Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2022:1144

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-04-2022
Datum publicatie
20-04-2022
Zaaknummer
202006583/1/R4
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 juni 2017 heeft het college van burgemeester en wethouders van Renkum aan [partij] een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een vrijstaande woning op het perceel [locatie 1] in Oosterbeek. Het college heeft bij besluit van 22 juni 2017 aan [partij] een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een vrijstaande woning op de locatie [locatie 1] in Oosterbeek. De omgevingsvergunning heeft betrekking op de activiteiten het (ver)bouwen van een bouwwerk en het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan. [wederpartij] is eigenaar van het perceel [locatie 2]. Op 27 december 2017 heeft [wederpartij] het college verzocht handhavend op te treden ten aanzien van het perceel [locatie 1] wegens het bouwen van een bouwwerk zonder omgevingsvergunning, het handelen in strijd met het bestemmingsplan en het vellen van bomen zonder omgevingsvergunning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202006583/1/R4.

Datum uitspraak: 20 april 2022

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Renkum,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 29 oktober 2020 in

zaak nr. 18/3521 in het geding tussen:

[wederpartij]

en

het college van burgemeester en wethouders van Renkum.

Procesverloop

Bij besluit van 22 juni 2017 heeft het college aan [partij] een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een vrijstaande woning op het perceel [locatie 1] in Oosterbeek.

Bij besluit van 16 mei 2018 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 29 oktober 2020 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 16 mei 2018 vernietigd en het college opgedragen binnen acht weken na de dag van verzending van de uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar van [wederpartij] te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een schriftelijke uiteenzetting en nadere stukken ingediend.

Bij besluit van 22 januari 2021 heeft het college naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank van 29 oktober 2020 opnieuw op het bezwaar van [wederpartij] tegen het besluit van 22 juni 2017 beslist. Hierbij zijn de bezwaren tegen dat besluit ongegrond verklaard.

De Afdeling heeft de zaak gelijktijdig met zaak nr. 202100265/1/R4 ter zitting behandeld op 23 februari 2022, waaraan het college, vertegenwoordigd door M. Vermeulen, en [wederpartij], vertegenwoordigd door A.L. ten Hoeve, rechtsbijstandsverlener te Stockholm, via een videoverbinding hebben deelgenomen.

Overwegingen

Inleiding

1.       Het college heeft bij besluit van 22 juni 2017 aan [partij] een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een vrijstaande woning op de locatie [locatie 1] in Oosterbeek. De omgevingsvergunning heeft betrekking op de activiteiten het (ver)bouwen van een bouwwerk en het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan. [wederpartij] is eigenaar van het perceel [locatie 2].

Op 27 december 2017 heeft [wederpartij] het college verzocht handhavend op te treden ten aanzien van het perceel [locatie 1] wegens het bouwen van een bouwwerk zonder omgevingsvergunning, het handelen in strijd met het bestemmingsplan en het vellen van bomen zonder omgevingsvergunning.

Bij besluit van 30 januari 2018 heeft het college het verzoek om handhavend op te treden afgewezen, omdat voor de bouw van de woning en het vellen van boomopstanden omgevingsvergunningen zijn verleend.

Op 1 februari 2018 heeft [wederpartij] bezwaar gemaakt tegen het besluit van 22 juni 2017 waarbij omgevingsvergunning is verleend voor het bouwen van een vrijstaande woning op het perceel [locatie 1] in Oosterbeek.

Bij besluit van 16 mei 2018 heeft het college het bezwaar van [wederpartij] niet-ontvankelijk verklaard. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat het bezwaarschrift niet verschoonbaar te laat is ingediend.

Uitspraak van de rechtbank

2.       De rechtbank heeft overwogen dat niet in geschil is dat het besluit van 22 juni 2017 niet is gepubliceerd in een huis-aan-huisblad en dat het besluit niet eerder dan op 31 januari 2018 aan (de gemachtigde van) [wederpartij] is toegezonden. Volgens de rechtbank heeft het college onvoldoende  gemotiveerd dat [wederpartij] eerder op de hoogte was of had kunnen raken van dat besluit. Volgens de rechtbank heeft [wederpartij] onweersproken gesteld dat zij geen direct zicht heeft op het perceel [locatie 1], dat tussen haar perceel en dat perceel hoge beplanting aanwezig is en dat zij in 2017 vaak in het buitenland was. Daarmee is volgens de rechtbank voldoende aannemelijk geworden dat [wederpartij] niet op de hoogte was van de werkzaamheden op het perceel.

