Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2022:1504

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-05-2022
Datum publicatie
25-05-2022
Zaaknummer
202105299/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 juni 2021 heeft de raad van de gemeente Gouda het bestemmingsplan "Ridder van Catsweg 683, Gouda" vastgesteld. Het plangebied bevindt zich in Gouda en wordt begrensd door de Ridder van Catsweg aan de noord- en oostzijde en het Catsveld aan de zuidzijde. Op de gronden van het plangebied waren een autobedrijf met een showroom, een autowerkplaats, een wasstraat en een tankstation gevestigd. Vastbouw wil de gronden van het plangebied ontwikkelen als woningbouwlocatie. Het bestemmingsplan "Ridder van Catsweg 683, Gouda" kent daarvoor onder meer de bestemmingen "Wonen", "Groen", "Tuin" en "Verkeer - Verblijf" toe aan de gronden van het plangebied. Het aantal in het plangebied voorziene woningen bedraagt maximaal 172. Deze woningen zullen volgens paragraaf 3.1 van de plantoelichting in drie woongebouwen worden gerealiseerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2022/7415
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202105299/1/R3.
Datum uitspraak: 25 mei 2022

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het geding tussen:

1. Vereniging Beheer Catsveld Locatie, gevestigd te Gouda, en anderen, (hierna tezamen en in enkelvoud: de vereniging),

2. [ appellant], wonend te Gouda,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Gouda,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 30 juni 2021 heeft de raad het bestemmingsplan "Ridder van Catsweg 683, Gouda" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben de vereniging en [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Vastbouw Vastgoedontwikkeling B.V. (hierna: Vastbouw) heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Bij besluit van 8 december 2021 (hierna: het herstelbesluit) heeft de raad het bestemmingsplan "Ridder van Catsweg 683, Gouda" opnieuw en gewijzigd vastgesteld.

De vereniging, [appellant] en Vastbouw hebben een zienswijze naar voren gebracht naar aanleiding van het herstelbesluit.

De raad en Vastbouw hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op zitting behandeld op 28 februari 2022, waar zijn verschenen:

- de vereniging, bij monde van [gemachtigden A], bijgestaan door [gemachtigde B];

- [ appellant], bijgestaan door mr. M.J.S. Spanjersberg, advocaat te Zoetermeer;

- de raad, vertegenwoordigd door mr. P. Rausch, mr. S. Davids en drs. H. van Dijk.

Ook is op zitting Vastbouw, vertegenwoordigd door [gemachtigden C] en bijgestaan door mr. J.J. Molenaar en mr. J.P.H. de Bruin, beiden advocaat te Arnhem, als partij gehoord. Namens Vastbouw zijn ook gehoord dr. ir. L. Aanen, T.B.W. Kraaijenbrink MSc, beiden werkzaam bij Peutz, en J. Langejans, werkzaam bij BJZ.nu.

Overwegingen

Bestuurlijke lus

1. Ingevolge artikel 8:51d van de Awb kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

Inleiding

2. Het plangebied bevindt zich in Gouda en wordt begrensd door de Ridder van Catsweg aan de noord- en oostzijde en het Catsveld aan de zuidzijde.

Op de gronden van het plangebied waren een autobedrijf met een showroom, een autowerkplaats, een wasstraat en een tankstation gevestigd. Vastbouw wil de gronden van het plangebied ontwikkelen als woningbouwlocatie. Het bestemmingsplan "Ridder van Catsweg 683, Gouda" kent daarvoor onder meer de bestemmingen "Wonen", "Groen", "Tuin" en "Verkeer - Verblijf" toe aan de gronden van het plangebied. Het aantal in het plangebied voorziene woningen bedraagt maximaal 172. Deze woningen zullen volgens paragraaf 3.1 van de plantoelichting in drie woongebouwen worden gerealiseerd.

3. Het beroep van de vereniging is ook ingediend namens de natuurlijke personen die wonen aan de [zeven locaties]. [appellant] woont aan [locatie 8]. De vereniging en [appellant] kunnen zich niet verenigen met het bestemmingsplan.

Herstelbesluit

4. Artikel 6:19, eerste lid, van de Awb:

"Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben."

5. Bij het herstelbesluit heeft de raad het bestemmingsplan "Ridder van Catsweg 683, Gouda" opnieuw en gewijzigd vastgesteld. De Afdeling stelt vast dat op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb tegen het herstelbesluit ook een beroep van rechtswege is ontstaan van de vereniging en [appellant]. Wat zij tegen het oorspronkelijke besluit van 30 juni 2021 naar voren hebben gebracht, zal de Afdeling aanmerken als de gronden van hun beroepen van rechtswege tegen het herstelbesluit.

Bijlage

6. De relevante wettelijke bepalingen en planregels die ten grondslag liggen aan de hierna volgende rechtsoverwegingen, zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.

Intrekking beroepsgronden

7. Op de zitting heeft de vereniging haar beroepsgronden over de vaststelling van een wezenlijk ander plan en de luchtkwaliteit ingetrokken. [appellant] heeft op de zitting zijn beroepsgronden over de toepasselijkheid van de Crisis- en herstelwet en de openbare plint ingetrokken.

Toetsingskader

8. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Het beroep tegen het herstelbesluit

Procedureel

Inspraak

9. De vereniging voert aan dat er ten onrechte geen voorontwerp voor inspraak ter inzage is gelegd en dat er geen inspraakmogelijkheid is geweest voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpplan.

9.1.

De Afdeling stelt vast dat de bestemmingsplanprocedure volgens de procedurele regels in de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: het Bro) en de Awb is verlopen. Het ter inzage leggen van een voorontwerp en het bieden van inspraak voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan maken geen onderdeel uit van de in de Wro, het Bro en de Awb geregelde bestemmingsplanprocedure.

De Afdeling wijst er daarnaast op dat een ieder voorafgaand aan de vaststelling van het plan de mogelijkheid krijgt om, mondeling of schriftelijk, zienswijzen naar voren te brengen over het ontwerpplan. Dit heeft de wetgever voldoende gevonden om een visie op het plan naar voren te brengen. De vereniging heeft in dit geval van die mogelijkheid ook gebruik gemaakt.

Het betoog slaagt niet.

Bevoegdheid college

10. De vereniging betoogt dat de raad zijn bevoegdheid tot het vaststellen van bestemmingsplannen niet kan delegeren en mandateren aan het college van burgemeester en wethouders van Gouda (hierna: het college). De vereniging wijst op het document "Procesvoorstel vervolgbehandeling BP Ridder van Catsweg 683 i.r.t. voorgestelde ambtshalve wijziging". Dit procesvoorstel is op 15 juni 2021 door de raad aanvaard. Volgens de vereniging volgt uit dit procesvoorstel dat het college in de verbeelding, planregels en plantoelichting ambtshalve wijzigingen kan doorvoeren. Dit is volgens de vereniging door het college gebeurd.

10.1.

De Afdeling stelt vast dat uit het procesvoorstel niet volgt dat de bevoegdheid tot de vaststelling van het bestemmingsplan door de raad aan het college is overgedragen. Het plan is door de raad op 30 juni 2021 vastgesteld. In zoverre mist het betoog feitelijke grondslag.

Voor zover de vereniging doelt op wijzigingen die door het college zijn doorgevoerd in stukken die ter besluitvorming aan de raad zijn voorgelegd, wijst de Afdeling op het volgende. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 6 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW7636), is het college ingevolge artikel 160, eerste lid, aanhef en onder b, van de Gemeentewet bevoegd beslissingen van de raad voor te bereiden en uit te voeren. Uit het genoemde document blijkt dat het ambtshalve wijzigen van de verbeelding, planregels en plantoelichting onderdeel uitmaakt van de voorbereiding van een beslissing van de raad als bedoeld in dat artikelonderdeel.

Het betoog slaagt niet.

Bestuurlijk informatiesysteem

11. De vereniging betoogt dat het plan is vastgesteld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Zij voert hierover aan dat het college op het laatste moment in het bestuurlijk informatiesysteem bepaalde stukken heeft vervangen. Deze stukken waren ten onrechte niet gevoegd bij de agenda’s van de vergaderingen van de Commissie Stad op 28 juni 2021 en van de raad op 30 juni 2021. De vereniging betoogt daarnaast dat in de "Nota van beantwoording zienswijzen en ambtshalve wijzigingen" (hierna: de zienswijzennota) voor de bijeenkomsten van de Commissie Stad en de raad nog de oude bijlagen waren gevoegd.

11.1.

In het verweerschrift heeft de raad toegelicht dat hij het plan heeft vastgesteld op basis van de stukken die deel uitmaken van het bestemmingsplan en de stukken die zijn uitgewisseld in het bestuurlijk informatiesysteem. Daarbij zijn verschillende onderzoeken die ten grondslag liggen aan het bestemmingsplan tussentijds, onder meer naar aanleiding van naar voren gebrachte zienswijzen, aangevuld en aangepast. Die geactualiseerde onderzoeken zijn toegevoegd aan het bestuurlijk informatiesysteem, waarbij de achterhaalde versies uit het systeem zijn verwijderd. Op de zitting is door de raad verklaard dat bij de besluitvorming tot vaststelling van het plan de raad de beschikking had over alle geactualiseerde stukken.

Gelet op deze toelichting van de raad is de Afdeling van oordeel dat de raad aannemelijk heeft gemaakt dat de geactualiseerde stukken kenbaar waren voor de Commissie Stad en de raad. De omstandigheid dat deze stukken niet bij de agenda waren gevoegd en dat in de zienswijzennota nog de oude bijlagen waren gevoegd, wat daarvan ook zij, doet daar niet aan af. Het betoog slaagt niet.

Discrepantie tussen het herstelbesluit en de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl

12. De vereniging betoogt dat de tekst van de planregels op de landelijke voorziening ruimtelijkeplannen.nl afwijkt van het herstelbesluit dat op 9 december 2021 is vastgesteld. Zij wijst in dit verband op de artikelen 1.27 en 11.1, onder b, van de planregels.

12.1.

De raad heeft op de zitting erkend dat de formulering van de artikelen 1.27 en 11.1, onder b, van de planregels zoals opgenomen in het herstelbesluit afwijkt van de formulering van de artikelen 1.27 en 11.1, onder b, van de planregels op de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. De raad heeft aangegeven dat hij het plan had willen vaststellen conform de versie die op de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl is geplaatst.

Gelet hierop stelt de Afdeling vast dat de raad een ander besluit heeft genomen dan de raad had willen nemen. De Afdeling oordeelt dat daardoor een rechtsonzekere situatie is ontstaan en het herstelbesluit in strijd met de vereiste zorgvuldigheid is genomen.

Het betoog slaagt.

12.2.

De Afdeling zal op dit punt de zogenoemde bestuurlijke lus toepassen.

13. De vereniging betoogt dat op de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl het integrale, gewijzigde, bestemmingsplan is gepubliceerd in plaats van het herstelbesluit met bijlagen. Dit is volgens haar in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

13.1.

De Afdeling overweegt dat de raad heeft beoogd om - zoals hiervoor onder 5 is overwogen - met het herstelbesluit het besluit van 30 juni 2021 in zijn geheel te vervangen. Door het publiceren van het integrale bestemmingsplan op de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl is daarom geen rechtsonzekere situatie ontstaan.

Het betoog slaagt niet.

Nota hoogbouw

14. De vereniging betoogt dat de raad in dit geval geen toepassing heeft kunnen geven aan de gemeentelijke nota hoogbouw van mei 2005, zodat deze nota niet bij de totstandkoming van het bestemmingsplan kon worden betrokken. Zij wijst erop dat de nota hoogbouw 16 jaar oud is en daarom ruimschoots de termijn van 10 jaar overschrijdt die gangbaar is voor de actualisatie van planologisch relevante besluiten. Daarnaast stelt zij dat in het vorige bestemmingsplan "Plaswijck" uit 2010 geen toepassing is gegeven aan de nota hoogbouw, waardoor deze nota inmiddels is achterhaald.

Voor zover de nota hoogbouw wel van toepassing is - wat de vereniging betwist - betoogt zij dat op grond van artikel 6.2.1, aanhef en onder d, van de planregels in verbinding met de verbeelding binnen de bestemming "Wonen" een gebouw van 32 m is toegestaan. Deze hoogte kan op grond van artikel 10, aanhef en onder a, van de planregels worden verhoogd met 10%. Bovendien kunnen op grond van de artikelen 8.3 en 8.4 van de planregels ook dakopbouwen ten behoeve van noodtrappen, luchtbehandelings-, lift- en zonnepaneelinstallaties worden geplaatst. Dit is in strijd met de nota hoogbouw die een gebouw van maximaal 35 m toestaat. Gelet op deze strijdigheid had volgens de vereniging zo vroeg mogelijk een besluitvormings- en interactieproces moeten worden ingericht. Dat is ten onrechte niet gebeurd.

Daarnaast betoogt [appellant] dat de gronden van het plangebied in de nota hoogbouw niet zijn aangewezen als hoogbouwzone. Bovendien is het volgens hem niet de bedoeling geweest om in het centrum van Bloemendaal, waar het plangebied naast is gelegen, met hoogbouw de lucht in te gaan. In dit verband wijst hij op de tekst op pagina 29 van de nota hoogbouw en op de vele zienswijzen die naar voren zijn gebracht. Het plan is in zoverre vastgesteld in strijd met de nota hoogbouw.

14.1.

Op pagina 9 van de nota hoogbouw is vermeld dat de nota hoogbouw een beleidsregel is. Op zoneringskaarten is aangegeven waar hoogbouw binnen Gouda denkbaar is en wat de maximale bouwhoogtes zijn. Van de nota hoogbouw kan alleen worden afgeweken in bijzondere gevallen, namelijk als de toepassing van de nota hoogbouw onevenredig is gelet op het doel waarmee deze nota is opgesteld. Daarbij moet het gaan om zwaarwegende algemene en maatschappelijke belangen. Aan afwijking van de nota hoogbouw wordt volgens de nota een zware motiveringseis gesteld.

Op pagina 29 van de nota hoogbouw is een kaart opgenomen waar onder meer de gronden van het plangebied geel zijn gearceerd. Vermeld is dat een maximale bouwhoogte geldt van tussen de 25 en 35 m. Onder deze kaart is de volgende tekst opgenomen: "Zo kunnen de gebieden benoemd worden waar hoogbouw mag, mits het zich voegt in het handschrift van de wijk. In Gouda Zuid zijn de locaties verweven met de structuur van de wijk. In Noord gaat het, op het centrum van Bloemendaal na, om gebieden die in de huidige situatie een soort blinde vlekken binnen de stad vormen, maar waar de kans ligt om zowel de aanhechting aan de stad te verbeteren, de groenstructuur te versterken en een schaalsprong te maken. Hier kunnen nieuwe programmacombinaties gezocht worden en mag het de lucht in."

14.2.

Over het betoog dat de nota hoogbouw in dit geval niet van toepassing is, overweegt de Afdeling als volgt. De nota hoogbouw is volgens de vermelding op pagina 9 een beleidsregel. De raad moet ingevolge artikel 4:84 van de Awb in beginsel overeenkomstig beleidsregels handelen. Omdat niet is gebleken dat de nota hoogbouw is ingetrokken, moet de nota hoogbouw bij de besluitvorming worden betrokken. Weliswaar stelt de vereniging dat de nota hoogbouw 16 jaar oud is en dat in zoverre de termijn van 10 jaar die gangbaar is voor de actualisatie van planologische besluiten wordt overschreden, maar de Afdeling merkt op dat op 1 juli 2018 de actualiseringsplicht voor bestemmingsplannen en beheersverordeningen is komen te vervallen. Bovendien is de nota hoogbouw een beleidsregel waarvoor deze actualiseringsplicht niet gold. De omstandigheid dat in het vorige bestemmingsplan "Plaswijck" geen toepassing is gegeven aan de nota hoogbouw en hoogbouw toen niet toestond, maakt het voorgaande niet anders. Aan het vorige bestemmingsplan kunnen namelijk geen blijvende rechten worden ontleend.

