Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2022:1223

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-04-2022
Datum publicatie
26-04-2022
Zaaknummer
202103063/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 30 april 2019 en 29 mei 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn het verzoek van [appellant] op grond van de Wet openbaarheid van bestuur gedeeltelijk afgewezen. [appellant] heeft het college verzocht om openbaarmaking van niet-openbare informatie uit de jaren 2017-2019 over de bouw van een multifunctionele accommodatie in Zwammerdam. Ook heeft hij een aantal vragen gesteld over deze accommodatie. Verder heeft hij verzocht om, voordat een definitief besluit wordt genomen, een lijst met openbaar te maken documenten te verstrekken, zodat hij kan aangeven van welke documenten hij inzage vraagt. Het college heeft voorafgaand aan de besluiten van 30 april en 29 mei 2019 een inventarislijst van de openbaar te maken documenten aan [appellant] verstrekt. Bij de genoemde besluiten heeft het college de gestelde vragen beantwoord en de gevraagde documenten deels per post en deels digitaal op een usb-stick aan [appellant] verstrekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202103063/1/A3.

Datum uitspraak: 26 april 2022

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Zwammerdam, gemeente Alphen aan den Rijn,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 25 maart 2021 in zaak nr. 19/7505 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn.

Procesverloop

Bij besluiten van 30 april 2019 en 29 mei 2019 heeft het college het verzoek van [appellant] op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) gedeeltelijk afgewezen.

Bij besluit van 11 november 2019 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 maart 2021 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft de Afdeling toestemming, als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, verleend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 februari 2022, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door M.K. van Rijn, G.F. de Prez en I.M. Borst, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van de uitspraak.

2.       [appellant] heeft het college verzocht om openbaarmaking van niet-openbare informatie uit de jaren 2017-2019 over de bouw van een multifunctionele accommodatie in Zwammerdam. Ook heeft hij een aantal vragen gesteld over deze accommodatie. Verder heeft hij verzocht om, voordat een definitief besluit wordt genomen, een lijst met openbaar te maken documenten te verstrekken, zodat hij kan aangeven van welke documenten hij inzage vraagt.

Het college heeft voorafgaand aan de besluiten van 30 april en 29 mei 2019 een inventarislijst van de openbaar te maken documenten aan [appellant] verstrekt. Bij de genoemde besluiten heeft het college de gestelde vragen beantwoord en de gevraagde documenten deels per post en deels digitaal op een usb-stick aan [appellant] verstrekt. Daarbij heeft het in alle documenten persoonsgegevens en bedragen die refereren aan ramingen en opbrengsten onleesbaar gemaakt op grond van artikel 10, tweede lid, van de Wob. Naar aanleiding van het bezwaarschrift heeft het college bij schrijven van 2 september 2019 nadere documenten aan [appellant] verstrekt. In bezwaar heeft het college haar besluiten met een aanvullende motivering gehandhaafd.

Het hoger beroep

Heeft de rechtbank de zaak zonder een schriftelijke vragenronde kunnen afdoen?

3.       [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft vermeld dat partijen toestemming hebben gegeven om onderzoek ter zitting achterwege te laten. Volgens [appellant] is hij akkoord gegaan met een schriftelijke behandeling van zijn beroepschrift en heeft de rechtbank daarom geen uitspraak kunnen doen zonder een schriftelijke vragenronde. Hij gaat ervan uit dat de rechtbank na het houden van die vragenronde tot een andere uitspraak was gekomen.

3.1.    De rechtbank heeft partijen bij brief van 18 juni 2020 bericht dat vanwege de maatregelen rondom het corona-virus de behandeling van de zaak niet op de gebruikelijke wijze kan doorgaan en dat het onderzoek ter zitting via een videoverbinding zal plaatsvinden. Bij brief van 24 juni 2020 heeft [appellant] bezwaar gemaakt tegen de behandeling via een videoverbinding. Hij geeft daarbij aan wel akkoord te gaan met een schriftelijke behandeling, waarbij de rechtbank haar vragen schriftelijk aan partijen stelt en beide partijen vervolgens de gelegenheid geeft om schriftelijk op elkaars antwoorden te reageren. De rechtbank heeft bij brief van 10 februari 2021 bericht dat partijen haar toestemming hebben verleend om de zitting achterwege te laten en eventueel schriftelijk vragen te stellen. Daarbij deelt zij mee dat zij zich na kennisname van de standpunten voldoende voorgelicht acht en het onderzoek daarom te sluiten.

