Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2022:1873

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-07-2022
Datum publicatie
13-07-2022
Zaaknummer
202201892/1/A3 en 202201892/2/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 oktober 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam de door [appellant] gevraagde bewonersvergunning geweigerd. [appellant] beschikte op zijn vorige woonadres, [locatie A] in Amsterdam-Zuidoost, over een parkeervergunning voor bedrijven. Vervolgens is hij verhuisd naar [locatie B], en kort daarop ontving hij een brief van het college waarin het college aangaf te willen toetsen of nog steeds werd voldaan aan de voorwaarden voor een parkeervergunning voor bedrijven. Naar aanleiding van deze brief heeft [appellant] bij het college een aanvraag ingediend om zijn parkeervergunning voor bedrijven om te zetten in een bewonersvergunning. Op 29 oktober 2021 heeft het college besloten om aan [appellant] geen bewonersvergunning te verlenen, omdat hij één auto heeft en beschikt over een stallingsplaats. De rechtbank heeft het beroep van [appellant] ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202201892/1/A3 en 202201892/2/A3.

Datum uitspraak: 6 juli 2022

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Amsterdam,

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) van 10 maart 2022 in zaak nr. 22/595 en 22/596 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 29 oktober 2021 heeft het college de door [appellant] gevraagde bewonersvergunning geweigerd.

Bij besluit van 26 januari 2022 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 maart 2022 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Tevens heeft [appellant] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 19 mei 2022, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. D.R. de Vries, zijn verschenen.

De Afdeling heeft het onderzoek na de zitting heropend om het college in de gelegenheid te stellen om schriftelijk te reageren op de stelling van [appellant] dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden. Bij brief van 3 juni 2022 heeft het college een schriftelijke reactie ingediend. Bij brief van 10 juni 2022 heeft [appellant] hierop gereageerd.

Nadat partijen toestemming hebben gegeven een nadere zitting achterwege te laten, heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.       In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.       De van belang zijnde bepalingen uit de Parkeerverordening 2013 en het Uitwerkingsbesluit Parkeerverordening 2013, Amsterdam-Zuidoost 2013 (hierna: het Uitwerkingsbesluit) zijn opgenomen in de aangehechte bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Inleiding

3.       [appellant] beschikte op zijn vorige woonadres, [locatie A] in Amsterdam-Zuidoost, over een parkeervergunning voor bedrijven. Vervolgens is hij verhuisd naar [locatie B], en kort daarop ontving hij een brief van het college waarin het college aangaf te willen toetsen of nog steeds werd voldaan aan de voorwaarden voor een parkeervergunning voor bedrijven.

Naar aanleiding van deze brief heeft [appellant] bij het college een aanvraag ingediend om zijn parkeervergunning voor bedrijven om te zetten in een bewonersvergunning. Op 29 oktober 2021 heeft het college besloten om aan [appellant] geen bewonersvergunning te verlenen, omdat hij één auto heeft en beschikt over een stallingsplaats. Dit brengt volgens het college mee dat [appellant] op grond van artikel 9, vierde lid, van de Parkeerverordening 2013 geen recht heeft op een bewonersvergunning. Bij besluit van 26 januari 2022 heeft het college het bezwaar van [appellant] hiertegen ongegrond verklaard, waarbij het college mede in aanmerking heeft genomen dat [appellant] eigenaar is van meerdere parkeerplaatsen in Amsterdam-Zuidoost, zoals uit het Kadaster blijkt.

Aangevallen uitspraak

4.       De rechtbank heeft het beroep van [appellant] ongegrond verklaard. De rechtbank heeft namelijk vastgesteld dat [appellant] één auto heeft en over één garage beschikt, en daarom geen recht heeft op een bewonersvergunning. Dat zijn auto niet past in de garage is volgens de rechtbank een omstandigheid die voor rekening en risico van [appellant] komt. Bovendien is hij eigenaar van meerdere woningen en garages in het vergunninggebied. Hij kan dus op meerdere plekken zijn auto stallen. Het bovenstaande betekent volgens de rechtbank dat het college niet de hardheidsclausule hoefde toe te passen, en daarom terecht de aanvraag van [appellant] heeft afgewezen.

Hoger beroep

-        Lezing artikel 9 Parkeerverordening 2013

5.       [appellant] betoogt dat hij op grond van artikel 9, eerste en vierde lid, van de Parkeerverordening 2013 recht heeft op een bewonersvergunning. Volgens zijn lezing van deze artikelleden werkt het Amsterdamse parkeervergunningensysteem zo, dat iedere bewoner in beginsel recht heeft op twee bewonersvergunningen. Van deze twee vergunningen wordt vervolgens het aantal stallingsplaatsen afgetrokken waarover de bewoner zelf beschikt of kan beschikken. Aangezien [appellant] slechts één garage heeft, heeft hij volgens zijn lezing dus nog steeds recht op één bewonersvergunning.

