Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2022:2242

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-08-2022
Datum publicatie
03-08-2022
Zaaknummer
202103557/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2021:4043, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 juli 2019 heeft het bestuur van de raad voor rechtsbijstand een aanvraag om toevoeging voor het verlenen van rechtsbijstand aan [appellant] afgewezen. Bij strafbeschikking van 17 december 2018, heeft het openbaar ministerie aan [appellant] een boete van € 900,00 opgelegd wegens het overtreden van artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969., Hiertegen heeft [appellant] verzet ingesteld. Hij is bij deze procedure bijgestaan door advocaat mr. M.J.G. Schroeder (hierna: de advocaat). De kantonrechter heeft [appellant] bij vonnis van 9 april 2019 een boete opgelegd van € 450,00. [appellant] heeft tegen het strafvonnis hoger beroep ingesteld. Gelet op artikel 410a, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering (hierna: Sv), moet de voorzitter van het gerechtshof verlof verlenen voor de behandeling van het hoger beroep, omdat de boete die aan [appellant] is opgelegd lager is dan € 500,00.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202103557/1/A2.

Datum uitspraak: 3 augustus 2022

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 april 2021 in zaak nr. 19/7058 in het geding tussen:

[appellant]

en

het bestuur van de raad voor rechtsbijstand (hierna: de raad).

Procesverloop

Bij besluit van 16 juli 2019 heeft de raad een aanvraag om toevoeging voor het verlenen van rechtsbijstand aan [appellant] afgewezen.

Bij besluit van 5 november 2019 heeft de raad het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 april 2021 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 april 2022, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. M.J.G. Schroeder, advocaat te Den Haag, en de raad, vertegenwoordigd door mr. M. Doets, zijn verschenen.

De zaak is door de enkelvoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een meervoudige.

Overwegingen

Inleiding

1. Bij strafbeschikking van 17 december 2018, heeft het openbaar ministerie aan [appellant] een boete van € 900,00 opgelegd wegens het overtreden van artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969., Hiertegen heeft [appellant] verzet ingesteld. Hij is bij deze procedure bijgestaan door advocaat mr. M.J.G. Schroeder (hierna: de advocaat). De kantonrechter heeft [appellant] bij vonnis van 9 april 2019 een boete opgelegd van € 450,00. [appellant] heeft tegen het strafvonnis hoger beroep ingesteld. Gelet op artikel 410a, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering (hierna: Sv), moet de voorzitter van het gerechtshof verlof verlenen voor de behandeling van het hoger beroep, omdat de boete die aan [appellant] is opgelegd lager is dan € 500,00. De advocaat heeft namens [appellant] hiertoe een schriftuur ingediend als bedoeld in artikel 410, eerste lid, Sv.

2. Bij aanvraag van 24 april 2019 heeft de advocaat aan de raad om toevoeging gevraagd voor rechtsbijstand in hoger beroep tegen het vonnis van 9 april 2019.

3. Bij het besluit van 16 juli 2019 heeft de raad deze aanvraag afgewezen op grond van artikel 12, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wet op de rechtsbijstand en artikel 4 van het Besluit rechtsbijstand- en toevoegcriteria (hierna: Brt). De advocaatkosten wegen niet op tegen het belang van [appellant] in deze zaak en uit de aanvraag is niet gebleken dat sprake is van een zwaarwegend belang om bij uitzondering voor een toevoeging in aanmerking te komen, aldus de raad.

4. Op 19 juli 2019 heeft de voorzitter van het gerechtshof Den Haag (hierna: de voorzitter) geoordeeld dat het belang van goede rechtsbedeling vereist dat het hoger beroep van [appellant] behandeld wordt.

5. Op 21 augustus 2019 heeft [appellant] bezwaar gemaakt tegen het besluit van 16 juli 2019 van de raad. Volgens [appellant] bedraagt het financieel belang € 900,00, omdat dit de boete is die hem in hoger beroep kan worden opgelegd, en moeten hier ook de advocaatkosten van de procedure bij de kantonrechter worden bijgerekend. Verder heeft [appellant] aangevoerd dat, gelet op het verlenen van verlof door de voorzitter, het afwijzen van zijn verzoek om toevoeging in strijd is met artikel 14, derde lid, aanhef en onder d, van het Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: IVBPR) en artikel 6, derde lid, aanhef en onder c, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM).