14.3.

De stelling dat de gronden van het plangebied niet zijn aangewezen als hoogbouwlocatie, volgt de Afdeling niet. Uit het gestelde onder 14.1 volgt dat op de in de nota hoogbouw opgenomen kaart de gronden van het plangebied geel zijn gearceerd en dat voor deze gronden een maximale bouwhoogte geldt van tussen de 25 en 35 m. Anders dan [appellant] betoogt, kan uit de tekst op pagina 29 van de nota niet worden afgeleid dat het niet de bedoeling is geweest om hoogbouw in het plangebied toe te staan. Met deze tekst is namelijk beoogd aan te geven wat voor soort gebieden voor hoogbouw in aanmerking komen.

14.4.

Uit artikel 6.2.1, aanhef en onder d, van de planregels in samenhang met de verbeelding volgen de toegestane bouwhoogtes voor de gronden met de bestemming "Wonen". In artikel 8.6, aanhef en onder e, van de planregels is bepaald dat de in het plan opgenomen regels met betrekking tot onder meer maatvoering niet van toepassing zijn voor wat betreft overschrijding door voorzieningen voor het opwekken en leveren van duurzame energie, voor zover deze binnen een bouwvlak en op het dak worden opgericht en de voor dat gebouw toegestane maximale bouwhoogte niet met meer dan 3,5 m wordt overschreden. Uit artikel 10, aanhef en onder a, van de planregels volgt dat het college bevoegd is om met een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in de planregels ten aanzien van onder meer de voorgeschreven hoogte van gebouwen, voor zover deze afwijking niet meer bedraagt dan 10% van de in het plan voorgeschreven maat.

Uit artikel 6.2.1, aanhef en onder d, van de planregels in samenhang met de verbeelding volgt dat voor de gronden op de oostelijke en noordelijke zijde van het plangebied bouwhoogtes van onderscheidenlijk 32 en 29 m gelden. Deze hoogtes kunnen worden verhoogd tot 39,05 en 35,75 m gelet op wat is bepaald in de artikelen 8.6, aanhef en onder e, en 10, aanhef en onder a, van de planregels. Op de kaart op pagina 29 van de nota hoogbouw is echter vermeld dat een maximale bouwhoogte geldt van tussen de 25 en 35 m. Dit betekent dat het herstelbesluit in zoverre niet in overeenstemming is met de nota hoogbouw. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb op grond waarvan had kunnen worden afgeweken van de nota hoogbouw. Zoals onder 14.1 is overwogen, wordt aan een afwijking van de nota hoogbouw een zware motiveringseis gesteld. Die motivering is door de raad in dit geval niet gegeven.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat het herstelbesluit in strijd met artikel 3:46 van de Awb niet berust op een deugdelijke motivering.

De betogen slagen.

14.5.

De Afdeling zal op dit punt de zogenoemde bestuurlijke lus toepassen.

Structuurvisie Groen

15. De vereniging en [appellant] betogen dat het plan niet in overeenstemming is met het gemeentelijke beleid, zoals dat is verwoord in de op 6 maart 2019 door de raad vastgestelde Structuurvisie Groen.

Eerste beleidsregel

16. De vereniging en [appellant] betogen dat de eerste beleidsregel uit de Structuurvisie Groen voorschrijft dat de oppervlakte van bestaand openbaar groen en water en het aantal bestaande bomen ten minste behouden moeten blijven. Daarvan is volgens hen geen sprake. De omstandigheid dat in de zienswijzennota staat dat in het inrichtingsplan is beschreven hoe het gebied zal worden ingericht, is volgens de vereniging onvoldoende, omdat het bestemmingsplan die inrichting niet voorschrijft.

16.1.

In de Structuurvisie Groen is op pagina 5 vermeld dat de doelen van de structuurvisie zijn het vergroten van de leefbaarheid door een toename van openbaar groen en het bevorderen van maatregelen om de capaciteit van waterberging te vergroten en wateroverlast en hittestress te verminderen. Er zijn vijf beleidsregels in de structuurvisie opgenomen, waarmee bij planontwikkelingen rekening moet worden gehouden.

De eerste beleidsregel is dat de oppervlakte van bestaand openbaar groen en water en het aantal bestaande bomen ten minste worden behouden. Deze beleidsregel vormt het uitgangspunt bij plantontwikkelingen. De tweede beleidsregel betreft dat bij planontwikkelingen een oppervlakte ter grootte van ten minste 15% van het totale projectgebied als openbaar groen moet worden ingericht.

16.2.

Aan de gronden van het plangebied zijn in het plan "Ridder van Catsweg 683, Gouda" onder meer de bestemmingen "Wonen", "Groen" en "Verkeer - Verblijf" toegekend. De oppervlakte van de gronden met de bestemming "Groen" bedraagt ongeveer 2.200 m². Op grond van artikel 3.1, aanhef en onder a, c en d, van de planregels zijn de voor groen aangewezen gronden bestemd voor onder meer groenvoorzieningen, water, speelvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen. In het vorige bestemmingsplan "Plaswijck" was aan de gronden van het plangebied de bestemming "Bedrijf" toegekend. Daarnaast waren aan het grootste deel van de gronden van het plangebied een bouwvlak en de maatvoeringsaanduidingen "maximum bebouwingspercentage terrein: 50%" en "maximum bouwhoogte: 5 m" toegekend. Bij een vergelijking tussen het bestreden plan en het vorige plan neemt met het bestreden plan en de daarin toegekende bestemmingen de beoogde omvang van openbaar groen en water toe. De omstandigheid dat in de zienswijzennota wordt verwezen naar het inrichtingsplan, doet hier gelet op de verbeelding en planregels van het plan "Ridder van Catsweg 683, Gouda" niet aan af.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de raad zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd met de eerste beleidsregel uit de Structuurvisie Groen is vastgesteld.

De betogen slagen niet.

Tweede beleidsregel

17. De vereniging en [appellant] betogen dat het plan niet in overeenstemming is met de tweede beleidsregel uit de Structuurvisie Groen dat een oppervlakte ter grootte van ten minste 15 procent als openbaar groen moet worden ingericht. De vereniging wijst er in dat verband op dat artikel 11.4 van de planregels de instandhouding van het openbaar groen niet verzekert, omdat de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen daarvoor niet het juiste instrument is. Volgens haar is deze bepaling ook rechtsonzeker, omdat onduidelijk is hoe moet worden aangetoond dat ter plaatse minimaal 15 procent van de oppervlakte van het plangebied wordt ingericht als openbaar groen.

17.1.

De raad stelt dat op grond van artikel 11.4 van de planregels bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen moet worden aangetoond dat wordt voldaan aan het uitgangspunt uit de Structuurvisie Groen dat minimaal 15 procent van de oppervlakte van het plangebied als openbaar groen moet worden ingericht en in stand moet worden gehouden. Dit zal moeten worden aangetoond in de aanvraag voor deze vergunning. De aanvraag zal door het college worden opgenomen als onderdeel van de omgevingsvergunning, wat een vaste werkwijze is in de gemeente Gouda. Als het openbaar groen niet wordt aangelegd of niet in stand wordt gehouden, dan kan en zal volgens de raad worden gehandhaafd op basis van de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen. Dit is volgens de raad in lijn met de uitspraken van de Afdeling van 26 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:248, onder 7.1, en 15 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2820, onder 6.3. De raad wijst er ook op dat een voorschrift aan de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen zal worden verbonden om de instandhouding van het openbaar groen ook nog langs die weg te borgen.

17.2.

Zoals hiervoor onder 16.1 uiteen is gezet, houdt de tweede beleidsregel uit de Structuurvisie Groen in dat bij planontwikkelingen een oppervlakte ter grootte van ten minste 15 procent van het totale projectgebied als openbaar groen moet worden ingericht. Daarover is het volgende in de planregels bepaald:

"11.4 Voorwaardelijke verplichting openbaar groen

Een omgevingsvergunning voor de activiteit "bouwen" wordt niet eerder verleend dan nadat in de omgevingsvergunningaanvraag is aangetoond dat:

a. de beleidsregels, zoals bepaald in de Structuurvisie Groen, welke als Bijlage 3 bij de regels is toegevoegd, in acht zijn genomen, waaraan wordt geacht te zijn voldaan indien ter plaatse van minimaal 15% van de oppervlakte van het plan openbaar groen wordt aangelegd en in stand gehouden;

b. indien de beleidsregels zoals opgenomen in sub a worden gewijzigd, wordt met die wijziging rekening gehouden."

17.3.

Anders dan de kop van artikel 11.4 van de planregels suggereert, betreft de regeling in artikel 11.4, aanhef en onder a, van de planregels geen voorwaardelijke verplichting. Dit artikel bevat namelijk een weigeringsgrond voor de verlening van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen. De Afdeling begrijpt dat de raad artikel 11.4, aanhef en onder a, van de planregels zo leest dat daarin staat dat aan de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen het voorschrift moet worden verbonden dat minimaal 15 procent van de oppervlakte van het plangebied als openbaar groen moet worden ingericht en in stand moet worden gehouden en dat de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen deel uitmaakt van de vergunning.

17.4.

Aan een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen kunnen, gelet op artikel 2.22, tweede lid, van de Wabo, alleen voorschriften worden verbonden die zien op deze activiteit. Vergelijk onder meer de uitspraken van de Afdeling van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:316, en van 12 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4047.

De omgevingsvergunning voor de in het plan voorziene ontwikkeling zal in dit geval uitsluitend worden verleend voor de activiteit bouwen, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo. Een voorschrift dat strekt tot het realiseren en in standhouden van een bepaald percentage openbaar groen, heeft echter geen betrekking op een activiteit, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo. Dit betekent dat - gelet op het bepaalde in artikel 2.22, tweede lid, van de Wabo - aan een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen zo’n voorschrift niet kan worden verbonden. De Afdeling is daarom van oordeel dat de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen waaraan een voorschrift wordt verbonden dat strekt tot het realiseren en in stand houden van een bepaald percentage openbaar groen, geen grondslag voor handhaving biedt, als het openbaar groen niet wordt aangelegd en in stand wordt gehouden.

Over de vergelijking van de raad met de uitspraak van 26 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:248, overweegt de Afdeling als volgt. Uit overweging 7.1 van die uitspraak blijkt dat de raad in artikel 10, onder c, van de planregels van het in die zaak aan de orde zijnde plan had geborgd dat bij een toename van verhard oppervlak, minimaal 10 procent van de oppervlakte van de toename van verhard oppervlak moest worden gecompenseerd. In de plantoelichting bij dat plan was weliswaar vermeld dat in de aanvraag voor een omgevingsvergunning zou worden uitgewerkt op welke wijze de watercompensatie zou worden toegepast, maar uit overweging 7.2 van deze uitspraak blijkt ook dat de planregel zo moest worden uitgelegd dat de gronden waarop de nieuwe verharding is voorzien, niet mogen worden gebruikt als het verhardingsoppervlak in het plangebied toeneemt, terwijl niet minimaal 10 procent van deze toename aan watercompensatie wordt gerealiseerd. Bovendien zag de Afdeling aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door artikel 10, onder c, van de planregels zo aan te passen, zodat de te realiseren oppervlakte aan watercompensatie ook in stand moet worden gehouden. In het hier aan de orde zijnde plan is geen planregel opgenomen dat een bepaald percentage openbaar groen moet worden gerealiseerd en in stand moet worden gehouden. Dit betekent dat de in de uitspraak van 26 januari 2022 aan de orde zijnde situatie niet vergelijkbaar is met de nu aan de orde zijnde situatie.

De vergelijking van de raad met de uitspraak van de Afdeling van 15 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2820, gaat ook niet op. Uit overweging 6.3 van deze uitspraak blijkt dat in artikel 4.3 van de planregels van het in die zaak aan de orde zijnde plan was bepaald dat een omgevingsvergunning voor het realiseren van gebouwen alleen zou worden verleend, nadat uit onderzoek was gebleken dat aan de grenswaarden zoals genoemd in tabel 1 bij stap 3 volgens de VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering" zou worden voldaan. In die zaak stond niet ter beoordeling dat een bepaalde geluidmaatregel moest worden gerealiseerd en in stand worden gehouden. Dit betekent dat geen sprake is van een vergelijkbare situatie.

17.5.

Voor zover artikel 11.4, aanhef en onder a, van de planregels volgens de raad zo kan worden uitgelegd dat daarin staat dat de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen deel uitmaakt van de vergunning, overweegt de Afdeling als volgt. De aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen maakt alleen deel uit van de vergunning als dat in het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning is vermeld. In artikel 11.4, aanhef en onder a, van de planregels is echter niet expliciet bepaald dat de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen deel zal uitmaken van de vergunning.

17.6.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen geen grondslag voor handhaving biedt, als het in artikel 11.4, aanhef en onder a, van de planregels bedoelde openbaar groen niet wordt aangelegd en in stand wordt gehouden. Daarom is met artikel 11.4, aanhef en onder a, van de planregels niet verzekerd dat minimaal 15 procent van de oppervlakte van het plangebied als openbaar groen moet worden ingericht en in stand moet worden gehouden. Dit betekent dat het plan in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Awb is vastgesteld.

De betogen slagen.

17.7.

De Afdeling zal op dit punt de zogenoemde bestuurlijke lus toepassen.

Artikel 11.4 van de planregels voor het overige

18. De vereniging betoogt dat artikel 11.4 van de planregels een verwijzing naar de Structuurvisie Groen bevat, die na de vaststelling van het plan zou kunnen worden gewijzigd. Zo’n verwijzing is volgens haar in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Ook is deze verwijzing in strijd met artikel 11.3 van de planregels, omdat daarin is bepaald dat de regels waarnaar wordt verwezen, gelden zoals deze luiden op het moment van de vaststelling van het plan.

18.1.

In artikel 11.3 van de planregels is bepaald dat de wettelijke regelingen en beleidsregels waarnaar in de regels wordt verwezen, gelden zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het plan. Artikel 11.4, aanhef en onder b, van de planregels bevat op grond van artikel 3.1.2, tweede lid, aanhef en onder a, van het Bro een zogenoemde dynamische verwijzing naar de door de gemeente Gouda vastgestelde Structuurvisie Groen en de eventuele wijzigingen daarvan. Dat is in beginsel toegestaan (vergelijk de uitspraak van 8 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:607). Artikel 11.4 kan ertoe leiden dat andere beleidsregels relevant worden, terwijl in artikel 11.3 van de planregels is bepaald dat de wettelijke regelingen en beleidsregels gelden zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het plan. De Afdeling ziet daarom aanleiding voor het oordeel dat artikel 11.4 van de planregels zich in zoverre niet verdraagt met het beginsel van rechtszekerheid.

Het betoog slaagt.

18.2.

De Afdeling zal op dit punt de zogenoemde bestuurlijke lus toepassen.

Overkapping met een groen dak

19. [appellant] betoogt dat ten onrechte niet is gekozen voor een volledig overkapt parkeerdek, waarbij het dak een groene uitstraling kan krijgen. De vereniging betoogt dat artikel 11.5 van de planregels de instandhouding van de overkapping van het parkeerdek niet verzekert, omdat de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen daarvoor niet het juiste instrument is. Volgens haar is ook onduidelijk hoe moet worden aangetoond dat het parkeerdek binnen het plangebied voor minimaal 70% is voorzien van een overkapping met een groen dak.

19.1.

