de asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard op grond van Protocol (Nr. 24) inzake asiel voor onderdanen van lidstaten van de Europese Unie (hierna: het Protocol). Hij heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat hij niet ambtshalve hoeft te beoordelen of artikel 64 van de Vw 2000 van toepassing is. Deze zaak gaat over de vraag of de staatssecretaris dat standpunt terecht heeft ingenomen.

2.       Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

De eerste grief: moet de staatssecretaris in deze procedure ambtshalve de gezondheidstoestand van de vreemdeling beoordelen?

3.       De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris door alleen te verwijzen naar de nationale wetgevingssystematiek niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat hij in deze procedure niet hoeft te beoordelen of bij terugkeer van de vreemdeling naar Polen sprake is van een schending van artikel 3 van het EVRM en/of artikel 4 van het EU Handvest op medische gronden en dus of hij artikel 64 van de Vw 2000 moet toepassen. De rechtbank heeft daarbij gewezen op de uitspraak van de Afdeling van 4 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1159, en de arresten van het Hof van 16 februari 2017, C.K., ECLI:EU:C:2017:127, en van 19 maart 2019, Ibrahim, ECLI:EU:C:2019:219.

3.1.    De staatssecretaris betoogt in de eerste grief dat de rechtbank dit ten onrechte heeft overwogen. Hij voert daartoe in het eerste deel van de grief aan dat hij volgens artikel 6.1e van het Vb 2000 in deze procedure niet ambtshalve hoeft te beoordelen of artikel 64 van de Vw 2000 van toepassing is.

3.2.    De staatssecretaris heeft in beroep terecht het standpunt ingenomen dat hij volgens de nationale wetssystematiek in deze procedure niet ambtshalve hoeft te beoordelen of artikel 64 van de Vw 2000 van toepassing is. Uit artikel 6.1e, eerste lid, van het Vb 2000 volgt weliswaar dat de staatssecretaris ambtshalve moet beoordelen of artikel 64 van de Vw 2000 van toepassing is als hij een eerste asielaanvraag afwijst, maar daarvan is in dit geval geen sprake. De staatssecretaris heeft de asielaanvraag van de vreemdeling namelijk niet-ontvankelijk verklaard op grond van het Protocol. Dit volgt ook uitdrukkelijk uit artikel 6.1e, tweede lid, van het Vb 2000 waarin is bepaald dat het eerste lid niet van toepassing is bij niet-ontvankelijkverklaring op grond van het hiervoor genoemde Protocol.

3.3.    Ook is, anders dan de rechtbank heeft overwogen, de uitspraak van de Afdeling van 4 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1159, in dit geval niet van toepassing. Die uitspraak gaat namelijk over de vraag of de vreemdeling ondanks zijn gezondheidstoestand kan worden overgedragen als de staatssecretaris een asielaanvraag niet in behandeling neemt omdat een andere lidstaat op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft de staatssecretaris de asielaanvraag echter niet-ontvankelijk verklaard op grond van het Protocol omdat hij vindt dat geen van de gevallen waarin een asielaanvraag van een onderdaan van een lidstaat behandeld moet worden van toepassing is.

3.4.    De staatssecretaris voert in het tweede deel van de grief aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat uit de arresten C.K. en Ibrahim niet volgt dat hij in deze procedure de gezondheidstoestand van de vreemdeling moet beoordelen. Hij wijst daarbij onder meer op de verschillen in de wijze van beoordelen van de asielaanvragen van onderdanen van een lidstaat van de EU enerzijds, en die van Dublinclaimanten en statushouders anderzijds.

3.5.    De beoordeling als bedoeld in het arrest C.K. is, anders dan de staatssecretaris veronderstelt, niet alleen van belang bij overdrachtsbesluiten krachtens de Dublinverordening. Onder verwijzing naar de uitspraak van 27 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4314 (onder 6.2), overweegt de Afdeling dat die beoordeling ook van belang is voor een aanvraag om toepassing van artikel 64 van de Vw 2000. Dat betekent dat de staatssecretaris in dat kader zal moeten bezien of de feitelijke uitzetting van een vreemdeling met een ernstige mentale of lichamelijke aandoening kan leiden tot een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM. Deze beoordeling hoeft echter niet ambtshalve te worden gedaan als een asielaanvraag niet-ontvankelijk wordt verklaard. Dat volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 3 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:996 (onder 3.3). Een beroep op het arrest C.K. kan namelijk niet leiden tot verlening van een asielvergunning. Dat geldt ook bij niet-ontvankelijkverklaring op grond van het Protocol. De staatssecretaris hoefde in deze zaak dus niet ambtshalve een beoordeling als bedoeld in dat arrest te maken. De vreemdeling kan als hij wil dat de staatssecretaris deze beoordeling wel maakt, een aanvraag om toepassing van artikel 64 van de Vw 2000 indienen.