6. Bij het besluit van 5 november 2019 heeft de raad dit bezwaar ongegrond verklaard. De raad heeft hieraan ten grondslag gelegd dat het financieel belang van [appellant] € 450,00 bedraagt en dat de advocaatkosten geen onderdeel zijn van de strafzaak in hoger beroep. Ook het door [appellant] naar voren gebrachte standpunt dat de boete in hoger beroep hoger kan zijn, maakt volgens de raad niet dat hij uit moet gaan van een hoger financieel belang omdat dit een onzekere toekomstige gebeurtenis betreft. Volgens de raad is het besluit niet in strijd met internationale regelgeving.

[appellant] heeft tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank.

Aangevallen uitspraak

7. De rechtbank heeft geoordeeld dat [appellant] onvoldoende financieel belang heeft voor een toevoeging. [appellant] is door de kantonrechter veroordeeld tot betaling van een boete van € 450,00. Het financieel belang voor het instellen van hoger beroep hiertegen beperkt zich tot deze boete en ziet niet op de strafbeschikking van € 900,00. Dit volgt uit de uitspraak van de Afdeling 16 december 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2902). De raad heeft geen rekening hoeven houden met de kans op een hogere boete in hoger beroep. Ook de kosten van rechtsbijstand tellen niet mee bij het financieel belang omdat die kosten geen onderdeel zijn van de strafzaak. [appellant] heeft in dit verband verwezen naar een uitspraak van de Afdeling van 14 september 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BS8864), maar deze is hier volgens de rechtbank niet van toepassing omdat dit een bestuursrechtelijke zaak betrof en geen strafzaak.

7.1. Naar het oordeel van de rechtbank maakt het feit dat in de strafzaak verlof nodig is om hoger beroep in te stellen en dat verlof ook is verleend, niet dat [appellant] recht heeft op een toevoeging. Dat de voorzitter heeft geoordeeld dat in het belang van een goede rechtsbedeling is vereist dat de zaak in hoger beroep wordt behandeld, betekent niet dat [appellant] niet in staat is zichzelf te kunnen verdedigen. De toets van de voorzitter is immers een andere toets dan de vraag of [appellant] in staat is zichzelf te kunnen verdedigen. Het beroep op de internationale bepalingen slaagt niet. Deze bepalingen zien op een recht op kosteloze rechtsbijstand voor onvermogenden in strafzaken maar hieruit volgt geen onvoorwaardelijk recht op bijstand. Dit wordt niet anders als een schriftuur uitsluitend door [appellant] of zijn advocaat moet worden ingediend. Van [appellant] mag worden verwacht om, zo nodig met de hulp van een andere persoon of instelling, een schriftuur op te stellen en deze zelf aan het gerechtshof te zenden.

7.2. De raad kan een rechtsbijstandstoevoeging verlenen indien zwaarwegende belangen van de rechtzoekende dit rechtvaardigen, of indien zwaarwegende persoonlijke omstandigheden van de rechtzoekende dit rechtvaardigen in het belang van een effectieve toegang tot het recht. De rechtbank is van oordeel dat hiervan niet is gebleken.

Wettelijk kader

8. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Hoger beroep

9. [appellant] betoogt in hoger beroep dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de afwijzing van de aanvraag om toevoeging in strijd is met artikel 14, derde lid, aanhef en onder d, van het IVBPR en artikel 6, derde lid, aanhef en onder c, van het EVRM.

9.1. [appellant] voert in dat verband allereerst aan dat in artikel 2, tweede lid, van het Zevende Protocol bij het EVRM (hierna: het Protocol) is bepaald dat de uitoefening van het recht op hoger beroep in strafzaken kan worden beperkt als het gaat om lichte overtredingen. [appellant] werpt de vraag op of deze beperking toegepast mag worden aangezien Nederland het Protocol niet heeft geratificeerd. Er is in ieder geval geen sprake van een lichte overtreding volgens [appellant]. Gelet op artikel 26 van de Leerplichtwet 1969, kan voor overtreding van artikel 2, eerste lid, van diezelfde wet, namelijk hechtenis worden opgelegd en gelet op de Richtlijn van het College van procureurs-generaal voor strafvordering strafrechtelijke aanpak schoolverzuim (hierna: de Richtlijn) wordt wegens het feit dat [appellant] ten laste is gelegd, een boete van € 900,00 gevorderd.

