Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2022:1894

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-07-2022
Datum publicatie
06-07-2022
Zaaknummer
202004372/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 mei 2020 heeft de raad van de gemeente Westland het bestemmingsplan "Westmade-Noord" gewijzigd vastgesteld. Het bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van een nieuwe woonwijk met ongeveer 500 woningen mogelijk. Het plangebied is gelegen tussen de Haagweg, de Oorberlaan en de Plaats Langeveld. De Oorberlaan vormt de grens tussen de gemeenten Westland en Den Haag. Aan het grootste deel van de gronden in het plangebied is de bestemming "Woongebied" toegekend. Op de gronden met deze bestemming zullen de nieuwe woningen worden gebouwd. De bestaande woningen in het plangebied hebben hun op grond van het voorheen geldende bestemmingsplan "Westmade" gekregen woonbestemming behouden. [appellanten] vrezen allen dat de woningbouw leidt tot aantasting van hun woon- en leefklimaat door met name de toename van het verkeer en de geluidsbelasting op hun woningen. Ook vrezen zij voor de gevolgen die de toename van het verkeer met zich brengt voor het aan het plangebied grenzende Natura 2000-gebied.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2022/317
Milieurecht Totaal 2022/7429
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202004372/1/R3.

Datum uitspraak: 6 juli 2022

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Monster, gemeente Westland,

2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], wonend te Monster, gemeente Westland,

3. Algemene Vereniging voor Natuurbescherming voor 's-Gravenhage en omstreken, gevestigd te Den Haag (hierna: de Vereniging),

4. [appellant sub 4] en anderen, wonend te Monster, gemeente Westland,

5. [appellant sub 5], wonend te Monster, gemeente Westland,

6. [appellant sub 6], wonend te Monster, gemeente Westland,

7. [appellant sub 7], wonend te Monster, gemeente Westland,

8. [appellant sub 8] en anderen, wonend te [woonplaats,

9. [appellant sub 9], wonend te Monster, gemeente Westland,

10. [appellant sub 10A] en [appellant sub 10B], wonend te Monster, gemeente Westland, onderscheidenlijk te [woonplaats],

11. [appellant sub 11], wonend te Monster, gemeente Westland,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Westland,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 26 mei 2020 heeft de raad het bestemmingsplan "Westmade-Noord" gewijzigd vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], de Vereniging, [appellant sub 4] en anderen, [appellant sub 5], [appellant sub 6], [appellant sub 7], [appellant sub 8] en anderen, [appellant sub 9], [appellant sub 10A] en [appellant sub 10B] en [appellant sub 11] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1], [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], [appellant sub 4] en anderen, [appellant sub 5], [appellant sub 6], [appellant sub 7], [appellant sub 8] en anderen, [appellant sub 9], [appellant sub 10A] en [appellant sub 10B] en [appellant sub 11] hebben nadere stukken ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: de STAB) heeft op verzoek van de Afdeling een deskundigenbericht uitgebracht (hierna: het STAB-advies). [appellant sub 4] en anderen samen met [appellant sub 5], [appellant sub 7], [appellant sub 9] en [appellant sub 11] en de raad hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

De raad, [appellant sub 4] en anderen samen met [appellant sub 5], [appellant sub 7], [appellant sub 9] en [appellant sub 11] en Ontwikkelingsbedrijf De Westlandse Zoom hebben een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op de zitting behandeld van 3 maart 2022. Op de zitting zijn verschenen

-de Vereniging, vertegenwoordigd door [appellant 4E],

- [appellant sub 4], [appellant sub 4A], [appellant sub 5], [appellant sub 7] en [appellant sub 11], bijgestaan door mr. M.I.J. Toonders, advocaat te Tilburg, en [appellant 4B], [appellant 4C], [appellant 4D], [appellant 4E] en [appellant sub 9], vertegenwoordigd door mr. M.I.J. Toonders, advocaat te Tilburg,

- [appellant sub 8],

- [appellant sub 10A] en [appellant sub 10B] en

- de raad, vertegenwoordigd door S. Westerduin, E. Been, werkzaam bij Antea Group, en T. Prins, werkzaam bij Goudappel Coffeng. M. Vollebregt en E.J. Fidom, beiden werkzaam bij de gemeente, hebben door middel van een videoverbinding deelgenomen aan de zitting.

Op de zitting is ook Ontwikkelingsbedrijf De Westlandse Zoom, vertegenwoordigd door ing. G.A. Zijderveld en [gemachtigde], en mr. J.E. van der Holst, advocaat te Rotterdam, als partij gehoord.

Inleiding

1.       Het bestemmingsplan maakt de ontwikkeling van een nieuwe woonwijk met ongeveer 500 woningen mogelijk. Het plangebied is gelegen tussen de Haagweg, de Oorberlaan en de Plaats Langeveld. De Oorberlaan vormt de grens tussen de gemeenten Westland en Den Haag.

Aan het grootste deel van de gronden in het plangebied is de bestemming "Woongebied" toegekend. Op de gronden met deze bestemming zullen de nieuwe woningen worden gebouwd. De bestaande woningen in het plangebied hebben hun op grond van het voorheen geldende bestemmingsplan "Westmade" gekregen woonbestemming behouden.

Appellanten

2.       [appellant sub 1] woont aan de Plaats Langeveld. Zijn woning ligt in het plangebied.

[appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] wonen aan de Haagweg. Beiden wonen niet in het plangebied. Hun woningen staan op een afstand van, hemelsbreed, ongeveer 520 m en ongeveer 580 m van het plangebied.

[appellant sub 4], [appellant 4B], [gemachtigde 4A], [appellant 4C], [appellant 4D], [appellant 4E] en [appellant sub 5] wonen aan de Haagweg. [appellant 4E], [appellant sub 4] en [appellant sub 5] wonen ten westen van het plangebied op een afstand van 115 m, 500 m en 580 m. De anderen wonen in het plangebied. De woning van [appellant sub 7] ligt aan de Plaats Langeveld ten westen van het plangebied op een afstand van, hemelsbreed, ongeveer 40 m. [appellant sub 9] woont aan de Plaats Langeveld in het plangebied. [appellant sub 11] woont aan de Oorberlaan. Zijn woning ligt in het plangebied.

[appellant sub 8] en anderen wonen in verschillende appartementencomplexen aan de Max Euweweg, gelegen ten oosten van het plangebied. De appartementencomplexen staan op een afstand van ongeveer, hemelsbreed, 20 m tot 75 m van het plangebied.

[appellant sub 6] woont aan de Plaats Langeveld. Zijn woning ligt in het plangebied.

[appellant sub 10A] en [appellant sub 10B] zijn eigenaar van een woning aan de Haagweg, gelegen in het plangebied.

Zij vrezen allen dat de voorziene woningbouw leidt tot een aantasting van hun woon- en leefklimaat door met name de toename van het verkeer en de geluidsbelasting op hun woningen. Ook vrezen zij voor de gevolgen die de toename van het verkeer met zich brengt voor het aan het plangebied grenzende Natura 2000-gebied "Solleveld & Kapittelduinen".

3.       De Vereniging vreest dat de voorziene ontwikkeling leidt tot een aantasting van de flora en fauna in het Natura 2000-gebied "Solleveld & Kapittelduinen".

4.       De gemachtigde van [appellant sub 4] en anderen heeft de Afdeling laten weten dat zij zich ook stelt als gemachtigde van [appellant sub 7], [appellant sub 5], [appellant sub 9] en [appellant sub 11]. Onder [appellant sub 4] en anderen worden hierna ook [appellant sub 7], [appellant sub 5], [appellant sub 9] en [appellant sub 11] begrepen. De beroepsgronden die door [appellant sub 7], [appellant sub 5], [appellant sub 9] en [appellant sub 11] zijn aangevoerd, worden hierna aangeduid als beroepsgronden van [appellant sub 4] en anderen.

Toetsingskader

5.       Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.

Inspraak en participatie

6.       [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] en [appellant sub 4] en anderen betogen dat de raad in de 'Nota van beantwoording zienswijzen bestemmingsplan "Westmade Noord"'(hierna: de zienswijzennnota) onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom de door hen ingebrachte argumenten geen doel treffen.

6.1.    De raad heeft de zienswijze van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] en [appellant sub 4] en anderen opgenomen in de zienswijzennota en deze van een inhoudelijke reactie voorzien. Artikel 3:46 van de Awb verzet zich er niet tegen dat de raad de zienswijzen samengevat weergeeft. Voor een voldoende motivering is het niet nodig dat op elk argument afzonderlijk wordt ingegaan. Niet is gesteld dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de zienswijzennota zijn betrokken. Bij de bespreking van de beroepsgronden zal de Afdeling beoordelen of het standpunt van de raad de toets in rechte kan doorstaan.

Het betoog slaagt niet.

7.       [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], [appellant sub 4] en anderen en [appellant sub 10A] en [appellant sub 10B] betogen dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er sprake is geweest van een intensief participatietraject. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] en [appellant sub 4] en anderen menen dat de bewoners alleen maar summier zijn geïnformeerd. [appellant sub 10A] en [appellant sub 10B] wijzen erop dat niet de gemeente, maar de projectontwikkelaar twee informatieavonden heeft georganiseerd. Op die avonden werd medegedeeld hoe het nieuwe woongebied zou worden ingevuld.

7.1.    De Afdeling stelt vast dat het bieden van inspraak voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan geen onderdeel uitmaakt van de bestemmingsplanprocedure in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: het Bro). Het niet bieden van inspraak in die eerdere fase heeft daarom geen gevolgen voor de rechtmatigheid van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan.

Het betoog slaagt niet.

De ontsluitingen van het plangebied in het bestemmingsplan

8.       De Vereniging en [appellant sub 10A] en [appellant sub 10B] betogen dat, anders dan in de zienswijzennota is vermeld, de aanleg van een verbinding tussen Westmade-Zuid en Westmade-Noord ten onrechte niet in het bestemmingsplan "Westmade-Noord" is geregeld.

[appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] en [appellant sub 4] en anderen betogen dat in de verschillende onderzoeken ten onrechte geen rekening is gehouden met de toekomstige ontsluiting dwars door het plangebied heen. Zij betogen dat alle beoogde woningbouwontwikkelingen samen zullen leiden tot veel meer verkeer, geluidsoverlast en luchtvervuiling. [appellant sub 4] en anderen wijzen er verder op dat de ontsluitingsweg, na realisering van Westmade-Zuid, achter de woning van [appellant sub 7] zal komen te liggen en dat zij hinder zal ondervinden van het verkeer op die weg.

8.1.    Artikel 9.1 van de planregels luidt:

De voor "Woongebied" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. het wonen;

b. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals erven, tuinen, water, groen- en speelvoorzieningen, nutsvoorzieningen en parkeervoorzieningen;

c. verkeer en verblijfsgebied met een functie voor verblijf, verplaatsing en gebruik;

d. oevers.

8.2.    Op de verbeelding is aan een deel van de gronden met de bestemming "Woongebied" de functieaanduiding "ontsluiting" toegekend. Het gaat hier om een ontsluiting ten behoeve van de wijk Westmade-Zuid via Westmade-Noord. De Afdeling stelt vast dat de functieaanduiding "ontsluiting" niet in artikel 9 voor de bestemming "Woongebied" is opgenomen. Dit betekent dat aan deze aanduiding geen juridische betekenis toekomt. De raad heeft dit op de zitting ook erkend. Ook heeft de raad bevestigd dat hij de ontsluiting van de wijk Westmade-Zuid via Westmade-Noord niet in dit bestemmingsplan heeft willen regelen. Aangezien de ontsluiting naar Westmade-Zuid planologisch niet is geregeld, hoeft het betoog van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] en [appellant sub 4] en anderen over de feitelijke gevolgen van die ontsluiting geen inhoudelijke bespreking. De Afdeling wijst er nog op dat de raad op de zitting heeft gesteld dat, als er op een later moment alsnog een verbindingsweg voor autoverkeer tussen Westmade-Noord en Westmade-Zuid zal worden gerealiseerd, een onderzoek zal worden uitgevoerd naar de gevolgen daarvan.

Het voorgaande betekent dat het betoog van de Vereniging, [appellant sub 10A] en [appellant sub 10B], [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] en [appellant sub 4] en anderen terecht is voorgedragen, maar niet kan leiden tot vernietiging van het besluit.

9.       [appellant sub 8] en anderen en [appellant sub 4] en anderen betogen dat de kans bestaat dat de geplande calamiteitenontsluiting zal worden gebruikt als volledige ontsluiting, waardoor nog meer verkeer over het noordelijk deel van de Oorberlaan zal rijden.

9.1.    Artikel 5.1 van de planregels luidt:

"De voor "Verkeer" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. wegen met ten hoogste 2x1 doorgaande rijstrook, alsmede opstelstroken, busstroken, voet- en fietspaden;

b. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals geluidswerende voorzieningen, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen, reclame-uitingen en water;

c. ter plaatse bij de functieaanduiding 'specifieke vorm van verkeer - calamiteitenroutes (sv-cr)', uitsluitend een calamiteitenontsluiting."

Artikel 6.1 luidt:

"De voor "Verkeer - Verblijfsgebied" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. verblijfsgebied met een functie voor verblijf, verplaatsing en gebruik ten dienste van de aangrenzende bestemmingen;

b. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals voet- en fietspaden, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen, speelvoorzieningen, reclame-uitingen en water.

c. ter plaatse van de functieaanduiding 'langzaam verkeer (lav)', uitsluitend een langzaamverkeersontsluiting."

9.2.    De ontsluiting van het Westmade-Noord op de Oorberlaan is voorzien in het zuiden van het plangebied. Op de verbeelding is in het noorden van het plangebied ook een ontsluiting op de Oorberlaan opgenomen. Aan die ontsluiting is de bestemming "Verkeer - Verblijfsgebied" met de nadere aanduiding "specifieke vorm van verkeer - calamiteitenroute" toegekend.

9.3.    Zoals de raad in zijn verweerschrift heeft opgemerkt en ook de STAB heeft geconstateerd, is deze aanduiding ten onrechte niet in artikel 6.1, maar in artikel 5.1 van de planregels opgenomen. Omdat de aanduiding niet in de juiste planregel is geregeld, heeft deze geen juridische betekenis. De raad heeft in zoverre dan ook niet bereikt wat hij heeft beoogd, zodat moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen.

Omdat partijen het erover eens zijn dat de hiervoor bedoelde aanduiding moet rusten op gronden met de bestemming "Verkeer - Verblijfsgebied", zal de Afdeling in de einduitspraak met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb, de aanduiding in artikel 5.1, aanhef en onder c, van de planregels verwijderen en toevoegen als nieuw onderdeel d aan artikel 6.1.

9.4.    In het STAB-advies staat dat, mits goed in het bestemmingsplan is geregeld, het plan geen volwaardige verkeersontsluiting voor auto's mogelijk maakt. Als gevolg daarvan is een andere routing van het verkeer op de omliggende wegen, zoals [appellant sub 8] en anderen en [appellant sub 4] en anderen vrezen, niet te verwachten.

9.5.    De Afdeling stelt met de STAB vast dat het bestemmingsplan op de door [appellant sub 8] en anderen en [appellant sub 4] en anderen bedoelde locatie geen ontsluiting voor verkeer, maar alleen een ontsluiting voor calamiteitenverkeer mogelijk maakt. Gelet op de betekenis van 'calamiteitenroute' in het algemeen spraakgebruik is met de aanduiding "specifieke vorm van verkeer - calamiteitenroute" naar het oordeel van de Afdeling voldoende geregeld dat de ontsluiting alleen mag worden gebruikt door hulpdiensten en niet door ander verkeer. Dit is ook zoals de raad het heeft bedoeld. De Afdeling volgt de STAB dat, gelet hierop, een andere routing van het verkeer op de omliggende wegen niet is te verwachten. Het betoog van [appellant sub 8] en anderen en [appellant sub 4] en anderen slaagt niet.