3.2.    Op de in 3.1 genoemde brief van de rechtbank van 10 februari 2021 heeft [appellant] niet gereageerd. Daarom moet worden aangenomen dat de rechtbank er terecht vanuit is gegaan dat hij toestemming heeft verleend de zaak zonder zitting af te doen. Daarbij is het aan het oordeel van de rechtbank of zij zich voldoende voorgelicht acht. Is dat het geval dan mag de rechtbank het onderzoek sluiten. Daarvoor is niet bepalend of partijen menen dat er nog vragen moeten worden gesteld. Het betoog van [appellant] dat de rechtbank ten onrechte geen schriftelijke vragen heeft gesteld faalt daarom.

Onvolledige en onjuiste weergave in procesverloop en overwegingen

4.       [appellant] betoogt dat het procesverloop van de uitspraak van de rechtbank onvolledig en niet correct is, omdat daarin data van proceshandelingen niet zijn vermeld. Ook is de weergave van de besluitvorming in de overwegingen onvolledig.

4.1.    Dat bepaalde data van proceshandelingen, zoals de datum van indiening van het bezwaarschrift, niet zijn vermeld in het procesverloop en niet alle feiten van de besluitvorming in de overwegingen zijn benoemd, kan niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Ook zonder vermelding hiervan voldoet de uitspraak aan de daaraan gestelde vereisten uit artikel 8:77 van de Awb.

4.2.    Het betoog faalt.

Kon het bevoegdheidsgebrek worden gepasseerd?

5.       [appellant] betoogt dat hij, anders dan de rechtbank heeft overwogen, is benadeeld doordat dezelfde ambtenaar zowel het besluit op bezwaar als de besluiten waartegen het bezwaar was gericht, heeft genomen. Die ambtenaar had namelijk niet de beschikking over de informatie die collegeleden of de gemeentesecretaris over de multifunctionele accommodatie hadden of kon het bestaan daarvan niet kennen. Het besluit had volgens hem dan ook moeten worden genomen door het college zelf. Dat er in dit geval een advies van de commissie bezwaarschriften over zijn bezwaarschrift is uitgebracht, doet volgens [appellant] niet ter zake.

5.1.    Vast staat dat het nemen van het besluit op bezwaar conform het destijds geldende Mandaatbesluit Gemeente Alphen aan den Rijn is gemandateerd aan een ambtenaar in de functie van teamleider. De rechtbank heeft overwogen dat het besluit van 11 november 2019 onbevoegd is genomen, omdat dit in mandaat door dezelfde ambtenaar is genomen als degene die de besluiten van 30 april 2019 en 29 mei 2019 heeft genomen. Dit is in strijd met artikel 10:3 van de Awb. De rechtbank heeft in redelijkheid aanleiding kunnen zien dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren, omdat aannemelijk is dat [appellant] door dit gebrek niet is benadeeld. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het in mandaat nemen van het besluit ertoe heeft geleid dat relevante documenten die collegeleden of de gemeentesecretaris hadden buiten het onderzoek zijn gebleven.

5.2.    Het betoog faalt.

Verslag hoorzitting

6.       [appellant] betoogt verder dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, in strijd met de Awb voor het nemen van het besluit op bezwaar geen verslag van het horen is gemaakt. Daardoor is ook hetgeen tijdens de hoorzitting is gezegd over het onleesbaar maken van bedragen en voor het Wob-verzoek relevante informatie in mailboxen van collegeleden, gemeentesecretaris en medewerkers bestuurssecretariaat niet meegenomen in het besluit op bezwaar.

