Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2022:1986

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-07-2022
Datum publicatie
13-07-2022
Zaaknummer
202103379/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 augustus 2020 heeft het dagelijks bestuur van het waterschap Limburg aan de vereniging Natuurmonumenten een watervergunning verleend voor het verleggen van de primaire watergang Raam, het gedeeltelijk dempen van de primaire watergang Vetpeel en het aanleggen, verwijderen en verplaatsen van een aantal kunstwerken in deze primaire watergangen. Op 4 december 2017 heeft de vereniging Natuurmonumenten een watervergunning aangevraagd voor de herinrichting van de ontwatering in en rondom het natuurgebied Wijffelterbroek in de gemeente Weert. Onderdeel daarvan is het verleggen van de Raam naar de west- en noordzijde van het Wijffelterbroek en het gedeeltelijk dempen van de Vetpeel. Met deze maatregelen wordt beoogd de verdroging in het gebied tegen te gaan en te komen tot een klimaatbuffer in de vorm van een natuur- en moerasgebied. Aan de aanvraag ligt het rapport "Herinrichtingsplan Raam Klimaatbuffer Wijffelterbroek en Vetpeel" van 1 december 2017 ten grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202103379/1/R1.

Datum uitspraak: 13 juli 2022

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonende te [woonplaats], naar gesteld ook namens de Ecologische Werkgroep Weert Zuid (hierna: de werkgroep),

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 16 april 2021 in zaak nr. 20/2444 in het geding tussen:

[appellant] en de werkgroep

en

het dagelijks bestuur van het waterschap Limburg.

Procesverloop

Bij besluit van 10 augustus 2020 heeft het dagelijks bestuur aan de vereniging Natuurmonumenten een watervergunning verleend voor het verleggen van de primaire watergang Raam, het gedeeltelijk dempen van de primaire watergang Vetpeel en het aanleggen, verwijderen en verplaatsen van een aantal kunstwerken in deze primaire watergangen.

Bij uitspraak van 16 april 2021 heeft de rechtbank het door [appellant] en de werkgroep daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant], naar gesteld ook namens de werkgroep, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op de zitting behandeld van 16 mei 2022, waar [appellant] en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door G.G.P.M. Muijres en P. Geurts, zijn verschenen. Verder is op de zitting de vereniging Natuurmonumenten, vertegenwoordigd door [gemachtigde], als partij gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.       Op 4 december 2017 heeft de vereniging Natuurmonumenten een watervergunning aangevraagd voor de herinrichting van de ontwatering in en rondom het natuurgebied Wijffelterbroek in de gemeente Weert. Onderdeel daarvan is het verleggen van de Raam naar de west- en noordzijde van het Wijffelterbroek en het gedeeltelijk dempen van de Vetpeel. Met deze maatregelen wordt beoogd de verdroging in het gebied tegen te gaan en te komen tot een klimaatbuffer in de vorm van een natuur- en moerasgebied. Aan de aanvraag ligt het rapport "Herinrichtingsplan Raam Klimaatbuffer Wijffelterbroek en Vetpeel" van 1 december 2017 (hierna: het herinrichtingsplan) ten grondslag.

Bij het besluit van 10 augustus 2020 heeft het dagelijks bestuur de gevraagde watervergunning verleend. Aan die vergunning zijn voorschriften verbonden.

2.       [appellant] woont op een afstand van ongeveer 580 m van de vergunde nieuwe loop van de Raam. [appellant] maakt deel uit van de werkgroep, die bestaat uit mensen uit Weert en omgeving die met de natuur bezig zijn. Zij bestuderen de natuur en inventariseren plant- en diersoorten in Weert Zuid, zoals in het natuurgebied Wijffelterbroek. Ook doen zij aan natuurbeheer.

3.       De rechtbank heeft het beroep van [appellant] en de werkgroep tegen het besluit van 10 augustus 2020 niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij volgens de rechtbank geen belanghebbenden zijn.

4.       De relevante regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

Ontvankelijkheid hoger beroep

5.       Op grond van artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) moet een beroepschrift ondertekend zijn. Uit artikel 6:6, aanhef en onder a, van de Awb volgt dat een beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard wanneer daaraan niet is voldaan.

Op grond van artikel 8:24 van de Awb kunnen partijen zich door een gemachtigde laten vertegenwoordigen en kan de bestuursrechter van een gemachtigde een schriftelijke machtiging verlangen.

Deze bepalingen zijn van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.

5.1.    [appellant] heeft ook namens de werkgroep hoger beroep ingesteld. Hij heeft bij het hoger beroepschrift geen machtiging overgelegd waaruit de bevoegdheid tot vertegenwoordiging blijkt.

Bij aangetekend verzonden brief van 27 mei 2021 is [appellant] gewezen op dit gebrek. Daarbij is meegedeeld dat hij een verklaring moet toezenden waarin staat dat hij gemachtigd is en dat die verklaring moet zijn ondertekend door de bevoegde persoon of personen. [appellant] is tot en met 24 juni 2021 in de gelegenheid gesteld om hieraan te voldoen. Hierbij is vermeld dat hij ervan moet uitgaan dat niet-ontvankelijkverklaring zal volgen wanneer hij van deze gelegenheid geen gebruik maakt.

[appellant] heeft binnen de gestelde termijn niet alsnog een machtiging overgelegd. In een brief van 9 juni 2021 verwijst hij naar de bij de rechtbank overgelegde stukken, maar daartoe behoort niet een ondertekende machtiging. Op de zitting bij de Afdeling heeft hij bevestigd dat er geen ondertekende machtiging is.