10.     [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], [appellant sub 4] en anderen, [appellant sub 6] en [appellant sub 8] en anderen betogen dat, gelet op de hoeveelheid verkeer afkomstig vanuit de hele wijk Westmade, de kans zeer groot is dat een tweede ontsluiting noodzakelijk is. Dit zou een toename van de verwachte verkeersintensiteit via de Haagweg en Monsterseweg tot gevolg hebben.

10.1.  De Afdeling stelt vast dat, zoals ook staat in het STAB-advies, de raad op de datum waarop hij het bestemmingsplan "Westmade-Noord" heeft vastgesteld, nog geen bestemmingsplan voor Westmade-Zuid had vastgesteld. Ook waren er op dat moment nog geen omgevingsvergunningen verleend die de bouw van woningen in Westmade-Zuid mogelijk maakten. Een noodzaak voor het mogelijk maken van een tweede ontsluiting van Westmade-Noord was, zo stelt ook de STAB, ten tijde van het vaststellen van het bestemmingsplan "Westmade-Noord" dan ook nog niet aan de orde.

10.2.  Het betoog van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], [appellant sub 4] en anderen, [appellant sub 6] en [appellant sub 8] en anderen over de noodzaak van een tweede ontsluiting en de daardoor te verwachten toename van verkeer op de Haagweg en Monsterseweg slaagt niet.

Ladder voor duurzame verstedelijking

11.     [appellant sub 1] en [appellant sub 6] betogen dat het plan in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is vastgesteld. Zij voeren aan dat de raad er ten onrechte van uit is gegaan dat een toets aan dit artikellid achterwege kon blijven. Zij voeren verder aan dat de raad onvoldoende heeft onderbouwd waarom niet binnen bestaand stedelijk gebied in de woningbouw kon worden voorzien.

11.1.  Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro luidt:

"De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien."

11.2.  De raad stelt in paragraaf 3.1 van de plantoelichting dat het bestemmingsplan geen nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt. De raad heeft, voor het geval wel sprake zou zijn van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wel getoetst aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro. Volgens de raad bestaat er een behoefte aan de stedelijke ontwikkeling en kan binnen bestaand stedelijk gebied niet in die behoefte worden voorzien.

11.3.  Bij de beantwoording van de vraag of de ontwikkeling die het voorliggende plan mogelijk maakt een nieuwe stedelijke ontwikkeling is in de zin van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro, moet een vergelijking worden gemaakt tussen het voorheen geldende planologisch regime en het in deze procedure voorliggende plan.

11.4.  In het voorheen geldende bestemmingsplan "Westmade" waren de gronden bestemd voor "Uit te werken woondoeleinden - UW". Met deze bestemming bevatte het voorheen geldende planologisch regime een uitwerkingsplicht. Aan deze uitwerkingsplicht had het college van burgemeester en wethouders op het moment van de vaststelling van het voorliggende plan nog geen uitvoering gegeven. Er was sprake van een onbenutte uitwerkingsplicht.

In het deze procedure aan de orde zijnde bestemmingsplan heeft het grootste deel van de gronden de bestemming "Woongebied" gekregen. De al bestaande woningen, die ook al aanwezig waren onder het voorheen geldende bestemmingsplan, hebben hun woonbestemming behouden.

11.5.  De Afdeling stelt met partijen vast dat het plan bij recht voorziet in een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro, die onder het voorheen geldende planologisch regime mogelijk werd gemaakt door een - in dit geval onbenutte - uitwerkingsplicht. Over welke betekenis in zo'n geval aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro toekomt, is de Afdeling in de overzichtsuitspraak over artikel 3.1.6, tweede lid van het Bro van 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724, in rechtsoverweging 7.8 ingegaan. Uit die overweging blijkt dat voor de vraag of er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, bepalend is de mate waarin een onbenutte uitwerkingsplicht aan het college van burgemeester en wethouders keuzemogelijkheden bood voor in het uitwerkingsplan op te nemen functies.

11.6.  De gronden hadden ingevolge het voorheen geldende bestemmingsplan "Westmade" de bestemming "Uit te werken woondoeleinden - UW". Deze gronden konden worden gebruikt voor woondoeleinden, maatschappelijke doeleinden, horecadoeleinden, recreatieve, sportieve en verenigingsdoeleinden en voor voorzieningen ten behoeve van verkeer, nuts, groen, waterhuishouding en geluidwering en afscherming. In de planvoorschriften was geregeld hoeveel woningen (maximaal 625) en welk type woningen gebouwd mochten worden, hoeveel de minimale waterbergingscapaciteit diende te zijn en hoe die capaciteit moest worden ingevuld, wat de minimale oppervlakte van de groenvoorzieningen moest zijn en welke oppervlakte van de gronden maximaal mocht worden gebruikt voor horecadoeleinden en voor recreatieve, sportieve en verenigingsdoeleinden.

De Afdeling stelt vast dat de onbenutte uitwerkingsplicht een beperkte keuzemogelijkheid bood aan het college van burgemeester en wethouders. Onder die omstandigheid maakt het in deze procedure voorliggende plan geen nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk. De raad heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat de plantoelichting niet hoefde te voldoen aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro.

Het betoog slaagt niet.

Gemeentelijk beleid

12.     [appellant sub 1], [appellant sub 4] en anderen en [appellant sub 6] betogen dat het bestemmingsplan in strijd is met het gemeentelijk beleid. [appellant sub 1] en [appellant sub 6] wijzen in dit verband op de 'Woonvisie Westland 2030' (hierna: de Woonvisie) en [appellant sub 4] en anderen wijzen op de 'Structuurvisie Westland 2025, perspectief 2014' (hierna: de Structuurvisie). Zij voeren allen aan dat het bestemmingsplan het dorpse karakter van hun leefomgeving aantast.

12.1.  In de Woonvisie staat dat in de Haagse regio gebruikt wordt gemaakt van een indeling van woongebieden in zogeheten woonmilieus. Er staat dat in de regio vooral een tekort is aan onder meer het 'dorpse woonmilieu'. In de Woonvisie staat dat de raad dit woonmilieu wil behouden, versterken en/of creëren. Het woonmilieu 'Dorps' wordt onderverdeeld in 'Centrum dorps', 'Lokaal' en 'Suburbaan'. In de Woonvisie zijn de verschillende kenmerken van deze woonmilieus opgesomd.

In hoofdstuk 1 van de Structuurvisie staat dat de woonkernen van Westland een levendige gemeenschap vormen tussen de zee en de grote steden Den Haag en Rotterdam. Er is sprake van een dorps woonmilieu met stedelijke voorzieningen en gemakken binnen handbereik. Er zijn kwalitatief goede woningen, goede woonmilieus en een goed niveau van sociale, maatschappelijke en dagelijkse voorzieningen. In paragraaf 4.2.1 staat dat de gemeente Westland de leefbaarheid en vitaliteit van Westland in stand wil houden. De woonkernen van Westland hebben elk een eigen identiteit en die wil de gemeente behouden. De identiteit van elke kern dient als uitgangspunt voor verdere ontwikkeling. De inwoners van Westland moeten volgens de Structuurvisie met plezier in de kernen kunnen blijven wonen, werken en recreëren.

12.2.  In paragraaf 2.1.1 van de plantoelichting staat dat in de Structuurvisie de gronden van het bestemmingsplan Westmade-Noord zijn aangewezen als te ontwikkelen woongebied. Er staat verder dat het woningbouwprogramma moet passen bij het Westlandse, dorpse woonmilieu, waar grote behoefte aan is. De Woonvisie richt zich op het deelonderwerp 'wonen' van de Structuurvisie. In paragraaf 2.3.1 staat dat het beleid van de gemeente is om te bouwen in de deelgebieden van de Westlandse Zoom, met de focus op 'Dorps-Centrum dorps' en 'Dorps-Suburbaan'. De nabijheid van de dorpskern en de bereikbaarheid van lokale voorzieningen spelen daarbij een belangrijke rol. Volgens de plantoelichting komt het dorpse woonmilieu tot uiting in het stedenbouwkundig plan. In paragraaf 2.3.4 van de plantoelichting zijn in dat verband de stedenbouwkundige randvoorwaarden beschreven.

12.3.  De Afdeling stelt voorop dat ook al maakt het plan mogelijk dat er ongeveer 500 woningen worden gebouwd, dit niet zonder meer betekent dat er niet kan worden gesproken van een dorps karakter. Het dorpse karakter komt, zo blijkt uit de plantoelichting, tot uitdrukking in de inrichting van het gebied met verschillende bouwstijlen, de inpassing van de parkeerplaatsen en de aanwezigheid van voortuinen en gemeenschappelijke tuinen.

De Afdeling wijst er verder op dat in paragraaf 4.2.2 van de Structuurvisie staat dat de ambitie is om voldoende woningen te bouwen voor de woningbehoefte van de Westlandse bevolking en van woningzoekenden die economisch verbonden zijn met de Greenport. Het dorpse karakter sluit, anders dan [appellant sub 4] en anderen aanvoeren, beperkte gestapelde woningbouw ook niet uit. In dit verband wijst de Afdeling erop dat het bestemmingsplan met toepassing van een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid maar op twee plekken een gestapeld woongebouw met een hoogte van maximaal 18 m mogelijk maakt, en dan nog alleen onder de voorwaarde dat de afwijking van het bestemmingsplan niet op stedenbouwkundige bezwaren mag stuiten.

Het betoog van [appellant sub 1], [appellant sub 6] en [appellant sub 4] en anderen dat het bestemmingsplan in strijd is met het gemeentelijk beleid, slaagt dan ook niet.

Verkeer

13.     Ter voorbereiding op het bestemmingsplan heeft Goudappel Coffeng onderzoek gedaan naar de verkeerseffecten van de beoogde ontwikkeling en naar de verkeerseffecten van alle beoogde woningbouwontwikkelingen in de omgeving van het plangebied. Daarbij is gebruik gemaakt van het verkeersmodel van de Metropoolregio Rotterdam Den Haag. Het model is aangevuld met de meest recente aantallen te bouwen woningen en de verkeerstellingen die in het najaar van 2018 zijn uitgevoerd. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Effecten verkeer Westlandse Zoom, Herziening onderzoek verkeer, geluid en lucht bestemmingsplan Westmade-Noord + totale woningbouwontwikkeling" van 22 augustus 2009 (hierna: het verkeersrapport).

De bevindingen en conclusies van dit onderzoek zijn door de raad ten grondslag gelegd aan zijn standpunt dat het plan niet leidt tot een onaanvaardbare verkeerssituatie. In paragraaf 3.3.2 van de plantoelichting staat dat Westmade-Noord een verkeersgeneratie heeft van ongeveer 3.300 motorvoertuigen per etmaal. De grootste verkeerstoename is te verwachten op de Oorberlaan, waar de nieuwe woningen op worden ontsloten. In paragraaf 3.3.4 staat dat de beoogde woningbouwontwikkeling invloed heeft op de verkeersstromen en daarmee ook op de verkeersafwikkeling op kruispuntniveau. Voor zes maatgevende kruispunten is de verkeersafwikkeling onderzocht voor de situatie met de beoogde woningbouwontwikkelingen. In de plantoelichting staat dat de bestaande kruispunten in de omgeving van het plangebied het extra verkeer als gevolg van de woningbouw in Westmade-Noord kunnen verwerken. Verder staat er dat de woningbouw in Westmade-Noord onderdeel uitmaakt van een reeks woningbouwprojecten in de Westlandse Zoom die met elkaar een effect gaan hebben op de verkeersafwikkeling. De gemeenten Den Haag en Westland maken hierover afspraken en stemmen de werkzaamheden aan de infrastructuur af zodat het gebied waarvan dit bestemmingsplan deel uitmaakt, goed bereikbaar blijft. In paragraaf 3.3.5 staat dat er geen problemen zullen ontstaan met de verkeersafwikkeling van de beoogde aansluiting van de nieuwe woonwijk op de Oorberlaan.

14.     [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], de Vereniging, [appellant sub 4] en anderen, [appellant sub 6], [appellant sub 8] en anderen en [appellant sub 10A] en [appellant sub 10B] betogen dat de raad ten onrechte het verkeersrapport aan zijn besluit ten grondslag heeft gelegd. Zij zijn het om verschillende redenen niet met dat rapport eens. Ter onderbouwing van hun betoog hebben [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], [appellant sub 4] en anderen, [appellant sub 6] en [appellant sub 8] en anderen verwezen naar het in hun opdracht opgestelde rapport "Westmade-Noord, Beoordeling verkeersrapportage bestemmingsplan Westmade-Noord" van BOOT van 1 september 2020. Hieronder wordt op de aangevoerde bezwaren tegen het verkeersrapport ingegaan.

15.     De Afdeling stelt voorop dat het in deze procedure alleen gaat om de effecten van de woningbouw in Westmade-Noord. Andere ontwikkelingen, zoals de woningbouw in Westmade-Zuid en Monster Noord, waren, zoals hiervoor onder 10.1 is geoordeeld, op het moment van de vaststelling van het bestemmingsplan "Westmade-Noord" nog niet aan de orde en daarmee heeft de raad in het verkeersonderzoek dan ook geen rekening hoeven houden.

De Afdeling heeft begrip voor de zorgen van omwonenden dat realisering van alle woningbouwontwikkelingen samen negatieve gevolgen zullen hebben voor hun woon- en leefklimaat, maar de beoordeling van de verkeerskundige en ruimtelijke aanvaardbaarheid van de (cumulatieve) effecten die deze ontwikkelingen te weeg kunnen brengen, zijn geen onderwerp van onderzoek en beoordeling in het kader van dit bestemmingsplan. Zij komen aan de orde bij de vaststelling van plannen voor die ontwikkelingen.

- Snelheid op de Haagweg

16.     [appellant sub 10A] en [appellant sub 10B] betogen dat er in het verkeersrapport ten onrechte van uit wordt gegaan dat op de Haagweg een maximale snelheid van 50 km/u geldt, aangezien er een maximale snelheid van 60 km/uur geldt. De gemeente geeft volgens hen al jaren aan dit te willen veranderen, maar heeft dit steeds nagelaten. Ook een voornemen van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Westland in 2018/2019 tot verlaging van de maximaal toelaatbare snelheid naar 50 km/uur, is ingetrokken. Daarbij komt dat, zolang de Haagweg niet ook fysiek wordt aangepast, er op de Haagweg harder zal worden gereden dan is toegestaan.

16.1.  De maximale snelheid op de Haagweg bedroeg ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan 60 km/uur. Bij de vaststelling van het bestemmingsplan is de raad echter uitgegaan van een verlaging van deze maximumsnelheid naar 50 km/uur.

16.2.  De Afdeling is van oordeel dat de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan terecht is uitgegaan van een toekomstige maximaal toegestane snelheid van 50 km/uur. Daarbij acht zij van belang dat uit de stukken en het verhandelde op de zitting blijkt dat tijdens de voorbereiding van het bestemmingsplan al het voornemen bestond de maximaal toelaatbare snelheid op de Haagweg te verlagen naar 50 km/uur onder meer vanwege de ontwikkeling van woonwijken. In november 2018 was daartoe ook al een verkeersbesluit genomen, al is dat ingetrokken onder meer omdat, zo heeft de raad verklaard, het op de verkeerde grondslag was gebaseerd.

Dat, zoals [appellant sub 10A] en [appellant sub 10B] aanvoeren, de verlaging van de maximumsnelheid al jaren geleden bij de vaststelling van het bestemmingsplan "Westmade" was aangekondigd, maar toen niet heeft plaatsgevonden, geeft de Afdeling geen aanleiding voor een ander oordeel. De toen aangekondigde verlaging van de maximumsnelheid werd noodzakelijk geacht vanwege de ontwikkeling van de met het bestemmingsplan "Westmade" mogelijk gemaakte woonwijk. Omdat die woonwijk toen niet werd gerealiseerd, bestond er voor de gemeente geen noodzaak meer de toegestane snelheid te verlagen.

