Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2022:2217

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-08-2022
Datum publicatie
10-08-2022
Zaaknummer
202106743/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 april 2019 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202106743/1/V3.

Datum uitspraak: 3 augustus 2022

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 29 september 2021 in zaak nr. NL21.6358 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 26 april 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag om de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 2 april 2021 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 september 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. I.N. Schalken, advocaat te Apeldoorn, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.       De vreemdeling is een 83-jarige weduwe met medische klachten. Zij verblijft zonder familieleden in Irak en beoogt verblijf in Nederland bij referent, haar meerderjarige zoon. Referent is in het bezit van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris heeft de aanvraag afgewezen omdat volgens hem tussen de vreemdeling en referent geen sprake is van 'more than the normal emotional ties', waardoor tussen hen geen familie- of gezinsleven bestaat als bedoeld in artikel 8 van het EVRM.

2.       De vreemdeling klaagt in haar vijfde grief terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris zich terecht op dat standpunt heeft gesteld en dat hij daarom terecht niet is toegekomen aan een verdere beoordeling van het beroep op artikel 8 van het EVRM. De staatssecretaris moet bij een beroep op artikel 8 van het EVRM namelijk altijd een belangenafweging verrichten. Een onderdeel van die belangenafweging is, of de door de vreemdeling gestelde feiten en omstandigheden grond bieden voor het oordeel dat tussen haar en referent daadwerkelijk hechte persoonlijke banden bestaan. De Afdeling wijst op haar uitspraak van 13 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2006, onder 9.3.1. Dat heeft de staatssecretaris in de nu voorliggende zaak niet gedaan.

De grief slaagt al daarom.

3.       Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het is niet nodig wat de vreemdeling verder heeft aangevoerd te bespreken. Het beroep is gegrond en het besluit van 2 april 2021 wordt vernietigd. De staatssecretaris moet opnieuw op het door de vreemdeling gemaakte bezwaar beslissen en moet daarbij rekening houden met de feiten en omstandigheden zoals die op dat moment zijn. De Afdeling zal de staatssecretaris, gelet op de lange duur van de procedure en de medische klachten van de vreemdeling, opdragen dat besluit binnen zes weken na de verzending van deze uitspraak te nemen. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden. Omdat de griffier geen griffierecht heeft geheven, hoeft de staatssecretaris dat niet te vergoeden. 

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 29 september 2021 in zaak nr. NL21.6358;

III.      verklaart het beroep gegrond;

IV.     vernietigt het besluit van 2 april 2021, V-[…];

V.      draagt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op binnen zes weken na de verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar te nemen;

VI.     veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.277,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, voorzitter, en mr. H.G. Sevenster en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.W. Schippers, griffier.

w.g. Steendijk

voorzitter    

w.g. Schippers

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 augustus 2022

873