5.1.    Dit betoog van [appellant] berust op een verkeerde lezing van de Parkeerverordening 2013. Uit artikel 9, eerste en vierde lid, van de Parkeerverordening 2013 in samenhang met artikel 9 van het Uitwerkingsbesluit blijkt namelijk dat het parkeervergunningensysteem anders werkt dan [appellant] veronderstelt. Bewoners hebben alleen recht op een parkeervergunning als zij meer auto’s hebben dan stallingsplaatsen, en hierbij geldt vervolgens dat zij maximaal twee vergunningen kunnen krijgen. Omdat [appellant] één auto heeft en één stallingsplaats, komt hij in beginsel dus niet in aanmerking voor een bewonersvergunning.

Het betoog slaagt niet.

-        Hardheidsclausule (artikel 40 Parkeerverordening 2013)

6.       Voor zover [appellant] betoogt dat de garage bij zijn woning te klein is voor het stallen van zijn auto, zal de Afdeling dit betoog opvatten als een beroep op de hardheidsclausule, zoals zij ook met een vergelijkbaar betoog heeft gedaan in de uitspraken van 31 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:354 en 18 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4276. Het systeem van de Parkeerverordening 2013 veronderstelt dat een bewonersvergunning niet nodig is als een bewoner beschikt of kan beschikken over een stallingsplaats voor een voertuig. Deze veronderstelling klopt niet indien de stallingsplaats niet als zodanig kan worden gebruikt, omdat deze te klein is. Hoewel de afmetingen niet bepalend zijn bij de beoordeling of een stallingsplaats voldoet aan de definitie, neergelegd in artikel 1, aanhef en onder hh, van de Parkeerverordening 2013, zijn deze wel relevant bij een beroep op de hardheidsclausule van artikel 40 van de Parkeerverordening 2013.

7.       [appellant] voert in dit verband aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college in zijn situatie de hardheidsclausule niet hoefde toe te passen. Zijn auto is namelijk met uitgeklapte spiegels 2,10 m breed, terwijl zijn garage bij de ingang slechts 2,30 m breed is. Dit maakt het voor hem moeilijk om de garage in te rijden. Hier komt bij dat het indraaien nog moeilijker is wanneer het parkeervak tegenover zijn garage bezet is door een auto. Bovendien is de garage aan de binnenkant zo smal dat het eveneens lastig is om uit te stappen als de auto eenmaal in de garage staat. [appellant] mag dan wel een garage hebben, maar door de grootte van zijn auto kan hij die feitelijk niet gebruiken.

Verder voert [appellant] aan dat de rechtbank bij de beantwoording van de vraag of hij recht heeft op een parkeervergunning niet de parkeerplaatsen had mogen betrekken die hij los van zijn eigen woonadres in eigendom heeft. Deze parkeerplaatsen verhuurt hij immers aan anderen, wat betekent dat hij hier zelf niet over kan beschikken. Bovendien liggen deze parkeerplaatsen buiten het vergunninggebied Zuidoost 4, waar [appellant] woont. Omdat artikel 9, eerste lid, van de Parkeerverordening 2013 de termen ‘in een vergunninggebied’ gebruikt, had de rechtbank deze parkeerplaatsen niet mogen betrekken bij haar oordeel.

7.1.    De rechtbank heeft naar het oordeel van de Afdeling terecht geen aanleiding gezien om in dit geval de hardheidsclausule toe te passen. [appellant] heeft meerdere parkeerplaatsen in garages in Amsterdam-Zuidoost. Dat deze parkeerplaatsen buiten vergunninggebied Zuidoost 4 liggen, is niet doorslaggevend voor de beoordeling van [appellant]s beroep op de hardheidsclausule. Het gaat erom of de parkeerplaatsen binnen een redelijke afstand van [appellant]s woonadres liggen. Dat is het geval, aangezien deze parkeerplaatsen op enkele minuten loopafstand liggen.

Ter zitting is vast komen te staan dat ten minste één van deze parkeerplaatsen niet gekoppeld is aan het appartementsrecht van een woning die door [appellant] wordt verhuurd. Bovendien zit deze parkeerplaats ook fysiek niet vast aan de verhuurde woning, maar is deze gelegen in een  parkeergarage. [appellant] had er dus voor kunnen kiezen om aan zijn huurders alleen de woning te verhuren en niet de parkeerplaats. Dat hij die parkeerplaats verhuurt is dus zijn eigen keuze. Gelet op het bovenstaande zijn er in deze zaak geen omstandigheden die maken dat sprake is van bijzondere hardheid.

Dit betoog slaagt evenmin.