Dat, naar [appellant sub 10A] en [appellant sub 10B] aanvoeren, de Haagweg niet fysiek wordt aangepast, waardoor er in werkelijkheid harder wordt gereden, is een kwestie van handhaving en kan in deze bestemmingsplanprocedure geen rol spelen.

De Afdeling wijst er overigens nog op dat op 26 januari 2022, na de vaststelling van het bestemmingsplan, het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Westland het verkeersbesluit tot verlaging van de maximumsnelheid van 60 km/uur naar 50 km/uur ook heeft genomen.

Het betoog slaagt niet.

- Verkeerstellingen

17.     [appellant sub 8] en anderen en [appellant sub 10A] en [appellant sub 10B] betogen dat de raad onvoldoende informatie heeft verschaft over de in 2018 uitgevoerde verkeerstellingen. Volgens hen heeft de gemeente Westland in juli 2018 en niet in najaar van 2018 tellingen uitgevoerd op de Haagweg.

17.1.  In het verkeersrapport staat dat in het verkeersmodel gebruik is gemaakt van verkeerstellingen die de gemeenten Westland en Den Haag in het najaar van 2018 hebben uitgevoerd. Met de STAB is de Afdeling van oordeel dat er geen aanleiding bestaat hieraan te twijfelen. Dat er mogelijk op andere momenten ook tellingen zijn uitgevoerd, acht de Afdeling onvoldoende om in zoverre niet van de juistheid van het verkeersrapport uit te gaan.

18.     [appellant sub 8] en anderen betogen dat de verkeersintensiteit van 2018 op de Monsterseweg is onderschat. Zij wijzen erop dat in het rapport van Goudappel Coffeng wordt uitgegaan van 9.500 motorvoertuigen per etmaal op de Monsterseweg bij de kruising met de Oorberlaan, terwijl de tellingen die in november 2018 door de gemeente Den Haag zijn uitgevoerd, resulteerden in 10.500 motorvoertuigen per etmaal.

18.1.  In het verkeersrapport staat dat het gebruikte verkeersmodel is aangevuld met de meest recente aantallen woningen en ontsluitingen van de gemeenten Westland en Den Haag en is gekalibreerd op de recente verkeerstellingen die in najaar 2018 door de gemeente Westland zijn uitgevoerd en de tellingen die de gemeente Den Haag in november 2018 heeft uitgevoerd op de Oorberlaan.

18.2.  In het STAB-advies staat dat de kalibratie van het verkeersmodel heeft geleid tot een verkeersintensiteit op de Monsterseweg van 9.500 motorvoertuigen per etmaal direct ten noorden van de kruising met de Oorberlaan, wat een afwijking van ongeveer 10% is ten opzichte van de tellingen (10.500 motorvoertuigen per etmaal). Deze afwijking volgt volgens de STAB uit de logische volgorde in de - niet door appellanten bestreden - verkeersintensiteiten van de aansluitende wegvakken van de Oorberlaan en de Haagweg, in combinatie met de te verwachten invloed van bijvoorbeeld de in 2018 al vigerende bouwplannen in Madestein-Vroondaal, en met de aantrekkingskracht van de voorzieningen in Den Haag.

18.3.  [appellant sub 8] en anderen hebben de bevindingen van de STAB niet bestreden. De Afdeling ziet in wat zij hebben aangevoerd dan ook geen aanleiding om deze conclusie van de STAB voor onjuist te houden. Van de door [appellant sub 8] en anderen bedoelde onderschatting is daarom geen sprake.

19.     De Afdeling ziet in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de conclusies in het verkeersrapport over de verkeerstellingen onjuist en zijn en dat de raad het verkeersrapport daarom niet aan het besluit ten grondslag heeft mogen leggen.

- Verkeersgeneratie van de nieuwe woningen in Westmade-Noord

20.     De Vereniging betoogt dat de raad onvoldoende heeft onderzocht wat de verkeersaantrekkende werking van de nieuwe woningen is.

[appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], [appellant sub 4] en anderen, [appellant sub 6] en [appellant sub 8] en anderen betogen dat Goudappel Coffeng in het onderzoek ten onrechte is uitgegaan van 6,6 motorvoertuigen per etmaal per woning. [appellant sub 4] en anderen en [appellant sub 8] en anderen wijzen erop dat, gelet op de kencijfers van de CROW voor de verschillende type woningen, veel meer motorvoertuigen per etmaal per woning te verwachten zijn. Zij wijzen er daarnaast op dat Goudappel Coffeng ten onrechte is uitgegaan van de kencijfers van CROW voor een 'stedelijk woonmilieu'. Er had, gelet op de omvang van Monster, moeten worden uitgegaan van de kencijfers voor een 'landelijk woonmilieu'.

20.1.  In hoofdstuk 2.1 van publicatie 'Toekomstbestendig parkeren - Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' van de CROW (hierna: publicatie 381) staat dat bij planontwikkeling niet altijd de precieze invulling van een plan of gebied bekend is. Als voor een bepaald gebied het type woning niet bekend is, maar wel bekend is hoeveel woningen er worden gebouwd, dan kan op basis van vuistregels globaal de verkeersgeneratie per etmaal worden berekend. Daarbij moet rekening worden gehouden met het type woonmilieu, omdat dit bepalend is voor met name het autobezit en de concurrentieverhoudingen tussen vervoerswijzen. De woonmilieus zijn getypeerd in tabel A5. In tabel A6 staan het gemiddeld aantal motorvoertuigbewegingen per woning per weekdagetmaal, naar woonmilieu.

Voor die gevallen waarin het soort te bouwen woningen wel bekend zijn, zijn in hoofdstuk 4 van publicatie 381 kencijfers opgenomen. Deze kencijfers zijn gekoppeld aan het type woning in combinatie met het prijssegment.

20.2.  In het rapport van Goudappel Coffeng staat dat bij het berekenen van de verkeersgeneratie rekening is gehouden met de kencijfers van CROW. Uit het verweerschrift van de raad blijkt dat Goudappel Coffeng is uitgegaan van het woontype 'Groen-stedelijk', zoals is vermeld in tabel A5 van publicatie 381. Dit woontype valt in de systematiek van de CROW onder de stedelijke woonmilieus. Bij dat woontype hoort volgens tabel A6 van publicatie 381 een verkeersgeneratie van 5,8 motorvoertuigen per woning per etmaal op een gemiddelde weekdag. Dat is volgens de raad 6,6 verkeersbewegingen per etmaal op een gemiddelde werkdag. Met deze kencijfers heeft Goudappel Coffeng voor de beoogde ontwikkeling een verkeersgeneratie berekend van ongeveer 3.300 motorvoertuigen per etmaal op een gemiddelde werkdag.

20.3.  In artikel 9.2.2, onder a, van de planregels staat dat het aantal woningen ten hoogste 494 woningen bedraagt. In onderdeel f van dat artikel staat dat hoofdgebouwen vrijstaand, half-vrijstaand, aaneengebouwd, als beneden-bovenwoningen of als patiowoningen worden gebouwd. In de plantoelichting staat hierover dat de bebouwing is onder te verdelen in een wat meer open bouwstructuur, woonvelden en specifieke plekken waar hogere/gestapelde bebouwing kan voorkomen. Bij de open bouwstructuur zijn vrijstaande en twee-onder-een-kapwoningen beoogd. De woonvelden bestaan uit rijen, maar daar mogen ook vrijstaande en twee-onder-een-kapwoningen of patiowoningen worden gebouwd. Op de plekken waar gestapelde bebouwing mag worden opgericht, mogen volgens de plantoelichting ook grondgebonden woningen worden gebouwd.

Omdat een precieze invulling van het plan en de precieze aantallen en typen woningen ontbreken, heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling mogen aansluiten bij de kencijfers voor de verschillende type woonmilieus die in hoofdstuk 2 van publicatie 381 zijn opgenomen. Gelet hierop komt aan de opmerking van de STAB dat de raad de verkeersgeneratie als gevolg van het plan heeft onderschat, als - kijkend naar de invulling van het plan zoals daarvan blijkt uit overeenkomsten tussen de gemeente en ontwikkelaars - wordt uitgegaan van de kencijfers in hoofdstuk 4 van publicatie 381, geen betekenis toe. De inhoud van die overeenkomsten, die voor wijziging vatbaar zijn, is namelijk niet in de planregels vastgelegd.

20.4.  De raad heeft naar aanleiding van het STAB-advies, waarin staat dat onvoldoende is gemotiveerd waarom in het verkeersonderzoek is uitgegaan van het woontype 'Groen-stedelijk' in zijn brief van 18 november 2021 deze keuze nader toegelicht.

20.5.  Een stedelijk woonmilieu wordt in tabel A5 hoofdstuk 2.1 van publicatie gedefinieerd als 'woonplaats met meer dan 25.000 huishoudens (woningen)' of 'woonplaats met meer dan 10.000 huishoudens (woningen en een dichtheid van meer dan 20 woningen/ha'. Binnen het stedelijk woonmilieu wordt een onderscheid gemaakt tussen 'Centrum-stedelijk met een hoge dichtheid', 'Buiten-centrum met hoge dichtheid', 'Centrum-stedelijk overig en buitencentrum overig' en 'Groen-stedelijk'. Bij 'Groen-stedelijk' is vermeld dat het daarbij gaat om minder dan 35 woningen per hectare.

20.6.  In zijn brief van 18 november 2021 heeft de raad vermeld welke redenen er waren om voor het berekenen van de verkeersgeneratie uit te gaan van het woonmilieu 'Groen-stedelijk'.

De raad wijst er ten eerste op dat in publicatie 381 uitdrukkelijk is vermeld dat de kencijfers een hulpmiddel zijn waarvan in de praktijk kan en mag worden afgeweken. De raad wijst er verder op dat in publicatie 381 voor het type woonmilieu in beginsel wordt aangesloten bij de plaats waarbinnen de ontwikkeling is gelegen. Volgens de raad zijn er in dit geval omstandigheden die een afwijking van dit uitgangspunt rechtvaardigen. Volgens de raad bestaat hier aanleiding om voor het bepalen van het woonmilieu niet uit te gaan van de plaats waar de ontwikkeling is gelegen, te weten Monster. Het plangebied is onderdeel van de gemeente Westland. De kern Monster, met 6.000 woningen, is het dichtstbij het plangebied gelegen. De bebouwing van het centrum van de wijk Loosduinen in de gemeente Den Haag ligt echter op kortere afstand van de ontsluiting van de wijk dan de bebouwing van het centrum van Monster. Monster is volgens de raad daarom niet direct maatgevend voor het type woonmilieu. De raad heeft voor de keuze voor het woonmilieu van belang geacht dat het plangebied grenst aan de toekomstige Haagse woonwijk Parnassia en de in aanbouw zijnde Haagse woonwijk Vroondaal. Met die woonwijken zal Westmade-Noord na realisatie één (stedelijk) gebied gaan vormen. Dat is de reden waarom aansluiting is gezocht bij het woonmilieu van deze wijken, te weten 'Groen-stedelijk'. De raad heeft verder van belang geacht dat dit gebied verder zal uitbreiden in westelijke richting. Deze toekomstige verstedelijking, die voorziet in de toevoeging van ongeveer 4.000 woningen, is ook betrokken in de afweging voor de keuze van het woonmilieu 'Groen-stedelijk' voor Westmade-Noord.

De raad wijst er verder op dat de toekomstige bewoners van het plangebied niet volledig gericht zullen zijn op de kern Monster. Dit kan worden afgeleid uit de zogeheten 'selected-zone analyse' die met het verkeersmodel is gemaakt. Die analyse is niet ter discussie gesteld wat betreft de verdeling van het verkeer. Volgens de raad blijkt uit de analyse dat verplaatsingsmotieven samen meer op Den Haag/Loosduinen en de A4/A20 zijn georiënteerd dan op de gemeente Westland en de kern Monster.

20.7.  Zoals de raad in zijn brief van 18 november 2021 heeft opgemerkt, staat in publicatie 381 dat met de kencijfers voor verkeersgeneratie een inschatting gemaakt kan worden van de hoeveelheid gemotoriseerd verkeer die gegenereerd wordt door een nieuwe ontwikkeling. Omdat het om een hulpmiddel gaat, mag van de gepresenteerde waarden worden afgeweken, als daarvoor een deugdelijke onderbouwing wordt gegeven.

De Afdeling is van oordeel dat de raad, gelet op de omstandigheden van het geval, aanleiding heeft mogen zien om af te wijken van het uitgangspunt dat voor het bepalen van het woonmilieu aangesloten wordt bij de plaats waar de ontwikkeling plaatsvindt. Daarbij heeft de raad van belang kunnen achten dat het plangebied is gelegen aan de rand van Monster en grenst aan de gemeente Den Haag. In die gemeente ligt - op kortere afstand dan het centrum van Monster - het centrum van de wijk Loosduinen. Gelet op de verschillende woningbouwprojecten in de directe omgeving van het plangebied, die voor een deel al in uitvoering zijn, waarmee het plangebied na realisatie één gebied zal vormen, heeft de raad het gebied in redelijkheid als een stedelijk woonmilieu kunnen aanmerken.

Voor een goed begrip merkt de Afdeling hierbij nog op dat de hiervoor onder 12 aan de orde gekomen stedenbouwkundige beoordeling, waarbij de raad ervan uitgaat dat het bestemmingsplan niet leidt tot een aantasting van het dorpse karakter, een andere is dan de verkeerskundige beoordeling, waarbij het gehele gebied als een stedelijk woonmilieu is aangemerkt.

Het betoog van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], [appellant sub 4] en anderen, [appellant sub 6] en [appellant sub 8] en anderen dat de raad ten onrechte is uitgegaan van de kencijfers van CROW voor een 'stedelijk woonmilieu', slaagt niet.

21.     [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] en [appellant sub 4] en anderen betogen verder dat de raad ten onrechte niet is ingegaan op de toename van het recreatieverkeer van en naar het duingebied door de bewoners van de nieuwe woningen.

21.1.  In paragraaf 4.7.3 van het STAB-advies staat dat, gelet op de korte afstand tussen het plangebied en de grens van het duingebied aan de Haagweg, nauwelijks autoverkeer vanuit het plangebied naar het duingebied en vice versa is te verwachten. In wat is aangevoerd, ziet de Afdeling geen reden om te twijfelen aan de juistheid van deze bevinding van de STAB. Ervan uitgaande dat het recreatieverkeer tussen het duingebied en het plangebied beperkt zal zijn, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat door dit verkeer buiten beschouwing te laten, de gemaakte verkeersberekening niet meer representatief is.

Het betoog slaagt niet.

22.     Aangezien de Vereniging, [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], [appellant sub 4] en anderen, [appellant sub 6] en [appellant sub 8] en anderen verder niet op andere gronden hebben bestreden dat de raad uitgaat van een onjuiste verkeersgeneratie van de te bouwen woningen in Westmade-Noord, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat de in het bestemmingsplan voorziene woningbouwontwikkeling een verkeersgeneratie heeft van ongeveer 3.300 motorvoertuigen per etmaal.

- Verkeersverdeling in 2030

23.     [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], de Vereniging, [appellant sub 4] en anderen, [appellant sub 6], [appellant sub 8] en anderen en [appellant sub 10A] en [appellant sub 10B] betogen dat in het verkeersrapport een onjuiste verdeling van het verkeer over de wegen in de omgeving van het plangebied is gemaakt. Er zal verkeershinder ontstaan.

24.     De Afdeling zal hierna ingaan op de verschillende aangedragen argumenten.

Er wordt eerst ingegaan op de in het verkeersrapport vermelde routes die het verkeer van en naar het plangebied in het algemeen kunnen kiezen.

