Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2022:2223

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-08-2022
Datum publicatie
03-08-2022
Zaaknummer
202104544/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 februari 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam de aanvraag van [appellant] om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van funderingsherstel, het wijzigen van de begane grond en het maken van een aanbouw aan de achterzijde van het gebouw [locatie] in Amsterdam afgewezen. [appellant] woont op het adres [locatie]-Huis in Amsterdam. Hij heeft op 18 september 2019 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het uitvoeren van funderingsherstel, het wijzigen van de begane grond en het maken van een aanbouw aan de achterzijde van het gebouw op het perceel. Het college heeft de aanvraag afgewezen omdat de aanbouw in strijd is met het voor het perceel geldende bestemmingsplan ‘Westelijke binnenstad’, vastgesteld door de raad van de gemeente Amsterdam op 26 februari 2013. In de achtertuin van het perceel waar [appellant] de aanbouw volgens de aanvraag heeft beoogd, geldt onder meer de bestemming ‘Tuin-1’.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202104544/1/R1.

Datum uitspraak: 3 augustus 2022

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Amsterdam,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 juni 2021 in zaken nrs. 20/3936 en 20/3937 in het geding tussen onder meer:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 28 februari 2020 heeft het college de aanvraag van [appellant] om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van funderingsherstel, het wijzigen van de begane grond en het maken van een aanbouw aan de achterzijde van het gebouw [locatie] in Amsterdam (hierna: het perceel) afgewezen.

Bij besluit van 23 juni 2020 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 juni 2021 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 juni 2022, waar [appellant], bijgestaan door zijn [echtgenote], en het college, vertegenwoordigd door N. Verkerk, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       [appellant] woont op het adres [locatie]-Huis in Amsterdam. Hij heeft op 18 september 2019 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het uitvoeren van funderingsherstel, het wijzigen van de begane grond en het maken van een aanbouw aan de achterzijde van het gebouw op het perceel. Het college heeft de aanvraag afgewezen omdat de aanbouw in strijd is met het voor het perceel geldende bestemmingsplan ‘Westelijke binnenstad’, vastgesteld door de raad van de gemeente Amsterdam op 26 februari 2013. In de achtertuin van het perceel waar [appellant] de aanbouw volgens de aanvraag heeft beoogd, geldt onder meer de bestemming ‘Tuin-1’. Voor deze bestemming geldt op grond van artikel 17.2 van de planregels dat uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen worden opgericht. Een aanbouw is daarmee niet toegestaan.

Het college is niet bereid om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht af te wijken van het bestemmingsplan, omdat de aangevraagde aanbouw ten koste gaat van de openheid van de binnenterreinen en -tuinen. Volgens het college weegt het belang van het waarborgen van de ruimtelijke kwaliteit van de binnenterreinen en het handhaven van het bestemmingsplan zwaarder dan de belangen van [appellant] bij het realiseren van de aanbouw.

2.       [appellant] heeft bezwaar ingediend onder meer omdat hij vindt dat hij op uitspraken van de inspecteur buitendienst van de gemeente Amsterdam, L.J. Boeren, mocht vertrouwen dat de vergunning zou worden verleend. Het college heeft bij besluit op bezwaar van 23 juni 2020 de weigering de omgevingsvergunning te verlenen in stand gelaten en zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een toezegging door Boeren. De rechtbank heeft ook geoordeeld dat er geen sprake is van een toezegging van Boeren, en daarmee het beroep van [appellant] ongegrond verklaard.

Vertrouwensbeginsel

3.       [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat van strijd met het vertrouwensbeginsel geen sprake is. Volgens hem heeft Boeren toegezegd dat een aanbouw tot 2,5 m is toegestaan en daarom kon hij ervan uitgaan dat de gevraagde vergunning zou worden verleend. Dat volgt uit e-mails, sms-berichten en diverse gesprekken die op locatie hebben plaatsgevonden, als ook uit een verklaring van een door [appellant] ingeschakelde architect.

Volgens [appellant] waren de uitlatingen van Boeren duidelijk, concreet en zonder voorbehoud. De rechtbank hecht volgens hem te veel aan de door Boeren bij de rechtbank gegeven getuigenverklaring. De getuigenverklaring strookt niet met de eerder door Boeren gedane uitlatingen en de gang van zaken en is daarom volgens [appellant] ongeloofwaardig. De getuigenverklaring van Boeren wordt ook niet gestaafd met bewijs, zo stelt [appellant]. [appellant] wijst erop dat Boeren tijdens het getuigenverhoor heeft bevestigd dat hij heeft gezegd dat een aanbouw tot 2,5 m ‘zou kunnen’.

Volgens [appellant] heeft Boeren niet gezegd dat een vergunning vereist was. Als Boeren dat wel gezegd zou hebben, dan stelt [appellant] dat de enkele mededeling dat een vergunning vereist is, niet betekent dat [appellant] moest begrijpen dat een aanbouw niet was toegestaan. Een dergelijke uitspraak wordt door de burger geïnterpreteerd alsof het verkrijgen van een vergunning enkel een formaliteit is, zo stelt [appellant].