6.1.    Vast staat dat er een verslag van de hoorzitting is gemaakt. Anders dan [appellant] betoogt is er in de Awb geen verplichting opgenomen om, voordat een besluit wordt genomen, een verslag van de hoorzitting vast te stellen en aan belanghebbenden toe te zenden. Hij heeft niet aannemelijk gemaakt hoe hij hierdoor in zijn processuele belangen is geschaad. Daarbij is van belang dat in het besluit van 11 november 2019 en het advies van de commissie bezwaarschriften is ingegaan op zijn bezwaren over het onleesbaar maken van bedragen en het niet openbaar maken van alle beschikbare informatie. De rechtbank is terecht tot eenzelfde oordeel gekomen.

6.2.    Het betoog faalt.

Vergoeding proceskosten in bezwaar

7.       [appellant] voert aan dat de rechtbank heeft miskend dat het besluit van 11 november 2019 andere rechtsgevolgen heeft dan de besluiten van 30 april en 29 mei 2019, omdat hangende bezwaar documenten aan hem zijn toegezonden, welke bij het besluit van 11 november 2019 openbaar zijn gemaakt. Daarom had de rechtbank het besluit op bezwaar moeten herroepen met veroordeling van het college in de kosten van bezwaar.

7.1.    Vergoeding van de kosten in bezwaar proceskosten vindt alleen plaats indien met het besluit op bezwaar het primaire besluit wordt herroepen vanwege een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Van herroeping is sprake indien het dictum van het primaire besluit wordt gewijzigd. Bij besluit van 11 november 2019 is het bezwaar van [appellant] ongegrond verklaard. Daarbij zijn documenten waarom [appellant] had verzocht, en die bij brief van 2 september 2019 alsnog aan hem zijn verstrekt, openbaar gemaakt. De besluiten van 30 april en 29 mei 2019 hadden daarom herroepen moeten worden, voor zover die niet strekten tot openbaarmaking van de desbetreffende stukken. Het valt aan het college te verwijten dat het niet al eerder volledig aan het verzoek om openbaarmaking heeft voldaan. [appellant] komt daarom in aanmerking voor een vergoeding van de kosten gemaakt in bezwaar. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

7.2.    Het betoog slaagt.

Heeft het college aan zijn onderzoeksplicht voldaan en is alle gevraagde informatie openbaar gemaakt?

8.       [appellant] voert aan dat de rechtbank in de overwegingen de inhoud van zijn Wob-verzoek te beperkt heeft opgevat. Daardoor heeft zij niet kunnen beoordelen of het college aan zijn onderzoeksplicht heeft voldaan en alle informatie over de multifunctionele accommodatie waarop het Wob-verzoek ziet, openbaar is gemaakt. Volgens hem had het college ook onderzoek moeten doen in de e-mailboxen van de leden van het college. Het college is er ten onrechte vanuit gegaan dat de verantwoordelijke ambtenaren in hun e-mailbox over alle documenten over de multifunctionele accommodatie beschikken. Ook betoogt hij dat de rechtbank in het Reglement van orde aanleiding had moeten zien om te overwegen dat er nog informatie beschikbaar is die onder zijn Wob-verzoek valt, maar die ten onrechte niet openbaar is gemaakt. [appellant] wijst daarbij op aantekeningen en agenda's van collegevergaderingen en niet-openbare besluitenlijsten.

8.1.    Het betoog dat de rechtbank het Wob-verzoek te beperkt heeft opgevat, faalt. [appellant] heeft zelf, op verzoek van het college, zijn Wob-verzoek bij e-mailbericht van 8 april 2019 geformuleerd in 18 punten. Daarbij heeft hij vermeld dat het college de beantwoording van het verzoek kan beperken tot de achttien genoemde punten. Het college heeft dit ook gedaan. [appellant] heeft daarover in bezwaar en beroep niet geklaagd. De rechtbank heeft deze achttien punten ook benoemd in de weergave van het Wob-verzoek. Dit betekent ook dat zij terecht op basis van deze punten heeft beoordeeld of het college aan zijn onderzoeksplicht heeft voldaan. In de eerste twee punten van het e-mailbericht van 8 april 2019 wordt gevraagd naar informatie over e-mails en brieven verstuurd en ontvangen door ambtenaren en andere voor de gemeente Alphen aan den Rijn werkzame personen. Dat betekent dat het verzoek zich niet uitstrekt tot e-mails en brieven verstuurd en ontvangen door leden van het college.