9.2. Bovendien heeft de voorzitter geoordeeld dat de zaak in hoger beroep behandeld moet worden in het belang van een goede rechtsbedeling en is de zaak verwezen naar een meervoudige kamer. Volgens [appellant] verstaat de wetgever onder ‘goede rechtsbedeling’ impliciet dat alleen verlof wordt verleend als door het niet-behandelen van het ingesteld hoger beroep, het IVBPR en het EVRM zouden worden geschonden. [appellant] wijst erop dat de advocaat namens hem een schriftuur heeft ingediend met daarin de redenen voor het instellen van het hoger beroep en dat dit verplicht is om in aanmerking te komen voor verlof. De rechtbank heeft niet onderkend dat alleen [appellant] of zijn advocaat de schriftuur mag indienen. Volgens [appellant] moet op grond van artikel 14, derde lid, aanhef en onder d, van het IVBPR en artikel 6, derde lid, aanhef en onder c, van het EVRM, een toevoeging worden verleend wanneer de toegang tot de hogerberoepsrechter afhankelijk is van rechtsbijstand. Te meer omdat is vastgesteld dat toepassing van het verlofstelsel in verschillende zaken tot schending van bovengenoemde verdragen heeft geleid. De rechtbank heeft de grondslag van het beroep gewijzigd door de zelfredzaamheid van [appellant] in overweging te nemen. Als [appellant] in staat zou zijn geweest om zichzelf te kunnen verdedigen, dan zou de voorzitter niet hebben geoordeeld dat het belang van een goede rechtsbedeling vereist dat de zaak in hoger beroep wordt behandeld en dan was de zaak ook niet naar een meervoudige kamer verwezen. De voorzitter heeft een oordeel gegeven over de behandelwaardigheid van de zaak in de zin van artikel 6 van het EVRM. De raad en de rechtbank dienen dit oordeel te volgen, aldus [appellant].

9.3. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het financieel belang € 450,00 bedraagt.

Volgens [appellant] omvat het financieel belang ook de advocaatkosten die hij in de procedure bij de kantonrechter heeft gemaakt. Gelet op artikel 530 Sv worden kosten vergoed als de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat de uitspraak van de Afdeling van 14 september 2011 niet van toepassing is omdat het een bestuursrechtelijke zaak betrof. Volgens [appellant] heeft een strafrechtelijk hoger beroep betrekking op zowel de hoofdzaak als ook op de kosten, net zoals in een bestuursrechtelijke zaak. Dat gelet op artikel 530 Sv nog een kostenverzoek moet worden ingediend, doet daaraan niets af. Het uitsluiten van de proceskosten in eerdere aanleg bij strafzaken leidt tot minder rechtsbescherming voor de rechtzoekende binnen het strafrecht ten opzichte van het bestuursrecht.

Daarnaast voert [appellant] aan dat de raad rekening moet houden met de bij de strafbeschikking opgelegde boete die, conform de Richtlijn, € 900,00 bedraagt. Gelet op artikel 423 Sv, riskeert [appellant] namelijk in hoger beroep te worden veroordeeld tot een boete hoger dan € 450,00. De overweging van de rechtbank dat dit een onzekere toekomstige gebeurtenis betreft, volgt [appellant] niet. De uitkomst van een strafzaak is immers altijd onzeker. De uitspraak van de Afdeling van 16 december 2015 waarnaar de rechtbank in dit verband verwijst, is hier niet van overeenkomstige toepassing omdat deze uitspraak is gedaan in een bestuursrechtelijke zaak waarin geen hogere boete opgelegd mag worden na het instellen van (hoger) beroep, aldus [appellant].

