Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2022:2094

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-07-2022
Datum publicatie
20-07-2022
Zaaknummer
202105281/3/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij tussenuitspraak van 21 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2880, heeft de voorzieningenrechter het college van burgemeester en wethouders van Midden-Drenthe opgedragen om binnen zestien weken na verzending van die tussenuitspraak de gebreken aan het besluit van 6 juli 2021 tot vaststelling van het wijzigingsplan "Nieuw wonen aan de Boerkoelweg" te herstellen op een wijze als aangegeven in de tussenuitspraak. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202105281/3/R3.

Datum uitspraak: 20 juli 2022

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B], wonend te Wijster, gemeente Midden-Drenthe,

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Midden-Drenthe,

verweerder.

Procesverloop

Bij tussenuitspraak van 21 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2880, heeft de voorzieningenrechter het college opgedragen om binnen zestien weken na verzending van die tussenuitspraak de gebreken aan het besluit van 6 juli 2021 tot vaststelling van het wijzigingsplan "Nieuw wonen aan de Boerkoelweg" te herstellen op een wijze als aangegeven in de tussenuitspraak. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 12 april 2022 heeft het college het wijzigingsplan gewijzigd vastgesteld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [appellant A] zijn zienswijze over de wijze waarop het college gevolg heeft gegeven aan de tussenuitspraak naar voren gebracht.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), heeft de voorzieningenrechter bepaald dat een tweede onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Overwegingen

De tussenuitspraak

1.       In de tussenuitspraak van 21 december 2021 heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak gedaan. De voorzieningenrechter heeft overwogen dat het wijzigingsbesluit zoals op 6 juli 2021 is vastgesteld niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en niet deugdelijk is gemotiveerd. Het college is opgedragen om deze gebreken binnen zestien weken na verzending van de tussenuitspraak op de volgende wijze te herstellen:

- Het college dient de behoefte aan de vijf met het wijzigingsplan mogelijk gemaakte woningen nader te onderzoeken en, indien het college daaruit afleidt dat die woningbehoefte bestaat, deze overeenkomstig artikel 3, lid 3.9, aanhef en onder b, onder 9, van de planregels van het bestemmingsplan "Wijster" aan te tonen;

- het college dient gemotiveerd aan te geven of het borging van de uitvoering van de beplanting overeenkomstig het beeldkwaliteitsplan van belang acht en dient, indien het daartoe aanleiding ziet, hiertoe een voorwaardelijke verplichting aan het wijzigingsplan te verbinden;

- het college dient gemotiveerd aan te geven hoeveel parkeerplaatsen op eigen terrein per woning in dit geval voldoende kunnen worden geacht en in het wijzigingsplan alsnog te borgen dat deze parkeerplaatsen op eigen terrein worden gerealiseerd en in stand worden gehouden.

Beoordeling herstel gebreken

2.       Ter uitvoering van de opdracht in de tussenuitspraak heeft het college op 12 april 2022 een herstelbesluit genomen. Daarbij heeft het college het wijzigingsplan gewijzigd vastgesteld.

Dit herstelbesluit maakt op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb onderdeel uit van dit geding.

Woningbehoefte

3.       Om de behoefte aan de vijf mogelijk gemaakte woningen alsnog nader te onderzoeken en aan te tonen, heeft het college gebruik gemaakt van het rapport "Woningmarktonderzoek 2021 Gemeente Midden-Drenthe" van 7 december 2021 van Companen advies voor woningmarkt en leefomgeving (hierna: het Woningmarktonderzoek), en van de nadere memo van Companen van 21 maart 2022, die specifiek ingaat op de behoefte aan de vijf mogelijk gemaakte woningen. Volgens het college blijkt uit deze stukken dat in het kerncluster "kernen om Beilen" (hierna: het kerncluster), waartoe het plangebied behoort, een woningbehoefte van 80 woningen in de periode tot 2030 bestaat. Omdat er momenteel nog maar 39 woningen in de woningbouwprogrammering zijn opgenomen - waaronder de vijf woningen die met het wijzigingsplan mogelijk worden gemaakt - is er kwantitatieve ruimte voor de toevoeging van deze woningen. Verder blijkt uit deze stukken dat er ruimte is voor toevoeging van woningen in de segmenten middeldure en dure koop in het kerncluster. Het wijzigingsplan maakt vrijstaande en half-vrijstaande woningen mogelijk, waarmee dit segment wordt bediend. Hiermee is de behoefte aan de woningen overeenkomstig de wijzigingsbevoegdheid in artikel 3, lid 3.9, aanhef en onder b, onder 9, van de planregels van het bestemmingsplan "Wijster" aangetoond, aldus het college.

