Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2022:1871

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-07-2022
Datum publicatie
06-07-2022
Zaaknummer
202203075/2/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 maart 2019 heeft het college het verzoek om handhavend op te treden tegen het bedrijf Wadudu Insecten Centrum op het perceel Noordveen 1 in Beilen, afgewezen. In de uitspraak van 7 april 2022 heeft de rechtbank in het kader van de vraag of de activiteiten van Wadudu passen binnen het bestemmingsplan over het besluit tot oplegging van een last onder dwangsom van 12 maart 2020 en over de verleende omgevingsvergunning van 19 oktober 2020 overwogen dat de onderzoeksactiviteiten van Wadudu mede zijn gericht op het optimaliseren van de productie van insecten zodat productie op zich onlosmakelijk is verbonden met de onderzoeksactiviteiten. Het college heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat het college geen nieuwe besluiten hoeft te nemen totdat op zijn hoger beroep is beslist. De reden daarvoor is dat het college wil voorkomen dat het op basis van een volgens het college onjuiste opdracht een nieuwe last onder dwangsom moet opleggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202203075/2/R3.

Datum uitspraak: 4 juli 2022

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)), hangende het hoger beroep van onder meer:

het college van burgemeester en wethouders van Midden-Drenthe,

verzoeker,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord­-Nederland van 7 april 2022 in zaak nrs. 20/1247 en 20/3484 in het geding tussen:

[wederpartij]

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 11 maart 2019 heeft het college het verzoek om handhavend op te treden tegen het bedrijf Wadudu Insecten Centrum op het perceel Noordveen 1 in Beilen, afgewezen.

Bij besluit van 10 maart 2020, verzonden op 12 maart 2020, heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar deels gegrond verklaard, het besluit wat betreft het onderdeel meelmotten herroepen en aan Wadudu een last onder dwangsom opgelegd vanwege overtreding van voorschrift 1.1.4 van de vergunning van 5 december 2017. Voor het overige heeft het college het besluit met aanvulling van de motivering in stand gelaten.

Blijkens de uitspraak van de rechtbank heeft het college bij besluit van 19 oktober 2020 aan Wadudu een omgevingsvergunning verleend voor het veranderen van de werking van de inrichting, inclusief de bouw van een kweekruimte voor de black soldier flies en de bouw van een schoorsteen.

Bij uitspraak van 7 april 2022 heeft de rechtbank het door [wederpartij] ingestelde beroep tegen de besluiten van 10 maart 2020 en 19 oktober 2020 gegrond verklaard en deze besluiten vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.

Tevens heeft het college de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

[wederpartij] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 21 juni 2022, waar het college, vertegenwoordigd door mr. R.S. Wertheim, advocaat te Zwolle, en H. Eefting, en [wederpartij], bijgestaan door mr. F. Krol-Postma, advocaat te Heerenveen, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Wadudu, vertegenwoordigd door ing. L. Polinder en ir. J.M. Katoele, als partij gehoord.

Overwegingen

1.       Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.       In de uitspraak van 7 april 2022 heeft de rechtbank in het kader van de vraag of de activiteiten van Wadudu passen binnen het bestemmingsplan over het besluit tot oplegging van een last onder dwangsom van 12 maart 2020 en over de verleende omgevingsvergunning van 19 oktober 2020 overwogen dat de onderzoeksactiviteiten van Wadudu mede zijn gericht op het optimaliseren van de productie van insecten zodat productie op zich onlosmakelijk is verbonden met de onderzoeksactiviteiten. Dat laat volgens de rechtbank echter onverlet dat er tussen de onderzoeksactiviteiten en die productie een onlosmakelijk band moet bestaan en dat er niet meer geproduceerd wordt dan in het kader van de onderzoeksactiviteiten noodzakelijk is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college niet toereikend onderbouwd of en in hoeverre er in de inrichting productie en of kweek plaatsvindt, los van de onderzoeksactiviteiten ten behoeve van het ‘natuurwetenschappelijk speurwerk’. Omdat niet in geschil is dat de productie dan wel de kweek van insecten heeft plaatsgevonden, moet het college naar het oordeel van de rechtbank in het kader van de handhavingsprocedure en in het kader van de omgevingsvergunning alsnog beoordelen of het in dit geval uitsluitend gaat om ‘natuurwetenschappelijk speurwerk' met de benodigde spin-off, of om een productiebedrijf of kwekerij. Hierbij heeft de rechtbank geoordeeld dat [wederpartij] ondanks zijn verhuizing nog procesbelang heeft, omdat volgens de rechtbank niet onaannemelijk is dat het besluit tot oplegging van de last onder dwangsom en het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning kunnen leiden tot de door [wederpartij] gestelde waardedaling van zijn woning. De rechtbank heeft de besluiten van 12 maart 2020 en 19 oktober 2020 vernietigd en het college opgedragen om opnieuw besluiten te nemen.