Daarna wordt ingegaan op mogelijk optredende situaties waardoor het autoverkeer andere routes zal kiezen. Die situaties zijn de zogeheten verkeerskundige knip tussen de woongebieden Vroondaal Noord I en Vroondaal Noord II, de vormgeving van het kruispunt Oorberlaan-Madeweg-Madepolderweg en de wijziging van de voorrangssituatie op het kruispunt Madepolderweg-Exporteursbaan en de gevolgen daarvan voor de verkeerssituatie op de rotonde Exporteursbaan-Nieuweweg bij het ABC Westland terrein.

25.     [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], de Vereniging, [appellant sub 4] en anderen, [appellant sub 6] en [appellant sub 8] en anderen betogen dat de route naar Monster (en verder) vanuit het plangebied via de Oorberlaan-Noord en de Haagweg aantrekkelijker is, dan is aangenomen in het verkeersrapport. Daardoor zal er meer verkeer dan de in het verkeersrapport genoemde 1% voor deze route kiezen, en niet voor de route Oorberlaan-Zuid en de Madeweg. Zij wijzen er in dit verband op dat de reistijd via deze route korter is dan die via de zuidelijke route via de Oorberlaan en de Madeweg. [appellant sub 4] en anderen wijzen er daarnaast op dat de noordelijke route via de Oorberlaan-Noord en de Haagweg een mooiere route is dan de zuidelijke route via de Oorberlaan-Zuid en de Madeweg. Volgens [appellant sub 8] en anderen moet het verkeer dat kiest voor de zuidelijke route via de Madeweg rijden, wat een smalle bochtige weg is die eindigt in een gebied waar 30 km/u mag worden gereden en waar veel hoge verkeersdrempels zijn.

[appellant sub 8] en anderen en [appellant sub 10A] en [appellant sub 10B] voeren aan dat het verkeer naar Den Haag (en verder) ook via de noordelijke route zal rijden, dus via de Oorberlaan-Noord en de Monsterseweg, omdat dit de kortste en meest logische route is. [appellant sub 8] en anderen wijzen er in dit verband nog op dat de route via de Monsterseweg makkelijker is dan de route via de smalle en bochtige Exporteursbaan en de drukke rotonde Exporteursbaan-Nieuweweg.

25.1.  In het STAB-advies staat dat het voor dagelijkse ritten in het algemeen niet van belang is dat sprake is van een mooie landschappelijke route langs het duingebied. De lengte en duur van de ritten zijn bepalend. Gelet op de ligging van met name centrumvoorzieningen verschilt de afstand en de reistijd vanuit het plangebied naar Den Haag/Loosduinen of Monster volgens de STAB nauwelijks. Dit geldt ook voor de route naar Monster via de Haagweg of de Madeweg. Het ritmotief is volgens de STAB sterk afhankelijk van het doel binnen de centra en de mogelijke combinaties van bezoekadressen op de heen- en terugreis. Daarnaast is het moment van de dag bepalend als ook de inrichting van de wegvakken en de mate van weerstand in de doorstroming op de kruispunten. De route tussen het plangebied en Monster is vanwege de inrichting van de Madeweg en het snelheidsregime (deels maximaal 30 km/uur) volgens de STAB minder geschikt als doorgaande route in vergelijking met de Haagweg. De mate van doorstroming op de kruispunten Oorberlaan-Haagweg en Oorberlaan-Madeweg zijn voor de routekeuze daarbij van invloed. Gelet op de af te leggen afstand en de inrichting van de weg is een route tussen het plangebied en Monster via de Haagweg, zonder weerstand op de route, aantrekkelijker dan via de Madeweg. Omdat sprake zal zijn van combinaties van bezoeken (bijvoorbeeld school, winkel en werklocaties) die gedurende de dag plaatsvinden op de heen- en terugreis, en het mogelijk mijden van de kruising Oorberlaan-Haagweg gedurende de spits, in verband met de wachttijd, zal van een significant verschil in het aandeel autoverkeer vanuit en naar het plangebied dat via de Haagweg rijdt, geen sprake zijn. De STAB vindt de in het verkeersrapport gehanteerde toename van 1% geen onredelijke inschatting.

In het STAB-advies staat verder dat voor verkeer vanuit het plangebied een route via de Oorberlaan-Monsterseweg-Lozerlaan een logische route is naar het centrum van Den Haag/Scheveningen/Kijkduin en Wassenaar (met de aansluiting op de N44 en A44). Daarnaast is vanuit het plangebied een route via de Oorberlaan-Madepolderweg-N211-A4 in de richting van Amsterdam, Utrecht en Rotterdam een logische route. In beide gevallen is daarbij als uitgangspunt genomen dat er op de beschreven routes geen weerstanden (belemmeringen) optreden, zoals lange wachttijden bij met name de kruispunten. Dit geldt volgens de STAB ook voor de routes in de omgekeerde (beschreven) richting.

25.2.  Uit het STAB-advies volgt dat de STAB de in het verkeersrapport gekozen verdeling van het verkeer over de wegen rondom het plangebied in zijn algemeenheid niet onjuist acht. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], de Vereniging, [appellant sub 4] en anderen, [appellant sub 6], [appellant sub 8] en anderen en [appellant sub 10A] en [appellant sub 10B] hebben geen feiten en omstandigheden aangevoerd die de Afdeling aanleiding geven aan de juistheid van deze bevindingen van de STAB te twijfelen. De stelling dat appellanten andere ervaringen hebben, vindt de Afdeling hiervoor niet voldoende.

26.     In het STAB-advies staat verder dat in het geval van regelmatig optredende wachttijden voor een alternatieve route zal worden gekozen. De STAB heeft onderzocht of de door de verschillende appellanten aangedragen omstandigheden, die hiervoor onder 24 zijn vermeld, gevolgen hebben voor de toekomstige verkeersintensiteiten. De Afdeling gaat hieronder in op deze omstandigheden.

27.     De Vereniging en [appellant sub 8] en anderen betogen dat bij de bepaling van de verdeling van het verkeer over de wegen geen rekening is gehouden met de zogeheten verkeerskundige knip tussen Vroondaal Noord I en Vroondaal Noord II.

27.1.  Ten oosten van het plangebied ligt de Westmadeweg. Deze loopt vanaf de Oorberlaan naar het oosten, door de woonwijken Vroondaal Noord II en Vroondaal Noord I. In het verkeersrapport is ervan uitgegaan dat dit een doorgaande weg is. In de Westmadeweg is echter op de grens tussen Vroondaal Noord II en Vroondaal Noord I een verkeerskundige knip aangebracht.

In paragraaf 4.7.4 van het STAB-advies staat dat deze verkeerskundige knip twee gevolgen heeft. Het eerste gevolg is dat het doorgaande verkeer van en naar het plangebied niet over de Westmadeweg kan rijden. Om naar Den Haag te rijden, zal dat verkeer vanaf de Oorberlaan in noordelijke richting via de Monsterseweg, of in zuidelijke richting via de Madepolderweg rijden. Het tweede gevolg is dat verkeer van en naar Vroondaal Noord I niet meer via Vroondaal Noord II naar de Oorberlaan kan rijden. Dit betekent volgens het STAB-advies dat in het verkeersonderzoek bij de verwachte verkeersintensiteiten op de Oorberlaan en de aansluitende wegen de voertuigbewegingen van en naar het plangebied over de Westmadeweg nog opgeteld moeten worden, en de bestaande verkeersbewegingen vanuit en naar Vroondaal Noord I over de Oorberlaan in mindering moeten worden gebracht. Volgens de STAB kan zij met de bij haar bekende gegevens niet beoordelen welke invloed de knip heeft op de verdeling van het autoverkeer op de wegen rondom het plangebied. Nieuwe berekeningen met het gebruikte verkeersmodel moeten volgens de STAB daarover uitsluitsel geven.

27.2.  In zijn brief van 18 november 2021 stelt de raad dat hij Goudappel Coffeng heeft gevraagd om met het verkeersmodel een berekening te maken met en zonder de verkeerskundige knip. Volgens de raad blijkt uit de gemaakte berekening dat de knip in het verkeersmodel geen invloed heeft op de verdeling van het autoverkeer op de wegen rond het plangebied. De raad heeft in zijn brief twee afbeeldingen opgenomen met daarop de uitkomsten van de nieuwe berekening.

27.3.  De Vereniging en [appellant sub 8] en anderen hebben de juistheid van deze berekeningen niet bestreden. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat deze berekeningen van Goudappel Coffeng onjuist zijn. Het betoog van de Vereniging en [appellant sub 8] en anderen over de verkeerskundige knip slaagt daarom niet.

28.     [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], [appellant sub 4] en anderen, [appellant sub 6] en [appellant sub 8] en anderen betogen dat in het verkeersrapport de vormgeving van het kruispunt Oorberlaan met de Madepolderweg-Madeweg afwijkt van de feitelijke situatie. In het verkeersmodel wordt ervan uitgegaan dat het verkeer op de Oorberlaan-Zuid voorrang heeft als het rechts afslaat naar de Madeweg. Dit is echter niet juist, aangezien het verkeer op de Madepolderweg-Madeweg voorrang heeft. De route in het verkeersmodel is aantrekkelijker dan in de feitelijke situatie.

28.1.  In het STAB-advies staat dat het er op basis van de plottekening in bijlage 1 bij het verkeersrapport op lijkt dat autoverkeer vanaf de Oorberlaan voorrang heeft op verkeer op de Madeweg-Madepolderweg. Dit komt niet overeen met de feitelijke situatie ter plaatse. De kans is volgens de STAB echter aanwezig dat het wel goed in het model is ingevoerd. De raad zou volgens de STAB aanvullend uitleg kunnen geven en/of de plottekening kunnen wijzigen.

28.2.  In zijn reactie op het STAB-advies heeft de raad aangegeven dat de bedoelde plottekening geen weergave is van de feitelijke kruispuntfiguratie en voorrangssituatie. De tekening is een weergave van het aantal verkeersbewegingen dat per wegvak is berekend met het verkeersmodel. Deze tekening laat niet zien hoe de verkeerskundige situatie is. Aan de plottekening moet volgens de raad dus niet het belang worden gehecht dat de STAB, in navolging van appellanten, daaraan heeft gehecht. In de reactie van de raad is een afbeelding opgenomen van de kruispuntfiguratie en voorrangssituatie, zoals deze in het verkeersmodel zijn ingevoerd. Deze ingevoerde situatie sluit aan op de feitelijke situatie.

28.3.  [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], [appellant sub 4] en anderen, [appellant sub 6] en [appellant sub 8] en anderen hebben het voorgaande niet besteden. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding om hieraan te twijfelen. Hun betoog hierover slaagt daarom niet.

29.     [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], [appellant sub 4] en anderen, [appellant sub 6] en [appellant sub 8] en anderen betogen dat de in het verkeersrapport voorgestelde wijziging van de voorrangssituatie op het kruispunt Madepolderweg-Exporteursbaan gevolgen heeft voor de verkeersintensiteit op de rotonde Exporteursbaan-Nieuweweg. Daarbij wijzen zij erop dat uit het rapport "Verkeerseffecten uitbreiding ABC Westland" van Goudappel Coffeng van 27 januari 2017 blijkt dat deze rotonde in de toekomst overbelast raakt.

29.1.  Goudappel Coffeng heeft de verkeersafwikkeling op zes kruispunten onderzocht. Over het kruispunt Madepolderweg-Exporteursbaan staat in paragraaf 3.4.4 van het verkeersrapport dat als gevolg van de ontwikkeling van Westmade-Noord de verkeersafwikkeling op het kruispunt 'redelijk/matig' is. Daarbij is gekeken naar de wachttijden op de kruising. De verkeersafwikkeling in de situatie waarin rekening wordt gehouden met alle woningbouwontwikkelingen in de omgeving, is slecht. Er zou in die situatie gekozen kunnen worden voor het omdraaien van de voorrangssituatie op dat kruispunt.

In paragraaf 3.3.4 van de plantoelichting is onder verwijzing naar het verkeersrapport geconcludeerd dat alle kruispunten een goede verkeersafwikkeling geven. De bestaande kruispunten in de omgeving kunnen het extra verkeer als gevolg van de woningbouw in Westmade-Noord dan ook verwerken. Verder staat er dat het plan onderdeel is van een grotere gebiedsontwikkeling. Er worden afspraken gemaakt met de gemeente Den Haag om het gebied goed bereikbaar te houden.

29.2.  De Afdeling ziet in het aangevoerde geen grond voor het oordeel dat de raad zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat de verkeersafwikkeling geen beletsel is voor het vaststellen van het plan. Het betoog van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], [appellant sub 4] en anderen, [appellant sub 6] en [appellant sub 8] en anderen heeft betrekking op de situatie dat alle woningbouwontwikkelingen in de omgeving van het plangebied zijn gerealiseerd. Zoals hiervoor onder 10.1 is overwogen, is de beoordeling van die situatie in deze procedure niet aan de orde.

30.     Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat geen grond bestaat voor het oordeel dat in het verkeersrapport is uitgegaan van een onjuiste verdeling van het verkeer over de wegen rondom het plangebied en dat de raad daarom het rapport niet aan zijn besluit ten grondslag heeft mogen leggen.

- Verkeersveiligheid

31.     [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], [appellant sub 4] en anderen, [appellant sub 6] en [appellant sub 8] en anderen betogen dat als gevolg van de woningbouwontwikkeling in Westmade-Noord de verkeersveiligheid op de wegen in de omgeving van het plangebied in het geding komt. Zij hebben gewezen op de wachttijden op en de inrichting van het kruispunt Haagweg-Oorberlaan-Monsterseweg, de inrichting van de Haagweg en de oversteekbaarheid van de Haagweg en Oorberlaan voor het langzaam verkeer.

31.1.  De Afdeling beoordeelt of de raad zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de toename van het verkeer ten gevolge van het plan niet zal leiden tot zo'n verkeersonveilige situatie op de wegen in de omgeving dat het bestemmingsplan niet mocht worden vastgesteld. Bij de beoordeling is het van belang of de wegen zo zijn ingericht of ingericht kunnen worden dat een veilige verkeersafwikkeling mogelijk is.

31.2.  Betoogd is dat de wachttijden bij het ongeregelde kruispunt Haagweg-Oorberlaan-Monsterseweg zijn onderschat en de verwachte wachttijd van 40 seconden zo lang is dat deze negatieve gevolgen heeft voor de verkeersveiligheid. Uit het STAB-advies blijkt dat de door [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], [appellant sub 4] en anderen, [appellant sub 6] en [appellant sub 8] en anderen bedoelde lange wachttijd van 40 seconden zich alleen voordoet in de situatie dat alle woningbouwontwikkelingen zijn gerealiseerd. Zoals hiervoor onder 10.1 is overwogen, is de beoordeling van die situatie in deze procedure niet aan de orde. In het STAB-advies staat verder dat de wachttijd op het kruispunt als gevolg van de ontwikkeling Westmade-Noord in het verkeersrapport als goed wordt beschouwd. Ook in het door [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], [appellant sub 4] en anderen, [appellant sub 6] en [appellant sub 8] en anderen overgelegde rapport van BOOT wordt deze wachttijd beschouwd als redelijk. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding om [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], [appellant sub 4] en anderen, [appellant sub 6] en [appellant sub 8] en anderen te volgen in hun stelling dat de wachttijden bij het door hen genoemde kruispunt als gevolg van de ontwikkeling van Westmade-Noord zijn onderschat en te lang zijn, waardoor een verkeersonveilige situatie zal ontstaan.

31.3.  Over de inrichting van dat kruispunt en de Haagweg en de oversteekbaarheid van de Haagweg en Oorberlaan overweegt de Afdeling als volgt.