De raad stelt dat op grond van artikel 11.5 van de planregels de parkeerplaatsen van het parkeerdek voor 70 procent moeten zijn voorzien van een overkapping met een groen dak. Het gaat hier volgens de raad om algemene bouwregels in het bestemmingsplan. Die regels gelden voor de beoordeling van een omgevingsvergunning voor de in het plan voorziene ontwikkeling. Dat wordt voldaan aan deze algemene bouwregels, moet volgens de raad worden aangetoond bij verlening van de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen. De groene overkapping op het parkeerdek is bovendien onderdeel van de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen en daarmee ook van de te verlenen omgevingsvergunning. Dit betekent volgens de raad dat artikel 11.5 van de planregels kan worden gehandhaafd op basis van de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen.

19.2.

Over het betoog van [appellant] dat ten onrechte niet is gekozen voor een volledig overkapt parkeerdek waarbij het dak een groene uitstraling krijgt, merkt de Afdeling het volgende op. In paragraaf 4.4.5 van de plantoelichting is vermeld dat de groene bedekking van de carports op het parkeerdek één van de manieren is waarop uitvoering wordt gegeven aan het duurzaamheidsbeleid van de gemeente Gouda, neergelegd in het "Uitvoeringsprogramma Duurzaamheid Gouda 2016 - 2019". Daarover is het volgende in de planregels bepaald:

"11.5 Voorwaardelijke verplichting overkapping parkeerdek

Een omgevingsvergunning voor de activiteit "bouwen" voor een parkeerdek als bedoeld in lid 5.1 sub d wordt niet eerder verleend dan nadat in de omgevingsvergunningaanvraag is aangetoond dat parkeerplaatsen op een parkeerdek als bedoeld in lid 5.1 sub d, voor zover gelegen buiten gebouwen, voor minimaal 70% zijn voorzien van een overkapping met een groen dak."

19.3.

Anders dan de kop van artikel 11.5 suggereert, betreft de regeling in artikel 11.5 van de planregels geen voorwaardelijke verplichting. Dit artikel bevat namelijk een weigeringsgrond voor de verlening van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen. De Afdeling begrijpt dat de raad artikel 11.5 van de planregels zo leest dat daarin staat dat aan de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen het voorschrift moet worden verbonden dat op minimaal 70 procent van de gronden van het parkeerdek een overkapping met een groen dak moet worden gerealiseerd en in stand moet worden gehouden en dat de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen deel uitmaakt van de vergunning.

19.4.

Anders dan hiervoor onder 17.4 over het aanleggen en in stand houden van openbaar groen is overwogen, overweegt de Afdeling dat de realisatie van de overkapping op het parkeerdek die moet worden voorzien van een groen dak, betrekking heeft op het bouwen van een bouwwerk. Het is daarmee een activiteit, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo. Dit betekent dat - gelet op het bepaalde in artikel 2.22, tweede lid, van de Wabo - aan een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen een voorschrift dat strekt tot het realiseren en instandhouden van de overkapping op het parkeerdek met een groen dak kan worden verbonden. In artikel 11.5 van de planregels is echter niet expliciet bepaald dat een dergelijk voorschrift aan een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen zal worden verbonden. Dit betekent dat met artikel 11.5 van de planregels onvoldoende is verzekerd dat op minimaal 70 procent van de gronden van het parkeerdek een overkapping met een groen dak zal worden gerealiseerd en in stand zal worden gehouden.

19.5.

Voor zover artikel 11.5 van de planregels volgens de raad zo kan worden uitgelegd dat daarin staat dat de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen deel uitmaakt van de vergunning, overweegt de Afdeling als volgt. In artikel 11.5 van de planregels is bepaald dat in de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen moet worden aangetoond dat op minimaal 70 procent van de gronden van het parkeerdek een overkapping met een groen dak wordt gerealiseerd. In de bouwtekening behorende bij de aanvraag zou dit bijvoorbeeld kunnen gebeuren. De aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen maakt alleen deel uit van de vergunning als dat zo in het besluit is vermeld. In artikel 11.5 van de planregels is echter niet expliciet bepaald dat de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen deel zal uitmaken van de vergunning.

19.6.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen geen grondslag voor handhaving biedt als de in artikel 11.5 van de planregels bedoelde overkapping met een groen dak niet wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden. Daarom is met artikel 11.5 van de planregels onvoldoende verzekerd dat op minimaal 70 procent van de gronden van het parkeerdek een overkapping met een groen dak moet worden gerealiseerd en in stand moet worden gehouden. Dit betekent dat het plan in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Awb is vastgesteld.

De betogen slagen.

19.7.

De Afdeling zal op dit punt de zogenoemde bestuurlijke lus toepassen.

Woon- en leefklimaat

20. De vereniging en [appellant] vrezen voor een aantasting van hun woon- en leefklimaat.

Lichthinder

- Maatregelen ter beperking van inschijnende koplampen

21. [ appellant] betoogt dat de parkeergarage zo moet worden aangepast dat overlast van inschijnende koplampen van de op het parkeerdek parkerende auto’s kunnen worden weggenomen. De parkeervoorziening zou bovendien aan de gehele waterkant geen licht van auto’s moeten doorlaten. De vereniging betoogt dat daarnaast ten onrechte niet uit artikel 8.8 van de planregels volgt, op welke wijze vaststaat dat maatregelen worden getroffen om directe lichtuitstraling op de gevel van haar woningen tot een aanvaardbaar niveau te beperken. Volgens haar is de instandhouding van deze maatregelen ook niet verzekerd, omdat de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen daarvoor niet het juiste instrument is.

21.1.

De raad stelt dat op grond van artikel 8.8 van de planregels het bouwwerk zo moet worden vormgegeven dat directe lichtuitstraling als gevolg van koplampen tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt. Het gaat hier volgens de raad om algemene bouwregels in het bestemmingsplan. Die regels gelden voor de beoordeling van een omgevingsvergunning voor de in het plan voorziene ontwikkeling. Dat wordt voldaan aan deze algemene bouwregels, moet volgens de raad worden aangetoond bij verlening van de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen. De maatregelen rondom lichthinder zijn bovendien onderdeel van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen en daarmee ook van de te verlenen omgevingsvergunning. Dit betekent volgens de raad dat artikel 8.8 van de planregels kan worden gehandhaafd op basis van de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen.

21.2.

In paragraaf 5.11.2 van de plantoelichting is vermeld dat de lichtuitstraling afkomstig van de centrale parkeervoorziening en het parkeerdek wordt beperkt door de toepassing van een betonnen wand rondom de parkeervoorziening op maaiveldniveau en de toepassing van een opstaande betonnen rand van ongeveer 1 m op het parkeerdek. Daarover is het volgende in de planregels bepaald:

"8.8 Lichthinder

Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het 'bouwen' staat vast dat maatregelen worden getroffen en in stand gehouden om directe lichtuitstraling op de gevels van de nabij het plangebied aanwezige bestaande woningen, ten gevolge van koplampen van verkeer binnen het plangebied, tot een aanvaardbaar niveau te beperken. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan indien de parkeervoorzieningen waar nodig worden voorzien van een afscheiding met een minimale hoogte van 1,20 meter of een maatregel met een vergelijkbaar effect wordt getroffen."

21.3.

De regeling in artikel 8.8 van de planregels betreft geen voorwaardelijke verplichting. Dit artikel bevat namelijk een weigeringsgrond voor de verlening van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen. De Afdeling begrijpt dat de raad artikel 8.8 van de planregels zo leest dat daarin staat dat aan de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen het voorschrift moet worden verbonden dat de maatregel moet worden getroffen ter voorkoming van lichthinder door koplampen inhoudende een afscheiding met een minimale hoogte van 1,2 m of dat de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen deel uitmaakt van de vergunning.

21.4.

In artikel 2, aanhef en onderdeel 12, van bijlage II van het Bor is bepaald dat een omgevingsvergunning voor onder meer de activiteit bouwen niet is vereist als deze activiteit betrekking heeft op:

"12. een erf- of perceelafscheiding, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

a. niet hoger dan 1 m, of

b. niet hoger dan 2 m, en

1°. op een erf of perceel waarop al een gebouw staat waarmee de erf- of perceelafscheiding in functionele relatie staat,

2°. achter de voorgevelrooilijn, en

3°. op meer dan 1 m van openbaar toegankelijk gebied, tenzij geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn;"

De Afdeling is van oordeel dat de in artikel 8.8 van de planregels bedoelde afscheiding zonder omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen kan worden opgericht op grond van artikel 2, aanhef en onderdeel 12, van bijlage II van het Bor. Dit betekent dat geen omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen is vereist, waaraan het voorschrift kan worden verbonden dat de maatregel moet worden getroffen en in stand moet worden gehouden ter voorkoming van lichthinder door koplampen inhoudende een afscheiding met een minimale hoogte van 1,2 m. Ook is een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen die deel zou kunnen uitmaken van de vergunning, niet vereist.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat met artikel 8.8 van de planregels onvoldoende is verzekerd dat de maatregel zal worden getroffen ter voorkoming van lichthinder door koplampen inhoudende een afscheiding met een minimale hoogte van 1,2 m. Dit betekent dat het plan in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Awb is vastgesteld.

De betogen slagen.

21.5.

De Afdeling zal op dit punt de zogenoemde bestuurlijke lus toepassen.

- Hoogte van de afscheiding

22. De vereniging stelt dat een afscheiding van 1,2 m hoogte bij de parkeervoorzieningen te laag is om lichthinder te voorkomen op de terrassen van de tweede en derde bouwlaag van het appartementencomplex aan de Haastenburg.

22.1.

De Afdeling overweegt dat Vastbouw in zijn nader stuk en op de zitting uiteen heeft gezet dat de in artikel 8.8 van de planregels neergelegde minimale hoogte van 1,2 m voor een afscheiding is gebaseerd op de gemiddelde hoogte van een koplamp van een auto van ongeveer 0,8 m die de CROW hanteert en dat daarbovenop 40 cm is toegevoegd. De Afdeling oordeelt daarom dat de in artikel 8.8 van de planregels neergelegde minimale hoogte van 1,2 m voor een afscheiding niet te laag is om onaanvaardbare lichthinder van koplampen van auto’s te voorkomen.

Het betoog slaagt niet.

- Artikel 8.8 van de planregels voor het overige

23. De vereniging vindt de passage "waar nodig" in artikel 8.8 van de planregels rechtsonzeker. Zij wijst erop dat onduidelijk is om welke locatie het gaat en wie deze locatie moet aanwijzen.

23.1.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 1 december 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU7032), is het opnemen van een nader afwegingsmoment wat betreft de in het plan gegeven bouw- en gebruiksmogelijkheden in beginsel niet aanvaardbaar. De ruimtelijke gevolgen van de in het plan gegeven bouw- en gebruiksmogelijkheden moeten bij de planvaststelling zijn beoordeeld en aanvaardbaar zijn geacht.

Uit artikel 8.8 van de planregels volgt dat de parkeervoorzieningen "waar nodig" moeten worden voorzien van een afscheiding met een minimale hoogte van 1,2 m of een maatregel met een vergelijkbaar effect. De Afdeling is - gelet op de zinsnede "waar nodig" - van oordeel dat sprake is van een nader afwegingsmoment van de toegestane bouwmogelijkheid. De Afdeling ziet daarom aanleiding voor het oordeel dat het herstelbesluit in zoverre is genomen in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

Het betoog slaagt.

23.2.

De Afdeling zal op dit punt de zogenoemde bestuurlijke lus toepassen.

24. De vereniging betoogt verder dat voor de gronden waaraan de bestemming "Groen" is toegekend ten onrechte artikel 8.8 van de planregels niet geldt.

24.1.

De Afdeling overweegt dat uit artikel 8.8 van de planregels niet blijkt dat deze bepaling niet zou gelden voor de gronden met de bestemming "Groen". Bovendien is artikel 8.8 van de planregels in het hoofdstuk "Algemene bouwregels" opgenomen. Het betoog dat artikel 8.8 van de planregels niet geldt voor de gronden waaraan de bestemming "Groen" is toegekend, kan daarom niet slagen.

Bezonning

25. De vereniging en [appellant] betogen dat zij wat betreft het aspect bezonning onevenredig door het plan worden geschaad.

De vereniging voert in dit verband aan dat de aan het plan ten grondslag gelegde onderzoeken over de bezonning ondeugdelijk zijn. Zij voert aan dat in het door Peutz opgestelde "Bezonningsonderzoek Van Loon Gouda" van 23 juni 2021 (hierna: het bezonningsonderzoek) is vermeld dat de berekeningen zijn uitgevoerd met het pakket Radiance in combinatie met een aantal binnen Peutz ontwikkelde routines, terwijl niet is vermeld welke routines dat zijn en in hoeverre die routines afwijken van de algemeen aanvaarde uitvoering van bezonningsstudies. Volgens de vereniging biedt het bezonningsonderzoek bovendien geen helder inzicht in de bezonning, omdat de bezonningsdiagrammen lastig zijn te lezen en niet wordt aangegeven hoeveel uur bezonning overblijft.

De vereniging betoogt daarnaast dat in het door Peutz opgestelde aanvullende bezonningsonderzoek "Bezonning bestemmingsplanvolume Van Loon Gouda" van 24 november 2021 (hierna: het aanvullende bezonningsonderzoek) ten onrechte niet is uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden die het bestemmingsplan bij recht biedt.

25.1.

Ten behoeve van het bestemmingsplan is onderzoek verricht naar de effecten van de voorziene bebouwing op de bezonningssituatie in de omgeving van het plangebied. De resultaten zijn neergelegd in het bezonningsonderzoek en het aanvullende bezonningsonderzoek.

In paragraaf 2.1 van het bezonningsonderzoek staat dat naast het inzichtelijk maken van de effecten van de voorziene bebouwing op de bezonning van de omgeving, een beoordeling is gemaakt van de bezonningssituatie volgens de zogenoemde lichte TNO-norm die uitgaat van ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag. Het bezonningsonderzoek is volgens paragraaf 2.2 gebaseerd op de rekenkundige bezonning van een

3D-model van de geplande bebouwingssituatie. De mogelijke bezonningsduur is bepaald door over de dag met een interval van 5 minuten te berekenen welke geveldelen zon kunnen krijgen. De berekeningen zijn uitgevoerd met het pakket Radiance, in combinatie met een aantal binnen Peutz ontwikkelde routines. De resultaten zijn als zogenaamde valse kleurenplaatjes weergegeven.

In het aanvullende bezonningsonderzoek is verder vermeld dat de effecten van de voorziene bebouwing op de woningen aan de Haastenburg zijn bekeken, waarbij is uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden die het bestemmingsplan bij recht biedt. Voor de gronden op de zuidwestelijke zijde van het plangebied is rekening gehouden met de toegestane bouwhoogtes uit het plan, namelijk 10,15 m voor de lagere bebouwing en 16,35 m voor de hogere bebouwing. Bij de hogere bebouwing zijn de liftopbouw met een hoogte van 1,2 m boven de dakrand en de ventilatiekanalen met een hoogte tussen 0,5 en 1 m langs de westzijde van het dak meegenomen. Wat betreft de gronden op de noordelijke en oostelijke zijde van het plangebied, is rekening gehouden met de toegestane bouwhoogtes en een verhoging daarvan met 3,5 m over 40% van het dakoppervlak aan de westzijde van de daken.

25.2.

Over het pakket Radiance en de door Peutz ontwikkelde routines overweegt de Afdeling dat Vastbouw in zijn nader stuk uiteen heeft gezet dat Radiance een gevalideerd pakket is voor het bepalen van fysisch correcte lichtintensiteitsverdelingen. Het pakket Radiance wordt gebruikt voor het bepalen van de locaties waar zon is te verwachten. De door Peutz ontwikkelde routines zorgen volgens Vastbouw ervoor dat dit gebeurt met een interval van 5 minuten voor de opgegeven data en voor het combineren en visualiseren van de resultaten.