8.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 14 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:774), is het, wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, in beginsel aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, dat document toch onder het bestuursorgaan berust.

8.3.    Dat, zoals hiervoor is overwogen, het verzoek van [appellant] zich niet uitstrekt tot de e-mails van de leden van het college, betekent op zichzelf niet dat in de mailboxen van die leden niet anderszins informatie kan zitten die wel onder het bereik van het Wob-verzoek valt, zoals in bij de e-mails gevoegde bijlagen. Het college heeft hierover geen eenduidig standpunt ingenomen. Eerst ter zitting heeft het college aangegeven dat er wel aan de hand van zoektermen in de mailboxen is gezocht. Nadere informatie over de wijze waarop dat onderzoek heeft plaatsgevonden, zoals bijvoorbeeld de gehanteerde zoektermen, heeft het college ter zitting niet kunnen geven. Daarmee heeft het college onvoldoende gemotiveerd hoe het de zoekslag heeft uitgevoerd. Het betoog slaagt in zoverre.

8.4.    Het college heeft over de collegestukken toegelicht dat de van de collegevergaderingen gemaakte aantekeningen geen woordelijke weergave zijn van de beraadslaging van het college. Deze aantekeningen worden uitgewerkt tot een besluitenlijst. Omdat de aantekeningen geen andere informatie bevat die niet al in de besluitenlijst staat, worden deze niet bewaard na vaststelling van de besluitenlijst. Andere personen dan degene die de aantekeningen maakt hebben deze niet tot hun beschikking. Er is ook geen andere verslaglegging van de collegevergadering dan een besluitenlijst. Die besluitenlijst wordt openbaar gemaakt. Op die lijst staan de stukken die tijdens een collegevergadering zijn geagendeerd vermeld. Over niet-openbare besluitenlijsten heeft het college verklaard dat over de multifunctionele accommodatie geen besluiten zijn genomen die zich niet leenden voor openbaarheid, zodat er geen niet-openbare besluitenlijsten zijn. Het college stelt verder dat de agenda's niet onder de reikwijdte van het Wob-verzoek vallen.

8.5.    Met deze toelichting heeft het college voldoende aannemelijk gemaakt dat buiten de openbare besluitenlijsten geen besluitenlijsten bestaan waarin informatie staat waarop het verzoek van [appellant] ziet. Volgens artikel 5.10, eerst en derde lid, van het Reglement van orde voor de vergadering van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn 2018 wordt evenwel naast een besluitenlijst van de beraadslagingen van de collegevergadering een niet-openbaar verslag gemaakt. Ter zitting heeft het college zich op het standpunt gesteld dat, in afwijking van deze bepalingen in het Reglement van orde, geen verslag wordt opgemaakt. [appellant] heeft dit bestreden. De Afdeling is van oordeel dat het college in de gegeven omstandigheden niet kon volstaan met de ontkenning ter zitting, maar zijn stelling nader moet toelichten of onderbouwen. Anders dan het college is de Afdeling van oordeel dat ook eventuele informatie waar [appellant] om heeft verzocht die is opgenomen in de agenda’s onder het bereik van het Wob-verzoek valt en het college daarover ten onrechte geen beslissing heeft genomen. De rechtbank heeft dit niet onderkend. In zoverre slaagt het betoog.

Het onleesbaar maken van bedragen

9.       [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de weigering van de openbaarmaking van alle bedragen in het besluit op bezwaar mede is gebaseerd op artikel 10, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wob. Uit het advies van de commissie bezwaarschriften, dat ten grondslag ligt aan het besluit van 11 november 2019, volgt immers dat deze weigeringsgrond alleen kan worden toegepast daar waar het (gedetailleerde) ramingen en doorrekeningen betreft. Een deel van de niet-openbaar gemaakte bedragen heeft daar volgens [appellant] geen betrekking op. De rechtbank heeft daarom ten onrechte de weigeringsgrond van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, niet besproken. Verder heeft zij ten onrechte overwogen dat het college het economische dan wel financiële belang van de gemeente zwaarder heeft mogen laten wegen dan het belang dat is gemoeid met openbaarmaking van die bedragen. Daarover voert hij aan dat door openbaarmaking van de bedragen van bouw- en grondprijzen geen informatie openbaar wordt die de gemeente in financieel opzicht als (markt)partij nadeel berokkent, omdat uit openbare documenten aannemers al kunnen afleiden welke budgetten de gemeente beschikbaar heeft en voor welke geldsommen de gemeente bereid is werk te vergunnen. Gezien de voorgeschiedenis van de multifunctionele accommodatie is openbaarmaking van bedragen noodzakelijk voor de controleerbaarheid van de besteding van gelden door de gemeente. Ook voert hij aan dat de openbaarheid van bedragen die zien op bouwkosten niet kan worden geweigerd om de financiële belangen van de gemeente te beschermen. De marktomstandigheden waren immers op het moment van het Wob-verzoek anders dan in 2016 en 2017. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, kunnen de geschatte bouwkosten uit 2016 en 2017 niet door indexatie geactualiseerd worden.

