Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2022:1553

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-06-2022
Datum publicatie
01-06-2022
Zaaknummer
202104862/1/R3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2021:6441, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 december 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag geweigerd een omgevingsvergunning te verlenen voor het plaatsen van een kiosk aan het Paul Krugerplein. Op 19 maart 2018 heeft [appellant] een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor de activiteiten bouwen en handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening ten behoeve van het plaatsen van een kiosk aan het Paul Krugerplein, zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Het college heeft bij besluit van 11 december 2020 geweigerd de omgevingsvergunning te verlenen onder toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure, zoals neergelegd in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Het besluit vermeldt dat belanghebbenden binnen zes weken na bekendmaking daarvan een beroepschrift kunnen indienen bij de rechtbank Den Haag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202104862/1/R3.

Datum uitspraak: 1 juni 2022

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Den Haag,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 juni 2021 in zaak nr. 21/890 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.

Procesverloop

Bij besluit van 11 december 2020 heeft het college geweigerd een omgevingsvergunning te verlenen voor het plaatsen van een kiosk aan het Paul Krugerplein.

Bij uitspraak van 14 juni 2021 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 maart 2022, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door TM.T. Konings en mr. A. Regenboog, zijn verschenen.

Overwegingen

1.       Op 19 maart 2018 heeft [appellant] een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor de activiteiten bouwen en handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening ten behoeve van het plaatsen van een kiosk aan het Paul Krugerplein, zoals bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo). Het college heeft bij besluit van 11 december 2020 geweigerd de omgevingsvergunning te verlenen onder toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure, zoals neergelegd in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Het besluit vermeldt dat belanghebbenden binnen zes weken na bekendmaking daarvan een beroepschrift kunnen indienen bij de rechtbank Den Haag.

Bij e-mailbericht van 27 januari 2021 heeft [appellant] na telefonisch contact met de rechtbank geïnformeerd naar het uitblijven van een ontvangstbevestiging van zijn beroepschrift. Hij stelt in die e-mail zijn beroepschrift op 15 januari 2021 per gewone post te hebben verstuurd. Hij heeft dat beroepschrift bij die e-mail gevoegd.

2.       De rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft daarbij vastgesteld dat de termijn voor het indienen van een beroepschrift liep tot en met 22 januari 2021 en dat zij het beroepschrift, gedateerd op 14 januari 2021, pas heeft ontvangen bij e-mailbericht van 27 januari 2021. De rechtbank heeft zich gebogen over de vraag of [appellant] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat niet-ontvankelijkverklaring achterwege dient te blijven omdat hij het beroepschrift voor het verstrijken van de beroepstermijn heeft verzonden. De rechtbank is van oordeel dat [appellant] dit niet aannemelijk heeft gemaakt. Daartoe overweegt de rechtbank dat de bewijslast om aannemelijk te maken dat hij niet in verzuim is geweest bij [appellant] ligt. Volgens de rechtbank ontbreekt in het dossier een enveloppe met een poststempel. Aan de hand van de door [appellant] overgelegde stukken, waaronder de verklaringen van zijn moeder en zijn partner, is niet vast te stellen dat het beroepschrift tijdig door hem ter post is bezorgd. [appellant] heeft nagelaten bij PostNL te informeren over het uitblijven van een reactie op de door hem ingediende klacht. Dit dient volgens de rechtbank voor zijn rekening en risico te komen. Voor zover [appellant] bedoelt te betogen dat de overschrijding van de beroepstermijn hem niet kan worden aangerekend omdat het PostNL-afgiftepunt Baksi Multiservice tijdens de ‘lockdown’ beperkt open is geweest, overweegt de rechtbank dat het voor hem niet onmogelijk was om zijn beroepschrift voor het einde van de termijn, al dan niet aangetekend, te versturen. Volgens de rechtbank had hij gelet op het feit dat de beroepstermijn nog zeven dagen liep na dagtekening van het poststuk, voldoende gelegenheid om het poststuk nadien alsnog per aangetekende post te versturen, desnoods bij een ander PostNL-punt, toen op 15 januari 2021 bleek dat Baksi Multiservice gesloten was.