Gelet op deze toelichting van Vastbouw ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat in het bezonningsonderzoek niet van het pakket Radiance en de door Peutz ontwikkelde routines had mogen worden uitgegaan. Voor zover de vereniging betoogt dat het bezonningsonderzoek geen helder inzicht in de bezonning biedt, merkt de Afdeling op dat in paragraaf 3 van het bezonningsonderzoek is beschreven hoe de diagrammen moeten worden gelezen. Ook kan uit het bezonningsonderzoek worden afgeleid hoeveel uur bezonning overblijft.

25.3.

In het aanvullende bezonningsonderzoek is vermeld dat is uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden die het bestemmingsplan bij recht biedt. Zoals hiervoor onder 14.4 is overwogen, kunnen de toegestane bouwhoogtes met 3,5 m worden verhoogd vanwege voorzieningen voor het opwekken en leveren van duurzame energie op grond van artikel 8.6, aanhef en onder e, van de planregels. In het aanvullende bezonningsonderzoek is hiermee echter geen rekening gehouden ten aanzien van de voorziene bebouwing op de zuidwestelijke zijde van het plangebied met toegestane bouwhoogtes van 10,15 en 16,35 m. Weliswaar is bij de voorziene bebouwing op de noordelijke en oostelijke zijde van het plangebied met toegestane bouwhoogtes van 20 en 29 m en 26 en 32 m rekening gehouden met een verhoging van de toegestane bouwhoogtes met 3,5 m over 40% van het dakoppervlak aan de westzijde van de daken, maar op grond van artikel 8.6, aanhef en onder e, van de planregels kunnen voorzieningen voor het opwekken en leveren van duurzame energie op het hele dakoppervlak van het gebouw worden geplaatst. Hiermee is ten onrechte geen rekening gehouden.

De conclusie is dat het aanvullende bezonningsonderzoek in zoverre gebrekkig is en leemten in kennis bevat om de daaraan verbonden conclusie over de gevolgen van de voorziene ontwikkeling voor de bezonning ter plaatse van de woningen van de vereniging en [appellant] te kunnen dragen. De raad heeft het herstelbesluit op dit punt niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid door het aanvullende bezonningsonderzoek daaraan ten grondslag te leggen. Dat is in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Het betoog slaagt.

25.4.

De Afdeling zal op dit punt de zogenoemde bestuurlijke lus toepassen.

26. De Afdeling komt, gelet op wat hiervoor is overwogen, nu niet toe aan de beroepsgronden van de vereniging en [appellant] dat zij wat betreft het aspect bezonning onevenredig door het plan worden geschaad. De Afdeling zal hier in de einduitspraak een oordeel over geven, voor zover dan nog opportuun.

Uitzicht en privacy

27. [ appellant] betoogt dat als gevolg van het bestemmingsplan het uitzicht vanaf zijn woning wordt aangetast. Hij wijst op de omstandigheid dat eerst sprake was van een vrij uitzicht. Daarnaast vrezen de vereniging en [appellant] voor een aantasting van hun privacy, omdat tientallen tot honderden personen direct zicht krijgen op hun woningen, voortuinen en terrassen. Weliswaar staat in de plantoelichting dat het plan voorziet in 172 woningen, maar volgens [appellant] zal het aantal bewoners van de voorziene woontoren veel meer zijn.

27.1.

Het is niet uit te sluiten dat de realisering van de in het plan voorziene ontwikkeling feitelijk zal leiden tot een verlies van uitzicht en privacy voor de vereniging en [appellant]. De Afdeling is evenwel van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aantasting van het uitzicht en de privacy niet zo groot is dat er in zoverre geen sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Daarbij acht de Afdeling van belang dat in het algemeen geen recht op een blijvend vrij uitzicht bestaat en dat sprake is van een stedelijke omgeving waarin deze ontwikkeling is voorzien. Verder blijkt uit paragraaf 9.3 van de plantoelichting dat de naar voren gebrachte zienswijzen in combinatie met de uitkomsten van de dialoogsessies en enkele ambtshalve wijzigingen hebben geleid tot een gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan. De aanpassingen betreffen onder meer het verlagen van de maximaal toegestane bouwhoogtes, het verlagen van het aantal woningen van 196 naar 172 en het wijzigen van de situering en de omvang van het bouwvlak op de westelijke zijde van het plangebied.

Het betoog slaagt niet.

Parkeren

Aantal benodigde parkeerplaatsen

28. De vereniging en [appellant] betogen dat voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein moeten worden gerealiseerd, zodat geen overlast van geparkeerde auto's in de omliggende straten zal ontstaan. Op de zitting hebben zij betoogd dat met de in het plangebied voorziene 234 parkeerplaatsen niet in de parkeerbehoefte van de voorziene ontwikkeling zal worden voorzien. [appellant] heeft op de zitting aangegeven dat het de vraag is of er voldoende parkeerplaatsen zijn, als blijkt dat de reductie van de parkeereis met 30% niet juist is.

28.1.

De Afdeling stelt vast dat de raad voor de beoordeling van de vraag of ten behoeve van de in het plan voorziene ontwikkeling wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid als uitgangspunt heeft gehanteerd dat de parkeerbehoefte van de voorziene ontwikkeling op het eigen terrein zal worden opgelost.

28.2.

Bij besluit van 29 januari 2020 heeft de raad het "Parkeerplan Gouda 2020" (hierna: het Parkeerplan) vastgesteld. Daarin is voor een aantal delen van de stad, waaronder het deel waarin het plangebied ligt, een parkeernorm vastgesteld. De in het Parkeerplan opgenomen tabel met parkeernormen is als Bijlage 1 bij de planregels gevoegd. Uit de zienswijzennota blijkt dat, als toepassing wordt gegeven aan deze parkeernorm, dan 283 parkeerplaatsen op eigen terrein moeten worden gerealiseerd om in voldoende parkeergelegenheid te kunnen voorzien.

28.3.

In paragraaf 3.2.4.1 van de plantoelichting staat dat in dit geval maatwerk wordt geleverd in de vorm van het "Mobiliteitsplan Van Loon Locatie" van 29 juni 2021 dat herijkt is op 22 november 2021 (hierna: het mobiliteitsplan). In het mobiliteitsplan is vermeld dat de geldende parkeernormen geen recht doen aan de specifieke eigenschappen van dit plan. In het mobiliteitsplan zijn drie factoren vermeld op basis waarvan het aantal benodigde parkeerplaatsen op eigen terrein kan worden verminderd, namelijk: (1) een gewogen parkeereis die van een bepaald aanwezigheidspercentage van bezoekers en bewoners uitgaat, (2) een differentiatie van de parkeernorm vanwege de toekomstige doelgroepen die hun intrek in de woongebouwen zullen nemen en (3) de deelmobiliteit en het concept Mobility as a Service (hierna: MaaS).

Op pagina 5 van het mobiliteitsplan staat dat een gewogen parkeereisberekening uitgaat van een bepaald aanwezigheidspercentage van bewoners en bezoekers. Gelet hierop kan de totaal benodigde parkeercapaciteit worden berekend, waarbij rekening wordt gehouden met het dubbelgebruik van parkeerplaatsen. De percentages en gewogen uitkomsten in de tabellen op de pagina’s 5 en 6 van het mobiliteitsplan zijn als uitgangspunt genomen. De benodigde parkeercapaciteit is 261 parkeerplaatsen op een zaterdagavond, waarvan 209 parkeerplaatsen voor bewoners en 52 parkeerplaatsen voor bezoekers.

Op pagina 6 van het mobiliteitsplan is verder vermeld dat een verdere differentiatie van de parkeernorm is te maken door te kijken naar het woningoppervlak en de doelgroepen. Het autobezit is namelijk onderling aantoonbaar verschillend. De doelgroepen die hun intrek in de voorziene woningen zullen nemen, zijn jongeren, starters en senioren. Het autobezit van deze doelgroep op basis van het type huishouden is bepaald aan de hand van gegevens van CBS/Statline. Voor sociale huurwoningen wordt een afslag van 0,2 op de parkeernorm voor het bewonersaandeel gehanteerd. Omdat 43 sociale huurwoningen zullen worden gerealiseerd waarvoor een parkeernorm van 1,3 exclusief bezoekers geldt, is sprake van een reductie van 8,6 parkeerplaatsen.

Wat betreft de deelmobiliteit en het concept MaaS blijkt uit de pagina’s 3 en 4 van het mobiliteitsplan dat MaaS een dienst is waarbij voor een bepaald bedrag per maand gebruik kan worden gemaakt van mobiliteit op maat, zoals deelauto’s en deelbakfietsen. Voor alle bewoners van de woongebouwen worden drie deelbakfietsen en twaalf deelauto’s beschikbaar gesteld. Het deelmobiliteitsaanbod is direct bij oplevering beschikbaar. Er wordt een uitgebreid kennismakingsaanbod aan de bewoners geboden in de vorm van een proefpakket met voor € 100,00 aan vrije kilometers bij aanvang per huishouden. Om zoveel mogelijk drempels weg te nemen, worden er tenminste twee informatieavonden op locatie gehouden om uitleg te geven over de voertuigen, tarieven en het gebruik ervan. Bij de huur en verkoop van de appartementen wordt er een informatiebrochure verstrekt. Als de deelmobiliteit en het concept MaaS worden toegepast, dan kan blijkens pagina 7 van het mobiliteitsplan de parkeereis met 30% ofwel 60,2 parkeerplaatsen worden gereduceerd.

Rekening houdend met alle drie de reductiefactoren komt het aantal benodigde parkeerplaatsen op eigen terrein uit op 205. Er zullen binnen het plangebied 234 parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Dat betekent dat 29 parkeerplaatsen extra worden aangelegd. Geconcludeerd wordt in paragraaf 3.2.5 van de plantoelichting dat met het mobiliteitsplan wordt voorzien in een passende invulling van de parkeereis en het aspect mobiliteit.

28.4.

Over de reductiefactor van 30% die is toegepast vanwege de deelmobiliteit en het concept MaaS overweegt de Afdeling als volgt.

Blijkens pagina 7 van het mobiliteitsplan tonen de cijfers van het CROW aan dat autodelers gemiddeld 30% minder auto’s bezitten. Verwezen wordt naar de "Factsheet Argumenten voor Autodelen" van het CROW. Op pagina 3 van deze factsheet staat het volgende:

"Autodelers bezitten ruim 30 procent minder auto’s dan voordat ze met autodelen begonnen. Vooral mensen die klassiek zijn gaan autodelen, deden vaak een auto weg. De deelauto komt vooral in de plaats van een tweede of derde auto."

Blijkens de tabellen op de pagina’s 2 en 6 van het mobiliteitsplan zullen 172 woningen worden gerealiseerd, waarvan 91 woningen met een oppervlakte van tussen de 55 en 85 m². Deze woningen zijn voornamelijk geschikt voor 1- en 2-persoonshuishoudens, waarvan het gemiddelde autobezit 0,8 per woning is. Dit betekent dat bij 1- en 2-persoonshuishoudens het tweede autobezit laag is ten opzichte van bijvoorbeeld paren met kinderen. In de factsheet van het CROW staat daarentegen dat de deelauto vooral in de plaats komt van een tweede of derde auto.

Het voorgaande leidt ertoe dat de raad de reductie van de parkeereis met 30% vanwege de deelmobiliteit en het concept MaaS onvoldoende deugdelijk heeft onderbouwd. Het gevolg daarvan is dat moet worden aangenomen dat de raad de parkeerbehoefte als gevolg van het plan heeft onderschat. Hierdoor zou een tekort aan parkeerplaatsen kunnen ontstaan, met parkeerproblemen voor de bewoners van de omliggende woningen tot gevolg. Maar in het aangevoerde ziet de Afdeling geen grond voor de conclusie dat het aannemelijk is dat deze laatste situatie zich als gevolg van de vaststelling van het herstelbesluit zal voordoen. Daarvoor geldt het volgende.

Op pagina 8 van het mobiliteitsplan wordt erop gewezen dat 229 parkeerplaatsen zijn benodigd als de deelmobiliteit en het concept MaaS de helft van het gewenste effect zouden hebben. In dat geval wordt de parkeereis gereduceerd met 15% in plaats van 30% vanwege de deelmobiliteit en het concept MaaS. Dit is blijkens het mobiliteitsplan een worst case-scenario. In wat de vereniging en [appellant] hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding om aan de juistheid van de in deze zaak gegeven onderbouwing van het reductiepercentage van 15% te twijfelen. Omdat gelet op de artikelen 6.3.2, onder b, en 11.1, onder b, van de planregels, binnen het plangebied 234 parkeerplaatsen zullen worden gerealiseerd, ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de vaststelling van het plan leidt tot onaanvaardbare gevolgen voor de parkeersituatie van de bewoners van de omliggende woningen.

De betogen slagen niet.

Effectuering mobiliteitsconcept uit het mobiliteitsplan

29. De vereniging en [appellant] vragen zich verder af of het parkeren op eigen terrein via het mobiliteitsconcept uit het mobiliteitsplan kan worden geëffectueerd. Hierover betoogt de vereniging dat het mobiliteitsconcept ten onrechte uitgaat van het meervoudige gebruik van parkeerplaatsen. De eigenaren van de parkeerplaatsen zullen volgens haar niet accepteren dat derden vrijblijvend gebruik maken van de parkeerplaatsen. Het plan bevat daarom ten onrechte geen regel dat alleen de bewoners van de voorziene ontwikkeling gebruik kunnen maken van de parkeerplaatsen. [appellant] voert aan dat het mobiliteitsconcept uitgaat van de deelmobiliteit, terwijl daarvoor onvoldoende ruimte beschikbaar is. Voor zover in het mobiliteitsplan ervan wordt uitgegaan dat de toekomstige bewoners moeten bijdragen aan het concept MaaS, stelt de vereniging dat op dit punt ten onrechte een voorwaardelijke verplichting in de planregels ontbreekt.

29.1.

Uit artikel 6.3.2, onder b, van de planregels volgt dat minimaal 234 parkeerplaatsen en 12 elektrische deelauto’s en 3 deelbakfietsen in het kader van het concept MaaS beschikbaar moeten zijn en blijven bij aanvang van het feitelijk gebruik overeenkomstig het bepaalde in artikel 6.1, onder a, van de planregels. Als blijkt dat hiervan geen sprake is en in zoverre het mobiliteitsconcept uit het mobiliteitsplan niet wordt geëffectueerd, dan kan handhavend worden opgetreden.

Op grond van artikel 6.4.1 van de planregels kan het college bovendien met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 6.3.2, onder b, van de planregels als monitoring zoals omschreven in het mobiliteitsplan daartoe aanleiding geeft. Op de monitoring zal hierna onder 30 worden ingegaan.

Gelet hierop ziet de Afdeling in het aangevoerde door de vereniging en [appellant] geen aanleiding voor het oordeel dat het mobiliteitsconcept uit het mobiliteitsplan niet kan worden geëffectueerd.

De betogen slagen niet.

Monitoring van het mobiliteitsplan

30. De vereniging betoogt dat ten onrechte niet is omschreven aan welke eisen het parkeeronderzoek ten behoeve van de monitoring van het mobiliteitsplan moet voldoen. Voor zover in het mobiliteitsplan staat dat uit het parkeeronderzoek moet blijken dat geen sprake is van een tekort aan parkeerplaatsen in het plangebied en de directe omgeving, stelt de vereniging dat alleen in het plangebied moet worden voorzien in de parkeerbehoefte. Ook is niet in het mobiliteitsplan omschreven welke additionele maatregelen er nodig zijn, als de ambitie uit het mobiliteitsplan niet wordt gehaald. De omstandigheid dat een opsomming van mobiliteitsmaatregelen in het mobiliteitsplan is opgenomen, doet daar volgens de vereniging niet aan af, omdat de feitelijke uitvoering van deze maatregelen niet wordt onderbouwd. Het voorgaande klemt te meer, omdat uit het parkeeronderzoek zal moeten blijken dat met het mobiliteitsplan wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen, zo stelt de vereniging.

30.1.