Uit de stukken en het verhandelde tijdens de zitting blijkt dat door de gemeente Westland, samen met de gemeente Den Haag, Ontwikkelingscombinatie Vroondaal en Ontwikkelingsbedrijf De Westlandse Zoom een visie wordt opgesteld die betrekking heeft op de toekomstige inrichting van de wegen tussen de Haagweg en de rotonde Exporteursbaan-Nieuweweg. De raad heeft op de zitting opgemerkt dat de verkeerssituatie de aandacht van de gemeente heeft. De raad heeft gewezen op de visie en op de daarbij behorende wegvakkenkaart, die hij bij zijn brief van 14 februari 2022 heeft overgelegd. Over de inrichting van het kruispunt Haagweg-Oorberlaan-Monsterseweg stelt de raad onder verwijzing naar het STAB-advies dat er bij het oprijden van dat kruispunt vrij zicht is en dat er in de huidige situatie geen sprake is van een abnormaal aantal afdekongevallen. In de visie zijn maatregelen opgenomen voor de inrichting van het kruispunt. De raad stelt daarnaast dat de visie ook ingaat op de oversteekbaarheid van de Oorberlaan en dat er al maatregelen zijn genomen om het oversteken van de Haagweg ter hoogte van het Schelpenpad veiliger te maken. Over de inrichting van de Haagweg heeft de raad op de zitting vermeld dat de toename van het verkeer als gevolg van de woningbouwontwikkeling in Westmade-Noord beperkt is.

De Afdeling ziet, ook gelet op de tijdens de zitting gegeven toelichting van de raad, in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat moet worden getwijfeld aan de juistheid van de stellingen van de raad. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich dan ook op het standpunt mogen stellen dat er geen reden is om ervan uit te gaan dat het plan niet kon worden vastgesteld omdat een verkeersveilige afwikkeling van het verkeer niet mogelijk is.

Het betoog slaagt niet.

Parkeren

32.     [appellant sub 4] en anderen betogen dat onvoldoende is onderbouwd dat het bestemmingsplan voorziet in de parkeerbehoefte van de nieuwe woningen.

[appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] en [appellant sub 4] en anderen betogen dat de raad niet heeft onderkend dat de bestaande parkeeroverlast ter hoogte van het Schelpenpad zal toenemen. Zij voeren aan dat recreëren aan strand en duinen wordt gepromoot bij de verkoop van de woningen in Westmade-Noord.

32.1.  Artikel 20.1, onder a, van de planregels luidt:

"Bij nieuwe ontwikkelingen (oprichting van een bouwwerk, verandering van functie of uitbreiding van bestaand gebruik) is het gebruik van gronden en bouwwerken op grond van de regels in hoofdstuk 2 slechts toegestaan als op eigen terrein wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid, zoals bedoeld in hoofdstuk 1 van deze regels, waarbij tevens geldt dat deze parkeergelegenheid wordt aangelegd en in stand wordt gehouden conform de wijze waarop deze in de omgevingsvergunning is vergund."

Artikel 1.58 luidt:

"Voldoende parkeergelegenheid: parkeergelegenheid voor personenauto's, bestelauto's, motorfietsen en driewielige motorvoertuigen, waarvan het aantal parkeerplaatsen en de omvang daarvan voldoet aan de beleidsregel 'Parkeernormering gemeente Westland', zoals die geldt ten tijde van de vaststelling van dit bestemmingsplan en - indien deze beleidsregel gedurende de planperiode wordt gewijzigd - aan die wijziging."

32.2.  In paragraaf 4.10.2 van het STAB-advies staat dat in de planregels is vastgelegd dat bij de ontwikkeling van Westmade-Noord het geldende parkeerbeleid in acht wordt genomen. Parkeeroverlast buiten het plangebied is volgens het STAB-advies niet te verwachten.

Over de vrees van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], [appellant sub 4] en anderen en [appellant sub 5] voor parkeeroverlast door bewoners van Westmade-Noord die in het gebied willen recreëren, staat in het STAB-advies dat, gelet op de afstand van Westmade-Noord tot de Haagweg, het niet te verwachten is dat de bestaande parkeeroverlast als gevolg van de realisatie van Westmade-Noord toeneemt. Bewoners zullen eerder lopen of gebruik maken van de fiets dan van de auto.

In wat [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], [appellant sub 4] en anderen en [appellant sub 5] de Afdeling geen aanleiding om niet van de bevindingen van de STAB uit te gaan. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat het parkeren in het bestemmingsplan niet voldoende is geregeld.

Het betoog slaagt niet.

Geluid

33.     Ter voorbereiding van het bestemmingsplan heeft Goudappel Coffeng onderzoek gedaan naar de geluidseffecten vanwege de wegen in de omgeving van het plangebied.

In hoofdstuk 4 van het verkeersrapport is ingegaan op de geluidseffecten van het voorgenomen plan voor de nieuwe woningen en voor de bestaande woningen in de omgeving. Voor de nieuwe woningen geldt het toetsingskader uit de Wet geluidhinder (hierna: de Wgh). De geluidsbelasting bij de bestaande woningen is onderzocht in het kader van een goede ruimtelijke ordening.

Omdat de Oorberlaan, door het aanleggen van de aansluiting van de ontsluitingsweg van Westmade-Noord, fysiek wordt gewijzigd, is ook een, op grond van de Wgh voorgeschreven, onderzoek naar de reconstructie gedaan. De resultaten daarvan zijn neergelegd in het rapport "Reconstructie Oorberlaan, Akoestisch onderzoek" van 22 augustus 2019 (hierna: het reconstructierapport).

34.     In paragraaf 3.4.2 van de plantoelichting staat over de geluidsbelasting op de bestaande woningen dat een geluidstoename van 2 dB of meer voor het menselijk oor waarneembaar is. Er staat dat als gevolg van het extra verkeer van Westmade-Noord een waarneembare geluidstoename is te verwachten voor enkele bestaande woningen. De geluidsbelasting neemt hier met maximaal 2 dB toe. Uit de in de plantoelichting opgenomen tabel, afkomstig uit het verkeersrapport, volgt verder dat voor andere woningen sprake is van een toename van maximaal 1 dB. In de plantoelichting staat dat de berekende geluidsbelastingen niet uitzonderlijk zijn voor een dergelijke stedelijke omgeving.

In de plantoelichting staat over de reconstructie van de Oorberlaan dat uit het onderzoek blijkt dat voor diverse woningen sprake is van een toename van de geluidsbelasting van 2 dB of meer. Hiermee is sprake van een reconstructiesituatie in de zin van de Wgh. Uit de tabel in paragraaf 3.4.3 van de plantoelichting blijkt dat bij vier woningen sprake is van een toename van meer dan 5 dB ten opzichte van de huidige situatie. Dit is volgens de plantoelichting op grond van de Wgh niet toegestaan, zodat het voor deze woningen noodzakelijk is geluidreducerende maatregelen te treffen. In de plantoelichting staat dat een geluidreducerend wegdek zal worden toegepast. Met geluidreducerend asfalt kan de geluidsbelasting met ongeveer 3 dB worden teruggebracht. Deze maatregel sorteert onvoldoende effect om de toename van de geluidsbelasting geheel te compenseren. Wel zorgt de maatregel voor een verbetering van de geluidssituatie ten opzichte van de plansituatie met een standaard asfaltverharding. In beginsel is na toepassing van geluidreducerend asfalt geen sprake meer van toenames van de geluidsbelasting groter dan 5 dB. In de plantoelichting staat verder dat het wenselijk is om het geluidreducerend asfalt over de gehele lengte van de Oorberlaan toe te passen, zodat ook geluidstoenames buiten het reconstructiegebied worden gereduceerd.

35.     [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], [appellant sub 4] en anderen, [appellant sub 8] en anderen en [appellant sub 10A] en [appellant sub 10B] betogen dat de raad de resultaten van de door Goudappel Coffeng uitgevoerde akoestische onderzoeken niet aan zijn besluit ten grondslag heeft mogen leggen.

De Afdeling zal hieronder ingaan op de door deze appellanten tegen de rapporten van Goudappel Coffeng aangevoerde bezwaren.

- Verkeersrapport

36.     Het betoog van [appellant sub 10A] en [appellant sub 10B] dat in het akoestisch onderzoek er ten onrechte van uit is gegaan dat op de Haagweg een maximum snelheid van 50 km/uur geldt, volgt de Afdeling niet. Zoals onder 16.2 is geoordeeld, is in het onderzoek terecht van die snelheid uitgegaan.

37.     [appellant sub 8] en anderen betogen dat de door Goudappel Coffeng berekende geluidsbelasting op hun woningen niet juist is. Zij wijzen op de kaart 'Geluid in Nederland van wegverkeer (Lden)' van de Atlas Leefomgeving van het RIVM. Daaruit blijkt volgens hen dat de huidige geluidsbelasting op de hoek van de Oorberlaan en de Haagweg/Monsterseweg, ter hoogte van hun woningen, al tussen de 61 en 65 dB ligt. Dat is veel hoger dan de door Goudappel Coffeng berekende waarde van 55,8 dB voor de toekomstige situatie. Zij wijzen er ook op dat in het onderzoek van Goudappel Coffeng is uitgegaan van een toename van het verkeer op het noordelijke deel van de Oorberlaan van 1.700 motorvoertuigen per etmaal in de huidige situatie naar 5.500 motorvoertuigen per etmaal in de toekomstige situatie. Deze toename is meer dan de door Goudappel Coffeng genoemde 40% toename van verkeersbewegingen, zodat de toename van de geluidsbelasting ook hoger moet zijn dan 2 dB.

37.1.  Uit het STAB-advies blijkt dat op de kaart van Atlas Leefomgeving staat dat de geluidsbelasting op het appartementsgebouw van [appellant sub 8] en anderen ongeveer 61 tot 65 dB bedraagt. Dat is hoger dan wat Goudappel Coffeng heeft berekend. In het STAB-advies wordt er echter op gewezen dat in de toelichting op de website van Atlas Leefomgeving staat dat de kaarten uitsluitend een indicatie vormen van de geluidkwaliteit op een bepaalde plek. Dat uit de kaart een hogere geluidsbelasting volgt, is volgens het STAB-advies dus niet zonder meer een bewijs dat het akoestisch onderzoek van Goudappel Coffeng niet juist is. In het STAB-advies is er verder op gewezen dat de geluidsbelasting op de kaarten van de Atlas Leefomgeving zijn gepresenteerd zonder aftrek van 5 dB voor het stiller worden van het verkeer, terwijl Goudappel Coffeng deze aftrek op grond van artikel 110g van de Wgh wel heeft toegepast. Verder is voor de kaarten van de Atlas Leefomgeving uitgegaan van de cumulatieve geluidsbelasting van alle wegen samen. Dit maakt volgens het STAB-advies dat de geluidsbelasting op de kaarten van de Atlas Leefomgeving per definitie hoger uitvalt en daarmee niet vergelijkbaar is met de door Goudappel Coffeng berekende geluidsbelasting.

[appellant sub 8] en anderen hebben dit niet gemotiveerd bestreden. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding niet van de bevindingen van de STAB uit te gaan.

37.2.  In het verkeersrapport van Goudappel Coffeng staat dat is onderzocht of sprake is van een waarneembare toename van de geluidsbelasting. Een verschil van 2 dB of meer is voor het menselijk gehoor waarneembaar. Van zo'n geluidstoename is volgens het verkeersrapport sprake wanneer het aantal verkeersbewegingen toeneemt met ongeveer 40%. Toe- of afnames van 1 dB zijn volgens het verkeersrapport voor het menselijke oor niet of nauwelijks waarneembaar.

In het STAB-advies staat dat de door [appellant sub 8] en anderen genoemde intensiteit van 1.700 motorvoertuigen per etmaal betrekking heeft op de situatie in 2018. Uit het verkeersrapport volgt dat de verkeersintensiteit voor het noordelijk deel van de Oorberlaan in de autonome situatie in 2030 2.800 motorvoertuigen per etmaal zal bedragen en in de plansituatie in 2030 3.700 motorvoertuigen per etmaal. De toename ten opzichte van de autonome situatie is dus 32%. Uit de berekeningen van Goudappel Coffeng volgt dat deze toename leidt tot een toename van de geluidsbelasting in de plansituatie met 1 dB ten opzichte van de autonome situatie. De door [appellant sub 8] en anderen genoemde verkeersintensiteit van 5.500 motorvoertuigen per etmaal voor het noordelijk deel van de Oorberlaan heeft volgens het STAB-advies betrekking op de situatie, waarin alle woningbouwplannen zijn meegenomen, dus ook plannen waarvoor nog geen bestemmingsplan zijn vastgesteld. Voor de beoordeling van de gevolgen van het bestemmingsplan "Westmade-Noord" kan deze situatie niet als uitgangspunt worden genomen, aldus het STAB-advies.

[appellant sub 8] en anderen hebben deze bevindingen van de STAB over het verkeersrapport niet concreet bestreden. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding om niet van die bevindingen uit te gaan. Zoals hiervoor onder 10.1 is overwogen, is de beoordeling van alle woningbouwplannen voor Westmade en omgeving in deze procedure niet aan de orde. Gelet op het voorgaande slaagt het betoog van [appellant sub 8] en anderen dat de door Goudappel Coffeng berekende geluidsbelasting op hun woningen niet juist is, niet.

38.     [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], [appellant sub 4] en anderen, [appellant sub 6] en [appellant sub 8] en anderen betogen dat de ritgeneratie voor Westmade-Noord te laag is ingeschat, zodat de toename van geluid voor bewoners van de bestaande woningen veel groter zal zijn dan berekend.

[appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] en [appellant sub 4] en anderen betogen verder dat de in het verkeersrapport vermelde toename van 1% op de Haagweg te laag is. Er zal meer verkeer worden afgewikkeld via de Haagweg, waardoor de geluidsoverlast groter zal zijn.

38.1.  Zoals volgt uit wat onder 22 is geoordeeld, is in het verkeersrapport de verkeersgeneratie niet onderschat en bestaat geen grond voor het oordeel dat niet is uitgegaan van een juiste verdeling van het verkeer over de wegen rondom het plangebied.

Zoals hiervoor onder 25.1 is overwogen, heeft de STAB geconcludeerd dat de in het verkeersrapport opgenomen toename van verkeer op de Haagweg met 1% als gevolg van het plan geen onredelijke inschatting is.

38.2.  Hiervan uitgaande stelt de Afdeling vast dat bij de woningen van enkele appellanten een toename van de geluidsbelasting van 1 dB is berekend. Deze geluidstoename is voor het menselijk oor niet waarneembaar. Bij de woningen van de overige appellanten is geen toename berekend. De Afdeling ziet gelet hierop geen aanleiding voor het oordeel dat als gevolg van het plan moet worden gevreesd voor een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Het betoog slaagt niet.

- Reconstructierapport

39.     [appellant sub 8] en anderen betogen over het reconstructierapport dat in het onderzoek ten onrechte niet de gehele Oorberlaan is beschouwd en dat de te nemen geluidmaatregelen ten onrechte slechts een deel van de Oorberlaan betreffen. Er had volgens hen ook aandacht moeten worden besteed aan geluidreducerende maatregelen bij hun woningen aan de Max Euweweg.

39.1.  In het reconstructierapport staat dat de Oorberlaan een binnenstedelijke weg is, waarvoor op grond van de Wgh een geluidszone van 200 m geldt. Er staat verder dat in navolging van het geluidsbeleid van de Omgevingsdienst Haaglanden de geluidszone aan het uiteinde van de te reconstrueren wegdelen met een gehele zonebreedte is doorgetrokken.

39.2.  [appellant sub 8] en anderen wonen buiten de geluidszone. Zij wonen ook buiten de onderzochte, doorgetrokken geluidszone. Er bestond daarom geen noodzaak om hun woningen in het reconstructieonderzoek mee te nemen. Dit brengt ook mee dat er geen geluidreducerende maatregelen ter hoogte van hun woningen hoeven te worden genomen.

Het betoog slaagt niet.