3.1.    [appellant A] brengt in zijn zienswijze naar voren dat hij zich kan verenigen met het standpunt van het college dat de behoefte aan de vijf woningen in kwantitatieve zin is aangetoond. Hij betwist echter dat die behoefte ook in kwalitatieve zin is aangetoond. [appellant A] heeft een notitie van Buro SRO (hierna: SRO) van 30 mei 2022 overgelegd waaruit volgens hem blijkt dat er binnen het kerncluster geen behoefte bestaat aan nieuwe woningen in het segment dure koop, die met het wijzigingsplan mede mogelijk worden gemaakt.

3.2.    In de notitie van SRO staat dat twee van de vijf woningen die door het wijzigingsplan mogelijk worden gemaakt tot het segment middeldure koop horen, en drie tot het segment dure koop. SRO ontleent aan tabel 5.1 uit het Woningmarktonderzoek dat binnen het kerncluster met name behoefte is aan woningen in het segment betaalbare koop. Voor woningen in de andere segmenten geldt het accent "met mate toevoegen". Aan tabel 5.2 uit het Woningmarktonderzoek ontleent SRO dat de behoefte aan woningen in het segment dure koop in de gemeente 0 tot 5% van de totale behoefte is. Uitgaande van een totale behoefte aan 80 woningen in het kerncluster is er hier dus ruimte voor niet meer dan vier woningen in het segment dure koop, aldus SRO. Volgens SRO zijn er in de woningbouwprogrammering voor het kerncluster echter zonder het wijzigingsplan al vier woningen in dit segment opgenomen. Met het wijzigingsplan komt dit aantal op zeven. SRO concludeert dat er geen behoefte is aan de mogelijk gemaakte drie woningen in het segment dure koop.

3.3.    De voorzieningenrechter stelt vast dat niet in geschil is dat de kwantitatieve behoefte aan de mogelijk gemaakte vijf woningen is aangetoond. Wat betreft de kwalitatieve behoefte overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

In de nadere memo van Companen die het college aan het herstelbesluit ten grondslag heeft gelegd, is ervan uitgegaan dat het wijzigingsplan voorziet in woningen in de segmenten middeldure koop en dure koop, en dat daarvoor een "vinger-aan-de-polsstrategie" ("met mate toevoegen") geldt. In de memo van Companen is hieruit geconcludeerd dat in het kerncluster dus ruimte is voor toevoeging van woningen in deze segmenten en dat er behoefte is aan de vijf woningen die met het wijzigingsplan mogelijk worden gemaakt. De voorzieningenrechter ziet in de notitie van SRO geen reden voor het oordeel dat het college zich in zoverre niet op de nadere memo van Companen mocht baseren. Het aantal van drie woningen past binnen de aanwijzing "met mate toevoegen". Het college hoefde uit de omstandigheid dat tabel 5.2 uit het Woningmarktonderzoek kan worden afgeleid dat de behoefte aan woningen in het segment dure koop maar 0 tot 5% van de totale woningbehoefte uitmaakt, niet af te leiden dat aan deze drie woningen geen kwalitatieve behoefte bestaat. Daarbij is van belang dat ook volgens SRO in de bestaande woningbouwprogrammering, deze drie woningen niet meegeteld, nog geen sprake is van een overschot van woningen in dit segment. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de toevoeging van slechts drie woningen onder die omstandigheden niet van zodanige betekenis, dat het college verdergaand had moeten onderzoeken en aantonen dat ook behoefte bestaat aan woningen in dit concrete segment. Daar komt bij dat kan worden getwijfeld aan de juistheid van de conclusie van SRO dat in de woningbouwprogrammering voor het kerncluster, naast de met het wijzigingsplan mogelijk gemaakte woningen, al vier andere woningen in het segment dure koop zijn opgenomen. Zo heeft SRO de schuurwoning aan de Nieuwe Es 6a aangemerkt als woning in dit segment, omdat het een vrijstaande woning is. In het door [appellant A] meegezonden overzicht van de type woningen die in de woningbouwprogrammering zijn opgenomen, dat de gemeente op zijn verzoek aan hem heeft verstrekt, staat echter vermeld dat dit een woning met twee wooneenheden betreft, die voor de woningbouwprogrammering als twee woningen zijn aangemerkt. Het gaat dus niet om een woning die vanwege het vrijstaande karakter geacht kan worden in het segment dure koop te vallen.