Uit artikel 6.4.1 van de planregels volgt dat het college met een omgevingsvergunning kan afwijken van het bepaalde in artikel 6.3.2, onder b, van de planregels als de monitoring zoals omschreven in het monitoringsplan daartoe aanleiding geeft. Op pagina 5 van het mobiliteitsplan staat daarover het volgende:

"Met het oog op de verplichting van de Van Loon locatie uit het bestemmingsplan om in parkeren te voorzien op de wijze zoals beschreven in dit mobiliteitsplan zal naast de controle van de gebruiksdata van MaaS ook de effectiviteit van dit plan worden gemonitord. Monitoring zal jaarlijks plaatsvinden voor het eerst 1 jaar na ingebruikname van de betreffende appartementen aan de hand van een parkeeronderzoek. Ter voldoening aan de eisen van het bestemmingsplan zal uit dit onderzoek moeten blijken dat het mobiliteitsplan voorziet in voldoende parkeergelegenheid en derhalve op het maatgevende moment geen sprake is van een tekort aan parkeerplaatsen in het plangebied en de directe omgeving. Als uit het onderzoek zou blijken dat er aanleiding bestaat om additionele mobiliteitsmaatregelen te treffen dan zal daarvoor worden gezorgd. Gedacht kan worden aan het aanbieden van alternatieve vormen van deelmobiliteit, wijzigingen in de tariefstelling of abonnementsvormen, realisatie of bijdragen aan ov-haltes en looproutes naar ov-haltes, lokale fietsverbindingen en herinrichtingen van lokale infrastructuur."

30.2.

Weliswaar is in het mobiliteitsplan niet precies omschreven aan welke eisen het parkeeronderzoek ten behoeve van de monitoring van het mobiliteitsplan moet voldoen, maar dit betekent niet dat de raad artikel 6.4.1 van de planregels niet zo heeft kunnen vaststellen. Daarbij betrekt de Afdeling dat uit pagina 5 van het monitoringsplan kan worden afgeleid dat monitoring jaarlijks zal plaatsvinden na ingebruikname van de voorziene appartementen en dat uit het parkeeronderzoek zal moeten blijken dat geen sprake is van een tekort aan parkeerplaatsen. De omstandigheid dat in het mobiliteitsplan is vermeld dat dit tekort zich niet mag voordoen in het plangebied en de directe omgeving, betekent niet dat parkeerplaatsen in de directe omgeving van het plan zullen worden gerealiseerd. In artikel 11.1, onder a, van de planregels is namelijk tot uitdrukking gebracht dat de door de voorziene woonbebouwing te genereren parkeerbehoefte op eigen terrein wordt gelenigd.

De Afdeling volgt de vereniging niet in haar betoog dat ten onrechte niet precies is omschreven welke additionele maatregelen er nodig zijn als de ambitie uit het mobiliteitsplan niet wordt gehaald. Voorop staat dat moet worden voldaan aan de eisen die zijn vermeld in artikel 6.3.2 van de planregels, tenzij met een omgevingsvergunning onder voorwaarden daarvan wordt afgeweken. In het kader van de verlening van zo’n vergunning en de daartegen openstaande rechtsbeschermingsmogelijkheden kan worden getoetst of met de additionele maatregelen de ambitie uit het mobiliteitsplan wordt gehaald.

Het betoog slaagt niet.

Begrippen in planregels

31. Volgens de vereniging is ten onrechte in artikel 6.3.2 van de planregels opgenomen dat "bij aanvang" moet worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid in plaats van "vanaf aanvang".

31.1.

Uit artikel 6.3.2 van de planregels kan worden afgeleid dat "bij aanvang" inhoudt het moment dat wordt gestart met het wonen en in samenhang daarmee de uitoefening van bedrijfsmatige activiteiten in of bij een woning en beroepsmatige activiteiten in of bij een woning, als bedoeld in artikel 6.1, aanhef en onder a, van de planregels. Het betoog dat "bij aanvang" in deze bepaling moet worden vervangen door "vanaf aanvang", volgt de Afdeling daarom niet.

Het betoog slaagt niet.

32. In artikel 11.1, onder b, aanhef en sub 1, van de planregels is volgens de vereniging bepaald dat moet worden aangetoond dat er parkeerplaatsen en mobiliteitsvoorzieningen beschikbaar zijn. Onduidelijk is volgens haar wat onder "aangetoond" moet worden verstaan.

32.1.

De Afdeling stelt vast dat het woord "aangetoond" niet in artikel 11.1 van de planregels is opgenomen, zodat dit betoog feitelijke grondslag mist.

Verkeer

33. Ten behoeve van het bestemmingsplan is onderzoek verricht naar de effecten van de voorziene ontwikkeling op de verkeerssituatie. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het door Goudappel Coffeng opgestelde rapport "Verkeersonderzoek Van Loon locatie, Gouda" van 8 april 2021 (hierna: het verkeersonderzoek).

De uitgangspunten in het verkeersonderzoek

34. De vereniging voert aan dat in het verkeersonderzoek onjuiste uitgangspunten zijn gehanteerd. Zij voert daarover aan dat in het verkeersonderzoek voor de bedrijfssituatie van het huidige tankstation, dat is gesitueerd in het plangebied, met een andere verdeling van personenwagens is gerekend over de dag-, avond- en nachtperiode dan in het door Peutz opgestelde rapport "Realisatie woningbouw aan de Ridder van Catsweg te Gouda. Onderzoek naar de aspecten geluid en luchtkwaliteit in de omgeving" van 29 juni 2021 (hierna: het onderzoek geluid en luchtkwaliteit). Zij wijst er in dat verband op dat in het verkeersonderzoek ervan wordt uitgegaan dat er 415 klanten per dag gebruik maken van het tankstation, wat neerkomt op 5 personenwagens per afnamepunt per uur. In het onderzoek geluid en luchtkwaliteit wordt echter uitgegaan van 6 à 8 klanten per afnamepunt per uur. Op basis van de waarnemingen van de vereniging zijn de berekeningen in het verkeersonderzoek bovendien onjuist en wordt geen representatief beeld van de bedrijfssituatie van het huidige tankstation gegeven.

Daarnaast voert de vereniging aan dat de nieuwe, haakse in- en uitrit van de planlocatie zal zorgen voor andere verkeerskundige manoeuvres dan de huidige in- en uitrit van het tankstation. De huidige en nieuwe in- en uitrit mogen daarom niet met elkaar worden vergeleken. Gelet hierop moeten de insteek- en uitrijbewegingen volledig worden meegenomen in het verkeersonderzoek, volgens de vereniging.

34.1.

In het verkeersonderzoek is onderzoek gedaan naar de te verwachten verkeerseffecten als gevolg van de voorziene ontwikkeling op de gronden van het plangebied.

In paragraaf 2 van het verkeersonderzoek is ingegaan op de verkeersgeneratie. In paragraaf 2.2 van dit onderzoek staat dat aan de hand van de kengetallen uit de CROW-publicatie 381 "Toekomstbestendig parkeren" (hierna: de CROW-publicatie) de toename van het verkeer als gevolg van de herontwikkeling van het plangebied is berekend. Over de oorspronkelijke situatie is in paragraaf 2.3 van het verkeersonderzoek vermeld dat het tankstation ten tijde van het opstellen van het verkeersonderzoek nog in gebruik was. Op basis van de verkoop van 3.792.043 liter aan brandstof in 2019 en van een gemiddelde hoeveelheid brandstof van 25 liter per tankbeurt, maakten 151.682 voertuigen per jaar gebruik van het tankstation. Per dag kwam dit neer op 416 motorvoertuigen per etmaal (hierna: mvt/etmaal). De verkeersgeneratie van de nu leegstaande werkplaats en autoshowroom bedroeg ongeveer 60 en 91 mvt/etmaal.

Op de verkeersontsluiting en de verkeerseffecten is ingegaan in paragraaf 3 van het verkeersonderzoek. In paragraaf 3.1 van dit onderzoek zijn de huidige en toekomstige ontsluiting gevisualiseerd. Hieruit blijkt dat de twee huidige ontsluitingen komen te vervallen en worden vervangen door een ontsluiting vanuit de parkeervoorziening aan de noordwestkant van het plangebied. Daarnaast staat in paragraaf 3.2 van het verkeersonderzoek dat met hulp van het Regionale Verkeersmodel Midden Holland (RVMK 3.2) de huidige en toekomstige verkeersintensiteiten voor de Ridder van Catsweg in beeld zijn gebracht. Daarbij zijn de ochtend- en avondspits van een werkdag en een zaterdagmiddag bekeken. Ingegaan is op de referentiesituatie 2030, namelijk de situatie in 2030 zonder de herontwikkeling van de gronden van het plangebied. Ook is de plansituatie in 2030 bekeken. Dat is de referentiesituatie 2030 inclusief de extra verkeersgeneratie door de herontwikkeling van de gronden van het plangebied ten opzichte van de huidige situatie. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in 2018 de werkplaats en de autoshowroom buiten gebruik waren.

In paragraaf 3.3 van het verkeersonderzoek staat dat het effect op de verkeersafwikkeling is geanalyseerd aan de hand van de berekende verkeersgeneratie, de verkeersintensiteiten uit het verkeersmodel en de verdeling van het verkeer over de verschillende routes. Gebruik is gemaakt van de verkeerssimulatie software VISSIM.

34.2.

De stelling van de vereniging dat ten onrechte in het verkeersonderzoek met een andere verdeling van personenwagens wordt gerekend dan in het onderzoek geluid en luchtkwaliteit, volgt de Afdeling niet. Uit een door de raad overgelegde nadere notitie van Goudappel Coffeng van 6 oktober 2021 blijkt namelijk dat de verdeling van personenwagens anders is, omdat in het verkeersonderzoek is uitgegaan van een gemiddelde werkdag en dat bij milieuonderzoeken, zoals het onderzoek geluid en luchtkwaliteit, wordt uitgegaan van een gemiddelde weekdag. De vereniging heeft de juistheid van een dergelijk verschil in benadering niet gemotiveerd betwist.

Voor zover de vereniging aanvoert dat de insteek- en uitrijbewegingen bij de nieuwe in- en uitrit volledig moeten worden meegenomen in het verkeersonderzoek, merkt de Afdeling op dat in paragraaf 3.2.1 van het verkeersonderzoek staat dat is uitgegaan van de plansituatie in 2030. Dit is de referentiesituatie aangevuld met de extra verkeersgeneratie door de herontwikkeling van het plangebied. Dit betekent dat de totale verkeersintensiteit na de realisatie van de voorziene bebouwing is bekeken. De Afdeling ziet in wat is aangevoerd geen aanleiding om aan de juistheid hiervan te twijfelen.

34.3.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich bij de vaststelling van het plan niet op het verkeersonderzoek heeft mogen baseren.

Het betoog slaagt niet.

De uitkomsten van het verkeersonderzoek

35. De vereniging voert aan dat de verkeersgeneratie als gevolg van de voorziene ontwikkeling hoger is dan in het verkeersonderzoek is berekend. Wanneer het tankstation zal verdwijnen, zal daarmee niet het verkeer afnemen, omdat de gebruikers van het tankstation hun dagelijkse autoritten blijven uitvoeren waarbij zij nog evenveel van de Ridder van Catsweg gebruik zullen maken. In dat verband wijst zij er ook op dat de Ridder van Catsweg is aangemerkt als "Stadsstraat".

Voor zover in het verkeersrapport is vermeld dat het plan geen wezenlijke bijdrage levert aan de verkeersituatie ter plaatse, stelt de vereniging dat het plan ook geen positieve bijdrage levert. De huidige, nadelige verkeerssituatie zal in stand worden gehouden. Bovendien zal de nieuwe, haakse in- en uitrit van de planlocatie zorgen voor andere verkeerskundige manoeuvres dan de huidige in- en uitrit van het tankstation.

Er is volgens haar daarom geen sprake van een goede ruimtelijke ordening.

[appellant] voert aan dat de voorziene ontwikkeling zal leiden tot opstoppingen op de Ridder van Catsweg.

35.1.

In paragraaf 2.4 van het verkeersonderzoek is aan de hand van de kengetallen uit de CROW-publicatie de toename van het verkeer als gevolg van de herontwikkeling van het plangebied berekend. Bij die berekening is uitgegaan van het gebiedstype "rest bebouwde kom" en de stedelijkheidsgraad "sterk stedelijk gebied". Het aantal mvt/etmaal is berekend op 694 op een weekdag en 770 op een werkdag. Uit paragraaf 4 van het verkeersonderzoek volgt dat de planontwikkeling beperkte effecten heeft op de wachttijd en verkeersdoorstroming op de Ridder van Catsweg, de verschillende aansluitende wegen en het kruispunt met de Burgemeester van Reenensingel.

35.2.

Over het betoog dat de verkeersgeneratie als gevolg van de voorziene ontwikkeling hoger is dan in het verkeersonderzoek is berekend, overweegt de Afdeling als volgt. Zoals hiervoor onder 34.1 is overwogen, is in het verkeersonderzoek een vergelijking gemaakt tussen de referentiesituatie en de plansituatie in 2030. De referentiesituatie is blijkens paragraaf 3.2.1 van het verkeersonderzoek de situatie zonder de herontwikkeling van het plangebied, maar met de bestaande functies en de autonome/regionale ontwikkelingen die in de toekomst gaan plaatsvinden. De plansituatie betreft de referentiesituatie aangevuld met de extra verkeersgeneratie door de ontwikkeling van het plangebied. Dit betekent dat in de plansituatie het bestaande tankstation en het bestaande verkeer over de Ridder van Catsweg is meegenomen. Ook is in paragraaf 3.2.1 van het verkeersonderzoek vermeld dat is uitgegaan van een worst case-scenario. In wat de vereniging heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding om aan de juistheid hiervan te twijfelen. Gelet hierop volgt de Afdeling het betoog dat de verkeersgeneratie als gevolg van de voorziene ontwikkeling hoger is dan in het verkeersonderzoek is berekend niet.

Voor zover de vereniging en [appellant] wijzen op de bestaande verkeersproblematiek, merkt de Afdeling op dat met het herstelbesluit de bestaande verkeersproblematiek niet hoeft te worden opgelost. In het verkeersonderzoek is verder geconcludeerd dat de planontwikkeling beperkte effecten heeft op de wachttijd en verkeersdoorstroming op de Ridder van Catsweg, de verschillende aansluitende wegen en het kruispunt met de Burgemeester van Reenensingel.

35.3.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in wat de vereniging en [appellant] hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd dat de voorziene ontwikkeling niet zal leiden tot onaanvaardbare verkeersoverlast.

De betogen slagen niet.

Geluid

36. Voor de voorziene ontwikkeling in het plangebied heeft Peutz het onderzoek geluid en luchtkwaliteit en de nadere notitie "Van Loon Gouda, beantwoording beroepsgronden" van 6 oktober 2021 (hierna: de nadere notitie van Peutz) opgesteld. De bevindingen en conclusies hiervan heeft de raad aan het herstelbesluit ten grondslag gelegd.

Parkeergarage

37. De vereniging voert aan dat het onderzoek geluid en luchtkwaliteit wat betreft de parkeergarage ten onrechte niet op de maximale planologische mogelijkheden is gebaseerd. Zij wijst er in dat verband op dat in de planregels ten onrechte niet is geborgd dat de parkeergarage op de begane grond gesloten zal worden gerealiseerd.

37.1.

Aan een aantal gronden van het plangebied waaraan de bestemmingen "Verkeer - Verblijf" en "Wonen" zijn toegekend, is ook de functieaanduiding "specifieke vorm van verkeer - verblijf - parkeerdek" toegekend. Op grond van de artikelen 5.1, aanhef en onder d, en 6.1, aanhef en onder e, van de planregels zijn de voor "Verkeer - Verblijf" en "Wonen" aangewezen gronden onder meer bestemd voor parkeerkeervoorzieningen met uitsluitend ter plaatse van de functieaanduiding "specifieke vorm van verkeer - verblijf - parkeerdek" een parkeerdek met bijbehorende voorzieningen. Op grond van artikel 5.2.1, aanhef en onder b, van de planregels bedraagt de bouwhoogte ter plaatse van deze functieaanduiding niet meer dan 8 m, voor zover het betreft de gronden met de bestemming "Verkeer - Verblijf".