Luchtkwaliteit

40.     Ter voorbereiding op het bestemmingsplan heeft Goudappel Coffeng onderzoek gedaan naar de gevolgen van de ontwikkeling voor de luchtkwaliteit. In hoofdstuk 5 van het verkeersrapport staat dat de ontwikkeling van Westmade-Noord niet leidt tot overschrijding van de op grond van de Wet milieubeheer geldende normen.

In paragraaf 3.5 van de plantoelichting is ingegaan op de gevolgen van het bestemmingsplan voor de luchtkwaliteit in de omgeving van het plangebied. Daar is verwezen naar het verkeersrapport van Goudappel Coffeng. Volgens de raad is voor niet een van de onderzochte wegen een overschrijding van de concentraties voor luchtkwaliteit berekend.

41.     Artikel 5.16 van de Wet milieubeheer luidt:

"1. Bestuursorganen maken bij de uitoefening van een in het tweede lid bedoelde bevoegdheid of toepassing van een daar bedoeld wettelijk voorschrift, welke uitoefening of toepassing gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, gebruik van een of meer van de volgende gronden en maken daarbij aannemelijk:

a. dat een uitoefening of toepassing, rekening houdend met de effecten op de luchtkwaliteit van onlosmakelijk met die uitoefening of toepassing samenhangende maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit, niet leidt tot het overschrijden, of tot het op of na      het tijdstip van ingang waarschijnlijk overschrijden, van een in bijlage 2 opgenomen grenswaarde;

[…]"

42.     [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], [appellant sub 4] en anderen, [appellant sub 8] en anderen en [appellant sub 10A] en [appellant sub 10B] betogen dat de luchtkwaliteit zal verslechteren als gevolg van de door het bestemmingsplan veroorzaakte toename van het verkeer op de wegen rondom het plangebied. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] en [appellant sub 4] en anderen wijzen in dit verband op de toename van het verkeer op de Haagweg. Van [appellant sub 8] en anderen wijzen erop dat metingen van de bestaande luchtkwaliteit op de Max Euweweg laten zien dat de bestaande luchtkwaliteit op z'n best 'matig' is te noemen. Dit zal verslechteren door de toename van verkeer. [appellant sub 10A] en [appellant sub 10B] voeren aan dat in het onderzoek ten onrechte met een maximumsnelheid van 50 km/uur is gerekend.

42.1.  Het betoog van [appellant sub 10A] en [appellant sub 10B] dat in het onderzoek ten onrechte is uitgegaan van een maximumsnelheid van 50 km/uur op de Haagweg slaagt niet. Zoals hiervoor onder 16.2 is overwogen, mocht in het onderzoek van die maximumsnelheid worden uitgegaan.

42.2.  [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], [appellant sub 4] en anderen, [appellant sub 8] en anderen en [appellant sub 10A] en [appellant sub 10B] hebben de door Goudappel Coffeng berekende waarden als gevolg van het bestemmingsplan niet concreet bestreden. Aangezien uit het onderzoek blijkt dat de geldende waarden niet worden overschreden, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad zijn besluit op dit punt onvoldoende heeft onderbouwd of zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat wordt voldaan aan artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer.

Het betoog slaagt niet.

Natuur - gebiedsbescherming

43.     In paragraaf 3.9.2.2 van de plantoelichting staat dat de noordwestzijde van het plangebied grenst aan het Natura 2000-gebied "Solleveld & Kapittelduinen". Onder verwijzing naar het rapport "Planontwikkeling Westmade-Noord, Toetsing aan de Wet natuurbescherming, onderdeel gebiedsbescherming" van Antea Group (hierna: Antea) van 28 juni 2019, dat is aangevuld met twee memo's, is geconcludeerd dat het plan geen toename van de stikstofdepositie op de omliggende Natura 2000-gebieden tot gevolg heeft.

43.1.  De resultaten van het onderzoek naar de stikstofdepositie zijn neergelegd in de bijlage bij het rapport van Antea. In het uitgevoerde onderzoek is met behulp van het rekenprogramma Aerius Calculator versie 2016L het verschil berekend tussen de stikstofdepositie in de referentiesituatie en de stikstofdepositie in de beoogde situatie om de invloed van de planontwikkeling op de stikstofdepositie in beeld te brengen. De voor stikstof relevante bronnen in de referentiesituatie zijn de bedrijfsemissies van zeven in het plangebied aanwezige glastuinbouwbedrijven en de vervoersbewegingen van en naar die bedrijven. Voor de bedrijfsemissies van de glastuinbouwbedrijven is uitgegaan van het kengetal dat in Aerius Calculator wordt gebruikt voor glastuinbouw. Uitgegaan is van 100% kasemissies. Voor de zeven glastuinbouwbedrijven samen is uitgegaan van 910 verkeersbewegingen per etmaal. Dit is gebaseerd op een kengetal voor bedrijfsverkeer uit de publicatie 317 van de CROW. De voor stikstof relevante verkeersbronnen in de beoogde situatie zijn de vervoersbewegingen binnen en buiten het plangebied. In het onderzoek is erop gewezen dat de in het plangebied voorziene woningen zelf geen emissies van NOx en NH3 naar de omgeving veroorzaken, omdat de woningen aardgasloos worden opgeleverd.

Na verschijning van het rapport heeft Antea een herberekening gemaakt, omdat een nieuwe versie van het rekenprogramma Aerius Calculator is uitgebracht. Deze is opgenomen in de memo "Berekening stikstofdepositie met Aerius Calculator 2019A" van 14 februari 2020. Daarin is vermeld dat, uitgaande van dezelfde uitgangspunten, de conclusie, dat het plan geen toename van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebied tot gevolg heeft, niet wijzigt.

De resultaten van een tweede herberekening op basis van Aerius Calculator 2019A zijn neergelegd in de memo "Berekening stikstofdepositie realisatiefase Westmade-Noord" van 17 februari 2020. In die berekening zijn voor de berekening van de beoogde situatie naast de emissie van het verwachte verkeer dat de aanwezigheid van de woningen mee zal brengen, ook de emissies meegenomen van het verkeer dat gerelateerd is aan de bouw van de woningen. Voor het overige zijn dezelfde uitgangspunten gehanteerd. In de memo is geconcludeerd dat de uitkomst dezelfde is gebleven.

Het rapport en de twee memo’s zijn als bijlagen bij de plantoelichting gevoegd. Ze worden hierna samen aangeduid als het eerste stikstofonderzoek.

43.2.  Na het uitbrengen van het STAB-advies waarin op het eerste stikstofonderzoek is ingegaan, heeft de raad het stikstofonderzoek geactualiseerd. Bij brief van 14 februari 2022 heeft de raad het rapport "Geactualiseerde berekeningen stikstofdepositie, Westmade Noord" van Antea van 9 februari 2022 overgelegd. In dat rapport is met de meest recente versie van het rekenprogramma Aerius Calculator (versie 2021) een berekening is gemaakt. Bij die berekening zijn, naast de in het eerste stikstofonderzoek meegenomen activiteiten van zeven glastuinbouwbedrijven, ook activiteiten meegenomen van zes andere in het plangebied aanwezige glastuinbouwbedrijven. Anders dan in het eerste stikstofonderzoek is nu uitgegaan van 75% kasemissies. Dit komt volgens Antea neer op een exploitatie bij 50% van de kassen als warme kas en een exploitatie als koude kas bij de overige 50% van de kassen. Bij een exploitatie als koude kas vinden er minder kasemissies plaats. Voor de verkeersbewegingen is niet langer uitgegaan van de CROW-publicatie, maar van de publicatie "Glastuinbouw in cijfers van de Factsheet Wageningen Economic Research 2019-095, 2019". Voor de eerste zeven glastuinbouwbedrijven samen komt dit neer op 168 voertuigbewegingen per etmaal. Uitgaande van de dertien glastuinbouwbedrijven samen gaat het om 238 voertuigbewegingen per etmaal. In het rapport is geconcludeerd dat het plan geen toename van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebied tot gevolg heeft. Dit rapport wordt hierna aangeduid als het tweede stikstofonderzoek.

44.     [appellant sub 1], [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], de Vereniging, [appellant sub 4] en anderen, [appellant sub 6], [appellant sub 8] en anderen en [appellant sub 10A] en [appellant sub 10B] betogen dat de raad niet heeft onderkend dat een passende beoordeling moet worden gemaakt. Zij voeren aan dat er sprake zal zijn van een toename van de stikstofdepositie op het nabijgelegen Natura 2000-gebied gebied "Solleveld & Kapittelduinen", waardoor de in het bestemmingsplan voorziene ontwikkeling een significant negatief effect zal hebben op dat Natura 2000-gebied. Voor de onderbouwing van hun betoog hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], [appellant sub 4] en anderen, [appellant sub 6] en [appellant sub 8] en anderen verwezen naar het rapport "Westmade-Noord, Beoordeling stikstofdepositie" van Kubiek van 1 september 2020.

45.     Uit artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb), in samenhang gelezen met artikel 2.7 van de Wnb, volgt dat een passende beoordeling moet worden gemaakt als een plan significante gevolgen kan hebben voor een of meer Natura 2000-gebieden. Dat is het geval als een plan voorziet in ruimtelijke ontwikkelingen die ten opzichte van de referentiesituatie significante gevolgen kunnen hebben voor een of meer Natura 2000-gebieden. Onder referentiesituatie wordt de feitelijk, planologisch legale situatie voorafgaand aan de vaststelling van het plan verstaan.

Als een plan ten opzichte van de referentiesituatie leidt tot een toename van de stikstofdepositie op al overbelaste stikstofgevoelige natuurwaarden in een Natura 2000-gebied, dan moeten de gevolgen van die toename voor de vaststelling van het plan worden onderzocht. Als daaruit volgt dat significante gevolgen niet op voorhand op grond van objectieve gegevens kunnen worden uitgesloten (voortoets), dan moet een passende beoordeling worden gemaakt. Het plan kan in dat geval worden vastgesteld als de raad uit de passende beoordeling de zekerheid heeft verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten.

46.     De Afdeling gaat hieronder onder 1 eerst in op de bezwaren over de referentiesituatie en vervolgens onder 2 op bezwaren die betrekking hebben op de beoogde situatie.

1. De referentiesituatie

47.     [appellant sub 1], [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], de Vereniging, [appellant sub 4] en anderen, [appellant sub 6] en [appellant sub 8] en anderen betogen dat in de beide stikstofonderzoeken ten onrechte de stikstofuitstoot is meegenomen van glastuinbouwbedrijven die al geamoveerd waren op het moment dat het plan werd vastgesteld. Zij wijzen erop dat een groot deel van de kassen al in 2018 of eerder is gesloopt en dat de gemeente de gronden enkele jaren voor de sloop heeft gekocht. Hoewel de tuinders hun glastuinbouwactiviteiten ter plaatse mochten voortzetten, hebben niet alle tuinders dat gedaan. Sommigen hebben de kassen verhuurd aan anderen. Die anderen gebruikten de kassen voor koude teelt of opslag, zo stellen deze appellanten.

47.1.  Zoals hiervoor onder 45 staat, wordt onder referentiesituatie verstaan de feitelijk, planologisch legale situatie voorafgaand aan de vaststelling van het plan. In de uitspraak van 1 september 2021 over het bestemmingsplan "Zandzoom 2019" (ECLI:NL:RVS:2021:1960, rechtsoverweging 24.2) heeft de Afdeling uiteengezet onder welke voorwaarden in het kader van de interne saldering activiteiten die beëindigd zijn vóór de gehanteerde peildatum toch kunnen worden betrokken in de referentiesituatie. De eerste voorwaarde is dat onomstotelijk vaststaat dat de activiteit uitsluitend is beëindigd ten behoeve van de ontwikkeling die het plan mogelijk maakt. Dat betekent dat uit een schriftelijk stuk, zoals een koopovereenkomst, moet blijken dat de activiteit is beëindigd ten behoeve van de ontwikkeling die het plan mogelijk maakt. Het gaat daarbij om een schriftelijk stuk dat dateert uit de periode dat de activiteit werd beëindigd of daarvoor. De tweede voorwaarde houdt in dat uitgesloten moet zijn dat de activiteit sowieso zou zijn beëindigd voor de peildatum. Als derde voorwaarde geldt dat in de periode tussen de beëindiging van de activiteit en de vaststelling van het plan geen andere stikstofveroorzakende activiteiten zijn ontplooid op het desbetreffende perceel. Het is in overeenstemming met de Wnb om een al beëindigde activiteit die aan deze strikte voorwaarden voldoet, mee te nemen in de referentiesituatie. Als zo'n activiteit niet kan worden meegenomen, dan kan dat er namelijk toe leiden dat die activiteit langer dan beoogd wordt voortgezet, alleen om de mogelijkheid van interne saldering te behouden. De beschermde natuurwaarden in Natura 2000-gebieden zijn daarmee niet gebaat, zo overwoog de Afdeling in haar uitspraak van 1 september 2021.

47.2.  Of in dit geval aan de in de uitspraak van 1 september 2021 opgenomen voorwaarden wordt voldaan, zal de Afdeling hierna onder a) eerst beoordelen voor de zeven glastuinbouwbedrijven die in het eerste stikstofonderzoek zijn betrokken en vervolgens onder b) voor de zes glastuinbouwbedrijven die in het na het STAB-advies uitgebrachte, tweede stikstofonderzoek zijn toegevoegd.

a) De glastuinbouwbedrijven in het eerste stikstofonderzoek

48.     In paragraaf 6.2.2 van haar advies is de STAB ingegaan op de in de uitspraak van 1 september 2021 geformuleerde voorwaarden.

De STAB heeft op basis van de stukken vastgesteld dat de gemeente de gronden in het plangebied heeft verworven met de intentie om woningbouw ter plaatse mogelijk maken. Die intentie is vastgelegd in koopovereenkomsten tussen de gemeente en de eigenaren van de percelen waarop de zeven voorheen in het plangebied aanwezige glastuinbouwbedrijven aanwezig waren. De Afdeling heeft aan de hand van de door de raad overgelegde koopovereenkomsten vastgesteld dat deze in de periode 2009-2018 zijn gesloten.

Door de STAB is op basis van de stukken verder vastgesteld dat de kassen van de op de gronden in het plangebied aanwezige glastuinbouwbedrijven op het moment van de peildatum al waren geamoveerd. Ze zijn in 2017/2018 gesloopt. De STAB heeft tot slot op grond van door de raad nader verstrekte gegevens vastgesteld dat de betrokken glastuinbouwbedrijven op één glastuinbouwbedrijf na tot enkele maanden voor de sloop in gebruik waren en de betrokken gronden daarna tot de peildatum niet in gebruik waren. Voor dat ene glastuinbouwbedrijf waren de gronden na de sloop in 2018 nog tot begin 2019 bedrijfsmatig in gebruik. Volgens de STAB vond op die gronden, zoals ook vermeld in het door [appellant sub 10A] en [appellant sub 10B] overgelegde stuk, tot begin 2019 koude teelt plaats.

48.1.  De Afdeling ziet in wat appellanten hebben aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de constatering van de STAB dat de glastuinbouwactiviteiten van de zeven glastuinbouwbedrijven in het gebied zijn beëindigd ten behoeve van de ontwikkeling die het plan mogelijk maakt. Dit blijkt volgens de Afdeling genoegzaam uit de overgelegde koopovereenkomsten, waarin staat dat de koop plaatsvindt vanwege gebiedsontwikkeling en woningbouw. Aan de eerste voorwaarde uit de uitspraak van 1 september 2021 is voldaan.

De Afdeling stelt vast dat appellanten op de zitting hebben vermeld niet te betwisten dat aan de tweede voorwaarde, inhoudende dat de activiteiten niet sowieso zouden zijn beëindigd voor de peildatum, wordt voldaan.