9.1.    Met het integraal overnemen van het advies van de commissie bezwaarschriften heeft het college, zoals ter zitting bevestigd, het niet-openbaar maken van de in de documenten genoemde bedragen geweigerd op grond van zowel artikel 10, tweede lid, aanhef en onder b, als het tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob. De Afdeling zal hierna aan de hand van de inventaris behorende bij de stukken waarin de onleesbaar gemaakte bedragen zijn opgenomen, beoordelen of terecht is besloten deze informatie niet openbaar te maken. Deze stukken zijn in de inventaris aangeduid als a tot en met q.

9.2.    Een bestuursorgaan kan het verstrekken van informatie weigeren met een beroep op artikel 10, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wob als de economische of financiële belangen van dat bestuursorgaan in geding zijn. De economische of financiële belangen kunnen betrekking hebben op de onderhandelingspositie van dat orgaan. Een beroep op deze weigeringsgrond is in beginsel slechts mogelijk voor de duur van het onderhandelingsproces. Onder omstandigheden kan eveneens de onderhandelingspositie van het bestuursorgaan in de toekomst reden zijn om deze uitzonderingsgrond van toepassing te achten (vergelijk de uitspraak van 15 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1079).

9.3.    Voor zover uit de bedragen grond- en bouwprijzen zijn af te leiden heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college het economische dan wel financiële belang van de gemeente zwaarder heeft mogen laten wegen dan het belang dat is gemoeid met openbaarmaking van die bedragen. Daarbij heeft zij terecht betrokken dat het college heeft toegelicht dat het openbaar maken van de waardering door de gemeente van grond- en bouwprijzen de gemeente in een zwakkere onderhandelingspositie zou kunnen brengen ten opzichte van marktpartijen. Informatie over grondtransacties en de aanbesteding van publieke werken is namelijk zeer marktgevoelig. De gemeente zou dus bij openbaarmaking van die informatie economische nadelige gevolgen ondervinden als in vervolgtrajecten vergelijkbare aanbestedingen in de markt worden gezet. Ook geldt dat er voor de multifunctionele accommodatie nog te realiseren onderdelen zijn. Openbaarmaking zou een ongewenst inzicht geven in de huishouding van het project en de onderhandeling over de nog te realiseren onderdelen bemoeilijken. Dit zou ook tot vertragingsschade kunnen leiden. De rechtbank heeft ook terecht overwogen dat de omstandigheid dat de geschatte kosten voor de multifunctionele accommodatie verouderd zijn, niet leidt tot een ander oordeel. Zoals het college heeft toegelicht kan de informatie door indexatie geactualiseerd worden. Dit betekent dat het college in redelijkheid heeft kunnen weigeren de in de documenten a, b, c, d, e, f en g opgenomen grond- en bouwprijzen openbaar te maken.

9.4.    In de stukken h tot en met q zijn bedragen opgenomen die zien op de kosten van ingehuurde dienstverleners. Voor de in die stukken opgenomen eindbedragen heeft het college onvoldoende gemotiveerd dat openbaarmaking van deze bedragen, die enige tijd geleden zijn betaald, schade zou toebrengen aan de mogelijkheid om met dienstverleners in de toekomst tegen een zo goed mogelijke prijs overeenkomsten te sluiten. Voor zover, zoals ter zitting door het college gesteld, eindbedragen en andere in deze stukken genoemde bedragen zijn geweigerd omdat het om bedrijfsinformatie en/of concurrentiegevoelige gegevens van de contractspartij van de gemeente gaat, overweegt de Afdeling dat artikel 10, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wob deze belangen niet beschermt. Dat betekent dat de motivering van het college in zoverre tekort schiet.