De Afdeling stelt vast dat in de planregels niet is geregeld dat de begane grond van de parkeergarage gesloten zal worden gerealiseerd, terwijl in paragraaf 4.2 van het onderzoek geluid en luchtkwaliteit ervan is uitgegaan dat de begane grond van de parkeergarage gesloten zal worden gerealiseerd op enkele roosters voor ventilatie na. Op dit punt bevat het onderzoek geluid en luchtkwaliteit een leemte in kennis. De Afdeling is daarom van oordeel dat de raad het herstelbesluit niet met de vereiste zorgvuldigheid heeft voorbereid door het onderzoek geluid en luchtkwaliteit in zoverre daaraan ten grondslag te leggen. Dat is in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Het betoog slaagt.

37.2.

De Afdeling zal op dit punt de zogenoemde bestuurlijke lus toepassen.

38. De Afdeling komt, gelet op wat hiervoor is overwogen, nu niet toe aan de beroepsgronden van de vereniging en [appellant] die zij over de parkeergarage hebben aangevoerd. Het gaat in dat verband over de standaard bodemfactor, het nagalmniveau, de gemiddelde rijsnelheid in de parkeergarage en het geluid vanwege dichtslaande portieren. De Afdeling zal hier in de einduitspraak een oordeel over geven, voor zover dan nog opportuun.

Indirecte hinder

- De uitgangspunten in het onderzoek geluid en luchtkwaliteit

39. De vereniging betoogt dat er niet van kon worden uitgegaan dat een personenwagen bij een rijafstand van 50 m in het heersende verkeersbeeld is opgenomen. Het onderzoek geluid en luchtkwaliteit is volgens haar in zoverre niet representatief.

39.1.

Blijkens paragraaf 3.1.2 van het onderzoek geluid en luchtkwaliteit is beoordeeld in hoeverre sprake zal zijn van indirecte hinder als gevolg van de toename van de verkeersstromen, ondanks dat het in dit geval niet gaat om een inrichting. Voor de beoordeling hiervan heeft de raad aangesloten bij de circulaire "Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer" (hierna: de schrikkelcirculaire). Volgens deze schrikkelcirculaire bedraagt de voorkeursgrenswaarde voor indirecte hinder 50 dB(A) en de maximale grenswaarde 65 dB(A) etmaalwaarde. Een geluidbelasting hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde is aanvaardbaar als een binnenniveau van 35 dB(A) etmaalwaarde wordt gewaarborgd.

In paragraaf 4.3 van het onderzoek geluid en luchtkwaliteit staat dat voor indirecte hinder ten gevolge van het verkeer is uitgegaan van een rijafstand zoals opgenomen in de schrikkelcirculaire. In dit geval is uitgegaan van een rijafstand van 50 m voor personenwagens. Daarna maakt het verkeer van en naar de planlocatie onderdeel uit van het heersende verkeersbeeld.

39.2.

Over het hanteren van een rijafstand van 50 m voor personenwagens merkt de Afdeling op dat in het onderzoek geluid en luchtkwaliteit en de nadere notitie van Peutz is vermeld dat deze rijafstand in overeenstemming is met de schrikkelcirculaire. In de nadere notitie van Peutz is ook vermeld dat kan worden verwacht dat een personenwagen bij een rijafstand van 50 m dezelfde rijsnelheid als het overige verkeer zal hebben en daarna is opgenomen in het heersende verkeersbeeld. De Afdeling ziet in het aangevoerde door de vereniging geen aanleiding om aan de juistheid hiervan te twijfelen. De Afdeling oordeelt dat de raad zich bij de vaststelling van het plan in zoverre op het onderzoek geluid en luchtkwaliteit heeft mogen baseren.

Het betoog slaagt niet.

- De uitkomsten van het onderzoek geluid en luchtkwaliteit

40. De vereniging betoogt dat de indirecte hinder vanwege het verkeer afkomstig van de voorziene ontwikkeling hoger zal zijn dan in de huidige situatie. Hierbij geldt volgens haar dat in het onderzoek geluid en luchtkwaliteit ten onrechte wordt gesteld dat de gevelconstructie van de bestaande omringende woningen een afdoende geluidreducerend vermogen heeft om een binnenniveau van 35 dB(A) te waarborgen. Deze aanname is volgens de vereniging niet onderbouwd.

40.1.

Geconcludeerd wordt in paragraaf 7.1.2 van het onderzoek geluid en luchtkwaliteit dat de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde uit de schrikkelcirculaire met 3 dB(A) in de avondperiode wordt overschreden. Het is aannemelijk dat de gevelconstructie van de nabijgelegen woningen een geluidreducerend vermogen heeft van 13 dB om een binnenniveau van 35 dB(A) te waarborgen. Ook wordt erop gewezen dat de geluidbelasting ten gevolge van indirecte hinder in de toekomstige situatie meer dan 10 dB(A) lager is dan de geluidbelasting ten gevolge van het heersende verkeersbeeld. De bijdrage aan de geluidbelasting ten gevolge van indirecte hinder op de openbare weg is als niet significant aan te merken, aldus het onderzoek geluid en luchtkwaliteit.

40.2.

Anders dan de vereniging betoogt, blijkt uit het onderzoek geluid en luchtkwaliteit dat de geluidbelasting ten gevolge van indirecte hinder in de toekomstige situatie 10 dB(A) lager is dan de geluidbelasting ten gevolge van het heersende verkeersbeeld.

Voor zover de vereniging stelt dat niet aannemelijk is dat de gevelconstructie van de bestaande woningen een voldoende geluidreducerend vermogen heeft om een binnenniveau van 35 dB(A) te waarborgen, merkt de Afdeling op dat uit de nadere notitie van Peutz kan worden afgeleid dat een woning met niet afgedichte raamkieren, niet gedempte ventilatieroosters en enkel glas al een geluidreducerend vermogen van 13 dB behaalt. Het is daarom volgens Peutz niet te verwachten dat een reductie van 13 dB niet zal worden gehaald. De Afdeling ziet in het aangevoerde door de vereniging geen aanleiding om aan de juistheid daarvan te twijfelen.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in wat de vereniging heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd dat de voorziene ontwikkeling in zoverre leidt tot een uit akoestisch oogpunt onaanvaardbare situatie.

Het betoog slaagt niet.

VNG-brochure

41. De vereniging voert aan dat ten onrechte de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten uit 2009 (hierna: de VNG-brochure) en niet de recentere VNG-uitgave "Milieuzonering nieuwe stijl" in het onderzoek geluid en luchtkwaliteit is toegepast. Deze recentere VNG-uitgave zou zijn bedoeld voor toepassing onder de Crisis- en herstelwet en de Transitiewet. Zij wijst in dit verband op de omstandigheid dat de Crisis- en herstelwet in dit geval op het plan van toepassing is.

Daarnaast betoogt de vereniging dat in het onderzoek geluid en luchtkwaliteit de gronden van het plangebied ten onrechte zijn gekwalificeerd als gemengd gebied, omdat het volgens de vereniging gaat om een rustige woonwijk. Zij wijst hiervoor op de toename van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau van geluid ten gevolge van de activiteiten op het parkeerterrein. Dit benadrukt volgens haar dat het gaat om een rustige woonwijk.

41.1.

In paragraaf 3.1.3 van het onderzoek geluid en luchtkwaliteit is vermeld dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening de richtafstanden uit de VNG-brochure zijn gehanteerd, ondanks dat het bij de in het plan voorziene ontwikkeling niet gaat om de inpassing van bedrijven en/of woningen nabij bedrijvigheid. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad dit aspect uit het onderzoek geluid en luchtkwaliteit niet aan het plan ten grondslag heeft mogen leggen. Over de VNG-uitgave "Milieuzonering nieuwe stijl" overweegt de Afdeling dat deze brochure een alternatief is naast de bestaande VNG-brochure. Die recentere VNG-uitgave is alleen bedoeld voor zogenoemde bestemmingsplannen met verbrede reikwijdte als bedoeld in de Crisis- en herstelwet. Van zo’n bestemmingsplan is hier geen sprake.

41.2.

In het onderzoek geluid en luchtkwaliteit en de plantoelichting is ingegaan op de VNG-brochure. In paragraaf 5.5.2 van de plantoelichting is vermeld dat het plangebied en de omgeving zijn aan te merken als een gemengd gebied, omdat de gronden van het plangebied zijn gelegen aan een wijkontsluiting en in een omgeving met enige functiemening. Voor zover de vereniging betwist dat de omgeving is aan te merken als gemengd gebied, overweegt de Afdeling dat de gronden van het plangebied grenzen aan de Ridder van Catsweg. Daarnaast is ten noorden van het plangebied het winkelcentrum Bloemendaal gelegen. Gelet op de feitelijke situatie mocht de raad uitgaan van een gemengd gebied.

Het betoog slaagt niet.

Windklimaat

42. De vereniging voert aan dat het door Peutz opgestelde rapport "Van Loon te Gouda. Windklimaatonderzoek met behulp van CFD" van 23 juni 2021 (hierna: het windonderzoek) ten onrechte is gebaseerd op het ontwerp van de architect en niet op de maximale planologische invulling. Ook is geen onderzoek gedaan naar de windhinder in de voortuinen en terrassen van de woningen aan de Haastenburg en voor fiets- en voetgangersverkeer op de Ridder van Catsweg. De conclusie in het windonderzoek dat het windklimaat rond de planlocatie gunstig is en dat er geen verdere maatregelen ter verbetering noodzakelijk zijn, is volgens de vereniging daarom onvoldoende onderbouwd.

[appellant] vreest voor windhinder als gevolg van de voorziene ontwikkeling.

42.1.

Ten behoeve van het bestemmingsplan is onderzoek verricht naar het te verwachten windklimaat als gevolg van de voorziene ontwikkeling in de directe omgeving van het plangebied. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het windonderzoek dat op 10 februari 2022 ten aanzien van de activiteit langdurig stilzitten is verduidelijkt.

42.2.

In paragraaf 1 van het windonderzoek is vermeld dat met behulp van Computational Fluid Dynamics een indicatief onderzoek is verricht naar de te verwachten windklimaatsituatie rondom de voorziene bebouwing in het plangebied. Daarbij is onder meer gebruik gemaakt van het door de architect aangeleverd 3D model.

Voor beoordeling van het windklimaat is volgens paragraaf 2 van het windonderzoek gebruik gemaakt van de norm NEN 8100:2006 "Windhinder en windgevaar in de gebouwde omgeving", waarbij een onderscheid kan worden gemaakt tussen de activiteiten doorlopen, slenteren en langdurig stilzitten. Vermeld is dat de activiteit langdurig zitten dusdanig kritisch is dat deze met terughoudendheid wordt toegepast. Op terrassen en buitenruimten wordt om deze reden meestal uitgegaan van het criterium voor slenteren in plaats van langdurig zitten met een streefwaarde van minder dan 5%.

In de paragrafen 3 en 4 van het windonderzoek staat dat het te verwachten windklimaat rond het plan vrijwel overal goed is voor lopen en dat bij de zuidoosthoek van het plangebied het windklimaat zeer lokaal net matig is voor doorlopen. Dankzij de aanwezigheid van de parkeerlaag is het windklimaat ter plaatse van de speelplaats aan de noordoostzijde van het plangebied goed voor slenteren en ter plaatse van de entrees is het te verwachten windklimaat ook goed voor slenteren. Bij de woningen aan de Haastenburg en het Catsveld en voor een groot deel van de gevels van de woningen aan de Lekkenburg mag een goed windklimaat voor langdurig stilzitten worden verwacht. Op basis van de berekeningen is er in het gebied rond de geplande nieuwbouw geen overschrijding van het gevaarcriterium te verwachten.

De conclusie van het windonderzoek is dat het te verwachten windklimaat rond het plan gunstig is en dat er geen verdere maatregelen ter verbetering van het windklimaat noodzakelijk zijn.

42.3.

Over het betoog dat niet de maximale mogelijkheden van het plan als uitgangspunt zijn genomen, overweegt de Afdeling dat volgens het windonderzoek onder meer gebruik is gemaakt van het door de architect aangeleverde 3D-model van de geplande bebouwing. Daarover is in de nadere notitie van Peutz vermeld dat dit geen invloed heeft op de resultaten gezien de kleine verschillen tussen de geplande bebouwing en het bestemmingsplanvolume. De Afdeling acht dit uitgangspunt niet onredelijk.

Voor zover de vereniging betoogt dat geen onderzoek is gedaan naar de windhinder in de voortuinen en terrassen van de woningen aan de Haastenburg, merkt de Afdeling op dat in de nadere notitie van Peutz is vermeld dat bij het windonderzoek ook de tuinen en terrassen van deze woningen zijn bekeken. In dat verband wijst de Afdeling op de afbeelding op pagina 11 van het windonderzoek. De stelling dat het windklimaat voor fiets- en voetgangersverkeer op de Ridder van Catsweg niet is bekeken, volgt de Afdeling gelet op deze afbeelding ook niet. Bovendien is in de nadere notitie van Peutz vermeld dat een matig windklimaat voor slenteren voor de activiteit doorlopen gunstig is te noemen en niet zal leiden tot problemen voor voetgangers of fietsers.

42.4.

In wat de vereniging en [appellant] hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanknopingspunten om aan de juistheid van de conclusies van het windonderzoek en de nadere notitie van Peutz te twijfelen. De Afdeling oordeelt dat de raad in verband met het aspect windhinder het plan heeft mogen vaststellen.

Het betoog slaagt niet.

Bodem

43. [appellant] betoogt dat de bodem mogelijk tot hoogstwaarschijnlijk is verontreinigd vanwege de eerdere vestiging van een tankstation op de planlocatie. Ten onrechte heeft de raad dit niet onderzocht.

43.1.

De aanwezigheid van verontreinigingen in de bodem, de noodzaak van sanering van verontreinigde plaatsen en de wijze waarop deze saneringen moeten worden uitgevoerd, zijn geregeld in afzonderlijke wetgeving met eigen procedures, die nu niet ter beoordeling staan. Maar de raad had het plan niet mogen vaststellen, als hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de aanwezige bodemverontreiniging aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

43.2.

Voorafgaand aan het vaststellen van het plan is een verkennend en aanvullend bodemonderzoek verricht. De resultaten daarvan zijn neergelegd in het door ORTAGEO Nederland B.V. opgestelde rapport "Verkennend en aanvullend bodemonderzoek. Ridder van Catsweg 681-687 in Gouda" van 4 april 2019 (hierna: het bodemonderzoek). Daarin is onder meer geconcludeerd dat de bovengrond plaatselijk licht is verontreinigd met zware metalen en minerale olie en dat de ondergrond op het achterterrein plaatselijk matig is verontreinigd met PCB. Daarnaast is de ondergrond lokaal licht met minerale olie verontreinigd en het grondwater bevat licht verhoogde concentraties aan barium en zink.

In paragraaf 5.2.3 van de plantoelichting is vermeld dat op basis van de onderzoeksresultaten het noodzakelijk is dat op de locatie sanerende werkzaamheden plaatsvinden. Het noodzakelijke saneringsplan is door de Omgevingsdienst Midden-Holland goedgekeurd.

Gelet op het voorgaande heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling voldoende gemotiveerd dat de aanwezige bodemverontreiniging niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

Het betoog slaagt niet.

