Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:997

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-05-2021
Datum publicatie
12-05-2021
Zaaknummer
201902663/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 juli 2017 heeft het dagelijks bestuur van het Waterschap Hunze en Aa's een verzoek van [appellant sub 1] om schadevergoeding afgewezen. [appellant sub 1] is eigenaar van de woning op het perceel [locatie] te Slochteren. De woning is direct ten oosten van de Woltersumer Ae gelegen. Het algemeen bestuur van het waterschap Hunze en Aa’s heeft het Masterplan Kaden (hierna: het masterplan) vastgesteld ten behoeve van de versterking en verhoging van kaden en oevers langs onder meer de Woltersumer Ae. In het masterplan was voorzien in het verhogen en verbreden van de ten oosten van de woning gelegen kade. [appellant sub 1] heeft het dagelijks bestuur verzocht om, in plaats daarvan, een houten waterkering rondom het perceel aan te leggen, zodat de woning binnendijks zou komen te liggen. Het masterplan is daarop aangepast en de waterkering is in de periode tussen december 2012 en maart 2013 aangelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2021-0119
Omgevingsvergunning in de praktijk 2021/8508
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201902663/1/A2.

Datum uitspraak: 12 mei 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.       [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [appellant sub 1]), beiden wonend te [woonplaats],

2.       het dagelijks bestuur van het Waterschap Hunze en Aa's,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 27 februari 2019 in zaak nr. 18/286 in het geding tussen:

[appellant sub 1]

en

het dagelijks bestuur.

Procesverloop

Bij besluit van 17 juli 2017 heeft het dagelijks bestuur een verzoek van [appellant sub 1] om schadevergoeding afgewezen.

Bij besluit van 6 december 2017 heeft het dagelijks bestuur het door [appellant sub 1] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 februari 2019 heeft de rechtbank het door [appellant sub 1] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 6 december 2017 vernietigd en bepaald dat het dagelijks bestuur met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op het door [appellant sub 1] gemaakte bezwaar neemt. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1] en het dagelijks bestuur hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een schriftelijke uiteenzetting naar aanleiding van het hoger beroep van [appellant sub 1] gegeven.

[appellant sub 1] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 april 2021, waar [appellant sub 1], bijgestaan door [gemachtigde], en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. P. Schriemer en ir. W. Kastelein, zijn verschenen.

Overwegingen

1.       [appellant sub 1] is eigenaar van de woning op het perceel [locatie] te Slochteren (hierna: de woning). De woning is direct ten oosten van de Woltersumer Ae gelegen.

voorgeschiedenis

2.       Het algemeen bestuur van het waterschap Hunze en Aa’s (hierna: het algemeen bestuur) heeft het Masterplan Kaden (hierna: het masterplan) vastgesteld ten behoeve van de versterking en verhoging van kaden en oevers langs onder meer de Woltersumer Ae. In het masterplan was voorzien in het verhogen en verbreden van de ten oosten van de woning gelegen kade. [appellant sub 1] heeft het dagelijks bestuur verzocht om, in plaats daarvan, een houten waterkering rondom het perceel aan te leggen, zodat de woning binnendijks zou komen te liggen. Het masterplan is daarop aangepast en de waterkering is in de periode tussen december 2012 en maart 2013 aangelegd.

Op 2 juli 2014 heeft het algemeen bestuur het projectplan Inrichting Slochterdiep en zijtakken (hierna: het projectplan) vastgesteld. In het kader van de uitvoering van het projectplan is in 2016 een klepstuw met een breedte van 3 m aangebracht in de Woltersumer Ae. Op deze wijze is de Woltersumer Ae nabij het Slochterdiep afsluitbaar gemaakt, waarbij de passeerbaarheid met kleine vaartuigen gehandhaafd is, waardoor voldoende veiligheid voor het achterliggende gebied is bereikt.