[appellant] wijst er nog op dat Boeren nooit heeft gezegd dat een aanbouw niet mogelijk was, terwijl hij van januari tot en met oktober 2019 betrokken werd bij gesprekken en e-mails over de bouwplannen. Ook heeft Boeren nooit gezegd dat hij niet de aangewezen persoon was om uitlatingen te doen over de vergunningsaanvraag. Als Boeren geen kennis van zaken had, zoals blijkt uit zijn getuigenverklaring, dan had hij dat aan [appellant] duidelijk moeten maken of geen contact moeten opnemen. [appellant] vroeg immers bij zijn eerste contact al of hij aan het juiste adres was.

3.1.    Wie zich beroept op het vertrouwensbeginsel moet aannemelijk maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij/zij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja hoe.

3.2.    Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank terecht overwogen dat door [appellant] niet aannemelijk is gemaakt dat er door Boeren een toezegging is gedaan waaruit hij redelijkerwijs kon en mocht afleiden dat een vergunning voor de aanbouw zou worden verleend.

[appellant] heeft op de zitting bij de Afdeling erkend dat er geen schriftelijk stuk is waarin een welbewuste standpuntbepaling over de vergunningsaanvraag van het college of van Boeren is vastgelegd. Ook zonder schriftelijk stuk kan sprake zijn van een uitlating of een gedraging die bij degene die een beroep doet op het vertrouwensbeginsel de indruk wekt van een welbewuste standpuntbepaling. Daarvan is in dit geval echter geen sprake. Hierover overweegt de Afdeling als volgt.

De rechtbank heeft terecht geen aanleiding hoeven zien om te twijfelen aan de getuigenverklaring van Boeren dat hij tegen [appellant] heeft gezegd dat voor de aanbouw een vergunning nodig is en dat de aanvraag door collega’s van de Binnendienst van de gemeente Amsterdam, en niet door Boeren of een andere collega van de Buitendienst van de gemeente Amsterdam, wordt getoetst. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking mogen nemen dat Boeren zijn getuigenverklaring onder ede heeft afgelegd. Verder heeft de rechtbank terecht vastgesteld  dat de e-mails en sms-berichten die [appellant] heeft ingebracht, alle van [appellant] afkomstig zijn en enkel interpretaties en weergaven van gesprekken met onder andere Boeren bevatten. De Afdeling neemt ook in aanmerking dat [appellant] zowel bij de hoorzitting van de bezwarencommissie als bij de eerste zitting van de rechtbank heeft gezegd te hebben geweten dat er een vergunning was vereist voor de aanbouw. De omstandigheid dat [appellant] de mededeling van Boeren dat voor de aanvraag een vergunning vereist was, heeft opgevat als een formaliteit betekent evenwel niet dat [appellant] ervan kon uitgaan dat de vergunning voor de aanbouw zou worden verleend. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat er omstandigheden zijn waardoor hij deze mededeling als onbelangrijk mocht opvatten.

Dat Boeren heeft gezegd dat hij zijn best zou doen om de vergunningsaanvraag snel te regelen, wil, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, evenmin zeggen dat de vergunning voor de aanbouw ook daadwerkelijk zou worden verleend. Het is aannemelijk dat Boeren alleen heeft bedoeld dat hij zijn best zou doen om de beoordeling van de aanvraag om omgevingsvergunning door de Binnendienst te versnellen en niet dat hij zijn best zou doen om de gevraagde omgevingsvergunning te (laten) verlenen.

Het enkele feit dat Boeren in de periode van januari tot en met oktober 2019 niet expliciet heeft medegedeeld dat de vergunning niet zou worden verleend, terwijl hij diverse e-mails en sms-berichten van [appellant] ontving, maakt ook niet dat er sprake is van gedragingen waaruit [appellant] redelijkerwijs kon en mocht afleiden dat hem een vergunning voor een aanbouw zou worden verleend. [appellant] heeft enkel in zijn eerste e-mail expliciet gevraagd of de aanbouw toegestaan was, waarop Boeren telefonisch contact heeft gezocht. In de overige e-mails en sms-berichten heeft [appellant] niet expliciet aan Boeren gevraagd of de vergunning verleend zou worden, of zelfs gesteld dat hij in de veronderstelling verkeerde dat de vergunning verleend zou worden.

Ook het feit dat Boeren er niet van op de hoogte was dat er in het stadsdeel van het perceel geen beleid of vaste bestuurspraktijk bestaat met betrekking tot het vergunnen van aanbouwen tot 2,5 m of dat Boeren daarover foute voorlichting heeft gegeven, maakt niet dat sprake is van een toezegging of dat er aan de geloofwaardigheid van de getuigenverklaring van Boeren moet worden getwijfeld. Het enkele feit dat Boeren heeft gezegd dat een aanbouw tot 2,5 m kon, maakt nog niet dat [appellant] erop mocht vertrouwen dat een vergunning in afwijking van het bestemmingsplan ook daadwerkelijk zou worden verleend.

3.3.    Aangezien er geen sprake is van een toezegging, andere uitlating of gedraging waaruit [appellant] kon en mocht afleiden dat de aangevraagde vergunning zou worden verleend, komt de Afdeling niet toe aan het betoog van [appellant] dat de volgens hem gedane toezegging door Boeren aan het college moet worden toegerekend.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie

4.       Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. G.T.J.M. Jurgens, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen      

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen

Uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2022

374-1008