Milieueffectrapportage

44. De vereniging betoogt dat de "Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling herontwikkeling Ridder van Catsweg 683, Gouda" van 29 juni 2021 niet door de raad is vastgesteld. Deze aanmeldnotitie is volgens hen namelijk pas na de vaststelling van het besluit van 30 juni 2021 als bijlage bij dat besluit gevoegd. De vereniging betoogt daarnaast dat in de aanmeldnotitie wordt verwezen naar conclusies uit rapporten, terwijl zij deze conclusies niet onderschrijven. Gelet hierop kon niet worden geconcludeerd dat de ontwikkeling geen belangrijke structurele nadelige en onomkeerbare milieugevolgen meebrengt.

[appellant] betoogt dat voor het plan ten onrechte geen milieueffectrapport is gemaakt. Het standpunt van de raad dat de milieueffecten als gevolg van de ontwikkeling beperkt zijn en er geen sprake is van een bijzondere omstandigheid die het opstellen van een milieueffectrapport noodzakelijk maakt, is volgens hem onbegrijpelijk. De in het plan voorziene ontwikkeling zal namelijk worden gebouwd op een bodem die vanwege de eerdere aanwezigheid van een tankstation is verontreinigd.

44.1.

Niet in geschil is dat wat betreft de ontwikkeling die het plan mogelijk maakt de drempelwaarden van onderdeel D, categorie D11.2, van de bijlage bij het Besluit m.e.r. niet worden overschreden. Hoewel de drempelwaarden niet worden overschreden, moet op grond van de criteria als bedoeld in bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn ook worden bezien of de activiteit mogelijk belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben en of het uitvoeren van een plan-m.e.r. alsnog noodzakelijk is. Dit volgt uit artikel 7.17, derde lid, van de Wet milieubeheer (hierna: de Wm). In bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn zijn de kenmerken van het project/de activiteit, de plaats van het project/de activiteit en de kenmerken van het potentiële effect als criteria genoemd.

44.2.

Het college heeft op 14 juli 2020 een m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen en besloten dat geen milieueffectrapport hoeft te worden opgesteld. Aan dit besluit is - anders dan de vereniging veronderstelt - de "Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling herontwikkeling Ridder van Catsweg, Gouda" van 4 oktober 2019, die is opgenomen in bijlage 7 bij de plantoelichting van het ontwerpplan, ten grondslag gelegd. Uit bijlage 9 bij het herstelbesluit kan verder worden afgeleid dat de "Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling herontwikkeling Ridder van Catsweg 683, Gouda" op 29 juni 2021 is geactualiseerd. De omstandigheid dat de raad de aanmeldnotitie niet zou hebben vastgesteld, wat daarvan ook zij, betekent niet dat het m.e.r.-beoordelingsbesluit gebrekkig is, omdat het college het m.e.r.-beoordelingsbesluit heeft genomen. Het college was daartoe gelet op artikel 7.1, vierde lid, van de Wm bevoegd.

In het m.e.r.-beoordelingsbesluit wordt voor de verdere inhoudelijke onderbouwing verwezen naar de aanmeldnotitie van 4 oktober 2019. In de aanmeldnotitie is de voorgenomen activiteit getoetst aan de criteria als bedoeld in bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn. Er wordt op gewezen dat de diverse milieuaspecten zijn beoordeeld en dat het plan geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu heeft. De vereniging heeft niet geconcretiseerd waarom dit geen toereikende beoordeling op grond van de relevante criteria van bijlage III van de m.e.r.-richtlijn zou zijn. Alleen de stelling dat de vereniging de conclusies niet onderschrijft van de rapporten waarnaar in de aanmeldnotitie van 4 oktober 2019 die geactualiseerd is op 29 juni 2021, wordt verwezen, is daarvoor onvoldoende.

44.3.

Wat betreft het aspect bodem overweegt de Afdeling als volgt. In het door ORTAGEO Noordoost B.V. opgestelde bodemonderzoek van 4 april 2019 is onder meer geconcludeerd dat de bovengrond plaatselijk licht is verontreinigd met zware metalen en minerale olie en dat de ondergrond op het achterterrein plaatselijk matig is verontreinigd met PCB. De Afdeling stelt vast dat in de aanmeldnotitie van 4 oktober 2019, op grond waarvan het m.e.r.-beoordelingsbesluit is genomen, niet is ingegaan op het aspect bodem. De Afdeling is daarom van oordeel dat niet alle relevante criteria als genoemd in bijlage III van de m.e.r.-richtlijn toereikend zijn beoordeeld in de uitgevoerde m.e.r-beoordeling. Dit is in strijd met artikel 7.17, derde lid, van de Wm.

Maar de Afdeling ziet aanleiding om de schending van artikel 7.17, derde lid, van de Wm met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren. De Afdeling acht niet aannemelijk dat [appellant] en andere belanghebbenden door de schending van artikel 7.17, derde lid, van de Wm zijn benadeeld. Zoals hiervoor uiteen is gezet onder 43.2, is in paragraaf 5.2.3 van de plantoelichting inzichtelijk gemaakt dat het aspect bodem niet zonder meer aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Het noodzakelijke saneringsplan is door de Omgevingsdienst Midden-Holland goedgekeurd. De raad heeft zich op de zitting op het standpunt mogen stellen, dat ook wat betreft de bodemsituatie er geen sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen die maken dat een milieueffectrapport had moeten worden opgesteld.

44.4.

De betogen slagen niet.

Planregels voor het overige

Doelgroepen en prijsklassen voorziene woningen

45. De vereniging stelt dat de raad ten onrechte niet in de planregels heeft verankerd wat de doelgroepen en de prijsklassen zijn voor de voorziene woningen, terwijl hij dat gelet op de plantoelichting wel van belang heeft geacht.

45.1.

Op grond van artikel 3.1.2, eerste lid, van het Bro kan een bestemmingsplan ten behoeve van de uitvoerbaarheid regels bevatten over sociale huurwoningen, geliberaliseerde woningen voor middenhuur, sociale koopwoningen of particulier opdrachtgeverschap.

45.2.

De raad heeft op de zitting toegelicht dat hij niet met het bestemmingsplan, maar met het woningbouwprogramma wil bereiken dat wordt voorzien in een passend woningaanbod voor verschillende doelgroepen waaronder starters en senioren. De raad ziet daarom vanuit de uitvoerbaarheid van het plan geen noodzaak om daarin regels op te nemen als bedoeld in artikel 3.1.2, eerste lid, van het Bro.

In wat de vereniging aanvoert, bestaat geen grond voor het oordeel dat de raad zich niet op dit standpunt heeft mogen stellen.

Het betoog slaagt niet.

Hoogste punt van een gebouw

46. In artikel 2.1, tweede alinea, van de planregels is volgens de vereniging bepaald dat de hoogte van een gebouw wordt gemeten vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw. Het hoogste punt is niet beperkt tot het dakvlak, als bedoeld in artikel 1.20 van de planregels. Volgens de vereniging is het daarom rechtsonzeker wat het hoogste punt van een gebouw is.

46.1.

Uit artikel 1.20 van de planregels volgt dat het dakvlak de bovenafsluiting van een gebouw met inbegrip van isolatielagen en dakbedekking betreft, maar met uitzondering van verhoogde dakranden. Uit artikel 2.1, eerste alinea, van de planregels volgt dat de bouwhoogte van dakopbouwen ten behoeve van bijvoorbeeld noodtrappen moet worden gemeten vanaf de bovenkant van het dakvlak van een gebouw tot aan het hoogste punt van de dakopbouw. Uit artikel 2.1, tweede alinea, van de planregels volgt verder dat de bouwhoogte van een gebouw of van een bouwwerk geen gebouw zijnde moet worden gemeten vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw, met uitzondering van bijvoorbeeld dakopbouwen en ondergeschikte bouwonderdelen.

Uit deze bepalingen kan worden afgeleid dat het hoogste punt van een gebouw als bedoeld in artikel 2.1, tweede alinea, van de planregels, de bovenkant van het dak betreft waarop bijvoorbeeld dakopbouwen en ondergeschikte bouwonderdelen mogen worden geplaatst. Het hoogste punt van een gebouw als bedoeld in deze bepaling zou ook een verhoogde dakrand kunnen zijn gelet op artikel 1.20 van de planregels. De Afdeling is daarom van oordeel dat het niet rechtsonzeker is wat het hoogste punt van een gebouw als bedoeld in artikel 2.1, tweede alinea, van de planregels is.

Het betoog slaagt niet.

Aanlegfase

47. De vereniging voert aan dat in verschillende onderzoeken die ten grondslag liggen aan het plan, wordt uitgegaan van bepaalde stikstofuitstoot van werktuigen, terwijl in de planregels niet is bepaald dat overeenkomstig die uitgangspunten moet worden gewerkt.

47.1.

De Afdeling overweegt dat de raad er in redelijkheid van heeft kunnen afzien om in het plan vast te leggen welk type werktuigen voor de realisering van het voorziene bouwplan wordt gebruikt. Dit is primair een kwestie van uitvoering. In een onderzoek naar de gevolgen van een bestemmingsplan moet worden uitgegaan van reële en aannemelijke uitgangspunten, maar die uitgangspunten hoeven niet per se in het bestemmingsplan te worden geborgd.

Het betoog slaagt niet.

Evenwichtige belangenafweging en financieel belang

48. De vereniging en [appellant] betogen dat door de raad ten onrechte doorslaggevende betekenis is toegekend aan de mededeling van het college dat de businesscase van Vastbouw onvoldoende ruimte laat om verdere aanpassingen te doen. Zo’n financieel belang mag volgens de vereniging geen deel uitmaken van de onderbouwing van dit bestemmingsplan. [appellant] wijst erop dat - gelet op dit financiële belang - nauwelijks is gekeken naar de ruimtelijke inpassing van de voorziene ontwikkeling.

48.1.

Bij de vaststelling van het plan heeft de raad veel gewicht toegekend aan het belang dat wordt gediend met het realiseren van 172 appartementen, namelijk het leveren van een bijdrage aan de opgave om woningen toe te voegen aan de regionale woonmarkt en het bevorderen van de doorstroming op de woonmarkt. Uit de stukken blijkt dat de raad het plan heeft vastgesteld met het oog op dit algemene belang en niet vanwege de wensen of de financiële belangen van de initiatiefnemer.

De raad heeft ook andere belangen, zoals de belangen van omwonenden, in zijn besluitvorming betrokken. Uit paragraaf 9.3 van de plantoelichting volgt dat de naar voren gebrachte zienswijzen in combinatie met de uitkomsten van de dialoogsessies en enkele ambtshalve wijzigingen hebben geleid tot een gewijzigde vaststelling van het plan.

De aanpassingen betreffen onder meer het verlagen van de maximaal toegestane bouwhoogtes, het verlagen van het aantal woningen naar 172 en het wijzigen van de situering en de omvang van het bouwvlak op de westelijke zijde van het plangebied.

Gelet hierop ziet de Afdeling in wat de vereniging en [appellant] hebben aangevoerd, geen aanleiding voor het oordeel dat geen evenwichtige belangenafweging aan het plan ten grondslag ligt.

De betogen slagen niet.

EVRM

49. De vereniging betoogt dat de raad bij de vaststelling van het plan in strijd met artikel 1 van het Eerste protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) heeft gehandeld. Door de vaststelling van het bestemmingsplan wordt een onevenredige inbreuk gemaakt op haar eigendom, privacy, woongenot, gezondheid en welzijn. In het bijzonder wijst zij op de woningen aan de Haastenburg waar als gevolg van het plan een cumulatie van effecten zal optreden. Volgens haar is er geen ‘fair balance’ tussen de eigendomsaantasting en het algemeen belang.

49.1.

Op grond van artikel 1 van het Eerste protocol bij het EVRM heeft iedere natuurlijke of rechtspersoon recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Deze bepaling laat onverlet de toepassing van wetten die noodzakelijk kunnen worden geacht om het gebruik van de eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang (vergelijk de uitspraak van 14 april 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM1021). Een bestemmingsplanregeling is zo’n regulering (vergelijk de uitspraak van 12 november 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AN7996).

Gelet op wat hiervoor is overwogen over de beroepsgronden van de vereniging en in het licht van de beleidsruimte van de raad bij het vaststellen van nieuwe bestemmingen en regels, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de belangen van de vereniging niet op voldoende evenwichtige wijze heeft afgewogen bij zijn besluitvorming. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat als gevolg van de vaststelling van het bestemmingsplan het door artikel 1 van het Eerste protocol bij het EVRM beschermde eigendomsrecht van de vereniging is geschonden.

Het betoog slaagt niet.

Planschade

50. [appellant] betoogt dat vooralsnog geen duidelijkheid is gegeven over de afwikkeling van planschade.

50.1.

De Afdeling overweegt dat voor eventuele tegemoetkoming in planschade een afzonderlijke procedure met eigen rechtsbeschermingsmogelijkheden bestaat. De Afdeling wijst op de mogelijkheid om op grond van artikel 6.1, eerste lid, van de Wro een verzoek om een tegemoetkoming in planschade in te dienen. Het staat [appellant] vrij om daarop een beroep te doen.

Het betoog slaagt niet.

Herhalen en inlassen zienswijze

51. Voor zover de vereniging en [appellant] voor het overige verzoeken de inhoud van hun zienswijzen als herhaald en ingelast in het beroepschrift te beschouwen, overweegt de Afdeling dat in de zienswijzennota is ingegaan op die zienswijzen. De vereniging en [appellant] hebben in hun beroepschrift en op de zitting geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de zienswijzen onjuist of onvolledig zou zijn.

Verzoek inschakelen deskundige

52. De vereniging heeft de Afdeling verzocht om de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak te benoemen als deskundige voor het instellen van een onderzoek. Gelet op wat hiervoor in deze uitspraak is overwogen, is dit naar het oordeel van de Afdeling niet nodig.

Conclusie

53. Gelet op wat hiervoor is overwogen onder 12.1, 14.4, 17.6, 18.1, 19.6, 21.4, 23.1, 25.3 en 37.1, zijn de beroepen van de vereniging en [appellant] tegen het herstelbesluit gegrond. Omdat de geconstateerde gebreken in het herstelbesluit grotendeels ook kleven aan het besluit van 30 juni 2021, zijn ook de beroepen van de vereniging en [appellant] tegen het besluit van 30 juni 2021 gegrond.