Beoordeling van het hoger beroep

10. De Afdeling overweegt hierover als volgt.

Toepassing Protocol

10.1. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) heeft bij herhaling overwogen dat artikel 6 van het EVRM geen recht geeft op hoger beroep (zie bijvoorbeeld het arrest van 4 november 2008 van het EHRM, Tudor-Comert t. Moldavië, nr. 27888/04, ECLI:CE:ECHR:2008:1104JUD002788804, punt 35). Dit recht volgt wel uit artikel 2, eerste lid, van het Protocol en kan worden beperkt in zaken waar het gaat om ‘offences of a minor character’, zoals opgenomen in artikel 2, tweede lid, van het Protocol. Maar Nederland heeft, zoals [appellant] aanvoert, deze bepalingen niet geratificeerd. [appellant] ontleent het recht op behandeling van zijn zaak in hoger beroep niet aan het Protocol. De beperking die is opgenomen in artikel 2, tweede lid, van het Protocol, is dus niet aan de orde in deze zaak. Het maakt daarom ook niet uit of de overtreding waarvoor [appellant] is veroordeeld, wel of niet kwalificeert als een ‘offence of a minor character’ in de zin van die bepaling.

Verlof voor de behandeling van het hoger beroep

10.2. De voorzitter heeft verlof verleend voor de behandeling van het hoger beroep van [appellant]. Dat in andere zaken geen verlof is verleend en dat dit volgens [appellant] schending opleverde van de eerder genoemde verdragsbepalingen, is daarom niet van belang in deze zaak.

10.3. Omdat in deze zaak wel verlof is verleend voor de behandeling van het hoger beroep, zal het hoger beroep zelf ook moeten voldoen aan de eisen van artikel 6 van het EVRM.

10.4. In artikel 14, derde lid, aanhef en onder d, van het IVBPR en artikel 6, derde lid, aanhef en onder c, van het EVRM is bepaald dat een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld het recht heeft zich zelf te verdedigen of daarbij de bijstand te hebben van een raadsman naar eigen keuze of, indien hij niet over voldoende middelen beschikt om een raadsman te bekostigen, kosteloos door een toegevoegd advocaat te kunnen worden bijgestaan, respectievelijk indien het belang van de rechtspraak of indien de belangen van een behoorlijke rechtspleging dit eisen. Uit deze bepalingen volgt niet dat een betrokkene een ongeclausuleerd recht heeft op kosteloze rechtsbijstand in strafzaken. Een aanspraak daarop heeft hij immers slechts ‘indien het belang van de rechtspraak dit eist’ of ‘indien de belangen van een behoorlijke rechtspleging dit eisen’.

10.5. Het oordeel van de voorzitter gaat niet over het recht op rechtsbijstand op basis van een toevoeging, maar strekt er slechts toe om in hoger beroep toegang tot de rechter te verlenen. De rechtbank heeft daarom terecht overwogen dat de raad de toevoeging niet op grond van het oordeel van de voorzitter heeft hoeven verlenen.

Financieel belang

10.6. De Afdeling stelt voorop dat de strafzaak tegen [appellant] in eerste aanleg bij de kantonrechter diende. Gelet op artikel 5, eerste lid, van het Brt, dat betrekking heeft op zaken die bij de Kantonrechter dienen, wordt hiervoor in beginsel geen toevoeging verleend. De raad heeft de afwijzing van de aanvraag om toevoeging voor hoger beroep - voor de behandeling van de zaak bij het Hof - gebaseerd op artikel 4, tweede lid, van het Brt. Omdat volgens de raad het financieel belang van [appellant] beneden de € 500,00 blijft, wegen de advocaatkosten niet op tegen het belang van [appellant] in deze zaak.

10.7. Artikel 4, tweede lid, van het Brt bepaalt dat rechtsbijstand op basis van een toevoeging anders dan ten behoeve van eenvoudig rechtskundig advies, als zijnde van onvoldoende belang, niet wordt verleend indien het op geld waardeerbare belang blijft beneden een bedrag van € 500,00. Volgens artikel 4, zevende lid, van het Brt kan in afwijking van onder meer het vierde lid rechtsbijstand of een toevoeging worden verleend indien zwaarwegende belangen van de rechtzoekende dit rechtvaardigen, of indien zwaarwegende persoonlijke omstandigheden van de rechtzoekende dit rechtvaardigen in het belang van een effectieve toegang tot het recht.

