Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2022:2085

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-07-2022
Datum publicatie
20-07-2022
Zaaknummer
202200306/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 16 september 2021 heeft de statutair directeur van Erasmus Universiteit Rotterdam Accountancy, Auditing en Controlling B.V. [appellant] medegedeeld dat de door hem op 2 november 2020 ingediende klachten ongegrond worden verklaard en dat zijn verzoek wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202200306/1/A2.

Datum uitspraak: 20 juli 2022

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam (hierna ook: de rechtbank) van 30 november 2021 in zaken nrs. 21/5436 en 21/5435 in het geding tussen:

[appellant]

en

de statutair directeur van Erasmus Universiteit Rotterdam Accountancy, Auditing en Controlling B.V. (hierna: de directeur van EURAC).

Procesverloop

Bij brief van 16 september 2021 heeft de directeur van EURAC [appellant] medegedeeld dat de door hem op 2 november 2020 ingediende klachten ongegrond worden verklaard en dat zijn verzoek wordt afgewezen.

Bij uitspraak van 30 november 2021 heeft de rechtbank het verzoek van [appellant] om voorlopige voorziening afgewezen en, met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), het beroep van [appellant] ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De directeur van EURAC heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 juli 2022, waar [appellant], en de directeur van EURAC, vertegenwoordigd door mr. R.M. Bertens en mr. H.H.T. Wolterink, beiden advocaat te Utrecht, vergezeld door C.M. Taia Boneco, zijn verschenen.

Overwegingen

Wettelijk kader

1.       Ingevolge artikel 1:1, eerste lid, van de Awb wordt onder bestuursorgaan verstaan:

a. een orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, of

b. een ander persoon of college, met enig openbaar gezag bekleed.

Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, wordt onder een besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

Inleiding

2.       In het collegejaar 2019-2020 heeft [appellant], op basis van een schriftelijke overeenkomst, een module gevolgd van de postmaster opleiding Registeraccountant, die door EURAC wordt aangeboden. Op 2 november 2020 heeft [appellant] bij de, krachtens de Integriteitsregeling EUR Holding 2021 ingestelde, commissie een aantal klachten ingediend over de organisatie van het door hem gevolgde onderwijs en de wijze waarop hij is bejegend. Ook heeft [appellant] daarbij verzocht om deelname aan de door hem nog te volgen modules van de voormelde opleiding.

3.       Op 10 september 2021 heeft de commissie de directeur van EURAC geadviseerd de klachten ongegrond te verklaren. Ook heeft de commissie geen aanleiding voor de directeur van EURAC gezien om tegemoet te komen aan het voormelde verzoek van [appellant]. Bij de brief van 16 september 2021 heeft de directeur van EURAC [appellant] medegedeeld dat het advies van de commissie integraal wordt overgenomen. Daartegen heeft [appellant] beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

4.       De rechtbank heeft zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening. Naar het oordeel van de rechtbank is de brief van 16 september 2021 geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, zodat daartegen geen bezwaar of beroep bij de bestuursrechter openstaat. Volgens de rechtbank is de directeur van EURAC geen bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1, eerste lid, van de Awb. EURAC is weliswaar via EUR Holding een dochtermaatschappij van de Erasmus Universiteit Rotterdam (hierna: EUR), maar zij vormt een daarvan te onderscheiden, privaatrechtelijke entiteit die op privaatrechtelijke grondslag onderwijs aanbiedt. Daarnaast bevat de brief geen publiekrechtelijke rechtshandeling. Van een door het Rijk bekostigde opleiding is geen sprake, aldus de rechtbank.

5.       [appellant] heeft daartegen hoger beroep ingesteld en de Afdeling verzocht om getuigen te horen. Dit verzoek heeft de Afdeling bij brief van 21 juni 2022 afgewezen, omdat het horen van de door [appellant] genoemde personen niet kan bijdragen aan de in hoger beroep te beantwoorden vraag, of de rechtbank zich terecht onbevoegd heeft verklaard kennis te nemen van het beroep van [appellant]. In wat op de zitting van de Afdeling naar voren is gebracht, ziet de Afdeling geen aanleiding daarover anders te oordelen.

Hoger beroep

6.       [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de brief van 16 september 2021 geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Hij voert daartoe allereerst aan dat de EUR een bestuursorgaan  in de zin van artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb is en dat, de directeur van, EURAC daarvan deel uitmaakt. Dit blijkt uit het feit dat EURAC via EUR Holding een dochtermaatschappij is van de EUR, de EUR 100% van de aandelen van EURAC bezit en EURAC gebruikmaakt van de faciliteiten van de EUR in de meest ruime zin.