Ten aanzien van derde voorwaarde overweegt de Afdeling dat zij in wat appellanten hebben aangevoerd, geen aanknopingspunten ziet om eraan te twijfelen dat in de periode tussen de beëindiging van de activiteiten van de betrokken zeven glastuinbouwbedrijven en de vaststelling van het plan geen andere stikstofveroorzakende activiteiten zijn ontplooid op de desbetreffende percelen. De Afdeling wijst in dit verband op het volgende.

48.2.  De STAB heeft, zo volgt uit haar advies, een onderscheid gemaakt tussen de periode tussen de aankoop van de gronden door de gemeente en de sloop van de kassen en de periode tussen de sloop en de vaststelling van het bestemmingsplan.

Wat betreft de periode tot aan de sloop van de kassen is de Afdeling van oordeel dat appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat de glastuinbouwactiviteiten al waren beëindigd voor de sloop. Uit het door [appellant sub 4] en anderen overgelegde overzicht waarop per bedrijf is aangegeven hoe de kassen werden gebruikt, wat het gasverbruik was en hoeveel verkeersbewegingen het bedrijf genereerde, volgt hoogstens dat de oorspronkelijke glastuinbouwbedrijven hun kassen hebben verhuurd aan andere glastuinbedrijven, die in de kassen ook glastuinbouwactiviteiten hebben ontplooid. Van opslagactiviteiten waarvan [appellant sub 4] en anderen tijdens de zitting melding maakte, blijkt uit dat overzicht niet.

Over de periode na de sloop van de kassen stelt de Afdeling vast dat de STAB heeft geconcludeerd dat, behoudens op gronden van één glastuinbouwbedrijf, na de sloop van de kassen geen stikstofveroorzakende activiteiten op de gronden hebben plaatsgevonden. Omdat appellanten deze bevindingen niet hebben bestreden, ziet de Afdeling geen aanleiding om de STAB op dit punt niet te volgen. Aan de opmerking in het STAB-advies dat op gronden van één bedrijf na de sloop van de kassen nog wel stikstofveroorzakende activiteiten hebben plaatsgevonden, gaat de Afdeling voorbij. Hoewel de raad aanvankelijk had aangegeven dat de kassen van dat bedrijf begin 2018 zijn gesloopt en de activiteiten begin 2019 zijn gestaakt, heeft de raad later gesteld dat dit een verschrijving was en verwezen naar een foto van januari 2019. Hiermee heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling aannemelijk gemaakt dat de kassen op het desbetreffende perceel niet begin 2018, maar begin 2019 zijn gesloopt en dat er ook op dat perceel na de sloop geen stikstofveroorzakende activiteiten hebben plaatsgevonden.

De Afdeling is gelet op het voorgaande van oordeel dat ook aan de derde voorwaarde is voldaan.

48.3.  De Afdeling ziet op grond van wat appellanten hebben aangevoerd geen beletsel om de activiteiten van de zeven glastuinbouwbedrijven die vóór de peildatum zijn beëindigd te betrekken in de referentiesituatie.

b) De toegevoegde zes glastuinbouwbedrijven in het tweede stikstofonderzoek

49.     In het rapport van Antea van 9 februari 2022 staat dat aan de hand van de voorwaarden uit de uitspraak van 1 september 2021 opnieuw is bekeken welke glastuinbouwbedrijven onderdeel uit mogen maken van de referentiesituatie. Gebleken is, zo staat in het rapport, dat zes glastuinbouwbedrijven die bij het eerste stikstofonderzoek geen deel uitmaakten van de referentiesituatie voldoen aan de drie voorwaarden. Die bedrijven zijn daarom ten behoeve van de herberekening toegevoegd aan de referentiesituatie. Onder verwijzing naar het rapport "Koopovereenkomsten en bedrijfsinventarisaties" van 9 februari 2022 is in het rapport van Antea geconcludeerd dat uit de koopovereenkomsten blijkt dat de activiteiten van deze zes glastuinbouwbedrijven zijn beëindigd ten behoeve van de ontwikkeling die het plan mogelijk maakt. Er zijn geen aanwijzingen dat de activiteiten sowieso zouden zijn beëindigd voor de peildatum. In het rapport van Antea staat tot slot dat op basis van de derde voorwaarde een geamoveerd glastuinbouwbedrijf niet in de referentiesituatie is opgenomen, omdat dat bedrijfsperceel tijdelijk als manege in gebruik is geweest.

49.1.  De Afdeling is van oordeel dat met de overgelegde koopovereenkomsten genoegzaam is komen vast te staan dat de activiteiten zijn beëindigd ten behoeve van de ontwikkeling die het plan mogelijk maakt. Dat de activiteiten zijn beëindigd voorafgaand aan de peildatum, is door appellanten niet bestreden. De Afdeling oordeelt dat voor de zes in het tweede stikstofonderzoek toegevoegde bedrijven aan de eerste voorwaarde wordt voldaan.

Ook ten aanzien van deze bedrijven hebben appellanten niet betwist dat aan de tweede voorwaarde wordt voldaan.

De Afdeling stelt vast dat het rapport van 9 februari 2022 geen informatie bevat op basis waarvan kan worden geconcludeerd dat er tussen de beëindiging van de glastuinbouwactiviteiten en de vaststelling van het plan geen andere stikstofveroorzakende activiteiten hebben plaatsgevonden. Zo is niet bekend of na de verkoop van de gronden aan de gemeente de glastuinbouwactiviteiten in de kassen zijn voortgezet en ook niet of na de sloop van de kassen (andere) stikstofveroorzakende activiteiten op de gronden hebben plaatsgevonden. Alleen al daarom oordeelt de Afdeling dat de raad niet aannemelijk heeft gemaakt dat voor de zes in het tweede stikstofonderzoek toegevoegde bedrijven wordt voldaan aan de derde voorwaarde.

49.2.  De Afdeling is, gelet op het voorgaande van oordeel, dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd dat de activiteiten van de in het plangebied aanwezige zes glastuinbouwbouwbedrijven die in het tweede stikstofonderzoek bij de referentiesituatie zijn betrokken, daarbij ook betrokken mochten worden. Het betoog slaagt op dit punt.

Beoordeling van de overige beroepsgronden met betrekking tot de in eerste stikstofonderzoek betrokken zeven glastuinbouwbedrijven

50.     De Afdeling gaat hierna in op de activiteiten van de zeven glastuinbouwbedrijven die in het eerste stikstofonderzoek bij de referentiesituatie zijn betrokken. Het gaat daarbij om de emissies van die zeven bedrijven. Hierbij gaat de Afdeling uit van de berekeningswijze die de raad blijkens het tweede stikstofonderzoek wil hanteren en in dat onderzoek ook voor deze zeven glastuinbouwbedrijven heeft toegepast. Achtereenvolgens komen aan de orde de emissies van de kassen van die zeven glastuinbouwbedrijven en de emissies van tot die bedrijven behorende verkeersbewegingen.

- De emissies van de kassen

51.     De Vereniging en [appellant sub 4] en anderen betogen dat niet duidelijk is of van de juiste bedrijfsemissies is uitgegaan. Het is niet duidelijk of de kassen wel met gas werden verwarmd. Als dat zo was, dan had volgens hen onderzocht moeten worden wat het daadwerkelijke gasverbruik per bedrijf was. Er kan volgens deze appellanten niet zonder meer van worden uitgegaan dat bij de helft van de glastuinbouwbedrijven sprake van warme teelt en bij de andere helft van koude teelt, zoals dat in het tweede stikstofonderzoek is gedaan.

51.1.  In het STAB-advies staat dat over de wijze van verwarmen van de kassen en het energieverbruik geen concrete gegevens bekend zijn. In het advies staat dat bij alle glastuinbouwbedrijven weliswaar luchtafvoerpijpen aanwezig waren, maar dat niet bekend is of die luchtafvoerpijpen waren aangesloten op gasstookinstallaties voor de verwarming van de glasopstanden en of die mogelijk aanwezige gasstookinstallaties voor de glasopstanden daadwerkelijk in gebruik waren, en als dat het geval was, in welke periode van het jaar die gebruikt werden. De raad is, zo staat in het STAB-advies, voor de omvang van het gasverbruik uitgegaan van het kengetal dat in het rekenprogramma Aerius-Calculator wordt gebruikt voor glastuinbouw. In het eerste stikstofonderzoek, waarop het STAB-advies zag, was daarbij uitgegaan van 100% kasemissies. In het tweede stikstofonderzoek is uitgegaan van 75% kasemissies, wat volgens de raad neerkomt op 50% warme teelt en 50% koude teelt.

51.2.  De raad stelt in reactie op het STAB-advies dat de op de luchtfoto's zichtbare luchtafvoerpijpen bij de glastuinbouwbedrijven geacht moeten worden aangesloten te zijn op een gasstookinstallatie voor verwarming. Een andere reden voor de aanwezigheid van luchtafvoerpijpen bij glastuinbouwbedrijven is er volgens de raad niet. De raad heeft voor de onderbouwing hiervan gewezen op het hiervoor al vermelde rapport "Koopovereenkomsten en bedrijfsinventarisaties, Westmade Noord". Daarin staat dat uit verschillende, bij het rapport gevoegde, stukken, waaronder taxatierapporten en gegevenslijsten bij de koopcontracten, blijkt dat bij de glastuinbouwbedrijven gasgestookte verwarming aanwezig was.

De raad stelt verder dat het gasverbruik bij kassen in de praktijk sterk fluctueert als gevolg van verschillende omstandigheden. Zo zijn de weersomstandigheden (koude of zachte winters en zomers), door de jaren heen wisselende typen teelt, maar bijvoorbeeld ook gasprijzen van invloed geweest op het daadwerkelijke gasverbruik. Volgens de raad was het tegen deze achtergrond gerechtvaardigd geweest om uit te gaan van 50% koude teelt en 50% warme teelt en het kengetal van Aerius-Calculator voor glastuinbouw tot uitgangspunt te nemen.

51.3.  De Afdeling is van oordeel dat de raad met de overgelegde foto's en het rapport "Koopovereenkomsten en bedrijfsinventarisaties, Westmade Noord" waarin van ketelhuizen sprake is, aannemelijk heeft gemaakt dat bij de glastuinbouwbedrijven sprake was van gasgestookte verwarming. Voor de door appellanten op dit punt geuite twijfel ziet de Afdeling onvoldoende aanknopingspunten.

Over de vraag of die aanwezige gasstookinstallaties in gebruik waren en welke omgang dat gasverbruik had, overweegt de Afdeling als volgt. Het is aan de raad om op dit punt de referentiesituatie zo nauwkeurig mogelijk in kaart te brengen. Daarvoor hoeft naar het oordeel van de Afdeling de raad, anders dan de Vereniging en [appellant sub 4] en anderen aanvoeren, niet het exacte gasverbruik per bedrijf te achterhalen, maar mag hij uitgaan van het kengetal uit Aerius-Calculator voor glastuinbouw.

De raad heeft, zo is op de zitting meegedeeld, niet nader onderzocht welke van de zeven bedrijven koude teelt of warme teelt hadden. De Afdeling is van oordeel dat nader onderzoek op dit punt wel van de raad had mogen worden verwacht. De raad moet namelijk motiveren dat het door de raad gehanteerde uitgangspunt inhoudende 50% koude teelt en 50% warme teelt een reëel uitgangspunt is. De Afdeling wijst er in dit verband op dat [appellant sub 4] en anderen, onder het overleggen van het onder 48.2 vermelde overzicht, stellen dat de meeste bedrijven op de koude grond teelden, waarbij alleen in de wintermaanden werd verwarmd.

De Afdeling is verder van oordeel dat voor zover door de raad niet kan worden achterhaald of bij alle zeven glastuinbouwbedrijven warme of koude teelt aan de orde was, hij voor de berekening van de stikstofemissie moet uitgaan van een conservatieve schatting van de verdeling koude en warme teelt.

Het betoog slaagt op dit punt.

- De verkeersbewegingen van de zeven glastuinbouwbedrijven

52.     [appellant sub 1], [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], [appellant sub 4] en anderen, [appellant sub 6] en [appellant sub 8] en anderen achten de berekeningswijze van het aantal verkeersbewegingen van de betrokken zeven glastuinbouwbedrijven niet alleen in het rapport van Antea van 28 juni 2019, maar ook in het tweede stikstofrapport niet juist. Er had volgens hen moeten worden uitgaan van ongeveer 18 verkeersbewegingen per bedrijf per etmaal. [appellant sub 4] en anderen en [appellant sub 8] en anderen wijzen in dit verband op onderzoek van LTO Noord. Daarin wordt uitgegaan van 18,3 verkeersbewegingen per bedrijf per etmaal. Ook wijzen [appellant sub 4] en anderen op observaties van bewoners van woningen aan Plaats Langeveld, die het aantal verkeersbewegingen voor de daar gevestigde vier bedrijven inschatten op 75 per etmaal, of te wel 18,75 verkeersbewegingen per bedrijf per etmaal. Dat komt in dit geval neer op 128 verkeersbewegingen per etmaal voor de zeven glastuinbouwbedrijven in plaats van de in het rapport van Antea vermelde 910 verkeersbewegingen en de in tweede stikstofonderzoek vermelde 168 verkeersbewegingen per etmaal.

52.1.  In het STAB-advies staat dat er geen gegevens bekend zijn over het feitelijk aantal verkeersbewegingen van en naar de glastuinbouwbedrijven in het gebied. De door Antea gebruikte publicatie 317 op basis waarvan is gekomen tot 80 verkeersbewegingen per etmaal per hectare, bevat geen gegevens over de verkeersgeneratie van landbouw- dan wel glastuinbouwbedrijven.

52.2.  De raad heeft in reactie op het STAB-advies verwezen naar het tweede stikstofonderzoek. Daarin staat dat een herberekening is gemaakt, waarbij is uitgegaan van lagere verkeersintensiteiten, waarbij de door de STAB genoemde publicatie "Glastuinbouw in cijfers" als uitgangspunt is genomen. Het aantal verkeersbewegingen is bepaald aan de hand van drie categorieën voertuigen, namelijk lichte motorvoertuigen, middelzwaar vrachtverkeer en zwaar vrachtverkeer. In het rapport is berekend dat er in de bestaande situatie sprake was van 168 motorvoertuigen per etmaal voor de zeven bedrijven.

52.3.  De Afdeling overweegt hierover als volgt. In het tweede stikstofonderzoek is niet langer uitgegaan van de kengetallen van de CROW. Er is per categorie vervoersmiddel een inschatting gemaakt van het soort verkeersbewegingen, zoals de verkeersbewegingen van de werknemers en de leveranciers. De Afdeling ziet in wat appellanten hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de nadere inschatting van de raad niet is aan te merken als een reëel uitgangspunt. De verwijzing naar een onderzoek van LTO Noord waarin op basis van een enquête, gehouden onder glastuinbouwbedrijven in het Westland (inclusief Hoek van Holland en Midden-Delfland), is berekend hoeveel verkeersbewegingen de glastuinbouwbedrijven in het Westland generen, acht de Afdeling onvoldoende voor een ander oordeel. Dit onderzoek is te algemeen om de resultaten toe te passen op de zeven glastuinbouwbedrijven die in het onderzoek zijn betrokken. Ook de bevindingen van bewoners aan de Plaats Langeveld acht de Afdeling onvoldoende voor een ander oordeel. De bevindingen hebben alleen betrekking op vier bedrijven en zijn niet nader onderbouwd. Het betoog slaagt op dit punt dus niet.

2. De beoogde situatie

53.     Het betoog van [appellant sub 10A] en [appellant sub 10B] dat in het onderzoek ten onrechte is uitgegaan van een maximale snelheid op de Haagweg van 50 km/uur, slaagt niet. De Afdeling verwijst naar wat zij hierover onder 16.2 heeft overwogen.