Het betoog slaagt niet.

3.4.    De voorzieningenrechter concludeert dat het college het gebrek aan het besluit van 6 juli 2021 dat de behoefte aan de mogelijk gemaakte woningen niet was onderzocht en aangetoond, in het herstelbesluit van 12 april 2022 toereikend heeft hersteld.

Landschappelijke inpassing en parkeren

4.       Het college heeft in het herstelbesluit van 12 april 2022 naar voren gebracht dat het uitvoering van de in het beeldkwaliteitsplan opgenomen beplanting van belang acht voor een goede landschappelijke inpassing van het woningbouwplan dat met het wijzigingsplan mogelijk wordt gemaakt.

Verder heeft het college nader bepaald hoeveel parkeerplaatsen op eigen terrein per woning in dit geval voldoende kunnen worden geacht. Het heeft dit aantal gebaseerd op de hoogste normen binnen de bandbreedtes in de richtlijnen van het CROW. Dit komt neer op 2,7 parkeerplaatsen per woning voor vrijstaande koopwoningen en 2,6 parkeerplaatsen per woning voor half-vrijstaande koopwoningen. Het college heeft dit afgerond naar 3 parkeerplaatsen per woning.

Met het oog op het voorgaande heeft het college de onderdelen f en g toegevoegd aan artikel 3.5 van de regels van het wijzigingsplan. Dat luidt nu:

"Onder strijdig gebruik met deze bestemming wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving, waaronder in ieder geval wordt begrepen:

[…]

f. het oprichten en het opgericht houden van een woning als niet binnen een jaar na gereedmelding van de bouw van de woning de beplanting overeenkomstig het beeldkwaliteitsplan, opgenomen in bijlage 1 bij deze regels, is uitgevoerd en in stand wordt gehouden;

g. het oprichten en het opgericht houden van een woning als niet vanaf het in gebruik nemen van de woning ten minste drie parkeerplaatsen per woning op eigen terrein worden gerealiseerd en in stand gehouden. De minimale afmeting van een parkeerplaats bedraagt 2,5 x 5,0 meter."

4.1.    [appellant A] heeft te kennen gegeven dat hij zich kan verenigen met deze aanvulling van artikel 3.5 van de planregels. Bos heeft als initiatiefnemer van de woningen die mogelijk worden gemaakt geen gebruik gemaakt van mogelijkheid om een zienswijze over het herstelbesluit naar voren te brengen. De wijze waarop het college de gebreken aan het besluit van 6 juli 2021 die samenhangen met de landschappelijke inpassing en parkeren heeft hersteld, behoeft dan ook geen verdere bespreking. Ook in zoverre bestaat geen grond voor het oordeel dat het college de gebreken aan het besluit van 6 juli 2021 in het herstelbesluit van 12 april 2022 niet toereikend heeft hersteld.

Conclusie

5.       Het beroep van [appellant A] tegen het besluit van 6 juli 2021 is gegrond, gelet op wat in de tussenuitspraak is overwogen. Dat besluit dient wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb te worden vernietigd.

Het college heeft deze gebreken met het besluit van 12 april 2022 hersteld. Het beroep van [appellant A] tegen dat besluit van 12 april 2022 is ongegrond. Dit betekent dat het wijzigingsplan zoals bij het besluit van 12 april 2022 is gewijzigd, in stand blijft.

6.       Gelet hierop is er geen aanleiding voor het treffen van een nadere voorlopige voorziening. Het verzoek daartoe wordt afgewezen.

7.       Het college moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Midden-Drenthe van 6 juli 2021 tot vaststelling van het wijzigingsplan "Nieuw wonen Boerkoelweg" gegrond;

II.       vernietigt dat besluit van 6 juli 2021;

III.      wijst het verzoek om voorlopige voorziening af, voor zover daarbij niet bij de tussenuitspraak is beslist;

IV.     verklaart het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Midden-Drenthe van 12 april 2022 tot vaststelling van het gewijzigde wijzigingsplan "Nieuw wonen Boerkoelweg" ongegrond;

V.      veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Midden-Drenthe tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellant B] in verband met de behandeling van het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2656,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

VI.     gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Midden-Drenthe aan [appellant A] en [appellant B] het door hen voor de behandeling van het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening betaalde griffierecht vergoedt, ten bedrage van in totaal € 362,00, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. R. Uylenburg, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.N. Witsen, griffier.

w.g. Uylenburg

voorzieningenrechter

w.g. Witsen

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2022

727