10.8. Over het toepassen van artikel 4, tweede lid, van het Brt overweegt de Afdeling als volgt.

10.9. Het EHRM heeft in verschillende zaken bepaald dat voor de vraag of de belangen van een behoorlijke rechtspleging vereisen dat een onvermogende verdachte kosteloze rechtsbijstand krijgt, meerdere factoren een rol spelen. Zo heeft hij in het arrest van 24 mei 1991, Quaranta t. Zwitserland, nr. 12744/87, ECLI:CE:ECHR:1991:0524JUD001274487, punten 32-35, overwogen dat de ernst van het feit waarvan de verdachte wordt beschuldigd, de zwaarte van de straf die hij riskeert, de complexiteit van de zaak en de zelfredzaamheid van de verdachte relevant zijn. Uit deze rechtspraak volgt dat het hanteren van de drempel - dat in beginsel geen toevoeging wordt verleend als het op geld waardeerbare belang beneden de € 500,00 blijft - niet in strijd is met artikel 6, derde lid, aanhef en onder c, van het EVRM.

10.10. De raad heeft bij de toepassing van artikel 4, tweede lid, van het Brt mogen uitgaan van de hoogte van de boete van € 450,00 die is opgelegd door de kantonrechter. Bij het bepalen van het op geld waardeerbare belang, moet de raad rekening houden met het financiële belang dat in geding is in de desbetreffende procedure, in dit geval het hoger beroep in een strafzaak. Dat is het bedrag waartoe de kantonrechter [appellant] heeft veroordeeld. De raad heeft terecht de advocaatkosten van [appellant] voor de procedure bij de kantonrechter niet meegerekend tot het op geld waardeerbare belang, omdat de eventuele vergoeding hiervan in een andere procedure, de procedure in de artikelen 529 en volgende Sv, beoordeeld wordt en daarover door de strafrechter in de hoofdprocedure - in dit geval het Hof - geen oordeel wordt gegeven. De rechtbank heeft daarom terecht belang gehecht aan het onderscheid tussen bestuursrechtelijke zaken en strafzaken. Aan artikel 4, tweede lid, van het Brt kon [appellant] dan ook geen aanspraak op een toevoeging ontlenen.

Zwaarwegende belangen

10.11. De raad heeft verder geen aanleiding gezien om bij uitzondering toevoeging te verlenen op grond van artikel 4, zevende lid, van het Brt, waarin hem deze mogelijkheid wordt geboden indien zwaarwegende belangen van de rechtszoekende dit rechtvaardigen, of indien zwaarwegende persoonlijke omstandigheden dit rechtvaardigen in het belang van een effectieve toegang tot het recht. Deze bepaling moet worden uitgelegd aan de hand van het bepaalde in artikel 6, derde lid, aanhef en onder c, van het EVRM. In het kader van deze beoordeling heeft de raad gelet op wat is overwogen onder 10.9, op grond van artikel 6, derde lid, aanhef en onder c, van het EVRM onder andere rekening te houden met de straf die een rechtzoekende in hoger beroep riskeert. [appellant] heeft aangevoerd dat hij een hogere straf riskeert, te weten een boete van € 900,00, omdat dit de straf is die volgens de Richtlijn wordt gevorderd wegens het feit dat hem ten laste is gelegd en ook aan hem is opgelegd bij de strafbeschikking. De raad heeft daarom, gelet op artikel 6, derde lid, aanhef en onder c, van het EVRM, en gelet op de omstandigheid dat [appellant] gemotiveerd heeft aangevoerd dat hij een hogere straf riskeert, bij het vaststellen van de zwaarte van de straf niet kunnen vasthouden aan de door de kantonrechter opgelegde boete van € 450,00, met als enige onderbouwing dat de strafoplegging een onzekere toekomstige gebeurtenis betreft. Het besluit van 5 november 2019 berust daarmee niet op een deugdelijk motivering als bedoeld in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

