Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2022:2351

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-08-2022
Datum publicatie
24-08-2022
Zaaknummer
202204040/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 juni 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202204040/1/V3.

Datum uitspraak: 17 augustus 2022

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 29 juni 2022 in zaak nr. NL22.10677 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 8 juni 2022 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

Bij uitspraak van 29 juni 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M.K. Bulthuis, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.       De vreemdeling klaagt ten onrechte dat de rechtbank het rapport van de Organization for Aid to Refugees bij haar beoordeling had moeten betrekken en het niet terzijde had mogen schuiven omdat zij het niet kon lezen. Dat rapport is namelijk opgesteld in de Tsjechische taal. Daarom was een vertaling nodig voor een goede behandeling ervan (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 18 september 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX7958, onder 3.2). Het was in de rechterlijke fase, waarop de door de vreemdeling genoemde Werkinstructies geen betrekking hebben, aan de vreemdeling om daarvoor te zorgen. Hij heeft dat echter niet gedaan en de rechtbank hoefde hem niet in de gelegenheid te stellen dat alsnog te doen.

2.       Het hoger beroep leidt ook voor het overige niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift voor het overige geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

3.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. 

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, griffier.

w.g. Steendijk

lid van de enkelvoudige kamer     

w.g. Dallinga

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2022

18-959