3.6.    Verder betoogt de staatssecretaris terecht dat hij bij het niet-ontvankelijk verklaren van een asielaanvraag niet ambtshalve hoeft te beoordelen of sprake is van een situatie als bedoeld in het arrest Ibrahim. Dat volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 15 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2385 (onder overwegingen 6, 6.1 en 6.3). In die uitspraak heeft de Afdeling namelijk bevestigd dat de staatssecretaris bij niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag van een statushouder niet ambtshalve een beoordeling hoeft maken als in het arrest C.K. De Afdeling heeft daarbij echter ook overwogen dat dit niet betekent dat de medische situatie van een statushouder bij niet-ontvankelijkverklaring niet relevant is. Als een statushouder namelijk betoogt dat hij bij terugkeer naar de lidstaat, door zijn bijzondere kwetsbaarheid en buiten zijn eigen wil en keuzes om, terecht zal komen in leefomstandigheden die in strijd zijn met de artikelen 3 van het EVRM en 4 van het EU Handvest als bedoeld in het arrest Ibrahim, moet de staatssecretaris daarop in het besluit nader gemotiveerd ingaan. Dat moet hij ook doen als een vreemdeling niet een statushouder, maar een onderdaan is van de lidstaat waar hij naar terugkeert. Dat volgt uit het arrest Ibrahim. Het Hof heeft in dat arrest overwogen dat ook als een statushouder niet anders zal worden behandeld dan de onderdanen van de lidstaat, zijn bijzondere kwetsbaarheid er toch toe kan leiden dat hij in een situatie van verregaande materiële deprivatie terecht kan komen (punt 93 van dat arrest). Daaruit is af te leiden dat het Hof op dit punt geen onderscheid maakt tussen de situatie van een statushouder en die van een onderdaan van de lidstaat. Als een onderdaan van de lidstaat betoogt dat hij daar bij terugkeer door zijn bijzondere kwetsbaarheid in een situatie als bedoeld in het arrest Ibrahim terecht zal komen, moet de staatssecretaris daarop dus ingaan.

3.7.    In deze zaak heeft de vreemdeling niet aangevoerd dat hij bijzonder kwetsbaar is. Hij heeft juist benadrukt dat hij bij terugkeer naar Polen niet vreest dat de autoriteiten van dat land niet in staat of niet bereid zouden zijn om hem te behandelen. De staatssecretaris hoeft daarom niet nader te motiveren waarom de vreemdeling bij terugkeer niet, door zijn bijzondere kwetsbaarheid en buiten zijn eigen wil en keuzes om, terecht zal komen in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie als bedoeld in het arrest Ibrahim.

3.8.    De grief slaagt.

Conclusie

4.       Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het is niet nodig wat de staatssecretaris verder heeft aangevoerd te bespreken. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken, is het beroep alsnog ongegrond. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. 

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 25 februari 2021 in zaak nr. NL21.1348;

III.      verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt en mr. J.H. van Breda, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, griffier.

w.g. Sevenster

voorzitter

w.g. Melse

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 augustus 2022

191-959

 

BIJLAGE

 

Protocol (Nr. 24) inzake asiel voor onderdanen van lidstaten van de Europese Unie (PB 2012 C 326)

Het niveau van bescherming van de fundamentele rechten en vrijheden in de lidstaten van de Europese Unie in aanmerking nemend, beschouwen de lidstaten elkaar als veilige landen van oorsprong voor alle juridische en praktische doeleinden in verband met asielzaken. Dienovereenkomstig kan een asielaanvraag van een onderdaan van een lidstaat door een andere lidstaat uitsluitend in aanmerking worden genomen of ontvankelijk worden verklaard in de volgende gevallen:

a)       indien de lidstaat waarvan de aanvrager onderdaan is na de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam maatregelen neemt met gebruikmaking van de bepalingen van artikel 15 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, waarbij op zijn grondgebied wordt afgeweken van zijn verplichtingen uit hoofde van dat Verdrag;

b)       indien de in artikel 7, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie bedoelde procedure op gang is gebracht en totdat de Raad, of in voorkomend geval de Europese Raad hieromtrent een besluit heeft genomen ten aanzien van de lidstaat waarvan de aanvrager onderdaan is;

c)       indien de Raad overeenkomstig artikel 7, lid 1, van het Verdrag betreffende de Europese Unie een besluit heeft vastgesteld ten aanzien van de lidstaat waarvan de aanvrager onderdaan is of indien de Europese Raad overeenkomstig artikel 7, lid 2, van dat Verdrag een besluit heeft vastgesteld ten aanzien van de lidstaat waarvan de aanvrager onderdaan is;

d)       indien een lidstaat hiertoe eenzijdig besluit in verband met de aanvraag van een onderdaan van een andere lidstaat; in dat geval wordt de Raad onverwijld op de hoogte gesteld; de aanvraag wordt behandeld op basis van het vermoeden dat zij duidelijk ongegrond is zonder op enigerlei wijze, in welk geval dan ook, van invloed te zijn op de beslissingsbevoegdheid van de lidstaat.

Vw 2000

Artikel 64

Uitzetting blijft achterwege zolang het gelet op de gezondheidstoestand van de vreemdeling of die van een van zijn gezinsleden niet verantwoord is om te reizen.

Vb 2000

Artikel 6.1e

1 Bij afwijzing van de eerste aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wordt ambtshalve beoordeeld of er reden is voor toepassing van artikel 64 van de Wet, tenzij op grond van artikel 3.6a, eerste lid, of 3.6ba, eerste lid, alsnog ambtshalve een verblijfsvergunning is verstrekt.

2 Het eerste lid is niet van toepassing, indien de aanvraag niet in behandeling is genomen op grond van artikel 30 van de Wet, niet-ontvankelijk is verklaard op grond van artikel 30a van de Wet of op grond van het bepaalde in het Protocol (nr. 24) inzake asiel voor onderdanen van lidstaten van de Europese Unie, bij het Verdrag betreffende de Europese Unie, dan wel is afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid onder g, j of k van de Wet of buiten behandeling is gesteld op grond van artikel 30c van de Wet.

[…]