7.       Voor het geval dat dat argument niet slaagt, voert [appellant] aan dat, de directeur van, EURAC in ieder geval een bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb is. Volgens [appellant] is, de directeur van, EURAC, op grond van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (hierna: de WHW) en de Wet op het accountantsberoep en de daaruit voortvloeiende regelgeving, met enig openbaar gezag bekleed. In dit verband wijst [appellant] op de uitspraak van de Hoge Raad van 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1049.

8.       In het geval de Afdeling van oordeel is dat aan, de directeur van,  EURAC niet op grond van een wettelijk voorschrift openbaar gezag is toegekend, dan stelt [appellant] zich op het standpunt dat, de directeur van, EURAC toch moet worden aangemerkt als bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb. De Afdeling heeft, onder meer in de uitspraak van 17 september 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:3379), geoordeeld dat organen van privaatrechtelijke rechtspersonen die geldelijke uitkeringen of op geld waardeerbare voorzieningen aan derden verstrekken, ondanks het ontbreken van een wettelijk voorschrift dat openbaar gezag aan hen toekent, moeten worden aangemerkt als zogenoemde b-organen als aan twee cumulatieve vereisten wordt voldaan. Volgens [appellant] is dit laatste het geval, omdat de inhoudelijke criteria voor het verstrekken van de onderwijsvoorzieningen in kwestie in beslissende mate worden bepaald door de EUR en de verstrekking van die voorzieningen voor twee derde of meer wordt gefinancierd door de EUR.

Beoordeling door de Afdeling

9.       De Afdeling is van oordeel dat, de directeur van, EURAC niet kan worden aangemerkt als een bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb. De EUR is weliswaar een a-orgaan maar EURAC kan, anders dan [appellant] stelt, niet worden aangemerkt als orgaan van de EUR. EURAC is, zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld, een van de EUR te onderscheiden rechtspersoon, te weten een besloten vennootschap die krachtens privaatrecht is ingesteld en zelfstandig onderwijs op privaatrechtelijke grondslag aanbiedt. Dit betekent dat EURAC een publiekrechtelijke grondslag ontbeert (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 4 augustus 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN32302).

10.     Naar het oordeel van de Afdeling kan, de directeur van, EURAC evenmin worden aangemerkt als bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb. Voor het antwoord op de vraag of de directeur van EURAC met enig openbaar gezag is bekleed, is bepalend of aan de directeur van EURAC een publiekrechtelijke bevoegdheid tot het eenzijdig bepalen van de rechtspositie van andere rechtssubjecten toegekend is. De bevoegdheid om te beslissen op klachten van studenten en om studenten al dan niet toe te laten tot, een module van, de postmaster opleiding Registeraccountant is aan de directeur van EURAC niet toegekend krachtens de WHW of een andere publiekrechtelijke regeling. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, biedt EURAC uitsluitend, niet door het Rijk bekostigd, postacademisch onderwijs aan op privaatrechtelijke grondslag. Studenten sluiten met EURAC een overeenkomst van opdracht in de zin van artikel 400, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek. Op deze situatie, waarin sprake is van een niet door het Rijk bekostigde postacademische opleiding en de rechtsverhouding tussen student en onderwijsinstelling beheerst wordt door het privaatrecht, heeft de door [appellant] genoemde uitspraak van de Hoge Raad van 3 juni 2016 geen betrekking. Die uitspraak, in een geschil over de hoogte van het instellingscollegeld van universiteiten, had betrekking op studenten die, in het kader van de WHW, onderwijs volgden, dat in de regel door het Rijk wordt bekostigd.

11.     Het standpunt dat, zoals [appellant] tenslotte stelt, de directeur van EURAC toch, overeenkomstig de door hem genoemde uitspraak van de Afdeling van 17 september 2014, moet worden aangemerkt als een b-bestuursorgaan, volgt de Afdeling evenmin. Anders dan [appellant] stelt, is de in die uitspraak bedoelde uitzondering hier niet van toepassing. EURAC verstrekt, gelet op het hiervoor, onder 10 overwogene, geen op geld waardeerbare publieke onderwijsvoorzieningen aan derden.

12.     Het voorgaande betekent dat [appellant], als hij zich op het standpunt stelt dat, de directeur van, EURAC tekort is geschoten in de naleving van de met hem gesloten overeenkomst, omdat het door hem gevolgde onderwijs te wensen overliet en/of hij ten onrechte niet wordt toegelaten tot de voor hem resterende modules en als hij zulks in rechte wil aanvechten, zich moet wenden tot de burgerlijke rechter.

Slotsom

13.     Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

14.     De directeur van EURAC hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. G.O. van Veldhuizen, leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Meyer-de Beer, griffier.

w.g. Polak

voorzitter    

w.g. Meyer-de Beer

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2022

854