In de omstandigheid dat [wederpartij] ervan op de hoogte was dat voor de bouw van de woning een bestemmingsplanwijziging was doorgevoerd heeft de rechtbank voorts geen aanleiding gezien voor het oordeel dat [wederpartij] navraag had moeten doen naar een eventueel verleende omgevingsvergunning. Ook heeft de rechtbank het college niet gevolgd in de stelling dat [wederpartij] op het moment dat zij een handhavingsverzoek indiende had moeten aannemen dat er een omgevingsvergunning was afgegeven, omdat volgens de rechtbank niet valt uit te sluiten dat bouwwerken, zoals bijvoorbeeld huizen, zonder de benodigde omgevingsvergunning worden gebouwd. De rechtbank heeft geconcludeerd dat [wederpartij] pas op de hoogte is geraakt van het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning door toezending daarvan op 31 januari 2018 aan haar gemachtigde. Nu [wederpartij] binnen twee weken na die datum bezwaar heeft gemaakt, heeft het college de termijnoverschrijding volgens de rechtbank ten onrechte niet verschoonbaar geacht en het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

Het hoger beroep van het college

3.       Het college kan zich er niet mee verenigen dat de rechtbank heeft geconcludeerd dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is.

[wederpartij] had volgens het college eerder op de hoogte kunnen zijn van het bestaan van de omgevingsvergunning. In dit verband acht het college van belang dat in 2016 een bestemmingsplanwijziging heeft plaatsgevonden die de bouw van de woning beoogde mogelijk te maken. Hiertegen heeft [wederpartij] destijds een zienswijze ingediend en zij had volgens het college kunnen weten dat de bouw van de woning in het verschiet lag. Met deze wetenschap verbleef [wederpartij] echter langdurig in het buitenland zonder maatregelen te treffen om op de hoogte te blijven van de ontwikkelingen. Het feit dat [wederpartij] heeft nagelaten dergelijke maatregelen te treffen, dient volgens het college voor haar rekening en risico te blijven.

Verder betoogt het college dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat voldoende aannemelijk is dat [wederpartij] niet op de hoogte was van de bouwwerkzaamheden, aangezien zij geen direct zicht heeft op het betreffende perceel en ter plaatse hoge beplanting aanwezig is. Volgens het college ligt de woning op minder dan 20 meter afstand van de woning van [wederpartij] en heeft zij hier wel degelijk zicht op. De bouw van de woning, zeker op een dergelijke afstand, kan volgens het college niet onopgemerkt zijn gebleven, temeer omdat het voorheen een bosperceel was en de eerste voorbereidende werkzaamheden, waaronder de kap van bomen, al vroeg in het voorjaar van 2017 zijn gestart.

Het college wijst er verder op dat [wederpartij] in haar verzoek om handhaving van 27 december 2017 heeft gesteld dat zonder omgevingsvergunning is gebouwd. [wederpartij] had volgens het college naar het bestaan van een omgevingsvergunning kunnen informeren in plaats van er voetstoots van uit te gaan dat geen omgevingsvergunning was verleend. Verder had zij met het indienen van het handhavingsverzoek tevens een summier bezwaarschrift kunnen indienen. In plaats daarvan heeft zij pas ruim een maand later, na ontvangst van het besluit omtrent haar handhavingsverzoek, een bezwaarschrift ingediend. Het voorgaande klemt temeer omdat [wederpartij] zich laat vertegenwoordigen door een deskundig te achten persoon, aldus het college.

3.1.    Artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) luidt:

"1. De bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht geschiedt door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

[…]."

Artikel 6:7 luidt:

"De termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift bedraagt zes weken."

Artikel 6:8 luidt:

"1. De termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.

[…]."

Artikel 6:11 luidt:

"Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest."

3.2.    De Afdeling stelt vast dat het besluit van 22 juni 2017 op dezelfde dag door verzending aan de vergunninghouder op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift liep derhalve van 23 juni 2017 tot en met 3 augustus 2017. Het bezwaarschrift van 1 februari 2018 is gelet hierop niet tijdig ingediend.

Een belanghebbende, niet zijnde de aanvrager, die met het nemen van een besluit niet bekend was en ook redelijkerwijs niet bekend kon zijn, is met het instellen van bezwaar of beroep in ieder geval niet verwijtbaar te laat als hij dat doet binnen twee weken nadat hij te weten is gekomen dat een besluit is genomen dat zijn belangen kan raken.

3.3.    Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat [wederpartij] eerder dan op het moment van ontvangst van het door het college op 31 januari 2018 aan haar gemachtigde toegezonden besluit tot verlening van de omgevingsvergunning van 22 juni 2017 op de hoogte was of had kunnen raken van dat besluit.

In dit verband acht de Afdeling de volgende omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, van belang.