10.12. Het betoog slaagt in zoverre.

10.13. Dit gebrek in de motivering van het besluit van 5 november 2019 betekent echter niet dat de raad aan [appellant] een toevoeging had moeten verlenen. De Richtlijn gaat uit van een door het Openbaar Ministerie te vorderen boete van € 900,00 voor wat [appellant] wordt verweten. Niet aannemelijk is geworden dat [appellant] het risico liep te worden veroordeeld tot een vrijheidsstraf, een taakstraf of een hogere boete dan een boete van € 900,00. De straf die [appellant] daarmee riskeerde blijft beperkt tot een betrekkelijk lichte straf. Uit artikel 6, derde lid, aanhef en onder c, van het EVRM vloeit niet de plicht voort om bij een dergelijke beperkte straf te voorzien in rechtsbijstand. [appellant] heeft niet gesteld dat zijn financiële situatie tot een ander oordeel dwingt. De raad heeft verder in de omstandigheid dat het hoger beroep zou worden behandeld door een meervoudige kamer geen grond hoeven te vinden om aan te nemen dat [appellant] niet in staat zou zijn zelf of met behulp van een derde, niet zijnde een advocaat, zijn belangen te behartigen, omdat [appellant] niet duidelijk heeft gemaakt waarom deze zaak complex is. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat van [appellant] verwacht mag worden om, zo nodig met de hulp van een andere persoon of instelling, een schriftuur op te stellen en deze zelf aan het gerechtshof te zenden en verder zelf zijn belangen te behartigen. Als hij hierbij hulp van anderen zou ontvangen, betekent dit niet dat geen sprake meer kan zijn van het door hemzelf indienen van de schriftuur.

10.14. Artikel 6, derde lid, aanhef en onder c, van het EVRM vereist in dit geval daarom niet dat een toevoeging wordt verleend. De Afdeling komt op grond van artikel 14, derde lid, aanhef en onder d, van het IVBPR tot hetzelfde oordeel. Gelet hierop heeft de raad evenmin aanleiding hoeven zien om [appellant] op grond van artikel 4, zevende lid, van het Brt, een toevoeging te verlenen.

10.15. Voor het overige slaagt het betoog daarom niet.

Conclusie en definitieve geschilbeslechting

11. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het besluit van 5 november 2019 wordt vernietigd. De Afdeling ziet gelet op hetgeen onder 10.13 en 10.14 is overwogen aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten (artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb). Dit betekent dat het besluit feitelijk toch blijft gelden.

Proceskosten

12. De raad moet de proceskosten van [appellant] vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 april 2021 in zaak nr. 19/7058;

III. verklaart het beroep tegen het besluit van het bestuur van de raad voor rechtsbijstand van 5 november 2019, met kenmerk 192287/3KK2830 gegrond;

IV. vernietigt dit besluit;

V. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven;

VI. veroordeelt het bestuur van de raad voor rechtsbijstand tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.656,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat het bestuur van de raad voor rechtsbijstand aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 181,00 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. E.A. Minderhoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. van Zanten, griffier.

w.g. Daalder

voorzitter

w.g. Van Zanten

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2022

97-994

BIJLAGE - Wettelijk kader

Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten

Artikel 14

[…]

3. bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging heeft een ieder, in volle gelijkheid, recht op de volgende minimumgaranties:

[…]

d. in zijn tegenwoordigheid te worden berecht, zichzelf te verdedigen of de bijstand te hebben van een raadsman naar eigen keuze; ingeval hij geen rechtsbijstand heeft, van het recht daarop in kennis te worden gesteld; rechtsbijstand toegewezen te krijgen, indien het belang van de rechtspraak dit eist, en zonder dat daarvoor betaling van hem kan worden verlangd, indien hij niet over voldoende middelen beschikt;

[…]

Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

Artikel 6. Recht op een eerlijk proces

[…]

3 Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, heeft in het bijzonder de volgende rechten:

[…]

c. zich zelf te verdedigen of daarbij de bijstand te hebben van een raadsman naar eigen keuze of, indien hij niet over voldoende middelen beschikt om een raadsman te bekostigen, kosteloos door een toegevoegd advocaat te kunnen worden bijgestaan, indien de belangen van een behoorlijke rechtspleging dit eisen;

[…]

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 7:12

1. De beslissing op bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. […]

Artikel 8:72

[…]

3. De bestuursrechter kan bepalen dat:

a. de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit of het vernietigde gedeelte daarvan geheel of gedeeltelijk in stand blijven, […]

