Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2022:2366

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-08-2022
Datum publicatie
24-08-2022
Zaaknummer
202203212/1/V2 en 202203212/2/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 oktober 2020 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202203212/1/V2 en 202203212/2/V2.

Datum uitspraak: 16 augustus 2022

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 2 mei 2022 in zaak nr. NL21.4782 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 30 oktober 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 22 maart 2021 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 mei 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A.W.J. van der Meer, advocaat te Dordrecht, hoger beroep ingesteld. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Overwegingen

1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

1.1.    Voor zover de vreemdeling betoogt dat het tegenwerpen van het vereiste van een machtiging tot voorlopig verblijf (het mvv-vereiste) in haar geval strijd oplevert met het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel, slaagt dit niet. De rechtbank heeft namelijk, onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van 7 augustus 2018, Yön, ECLI:EU:C:2018:632, terecht overwogen dat de staatssecretaris deugdelijk heeft gemotiveerd dat en waarom de door de vreemdeling aangevoerde feiten en omstandigheden niet voldoende zijn voor de conclusie dat het tegenwerpen van het mvv-vereiste onevenredig uitwerkt (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 29 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1001).

2.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. 

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.       wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.L. Iedema, griffier.

w.g. Van Breda

voorzieningenrechter

w.g. Iedema

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 augustus 2022

915