De raad heeft bij besluit van 18 oktober 2016 het bestemmingsplan "[locatie 1]- [locatie 3], 2016" (hierna: het bestemmingsplan) vastgesteld. In de publicaties over het bestemmingsplan is onder meer gedetailleerd toegelicht dat en waar de woning aan de [locatie 1] was voorzien en wat de locatie van het bouwvlak was. Tussen partijen is niet in geschil dat [wederpartij] tegen het ontwerp van het bestemmingsplan een zienswijze heeft ingediend.

Voorts heeft [wederpartij] niet betwist dat ten behoeve van de bouw van de voorziene woning in het vroege voorjaar van 2017 bomen zijn gekapt op het perceel [locatie 1] en dat op 26 juli 2017 de bouw op het perceel is uitgezet. Evenmin is door [wederpartij] betwist dat begin september 2017 een aanvang is gemaakt met graaf- en grondwerkzaamheden op het perceel. De werkzaamheden ten behoeve van de bouw zijn vervolgens onafgebroken voortgezet en ter zitting is komen vast te staan dat de betreffende werkzaamheden zichtbaar waren vanaf de openbare weg. Bij het handhavingsverzoek van 27 december 2017 is voorts een foto gevoegd waaruit blijkt dat de bouw van de woning ten tijde van het indienen van het handhavingsverzoek al in een vergevorderd stadium was.

Naar het oordeel van de Afdeling kon [wederpartij] in ieder geval, voor zover dat al niet het geval was vanaf het moment dat op het perceel bomen werden gekapt en de bouw op het perceel werd uitgezet, vanaf het moment waarop de graaf- en grondwerkzaamheden werden verricht nabij de toegang tot haar perceel, op de hoogte zijn van de op het aangrenzende perceel [locatie 1] uitgevoerde bouwwerkzaamheden. Deze werkzaamheden waren naar het oordeel van de Afdeling van zodanige aard, omvang en duur dat het - mede in het licht van de bekendheid met het planologisch verankerde voornemen om aldaar de realisatie van een woning mogelijk te maken - op de weg van [wederpartij] had gelegen om bij het college te informeren naar een mogelijk verleende omgevingsvergunning.

Op grond van vorenstaande feiten en omstandigheden moet worden vastgesteld dat [wederpartij] aanzienlijk eerder dan pas na toezending van het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning op de hoogte was of kon zijn van het bestaan van de omgevingsvergunning voor de bouw van de woning. Zij heeft het bezwaarschrift niet zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk ingediend, dat wil zeggen in beginsel binnen twee weken nadat zij van het bestaan van de omgevingsvergunning op de hoogte was dan wel kon zijn. Hierbij betrekt de Afdeling dat ter zitting namens [wederpartij] is aangegeven dat zij van het vroege voorjaar van 2017 tot december 2017 permanent in het buitenland verbleef en geen maatregelen heeft genomen om op de hoogte te worden gehouden van mogelijke ontwikkelingen op het perceel [locatie 1], terwijl dit, te meer gelet op de omstandigheid dat zij op de hoogte was van de vaststelling van het bestemmingsplan waarbij werd voorzien in de bouw van de woning, wel van haar mocht worden verwacht.

Voormelde omstandigheden in aanmerking genomen heeft de rechtbank naar het oordeel van de Afdeling ten onrechte overwogen dat het college de termijnoverschrijding ten onrechte niet verschoonbaar heeft geacht en het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Het betoog slaagt.

4.       Het hoger beroep van het college is gegrond.

Het besluit van 22 januari 2021

5.       Het besluit van 22 januari 2021 wordt, gelet op artikel 6:24 van  de Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van die wet, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.

6.       Bij besluit van 22 januari 2021 heeft het college, gevolg gevend aan de aangevallen uitspraak, opnieuw beslist op het door [wederpartij] gemaakte bezwaar. Door de vernietiging van de aangevallen uitspraak is de grondslag aan dat besluit komen te ontvallen. Het besluit van 22 januari 2021 dient alleen al daarom te worden vernietigd.

Conclusie

7.       Het hoger beroep van het college is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover aangevallen. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [wederpartij] tegen het besluit van het college van 16 mei 2018 alsnog ongegrond verklaren. Het besluit van 22 januari 2021 dient te worden vernietigd.

8.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep van het college van burgemeester en wethouders van Renkum gegrond;

II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 29 oktober 2020 in zaak nr. 18/3521, voor zover aangevallen;

III.      verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep van [wederpartij] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Renkum van 16 mei 2018, kenmerk 195261408, ongegrond;

IV.      vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Renkum van 22 januari 2021, kenmerk 1952143981.

Aldus vastgesteld door mr. B.P.M. van Ravels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Melenhorst, griffier.

w.g. Van Ravels

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Melenhorst

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 april 2022

490