Wetboek van Strafvordering

Artikel 410

1. De officier van justitie dient binnen veertien dagen na het instellen van hoger beroep een schriftuur, houdende grieven, in op de griffie van het gerecht dat het vonnis heeft gewezen. De verdachte kan aldaar binnen veertien dagen na de instelling van het hoger beroep een schriftuur, houdende grieven, indienen. […]

Artikel 410a

1. Ingeval hoger beroep openstaat en is ingesteld tegen een vonnis betreffende uitsluitend een of meer overtredingen of misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van niet meer dan vier jaren is gesteld, waarbij geen andere straf of maatregel is opgelegd dan een geldboete tot een maximum - of, wanneer bij het vonnis twee of meer geldboetes werden opgelegd, geldboetes tot een gezamenlijk maximum - van € 500, wordt het ingestelde hoger beroep slechts ter terechtzitting aanhangig gemaakt en behandeld indien zulks naar het oordeel van de voorzitter in het belang van een goede rechtsbedeling is vereist.

[…]

Artikel 423

1. Het gerechtshof kan het vonnis hetzij geheel bevestigen, hetzij gedeeltelijk bevestigen en gedeeltelijk vernietigen, hetzij geheel vernietigen. Het gerechtshof bevestigt het vonnis geheel hetzij met gehele of gedeeltelijke overneming hetzij met aanvulling of verbetering van gronden. Ingeval het vonnis geheel of gedeeltelijk wordt vernietigd, doet het gerechtshof wat de rechtbank had behoren te doen […]

Artikel 529

[…]

2. Het bedrag van de vergoeding wordt op verzoek van de gewezen verdachte of zijn erfgenamen vastgesteld. Het verzoek moet worden ingediend binnen drie maanden na het eindigen van de zaak. […]

Artikel 530

[…]

2. Indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht kan aan de gewezen verdachte of zijn erfgenamen uit ’s Rijks kas een vergoeding worden toegekend voor de schade welke hij tengevolge van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling van de zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden, alsmede, behoudens voor zover artikel 44a van de Wet op de rechtsbijstand van toepassing is, in de kosten van een raadsman. […]

[…]

Leerplichtwet 1969

Artikel 2. Verantwoordelijke personen

1. Degene die het gezag over een jongere uitoefent, en degene die zich met de feitelijke verzorging van een jongere heeft belast, zijn verplicht overeenkomstig de bepalingen van deze wet te zorgen, dat de jongere als leerling van een school staat ingeschreven en deze school na inschrijving geregeld bezoekt. […]

Artikel 26. Strafbedreiging verantwoordelijke personen

1. De in artikel 2, eerste lid, bedoelde personen die de in artikel 2, eerste lid, of artikel 4a opgelegde verplichtingen niet nakomen, worden gestraft met hechtenis van ten hoogte een maand of geldboete van de tweede categorie.

[…]

Wet op de rechtsbijstand

Artikel 12

[…]

2. Rechtsbijstand wordt niet verleend indien:

[…]

b. de aan de te verlenen rechtsbijstand verbonden kosten niet in redelijke verhouding staan tot het belang van de zaak;

[…]

Besluit rechtsbijstand- en toevoegcriteria

Artikel 4

[…]

2. Rechtsbijstand op basis van een toevoeging anders dan ten behoeve van eenvoudig rechtskundig advies wordt, als zijnde van onvoldoende belang, niet verleend indien het op geld waardeerbare belang blijft beneden een bedrag van € 500,-.

[…]

7. In afwijking van het eerste tot en met vierde lid kan rechtsbijstand of een toevoeging worden verleend indien zwaarwegende belangen van de rechtzoekende dit rechtvaardigen, of indien zwaarwegende persoonlijke omstandigheden van de rechtzoekende dit rechtvaardigen in het belang van een effectieve toegang tot het recht.

Artikel 5

1. In strafzaken wordt geen rechtsbijstand verleend indien de zaak dient bij de kantonrechter. De eerste volzin is niet van toepassing op de verlening van rechtshulp.