3.       [appellant] betoogt dat de rechtbank zijn beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Hij stelt dat hij zijn beroepschrift wel tijdig heeft aangeboden per reguliere postbezorging. Hij heeft het poststuk vervolgens, nagenoeg gelijktijdig met de aangevallen uitspraak, retour ontvangen van PostNL. Navraag bij PostNL heeft hem geleerd dat het poststuk in het ongerede is geraakt omdat de adressering onjuist zou zijn, terwijl het adres op de geretourneerde enveloppe juist is. De reden dat het poststuk niet is bezorgd is zowel hem als het postbedrijf onduidelijk. [appellant] wilde het poststuk niet persoonlijk naar de rechtbank brengen vanwege de maatregelen omtrent het coronavirus. Hij heeft vertrouwd op de postbezorging om de brief te bezorgen. [appellant] wijst er verder op dat hij uit eigen beweging heeft geïnformeerd naar het uitblijven van een ontvangstbevestiging en vervolgens direct het beroepschrift naar de griffie van de rechtbank heeft gemaild.

4.       Artikel 6:7 van de Awb luidt:

"De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken."

Artikel 6:8, eerste lid, luidt:

"De termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt."

Artikel 6:9, eerste lid, luidt:

"Een beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen."

Artikel 6:11 luidt:

"Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest."

5.       In een geval waarin het bestuursorgaan of de rechter het geschrift niet heeft ontvangen, is de enkele stelling dat een zienswijze, bezwaar- of beroepschrift in een brievenbus is gedaan, is afgegeven bij een vestiging van een bij de Autoriteit Consument en Markt geregistreerd postvervoerbedrijf of is afgegeven bij de instantie waarvoor het geschrift is bestemd, onvoldoende om aan te nemen dat de zienswijze of het bezwaar- of beroepschrift is verzonden of bezorgd. Het is in dat geval aan belanghebbende om aannemelijk te maken dat hij dit heeft gedaan, bijvoorbeeld aan de hand van verklaringen van getuigen.

6.       De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank het beroep terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat [appellant] er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat hij het beroepschrift tijdig, voor het verstrijken van de beroepstermijn, ter post heeft bezorgd. Zoals uit het e-mailbericht van 16 juli 2021 van PostNL aan [appellant] blijkt, is het voor de postdienst niet mogelijk onderzoek te doen naar de mislukte bezorging van een brief die in een brievenbus is gedeponeerd. Omdat PostNL terzake geen onderzoek kan doen, kan niet worden vastgesteld op welk moment [appellant] de brief in de brievenbus heeft gedeponeerd. Uit de latere correspondentie met PostNL,  waar [appellant] op wijst, blijkt dat er iets mis is gegaan met de bezorging, maar niet waarom de brief niet bij de rechtbank is bezorgd en ook niet op welk moment het poststuk door [appellant] ter bezorging is aangeboden. Dat hij de enveloppe retour heeft ontvangen is ook geen omstandigheid waaruit blijkt dat [appellant] niet in verzuim is geweest het poststuk tijdig te verzenden. Op de enveloppe ontbreekt een poststempel waaruit blijkt dat het poststuk voor het verstrijken van de beroepstermijn is verzonden. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen is het aan [appellant] om dit aannemelijk te maken.

De rechtbank heeft verder terecht overwogen dat [appellant] niet heeft onderbouwd dat het voor hem niet mogelijk was om het beroepschrift per aangetekende post te verzenden vanwege de maatregelen omtrent het coronavirus. [appellant] heeft ervoor gekozen het beroepschrift per reguliere post te verzenden en daardoor niet over een verzendbewijs te kunnen beschikken. De rechtbank overweegt terecht dat dit voor zijn rekening en risico dient te blijven.

7.       Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J.M.A. Poppelaars, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen         

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen

Uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2022

780-997