54.     [appellant sub 1], [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], de Vereniging, [appellant sub 4] en anderen, [appellant sub 6] en [appellant sub 8] en anderen betogen dat kan worden getwijfeld aan de verdeling van het verkeer over de verschillende uitvalsroutes. Volgens hen zal er meer verkeer richting de Monsterseweg en Haagweg langs het Natura 2000-gebied rijden dan door de raad is ingeschat. Daarnaast is de hoeveelheid verkeer met Monster als bestemming te laag ingeschat.

54.1.  Zoals volgt uit wat hiervoor onder 22 en 30 is geoordeeld, is in het verkeersrapport de verkeersgeneratie niet onderschat en bestaat geen grond voor het oordeel dat niet is uitgegaan van een juiste verdeling van het verkeer over de wegen rondom het plangebied. Het betoog van [appellant sub 1], [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], de Vereniging, [appellant sub 4] en anderen, [appellant sub 6] en [appellant sub 8] en anderen slaagt daarom niet.

55.     [appellant sub 1], [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], [appellant sub 4] en anderen, [appellant sub 6] en [appellant sub 8] en anderen betogen verder dat er bij de berekening van de stikstofdepositie ten onrechte van is uitgegaan dat de realisatie van de 500 woningen in één jaar zal plaatsvinden. Dit is volgens hen niet realistisch. Verwacht wordt dat de bouw drie jaar zal duren.

55.1.  In het STAB-advies staat dat bij de berekening van de stikstofdepositie vanwege het plan bij de bouw van de woningen ervan is uitgegaan dat de bouw in één jaar plaats zal vinden. Aangezien de stikstofdepositie aan de hand van emissie per jaar wordt berekend, is de aanname dat de bouw in één jaar plaats zal vinden aan te merken als een worst-case scenario.

[appellant sub 1], [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], [appellant sub 4] en anderen, [appellant sub 6] en [appellant sub 8] en anderen hebben geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan moet worden getwijfeld aan de juistheid van deze bevinding van de STAB. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding om de STAB niet te volgen. Het betoog kan daarom niet leiden tot het ermee beoogde doel.

56.     De Vereniging en [appellant sub 4] en anderen betogen dat bij het onderzoek ten onrechte niet is meegenomen dat de toekomstige bewoners van de nieuwe woningen zullen gaan recreëren in het Natura 2000-gebied, waardoor de druk op dat gebied zal toenemen. De Vereniging wijst er daarnaast op dat die druk op het gebied ook zal toenemen door de huisdieren van de toekomstige bewoners.

56.1.  In het STAB-advies staat over de recreatiedruk en de gevolgen daarvan voor het Natura 2000-gebied het volgende. Het deel van het Natura 2000-gebied dat aansluit aan het plangebied betreft het Solleveld dat in eigendom is bij, en beheerd wordt door Dunea. Het Solleveld beslaat grofweg de strook grond die ligt tussen de duinen en de Haagweg/Monsterseweg enerzijds en tussen Monster en Ockenburg (Vakantiepark Kijkduin) anderzijds. Van het gehele Solleveld is alleen het noordelijke deel voor een deel toegankelijk (het deel richting Kijkduin). Het deel tussen het Schelpenpad en Monster is niet toegankelijk. Van het deel van het Solleveld dat ligt tussen het Schelpenpad en Vakantiepark Kijkduin, is alleen het meest noordoostelijke deel nabij Vakantiepark Kijkduin het gehele jaar door toegankelijk. De gronden van Solleveld die daar aan grenzen - dat deel dat grenst aan het plangebied - is alleen in de winterperiode toegankelijk. Er is één toegang tot het Solleveld en die bevindt zich aan de uiterste oostzijde van het gebied, nabij Vakantiepark Kijkduin. Om toegang tot het Solleveld te krijgen, is de aanschaf van een dagkaart nodig. Namens Dunea werd aangegeven dat buiten het broedseizoen (van 1 september tot 1 maart) maximaal 100 dagkaarten per dag worden verkocht en tijdens het broedseizoen (van 1 maart tot 1 september) maximaal 50.

Gelet op het voorgaande heeft de aanwezigheid van meer woningen op korte afstand van het Natura 2000-gebied naar het oordeel van de Afdeling geen gevolgen voor het maximaal aantal bezoekers dat per dag het Solleveld zal betreden. Een toename vanwege het plan van recreatie op andere delen van het Natura 2000-gebied wordt in het STAB-advies vanwege de te overbruggen afstand vanuit het plangebied (naar de Kapittelduinen ten zuiden van Monster) en de beperkte toegankelijkheid niet aannemelijk geacht.

Wat betreft de vrees door verstoring door honden staat in het STAB-advies dat in het gebied Solleveld honden niet zijn toegestaan. Over de vrees voor de extra predatie door katten staat in het STAB-advies dat als typische soorten van de aangewezen habitattypen de vogelsoorten tapuit en velduil zijn benoemd. Beide zijn grondbroedende vogelsoorten. In zijn algemeenheid zijn grondbroedende vogelsoorten bijzonder kwetsbaar voor predatie door roofdieren. In het beheerplan is evenwel beschreven dat de knelpunten voor het gebied vooral liggen bij de hoge stikstofdepositie en de daar ten gevolge van optredende vergrassing. De mogelijke toename van het aantal katten in de omgeving van het Natura 2000-gebied speelt daarbij volgens het STAB-advies geen rol.

De Vereniging en [appellant sub 4] en anderen hebben geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan moet worden getwijfeld aan de juistheid van deze bevindingen. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding niet van die bevindingen uit te gaan. Hun betoog slaagt niet.

57.     [appellant sub 1], [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], de Vereniging, [appellant sub 4] en anderen, [appellant sub 6] en [appellant sub 8] en anderen betogen aan dat de voorziene ontwikkeling onderdeel is van een grotere woningbouwontwikkeling. Volgens hen zijn in het onderzoek ten onrechte de cumulatieve effecten niet beschouwd.

57.1.  De raad heeft zich mogen beperken tot een beoordeling van de plannen en projecten die op het moment van de vaststelling van dit plan voldoende concreet waren. Zoals hiervoor onder 10.1 en 15 is overwogen, zijn over de door [appellant sub 1], [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], de Vereniging, [appellant sub 4] en anderen, [appellant sub 6] en [appellant sub 8] en anderen bedoelde andere woningbouwplannen op het moment van de vaststelling van dit plan nog geen besluiten genomen. Naar het oordeel van de Afdeling hoefde de raad die andere woningbouwontwikkelingen dan ook niet te betrekken in het onderzoek naar cumulatieve effecten.

58.     [appellant sub 1], [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] en [appellant sub 6] betogen dat bij het onderzoek ten onrechte geen rekening is gehouden met de uitstoot tijdens de aanlegfase.

58.1.  Zoals hiervoor onder 43.1 is uiteengezet, is in aanvulling op het rapport en de herberekening een nieuwe berekening uitgevoerd, waarbij het verkeer, gerelateerd aan de bouw van de woningen ook is meegenomen. De raad heeft op de zitting toegelicht dat uit de onderzoeken blijkt dat niet de bouw- en aanlegfase, maar de gebruiksfase maatgevend is. Dit is door appellanten niet bestreden. Het betoog slaagt niet.

Milieueffectrapportage

59.     De Vereniging en [appellant sub 4] en anderen betogen dat, aangezien de raad verplicht was voor het plan een passende beoordeling te maken, hij op grond van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer ook verplicht was om een milieueffectrapport voor plannen te maken.

59.1.  Artikel 7.2a, eerste lid, luidt:

"Een milieueffectrapport wordt gemaakt bij de voorbereiding van een op grond van een wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling verplicht vast te stellen plan waarvoor, in verband met een daarin opgenomen activiteit, een passende beoordeling moet worden gemaakt op grond van artikel 2.8, eerste lid, van de Wnb".

59.2.  Of de raad verplicht is op grond van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer een milieueffectrapport te maken, is afhankelijk van de vraag of de raad een voor het bestemmingsplan een passende beoordeling moet maken. Deze vraag kan in deze procedure, gelet op wat hiervoor is overwogen, nog niet worden beantwoord. In de einduitspraak zal de Afdeling hierop ingaan.

Natuur - soortenbescherming

60.     Ter voorbereiding op de vaststelling van het bestemmingsplan heeft Aqua-Terra Nova onderzoek gedaan naar de mogelijke gevolgen voor diersoorten die beschermd worden door de Wnb. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Eco-effectscan plangebied Westmade Noord te Monster" van 12 augustus 2019.

In paragraaf 3.9.2.1 van de plantoelichting is naar dit rapport verwezen. Er staat dat in het plangebied geschikt leefgebied voor de beschermde rugstreeppad aanwezig is. Het betreffen zowel potentiële voortplantingswateren als terrestrisch leefgebied. Negatieve effecten door de werkzaamheden op de rugstreeppad en zijn leefgebied kunnen niet worden uitgesloten. Volgens de plantoelichting is een actualisatie van het nader onderzoek naar de functie van het plangebied voor rugstreeppadden noodzakelijk. Verder staat er dat uit het onderzoek zal blijken of het noodzakelijk is de geplande activiteiten aan te passen of een ontheffing in het kader van de Wnb aan te vragen. Als verzekerd kan worden dat door het tijdig treffen van maatregelen voorafgaand aan de activiteit(en) geen verboden in het kader van de Wnb wordt overtreden, dan is ontheffing niet noodzakelijk. Als ontheffing in het kader van de Wnb wel noodzakelijk is, dan moet rekening worden gehouden met een proceduretijd van ongeveer twintig weken en in sommige situaties een gewenningstijd van enkele maanden met betrekking tot alternatieve verblijfplaatsen of vliegroutes.

61.     [appellant sub 4] en anderen stellen dat het plan onaanvaardbare gevolgen kan hebben voor de rugstreeppad, wat een beschermde soort is. Zij voeren aan dat uit het rapport van Aqua-Terra Nova van 12 augustus 2019 blijkt dat de rugstreeppad voorkomt in het nabijgelegen Natura-2000 gebied en dat het plangebied ook geschikt leefgebied vormt. Het is volgens hen niet duidelijk of het in dat rapport aanbevolen nadere onderzoek naar de functie van het plangebied voor rugstreeppadden heeft plaatsgevonden.

61.1.  De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een vrijstelling dan wel een ontheffing op grond van het soortenbeschermingsregime in de Wnb nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Wnb. Maar de raad mag het plan niet vaststellen indien en voor zover hij op voorhand redelijkerwijs had moeten inzien dat het soortenbeschermingsregime in de Wnb aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

61.2.  De raad heeft in reactie op vragen van de STAB aangegeven dat in navolging van de Eco-effectscan nader onderzoek is verricht. De resultaten zijn neergelegd in het rapport "Soortgericht onderzoek naar rugstreeppad Westmade-Noord te Monster" van Aqua-Terra Nova van 30 oktober 2019. In dat rapport is geconcludeerd dat er binnen het plangebied geen zomerhabitat, voortplantingswater of overwinteringshabitat van de rugstreeppad en de boomkikker aanwezig is. Wel is geadviseerd maatregelen te nemen om te voorkomen dat rugstreeppadden het plangebied binnentrekken. Deze maatregelen zijn volgens de raad genomen.

61.3.  Het bestemmingsplan is in mei 2020 vastgesteld. Het aanbevolen nadere onderzoek was op dat moment verricht. Daaruit bleek dat er in het plangebied geen habitat van de rugstreeppad aanwezig was. De in het rapport aanbevolen maatregelen om te voorkomen dat rugstreeppadden het plangebied binnentrekken, zijn genomen.

Onder deze omstandigheden is de Afdeling van oordeel dat de raad zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat de Wnb op voorhand niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Dat na het vaststellen van het bestemmingsplan toch rugstreeppadden in het plangebied zijn waargenomen, maakt dit niet anders. De Afdeling wijst er overigens nog op dat uit de stukken en het verhandelde op de zitting is gebleken dat een aanvraag om ontheffing van de Wnb is ingediend en dat het college van gedeputeerde staten bij besluit van 23 september 2021 de gevraagde ontheffing heeft verleend.

Het betoog slaagt niet.

Water en oevers

62.     [appellant sub 4] en anderen hebben in hun beroepschrift betoogd dat zij voor wateroverlast vrezen, omdat de nieuw te bouwen woningen hoger komen te liggen dan hun woningen. Hierdoor zal het regenwater aflopen naar hun lager gelegen percelen. Zij hebben tijdens de zitting aangegeven dat tussen hun huizen en de nieuwe huizen een watergang van 7 m breed is gegraven en dat in zoverre hun probleem is opgelost. De Afdeling zal daarom hun betoog over de vrees voor wateroverlast niet inhoudelijk bespreken.

63.     [appellant sub 4] en anderen betogen dat de oevers van de watergang achter hun woningen ten onrechte niet worden uitgevoerd als natuurvriendelijke oevers, zoals is beschreven in het Waterklimaatplan Westland. Zij voeren in dit verband aan dat er ter hoogte van hun percelen oeverbeschoeiing zal worden aangebracht.

63.1.  In paragraaf 3.7.2 van de plantoelichting staat dat bij de inrichting van oevers zo veel mogelijk rekening gehouden dient te worden met het ecologisch functioneren van de oevers. In de zienswijzennota staat dat daar waar mogelijk is natuurvriendelijke oevers worden aangebracht.

63.2.  De inzet van het Waterklimaatplan Westland is dat er, daar waar dat mogelijk is, meer ruimte wordt gemaakt voor natuurvriendelijke oevers. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat in het bestemmingsplan onvoldoende met het Waterklimaatplan Westland rekening is gehouden en het bestemmingsplan daardoor niet kon worden vastgesteld.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie

64.     Gelet op wat hiervoor onder 49.2 en 51.3 is overwogen, heeft de raad zijn standpunt over de gevolgen van het bestemmingsplan voor het Natura 2000-gebied "Solleveld & Kapittelduinen" onvoldoende onderzocht en gemotiveerd. De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding om met toepassing van artikel 8:51d van de Awb de raad op te dragen het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit te herstellen. De raad moet dit doen binnen de in de beslissing van deze uitspraak genoemde termijn.

65.     De raad moet onderzoeken of het bestemmingsplan leidt tot een toename van de stikstofdepositie ten opzichte van de referentiesituatie om toereikend te kunnen motiveren dat het bestemmingsplan geen significante gevolgen zal hebben voor het Natura 2000-gebied "Solleveld & Kapittelduinen" of een gewijzigd of nieuw besluit nemen.

De raad kan dit doen door met inachtneming van overweging 51.3 de referentiesituatie, uitgaande van de zeven glastuinbouwbedrijven die in het eerste stikstofonderzoek zijn meegenomen, nauwkeuriger in kaart te brengen. Als de raad met inachtneming van overweging 49.2 alsnog motiveert dat de activiteiten van de in het plangebied aanwezige zes glastuinbouwbouwbedrijven die in het tweede stikstofonderzoek bij de referentiesituatie zijn betrokken, daarbij ook betrokken mochten worden, zal de raad vervolgens ook moeten motiveren van welke emissies (emissies van de kassen en emissies als gevolg van verkeersbewegingen) van die zes bedrijven wordt uitgegaan.

De Afdeling stelt hiervoor een termijn. Afdeling 3.4 van de Awb hoeft bij de voorbereiding van een gewijzigd of nieuw besluit niet opnieuw te worden toegepast.

66.     In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en de vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

draagt de raad van de gemeente Westland op om binnen 16 weken na verzending van deze tussenuitspraak:

- met inachtneming van overweging 64 het daar omschreven gebrek in het besluit van 26 mei 2020 te herstellen en

- de Afdeling en de andere partijen de uitkomst mee te delen en een eventueel gewijzigd besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mee te delen.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. H.J.M. Baldinger en mr. J. Gundelach, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, griffier.

w.g. Van Diepenbeek

voorzitter

w.g. Pieters

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2022

473