Hieruit volgt dat het hoger beroep, voor zover dat beweerdelijk is ingesteld namens de werkgroep, niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De Afdeling gaat daarom niet in op wat is aangevoerd over de belanghebbendheid van de werkgroep.

6.       De Afdeling zal hierna het hoger beroep voor zover ingesteld door [appellant] beoordelen.

Hoger beroep van [appellant]

7.       [appellant] betoogt dat de rechtbank zijn beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat hij geen belanghebbende zou zijn. Het begrip afstand heeft volgens hem in het buitengebied rond natuurgebieden een andere betekenis dan in stedelijk gebied. De mensen wonen vaak ver uit elkaar. In dit gebied ligt zijn woning naar verhouding zeer nabij het vergunde project. Vanuit zijn woning kijkt hij vrijelijk uit op een deel van het broekbos van het Wijffelterbroek, direct achter de te verleggen Raam. Hij voert verder aan dat hij zich door zijn betrokkenheid bij en kennis van het natuurgebied Wijffelterbroek voldoende onderscheidt van andere bewoners in de omgeving en bezoekers van dat gebied. Volgens hem moet hij daarom als belanghebbende worden aangemerkt.

7.1.    De watervergunning is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb. Overeenkomstig artikel 3:15, eerste lid, van de Awb zijn belanghebbenden in de gelegenheid gesteld zienswijzen naar voren te brengen over het ontwerpbesluit. Deze procedure verschilt daarmee van veel andere omgevingsrechtelijke procedures waarin zienswijzen naar voren kunnen worden gebracht door ‘een ieder’.

Dat [appellant] een zienswijze tegen het ontwerpbesluit naar voren heeft gebracht, betekent in dit geval niet dat zijn beroep om die reden ontvankelijk moest worden geacht. Zoals uit de uitspraak van 4 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:953, onder 4.7, volgt, hebben niet-belanghebbenden in omgevingsrechtelijke zaken die zijn voorbereid met afdeling 3.4 van de Awb alleen toegang tot de bestuursrechter als in die zaak de kring van personen die een zienswijze naar voren mogen brengen op grond van het nationale recht is verruimd tot ‘een ieder’. Dat is, zoals hiervoor is uiteengezet, hier niet aan de orde. Als [appellant] geen belanghebbende bij de watervergunning is, dan is zijn beroep daartegen dus niet-ontvankelijk.

7.2.    In artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. In artikel 8:1 is bepaald dat een belanghebbende tegen een besluit beroep kan instellen bij de bestuursrechter. Alleen wie een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit, is belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.

Zoals de rechtbank heeft overwogen, is degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit toestaat, in beginsel belanghebbende bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ van de activiteit is een correctie op dit uitgangspunt. Zonder gevolgen van enige betekenis heeft iemand geen persoonlijk belang bij het besluit. Hij onderscheidt zich dan onvoldoende van anderen. Om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van iemand zijn, kijkt de Afdeling naar de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (onder andere geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat. Zij bekijkt die factoren zo nodig in onderlinge samenhang. Ook de aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.

7.3.    [appellant] heeft op de zitting gesteld dat hij de watergangen, zoals deze worden gewijzigd, vanaf zijn woonperceel kan zien. De Afdeling deelt het oordeel van de rechtbank dat de afstand van ongeveer 580 m, gezien de aard en omvang van het project, niettemin te groot is om belanghebbendheid te kunnen aannemen. De omstandigheid dat de vergunde handelingen niet in een stedelijke omgeving plaatsvinden, maakt niet dat de gevolgen voor het uitzicht van [appellant] van enige betekenis zijn. Dat [appellant] regelmatig in het natuurgebied Wijffelterbroek aanwezig is en zich bij dat gebied betrokken voelt, is verder niet voldoende om een persoonlijk belang aan te nemen. De rechtbank heeft zijn beroep daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard.

7.4.    Het betoog slaagt niet.

8.       Het hoger beroep, voor zover dat is ingesteld door [appellant], is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet in zoverre worden bevestigd.

Proceskosten

9.       Het dagelijks bestuur hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep, voor zover dat beweerdelijk is ingesteld namens de Ecologische Werkgroep Weert Zuid, niet-ontvankelijk;

II.       bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover deze betrekking heeft op het beroep van [appellant].

Aldus vastgesteld door mr. R. Uylenburg, voorzitter, en mr. H.J.M. Baldinger en mr. J. Gundelach, leden, in tegenwoordigheid van mr. Y.C. Visser, griffier.

w.g. Uylenburg

Voorzitter     

w.g. Visser

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2022

148

 

BIJLAGE

 

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 1:2

1. Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

[…].

Artikel 3:15

1. Belanghebbenden kunnen bij het bestuursorgaan naar keuze schriftelijk of mondeling hun zienswijze over het ontwerp naar voren brengen.

[…].

Artikel 6:5

1. Het bezwaar- of beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

[…].

Artikel 6:6

Het bezwaar of beroep kan niet-ontvankelijk worden verklaard, indien:

a. niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, of

b. […],

mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

Artikel 6:24

Deze afdeling is met uitzondering van artikel 6:12 van overeenkomstige toepassing indien hoger beroep, incidenteel hoger beroep, beroep in cassatie of incidenteel beroep in cassatie kan worden ingesteld.

Artikel 8:1

Een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter.

Artikel 8:24

1. Partijen kunnen zich laten bijstaan of door een gemachtigde laten vertegenwoordigen.

2. De bestuursrechter kan van een gemachtigde een schriftelijke machtiging verlangen.

[…].

Artikel 8:108

1. Voor zover in deze titel niet anders is bepaald, zijn op het hoger beroep de titels 8.1 tot en met 8.3 van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de artikelen 8:1 tot en met 8:10, 8:41, tweede lid, en 8:74.

[…].