3.       Het college heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat het college geen nieuwe besluiten hoeft te nemen totdat op zijn hoger beroep is beslist. De reden daarvoor is dat het college wil voorkomen dat het op basis van een volgens het college onjuiste opdracht een nieuwe last onder dwangsom moet opleggen en de vergunning moet weigeren. Het college betwijfelt namelijk of de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep in stand zal kunnen blijven. In de eerste plaats voert het college daarover aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat [wederpartij] nog procesbelang heeft. Dat [wederpartij] op de zitting bij de rechtbank heeft gesteld dat hij schade heeft geleden in de vorm van waardedaling van zijn woning, is volgens het college onvoldoende voor het oordeel dat hij een begin heeft gemaakt met aannemelijk maken dat hij schade heeft geleden als gevolg van de besluitvorming in deze zaak. Daarnaast passen de activiteiten van Wadudu volgens het college wel in het bestemmingsplan. In dat verband wijst het college op onder meer het verslag van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke ordening van 12 april 2021. Volgens het college is er al een onderbouwing gegeven en kan nader onderzoek door het college niet leiden tot meer duidelijkheid hierover. Volgens het college heeft de rechtbank dan ook ten onrechte nagelaten zelf de vraag te beantwoorden of de activiteiten van Wadudu passen in het bestemmingsplan.

4.       Tussen partijen is niet in geschil dat [wederpartij] zijn woning op 30 april 2021, en daarmee voor de zitting bij de rechtbank, heeft geleverd aan de nieuwe eigenaren.

[wederpartij] heeft over de door hem geleden schade gesteld dat door kijkers/koper is aangegeven dat de prijs lager moest vanwege "een stinkfabriek naast dit huis", dat er sprake is van motjes en wormpjes in voedsel en de keuken, dat er veel kosten zijn gemaakt voor onder meer een advocaat en er sprake is van inkomstenderving, en er ook immateriële schade is geleden.

5.       Als iemand stelt schade te hebben geleden, kan dat betekenen dat hij belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. De voorzieningenrechter verwijst bij wijze van voorbeeld naar de uitspraak van 22 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2282. Het moet wel enigszins aannemelijk zijn dat schade is geleden als gevolg van het besluit.

De kortste afstand van de woning van [wederpartij] tot Wadudu is ongeveer 27 m. De voorzieningenrechter sluit niet uit dat voor de koper van de woning van [wederpartij] de nabijheid van Wadudu en de daarvan door [wederpartij] ervaren overlast mede de koopprijs heeft bepaald. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [wederpartij] daarmee voldoende aannemelijk gemaakt dat deze door hem gestelde schade het gevolg kan zijn van de besluiten in het kader van de handhaving en de vergunningverlening. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat [wederpartij] nog belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep.

6.       Wat het college heeft aangevoerd over het oordeel van de rechtbank dat het college - kort weergegeven - niet toereikend heeft gemotiveerd dat de activiteiten van Wadudu passen in het bestemmingsplan,

vereist nader onderzoek, waarvoor deze procedure zich niet leent. De voorzieningenrechter zal daarom met een belangenafweging bepalen of vooruitlopend op de beoordeling in de bodemprocedure een voorlopige voorziening moet worden getroffen.

7.       De voorzieningenrechter overweegt dat een efficiënte en finale geschillenbeslechting is gediend met het nemen van nieuwe besluiten ter uitvoering van de uitspraak, aangezien deze besluiten met toepassing van artikel 6:19 van de Awb door de Afdeling kunnen worden meegenomen bij de beoordeling van het hoger beroep. In dit geval heeft [wederpartij] ter zitting echter aangegeven dat het hem uitsluitend nog om een schadevergoeding gaat, zodat zijn belangen naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet onevenredig worden geschaad als een eventueel nieuw besluit pas wordt genomen na de bodemprocedure. Ook aan de zijde van Wadudu is de voorzieningenrechter niet gebleken van belangen die zich daartegen verzetten. Onder deze omstandigheden ziet de voorzieningenrechter aanleiding om de uitspraak van de rechtbank te schorsen.

8.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

schorst bij wijze van voorlopige voorziening de uitspraak van de rechtbank Noord­Nederland van 7 april 2022 in zaak nrs. 20/1247 en 20/3484.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. Schueler, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J. Buskermolen, griffier.

w.g. Schueler

voorzieningenrechter

w.g. Buskermolen

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2022

896