9.5.    Het betoog faalt voor zover dat ziet op de documenten a tot en met g en slaagt voor zover dat ziet op de documenten h tot en met q.

Conclusie

10.     Het hoger beroep is gegrond. Het college moet, met inachtneming van wat in 7.1, 8.3, 8.5 en 9.5 is overwogen een nieuw besluit nemen. De Afdeling zal het college daarvoor een termijn van acht weken geven. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling ook aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit alleen bij haar beroep kan worden ingesteld. Het college moet de proceskosten vergoeden.

Toetsingskader nieuw te nemen besluit

11.     Indien een besluit wordt genomen na 1 mei 2022 geldt het volgende. Op 1 mei 2022 treedt de Wet open overheid (hierna: Woo; Staatsblad 2021, 499), zoals gewijzigd bij de Wijzigingswet Woo (Staatsblad 2021, 500) in werking. Artikel 10.1 van de Woo bepaalt dat de Wet openbaarheid van bestuur wordt ingetrokken. Er is niet voorzien in overgangsrecht. Dat betekent dat de Woo onmiddellijke werking heeft en dat  met ingang van 1 mei 2022 besluiten op vóór de inwerkingtreding van de Woo ingediende Wob-verzoeken met inachtneming van de bepalingen van de Woo moeten worden genomen. Dat geldt in principe ook voor besluiten op bezwaar of besluiten die worden genomen na een bestuurlijke of judiciële lus.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 25 maart 2021 in zaak nr. 19/7505;

III.      verklaart het beroep gegrond;

IV.      vernietigt het besluit van 11 november 2019, kenmerk 253136;

V.       bepaalt dat het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn binnen acht weken na de verzending van deze uitspraak een nieuw besluit neemt en dit bekend maakt;

VI.      bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit alleen bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

VII.     veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.036,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 444,00 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. B.J. Schueler, leden, in tegenwoordigheid van mr. D. van Leeuwen, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen

Uitgesproken in het openbaar op 26 april 2022

373

 

BIJLAGE | WETTELIJK KADER

 

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 6:22

Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.

Artikel 7:15, tweede lid

2. De kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, worden door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

Artikel 8:57, eerste en derde lid

1. De bestuursrechter kan bepalen dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft indien geen van de partijen, nadat zij zijn gewezen op hun recht ter zitting te worden gehoord, binnen een door hem gestelde redelijke termijn heeft verklaard dat zij gebruik wil maken van dit recht.

3. Als de bestuursrechter bepaalt dat het onderzoek of het nadere onderzoek ter zitting achterwege blijft, sluit hij het onderzoek.

Artikel 8:77, eerste lid

De schriftelijke uitspraak vermeldt:

a. de namen van partijen en van hun vertegenwoordigers of gemachtigden,

b. de gronden van de beslissing,

c. de beslissing,

d. de naam van de rechter of de namen van de rechters die de zaak heeft onderscheidenlijk hebben behandeld,

e. de dag waarop de beslissing is uitgesproken, en

f. door wie, binnen welke termijn en bij welke bestuursrechter welk rechtsmiddel kan worden aangewend.

Wet openbaarheid van bestuur

Artikel 3, vijfde lid

5. Een verzoek om informatie wordt ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11.

Artikel 10, tweede lid, aanhef en onder b en g

2. Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:

b. de economische of financiële belangen van de Staat, de andere publiekrechtelijke lichamen of de in artikel 1a, onder c en d, bedoelde bestuursorganen;

g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

Reglement van orde voor de vergadering van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn 2018

Artikel 5.10, eerst en derde lid

1. De gemeentesecretaris is verantwoordelijk voor een deugdelijke verslaglegging en voor het opstellen van de besluitenlijst van de vergadering en het verslag.

3. Het verslag is vertrouwelijk van karakter; het concept wordt in de eerstvolgende vergadering vastgesteld.