Bestuurlijke lus

54. Met het oog op een spoedige beslechting van het geschil zal de Afdeling de raad opdragen om binnen 20 weken na verzending van deze tussenuitspraak alsnog:

- met inachtneming van wat is overwogen onder 12.1, te waarborgen dat de formulering van de artikelen 1.27 en 1.11, onder b, van de planregels uit het herstelbesluit overeenstemt met de versie van de planregels die op de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl is geplaatst;

- met inachtneming van wat is overwogen onder 14.4, toereikend te motiveren waarom bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb zich voordoen op grond waarvan had kunnen worden afgeweken van de nota hoogbouw ten aanzien van de bouwhoogtes voor de gronden op de oostelijke en noordelijke zijde van het plangebied, of een gewijzigd of nieuw besluit te nemen. Bij het nemen van een gewijzigd of nieuw besluit zou de raad ervoor kunnen kiezen om artikel 10, aanhef en onder a, van de planregels te schrappen, als het opnemen van een bevoegdheid voor zo’n afwijking van de geldende bouwhoogtes in dit geval niet nodig wordt geacht. De raad zou er ook voor kunnen kiezen om de bouwhoogtes voor de gronden op de oostelijke en noordelijke zijde te verlagen. Als de raad ervoor kiest om deze bouwhoogtes te verlagen, dan geeft de Afdeling mee dat het bezonningsonderzoek en de plantoelichting op dit punt ook moeten worden gewijzigd;

- met inachtneming van wat is overwogen onder 17.6, een voorwaardelijke verplichting in de planregels op te nemen die strekt tot het aanleggen en in stand houden van minimaal 15 procent van de oppervlakte van het plangebied als openbaar groen. In de planregels zou bijvoorbeeld kunnen worden bepaald dat de voorziene woningen niet voor bewoning mogen worden gebruikt, als het in artikel 11.4, aanhef en onder a, van de planregels bedoelde groen niet wordt aangelegd en in stand wordt gehouden;

- met inachtneming van wat is overwogen onder 18.1, artikel 11.4, aanhef en onder b, of artikel 11.3 van de planregels te wijzigen, zodat zekerheid wordt geboden over de vraag van welke beleidsregels moet worden uitgegaan;

- met inachtneming van wat is overwogen onder 19.6, een voorwaardelijke verplichting in de planregels op te nemen die strekt tot het realiseren en in stand houden van een overkapping met een groen dak op minimaal 70 procent van de gronden van het parkeerdek. In de planregels zou bijvoorbeeld kunnen worden bepaald dat de voorziene woningen niet voor bewoning mogen worden gebruikt, als de in artikel 11.5 van de planregels bedoelde overkapping met een groen dak niet wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden;

- met inachtneming van wat is overwogen onder 21.4, een voorwaardelijke verplichting in de planregels op te nemen die strekt tot het treffen en in stand houden van de maatregel ter voorkoming van lichthinder door koplampen inhoudende een afscheiding met een minimale hoogte van 1,2 m. In de planregels zou bijvoorbeeld kunnen worden bepaald dat de voorziene woningen niet voor bewoning mogen worden gebruikt, als de maatregel ter voorkoming van lichthinder door koplampen inhoudende een afscheiding met een minimale hoogte van 1,2 m, niet is getroffen en in stand wordt gehouden;

- met inachtneming van wat is overwogen onder 23.1, artikel 8.8 van de planregels te wijzigen en het plan zo aan te passen, zodat zekerheid wordt geboden over de vraag waar de parkeervoorzieningen moeten worden voorzien van een afscheiding met een minimale hoogte van 1,2 m;

- met inachtneming van wat is overwogen onder 25.3, een onderzoek te verrichten naar de gevolgen van de voorziene bebouwing voor de bezonning van de woningen aan de Haastenburg. De Afdeling geeft de raad mee dat rekening moet worden gehouden met de omstandigheid dat voorzieningen voor het opwekken en leveren van duurzame energie op het hele dakoppervlak van het gebouw mogen worden geplaatst op grond van artikel 8.6, aanhef en onder e, van de planregels;

- met inachtneming van wat is overwogen onder 37.1, het daar omschreven gebrek te herstellen. Bij het nemen van een gewijzigd of nieuw besluit zou de raad ervoor kunnen kiezen om een voorwaardelijke verplichting in de planregels op te nemen die strekt tot de aanleg en instandhouding van de gesloten parkeergarage voor de begane grond, als de raad het vanuit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk acht dat de begane grond van de parkeergarage gesloten zal worden gerealiseerd. Als de raad er niet voor kiest om zo’n voorwaardelijke verplichting in de planregels op te nemen, dan moeten het onderzoek geluid en luchtkwaliteit en de plantoelichting op een toereikende wijze worden gewijzigd;

- de Afdeling en de andere partijen de uitkomst mee te delen en een gewijzigd of nieuw besluit zo spoedig mogelijk op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mee te delen. Afdeling 3.4 van de Awb hoeft niet opnieuw te worden toegepast.

Samenvatting

55. Deze uitspraak is een tussenuitspraak. Dat houdt in dat pas in een volgende uitspraak - de einduitspraak - definitief op de beroepen zal worden beslist. Over de volgende beroepsgronden zal, voor zover nog opportuun en in het licht van het daarover door de raad nog te nemen herstelbesluit, in de einduitspraak definitief worden geoordeeld:

- de beroepsgronden over de bezonning (onder 26);

- de beroepsgronden over de parkeergarage (onder 38).

Proceskosten en griffierecht

56. In de einduitspraak zal worden beslist over vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

draagt de raad van de gemeente Gouda op om binnen 20 weken na verzending van deze tussenuitspraak:

- met inachtneming van overweging 54 de daar omschreven gebreken in het besluit van 8 december 2021 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Ridder van Catsweg 683, Gouda" te herstellen, en

- de Afdeling en de andere partijen de uitkomst mee te delen en een gewijzigd of nieuw besluit zo spoedig mogelijk op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mee te delen.

Aldus vastgesteld door mr. A. ten Veen, voorzitter, en mr. A. Kuijer en mr. J. Gundelach, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen

Uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2022

159-926

BIJLAGE

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 3:2

Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.

Artikel 3:46

Een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering.

Artikel 4:84

Het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.

Artikel 6:22

Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.

Artikel 8:51d

Indien de bestuursrechter in hoogste aanleg uitspraak doet, kan hij het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. De artikelen 8:51a, eerste lid, tweede volzin, en tweede lid, 8:51b, tweede en derde lid, en 8:51c, aanhef en onderdelen b tot en met d, zijn van toepassing.

Besluit m.e.r.

Categorie D11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r.

Besluit ruimtelijke ordening

Artikel 3.1.2

1. Ten behoeve van de uitvoerbaarheid kan een bestemmingsplan regels bevatten met betrekking tot sociale huurwoningen, geliberaliseerde woningen voor middenhuur, sociale koopwoningen of particulier opdrachtgeverschap.

2. Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening kan een bestemmingsplan regels bevatten:

a. waarvan de uitleg bij de uitoefening van een daarbij aangegeven bevoegdheid, afhankelijk wordt gesteld van beleidsregels;

[…].

Gemeentewet

Artikel 160

1. Het college is in ieder geval bevoegd:

[…]

b. beslissingen van de raad voor te bereiden en uit te voeren, tenzij bij of krachtens de wet de burgemeester hiermee is belast;

[…].

Planregels van het op 9 december 2021 vastgestelde bestemmingsplan "Ridder van Catsweg 683, Gouda"

Artikel 1.20 dakvlak

bovenafsluiting van een gebouw, met inbegrip van isolatielagen en dakbedekking maar met uitzondering van verhoogde dakranden.

Artikel 1.27 Mobility as a Service

Mobiliteitsdienst waarmee gebruikers via een gezamenlijk digitaal platform de multimodale (vraag gestuurde en realtime) mobiliteitsdiensten, zoals openbaar vervoer, een deelauto, deelbakfiets en eventueel daaraan toe te voegen andere vervoersmodaliteiten, kunnen plannen, boeken, betalen en afnemen.

Artikel 2.1 de bouwhoogte van een bouwwerk

Voor dakopbouwen t.b.v. noodtrappen, luchtbehandelings-, lift- en zonnepaneelinstallaties

vanaf de bovenkant van het dakvlak van een gebouw tot aan het hoogste punt van de dakopbouw.

Voor overige bouwwerken

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van dakopbouwen t.b.v. noodtrappen, luchtbehandelings-, lift- en zonnepaneelinstallaties en overige ondergeschikte bouwonderdelen zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

Artikel 3.1

De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. groenvoorzieningen en water;

[…]

c. speelvoorzieningen;

d. waterhuishoudkundige voorzieningen;

[…].

Artikel 5.1

De voor 'Verkeer - Verblijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

[…]

d. parkeervoorzieningen, met uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer-verblijf - parkeerdek' een parkeerdek met bijbehorende voorzieningen;

[…].

Artikel 5.2.1

Op de voor 'Verkeer - Verblijf' aangewezen gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd, met dien verstande, dat:

[…]

b. de bouwhoogte ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer-verblijf - parkeerdek' niet meer mag bedragen dan 8 m;

[…].

Artikel 6.1

De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. wonen en in samenhang daarmee voor de uitoefening van bedrijfsmatige activiteiten in of bij een woning en beroepsmatige activiteiten in of bij een woning;

[…]

e. parkeervoorzieningen, met uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer-verblijf - parkeerdek' een parkeerdek met bijbehorende voorzieningen;

[…].

Artikel 6.2.1

Op de voor 'Wonen' aangewezen gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd, met dien verstande, dat:

[…]

d. de bouwhoogte van gebouwen niet meer mag bedragen dan 10 m, tenzij binnen een bouwvlak, of een gedeelte daarvan, anders is aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)';

[…].

Artikel 6.3.2

a. De voor 'Wonen' aangewezen gronden mogen uitsluitend worden gebruikt indien voldoende parkeergelegenheid voor auto's en fietsen wordt gerealiseerd en in stand gehouden;

b. Aan de verplichting als bedoeld onder a wordt voldaan indien uitvoering is gegeven aan het Mobiliteitsplan zoals opgenomen in Bijlage 2, waaraan wordt geacht te zijn voldaan indien:

1. Minimaal 234 parkeerplaatsen beschikbaar zijn en blijven bij aanvang van het feitelijk gebruik overeenkomstig het bepaalde in 6.1 sub a., waarvan 12 parkeerplaatsen gereserveerd zijn voor deelauto's, en;

2. 3 opstelplaatsen voor elektrische deelbakfietsen en minimaal 850 fietsparkeerplekken beschikbaar zijn en blijven bij aanvang van het feitelijk gebruik overeenkomstig het bepaalde in 6.1 sub a, en;

3. 12 elektrische deelauto's en 3 elektrische deelbakfietsen in het kader van Mobility as a Service beschikbaar zijn en blijven bij aanvang van het feitelijk gebruik overeenkomstig het bepaalde in 6.1 sub a.

Artikel 6.4.1

Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 6.3.2 onder b indien monitoring zoals omschreven in het in Bijlage 2 opgenomen Mobiliteitsplan daar aanleiding toe geeft, waarbij de hiervoor bedoelde omgevingsvergunning uitsluitend wordt verleend indien middels een gewijzigd mobiliteitsplan aangetoond wordt dat in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien en derhalve op het maatgevende moment geen sprake zal zijn van een tekort aan parkeerplaatsen in het plangebied.

Artikel 8.3

Voor dakopbouwen ten behoeve van noodtrappen, luchtbehandelings- en liftinstallaties gelden de volgende regels:

a. dakopbouwen ten behoeve van noodtrappen, luchtbehandelings- en liftinstallaties mogen gezamenlijk geen grotere oppervlakte hebben dan 40% van het dakoppervlak van het gebouw waarop zij worden geplaatst;

b. dakopbouwen ten behoeve van noodtrappen, luchtbehandelings- en liftinstallaties mogen niet hoger zijn dan 1,2 m gemeten vanaf het dakvlak als bedoeld in 2.1.

Artikel 8.4

a. dakopbouwen ten behoeve van zonnepaneelinstallaties mogen niet hoger zijn dan 1,2 m gemeten vanaf het dakvlak als bedoeld in 2.1.

Artikel 8.6

De in het plan opgenomen regels met betrekking tot bestemmingsgrenzen, bouwgrenzen en maatvoering, zijn niet van toepassing voor wat betreft overschrijdingen door:

[…]

e. voorzieningen voor het opwekken en leveren van duurzame energie voor zover deze binnen een bouwvlak en op het dak worden opgericht en de voor dat gebouw toegestane maximale hoogte met niet meer dan 3,5 m wordt overschreden;

[…].

Artikel 8.8

Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het 'bouwen' staat vast dat maatregelen worden getroffen en in stand gehouden om directe lichtuitstraling op de gevels van de nabij het plangebied aanwezige bestaande woningen, ten gevolge van koplampen van verkeer binnen het plangebied, tot een aanvaardbaar niveau te beperken. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan indien de parkeervoorzieningen waar nodig worden voorzien van een afscheiding met een minimale hoogte van 1,20 meter of een maatregel met een vergelijkbaar effect wordt getroffen.

Artikel 10

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om met een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in deze regels ten behoeve van:

a. een afwijking ten aanzien van de voorgeschreven hoogte van gebouwen, hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, grondoppervlakte van bebouwing, onderlinge afstand tussen gebouwen, afstand tot perceelsgrenzen en overige aanduidingen, eventueel met een overschrijding van de bouwgrenzen, mits deze afwijkingen niet meer bedragen dan 10% van de in het plan voorgeschreven maten, afstanden, oppervlakten en percentages;

[…].

Artikel 11.1

a. Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, moet ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's overeenkomstig de beleidsregels 'Mobiliteitsplan Gouda 2017 - 2026' en 'Parkeerplan Gouda 2020' in voldoende mate ruimte zijn aangebracht en in stand gehouden in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort;

b. Aan het bepaalde in 11.1 sub a waaraan wordt geacht te zijn voldaan indien:

1. bij verlening van de omgevingsvergunning voor de activiteit 'bouwen' vast staat dat het aantal parkeerplaatsen ten minste overeenkomt met het aantal parkeerplaatsen dat voor het betreffende gebied en de betreffende functie(s) benodigd is overeenkomstig de tabel in Bijlage 1, dan wel;

2. bij verlening van de omgevingsvergunning voor de activiteit "bouwen" vast staat dat:

- in het parkeren wordt voorzien op de wijze zoals beschreven in het in Bijlage 2 opgenomen Mobiliteitsplan, bestaande uit minimaal 234 parkeerplaatsen, waarvan 12 parkeerplaatsen gereserveerd zijn voor elektrische deelauto's, en;

- 3 opstelplaatsen voor elektrische deelbakfietsen en minimaal 850 fietsparkeerplekken beschikbaar zullen zijn bij aanvang van het feitelijk gebruik overeenkomstig het bepaalde in 6.1 sub a, en;

- 12 elektrische deelauto's en 3 elektrische deelbakfietsen in het kader van Mobility as a Service beschikbaar zullen zijn bij aanvang van het feitelijk gebruik overeenkomstig het bepaalde in 6.1 sub a;

[…].

Artikel 11.3

De wettelijke regelingen en beleidsregels waarnaar in de regels wordt verwezen, gelden zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het plan.

Artikel 11.4

Een omgevingsvergunning voor de activiteit "bouwen" wordt niet eerder verleend dan nadat in de omgevingsvergunningaanvraag is aangetoond dat:

a. de beleidsregels, zoals bepaald in de Structuurvisie Groen, welke als Bijlage 3 bij de regels is toegevoegd, in acht zijn genomen, waaraan wordt geacht te zijn voldaan indien ter plaatse van minimaal 15% van de oppervlakte van het plan openbaar groen wordt aangelegd en in stand gehouden;

b. indien de beleidsregels zoals opgenomen in sub a worden gewijzigd, wordt met die wijziging rekening gehouden.

Artikel 11.5

Een omgevingsvergunning voor de activiteit "bouwen" voor een parkeerdek als bedoeld in lid 5.1 sub d wordt niet eerder verleend dan nadat in de omgevingsvergunningaanvraag is aangetoond dat parkeerplaatsen op een parkeerdek als bedoeld in lid 5.1 sub d, voor zover gelegen buiten gebouwen, voor minimaal 70% zijn voorzien van een overkapping met een groen dak.

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2.1

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

[…].

Artikel 2.22

[…]

2. Aan een omgevingsvergunning worden de voorschriften verbonden, die nodig zijn met het oog op het belang dat voor de betrokken activiteit is aangegeven in het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.10 tot en met 2.20. Indien toepassing is gegeven aan artikel 2.27, vierde lid, worden aan een omgevingsvergunning tevens de bij de verklaring aangegeven voorschriften verbonden. De aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften zijn op elkaar afgestemd.

[…].

Wet milieubeheer

Artikel 7.1

[…]

4. In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt onder bevoegd gezag verstaan het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het voorbereiden dan wel vaststellen van een plan of een besluit.

[…].

Artikel 7.17

[…]

3. Het bevoegd gezag neemt zijn beslissing op grond van de informatie, bedoeld in artikel 7.16, tweede en vierde lid, en houdt bij zijn beslissing rekening met:

a. voor zover relevant de resultaten van eerder uitgevoerde controles of andere beoordelingen van gevolgen voor het milieu;

b. de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn.

[…].

Wet ruimtelijke ordening

Artikel 6.1

1. Burgemeester en wethouders kennen degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid genoemde oorzaak, op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.

[…].