2. In afwijking van het eerste lid, eerste volzin kan rechtsbijstand worden verleend, indien zwaarwegende belangen van de rechtzoekende dit rechtvaardigen of de bijzondere feitelijke of juridische ingewikkeldheid van het geval dat vereist.

Werkinstructie - S010 overtreding, dienend voor sector kanton

[…]

Toevoegbeleid

Algemeen

Op grond van artikel 12 lid 2 sub c Wrb / artikel 28 Wrb juncto artikel 5 Brt verstrek je geen toevoeging voor rechtsbijstand in een strafzaak die dient bij de kantonrechter tenzij:

*er sprake is van bijzondere feitelijke of juridische ingewikkeldheid of

*er sprake is van zwaarwegende belangen van de rechtzoekende.

Als bij een aanvraag toevoeging niet wordt aangegeven dat er sprake is van een van bovengenoemde uitzonderingen, dan wijs je de aanvraag direct af […]

Als een advocaat bij de aanvraag aangeeft dat er sprake is van feitelijke dan wel juridische ingewikkeldheid of zwaarwegende belangen van de rechtzoekende dan moet hierop worden getoetst. De advocaat moet altijd duidelijk motiveren waarom er een toevoeging gerechtvaardigd is. Bij onvoldoende motivering vraag je dit na bij de advocaat. […]

Hoger Beroep / Cassatie

Deze aanvragen toets je aan het (financieel) belang, conform artikel 12 lid 2 sub b en c Wrb / artikel 4 Brt. Je neemt aan dat er sprake is van een in verhouding tot het inkomen lage boete als de hoogte van deze boete lager is dan € 500. Er is sprake van voldoende belang bij een opgelegde taakstraf van 20 uur of meer. Aanvragen voor het Hoger Beroep en Cassatie toets je niet op artikel 5 Brt en/of zelfredzaamheid.

Werkinstructie - Financieel belang

[…]

Toevoegbeleid

Je verstrekt een toevoeging als aan alle voorwaarden is voldaan. Eén van de inhoudelijke voorwaarden is het financieel belang.

Reguliere toevoeging

Je kunt een reguliere toevoeging verstrekken als het op geld waardeerbare belang € 500 of meer bedraagt.

[…]

Berekening financieel belang

[…]

* Daadwerkelijke kosten rechtzoekende: Bij de beoordeling van het financieel belang neem je alle daadwerkelijk door rechtzoekende gemaakte kosten van de eerdere aanleg mee. Zie de uitspraken van de RvS: 2004026821/H2 en 201012355/1/H2. Had rechtzoekende een toevoeging voor de eerdere aanleg, dan vallen onder het financieel belang alleen de betaalde eigen bijdrage en de kosten genoemd in artikel 4 lid 2 Bvr. Voor zaken die dienen in verzet en hoger beroep, reken je de proceskosten die zijn opgelegd in eerste aanleg tot het belang. De kosten van de procedure waarvoor de toevoeging wordt aangevraagd, neem je niet mee bij de bepaling van het belang. Voorbeelden hiervan zijn de kosten van de dagvaarding (oproepingsbericht), salaris gemachtigde en informatiekosten.

[…]

Hardheidsclausule / zwaarwegende omstandigheden

Je toetst het verzoek om toepassing van de hardheidsclausule aan de volgende criteria.

1. Een beroep op de hardheidsclausule moet altijd worden gemotiveerd. […]

2. Is de aanvraag gemotiveerd, kijk je eerst of een andere (voorliggende) voorziening beschikbaar is.

Je wijst de aanvraag af als de aanvrager een beroep kan doen op:

[…]

* zelfredzaamheid, eventueel met behulp van het Juridisch Loket, de Rechtwijzer of Sociaal Raadslieden.

[…]

4. Als de aanvraag gemotiveerd is en er is geen voorliggende voorziening dan beoordeel je of het onthouden van een advocaat in die zaak tot een aantoonbare onrechtvaardigheid/onbillijkheid leidt, bijvoorbeeld:

* Gaat het om een sterke wederpartij?

* Is er sprake van een afhankelijkheidsrelatie tot de wederpartij?

* Is de rechtzoekende psychisch kwetsbaar?

* Kan van de rechtzoekende worden verwacht dat hij voor zijn eigen rechtspositie opkomt?

[…]