-        Gelijkheidsbeginsel

8.       In hoger beroep heeft [appellant] een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Hij voert aan dat zijn buren op de adressen [locatie C] en [locatie D] net als hij een garage hebben, maar wel met een bewonersvergunning hun auto’s op straat mogen parkeren. In de brief van het college van 3 juni 2022 is gesteld dat na onderzoek is gebleken dat de bewoner van [locatie D] geen recht heeft op een bewonersvergunning. De bewoner beschikt over twee stallingsplaatsen. De bewonersvergunning is daarom ten onrechte verleend. Op 3 juni 2022 is aan de bewoner een intrekkingsbesluit gestuurd. Op [locatie C] kan worden beschikt over één stallingsplaats. Op dat adres kan een bewonersvergunning worden verleend, als de bewoner houder is van twee motorvoertuigen. Omdat niet duidelijk is of de bewoner twee motorvoertuigen heeft, heeft het college op 3 juni 2022 een voornemen tot intrekken van de vergunning verstuurd. De vergunninghouder is een termijn gegeven om aan te tonen dat kan worden beschikt over twee motorvoertuigen. Als de vergunninghouder dit niet kan, wordt ook deze vergunning ingetrokken. De omstandigheid dat het college inmiddels bij [locatie D] tot intrekking is overgaan overgegaan en dit bij [locatie C] ook zal doen als blijkt dat de bewoner houder is van één motorvoertuig, maakt dat het college, zoals het college zelf ook aangeeft, gelijke gevallen gelijk behandelt. Wat [appellant] hiertegen heeft ingebracht, geeft geen aanleiding om daarover anders te oordelen.

Het betoog faalt.

Slotsom

9.       Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

10.     Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

11.     Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.       wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. B. Ley-Nell, griffier.

w.g. Van Altena

voorzieningenrechter

w.g. Ley-Nell

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2022

 

BIJLAGE

 

Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Amsterdam houdende regels omtrent parkeren (Parkeerverordening 2013)

Artikel 1 begripsomschrijvingen

In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

[…]

hh. stallingsplaats: plaats, juridisch, feitelijk of planologisch bestemd of bedoeld om motorvoertuigen te stallen, gelegen buiten de openbare weg en niet voor het openbaar verkeer openstaand of toegankelijk

Artikel 9 De bewonersvergunning

1. Het college kan een bewonersvergunning verlenen aan de houder van een motorvoertuig die bewoner is van een adres, gelegen in een vergunninggebied en een bewoner van dat adres niet beschikt of niet kan beschikken over een stallingsplaats en/of een belanghebbendenparkeerplaats binnen de gemeente Amsterdam.

2. Het college kan in nadere regels bepalen dat per adres nul, één of twee bewonersvergunningen kunnen worden verleend. Op de adressen waar twee bewonersvergunningen kunnen worden verleend, geldt als voorwaarde voor het verlenen van een tweede bewonersvergunning dat de bewoner of bewoners van dat adres houder zijn van ten minste twee motorvoertuigen.

[…]

4. Indien binnen een vergunninggebied twee bewonersvergunningen per adres kunnen worden verleend, wordt het aantal stallingsplaatsen en belanghebbendenparkeerplaatsen waar bewoners of een bewoner van dat adres over beschikken of kunnen beschikken afgetrokken van het maximum aantal te verlenen bewonersvergunningen per adres.

[…]

Artikel 40 Hardheidsclausule

Het college is bevoegd, in gevallen waarin de toepassing van deze verordening naar hun oordeel tot een bijzondere hardheid leidt, ten gunste van de aanvrager af te wijken van het bepaalde in deze verordening.

Uitwerkingsbesluit Parkeerverordening 2013, Amsterdam-Zuidoost 2013

Artikel 9 De bewonersvergunningen

1. Een bewonersvergunning wordt verleend aan de houder van een motorvoertuig die bewoner is van een zelfstandige woning, gelegen in een vergunninggebied, indien de bewoner van die zelfstandige woning niet beschikt, niet kan beschikken en/of heeft kunnen beschikken over een stallingsplaats en/of een belanghebbendenparkeerplaats binnen de gemeente Amsterdam.

2. Per zelfstandige woning kunnen voor de vergunning gebieden: Stadsdeel Zuidoost 031 en Stadsdeel Zuidoost 032, maximaal twee bewonersvergunningen worden verleend.

3. Indien binnen een vergunninggebied twee bewonersvergunningen per zelfstandige woning kunnen worden verleend, wordt aan de houder van een motorvoertuig:

a. één bewonersvergunning verleend indien een bewoner van die zelfstandige woning beschikt of kan beschikken over één stallingsplaats en aantoonbaar beschikt over twee (of meer) motorvoertuigen;

b. geen bewonersvergunning verleend indien een bewoner van die zelfstandige woning beschikt of kan beschikken over meer dan één stallingsplaats en/of een belanghebbendenparkeerplaats binnen de gemeente Amsterdam.

[…]