verzoek om schadevergoeding

3.       Bij brief van 2 januari 2017 heeft [appellant sub 1] het dagelijks bestuur op grond van artikel 7.14 van de Waterwet verzocht om vergoeding van schade in de vorm van waardevermindering van de woning. Ter onderbouwing van het verzoek heeft hij bij brief van 4 april 2017 een taxatierapport van registermakelaar en taxateur J.W. Reilink (hierna: Reilink) van 30 december 2016 overgelegd. Volgens dit taxatierapport is de schade veroorzaakt door de mogelijkheid tot het verhogen van de waterstand in de Woltersumer Ae, in het kader van extra waterberging, als vermeld in het projectplan. In verband met die mogelijkheid is rond de woning een hardhouten waterkering aangebracht met voor de voordeur zogenoemde coupures (losse inzetstukken). Met deze waterkering blijft de woning bij het verhogen van de waterstand droog, maar is het esthetisch aanzicht ervan bedorven, waardoor de verkoopwaarde is gedaald. Verder is de mogelijkheid om een boot of jacht aan te leggen bij de woning sterk beperkt door de aanleg van een klepstuw in de Woltersumer Ae ter hoogte van de brug in het Slochterdiep. Deze klepstuw heeft een breedte van 3 m. In de oude situatie was de doorvaarbreedte 6,80 m. Als gevolg van de aanpassingen is de marktwaarde van de woning van € 250.000,00 naar € 210.000,00 gedaald, aldus Reilink.

procedure

4.       In artikel 3, eerste lid, van de Procedureverordening schadevergoeding Hunze en Aa’s 2010 (hierna: de Procedureverordening), zoals die ten tijde van belang luidde, is bepaald dat het dagelijks bestuur een adviescommissie schadevergoeding (hierna: adviescommissie) instelt, die het dagelijks bestuur adviseert over de beslissing op een verzoek om schadevergoeding. In artikel 5, aanhef en onder b, is bepaald dat het dagelijks bestuur een verzoek om schadevergoeding binnen acht weken na ontvangst kan afdoen zonder zich te laten adviseren door een adviescommissie, indien naar het oordeel van het dagelijks bestuur een verzoek kennelijk ongegrond is. In de toelichting bij artikel 5 is vermeld dat een verzoek bijvoorbeeld kennelijk ongegrond is, wanneer zonder twijfel vaststaat dat er geen verband kan bestaan tussen de rechtmatige taakuitoefening van het waterschap en de geclaimde schade.

besluit van 17 juli 2017

5.       Aan het besluit van 17 juli 2017 is ten grondslag gelegd dat het verzoek om schadevergoeding kennelijk ongegrond is. Ter toelichting hiervan is in dat besluit onder meer het volgende vermeld.

De hardhouten waterkering is op verzoek van [appellant sub 1] gebouwd. De maatregel was niet in het oorspronkelijke masterplan opgenomen. [appellant sub 1] heeft het risico aanvaard dat de maatregel een negatieve invloed op de waarde van de woning heeft. Het risico op een mogelijke waardevermindering van de woning was dan ook voorzienbaar. De gestelde schade blijft daarom voor rekening van [appellant sub 1].

De aanleg van de klepstuw is een normale maatschappelijke ontwikkeling, waarvan de nadelige gevolgen in beginsel voor rekening van de benadeelde blijven. Niet is gebleken van bijzondere feiten en/of omstandigheden, waaruit is af te leiden dat dat in dit geval anders is. De Woltersumer Ae is bovendien niet aangewezen als vaarweg. De aanleg van de klepstuw is in dat kader geen dusdanig bijzondere maatregel, dat [appellant sub 1] hiermee geen rekening hoefde te houden, aldus het dagelijks bestuur.

besluit van 6 december 2017

6.       In het besluit van 6 december 2017, gelezen in samenhang met het daarin ingelaste advies van de commissie behandeling bezwaarschriften waterschap Hunze en Aa’s (hierna: de commissie) van 21 november 2017, is daaraan het volgende toegevoegd.

Uit het door het waterschap aangeleverde kaartmateriaal is gebleken dat de woning vóór het plaatsen van de waterkering buitendijks lag. De toegangsweg is al op kaarten uit de negentiende eeuw aangemerkt als waterkering. Door het aanbrengen van de waterkering is de woning binnendijks komen te liggen. In het oorspronkelijke plan van het waterschap voor kadeverbetering langs de Woltersumer Ae was het de bedoeling om de dijk (toegangsweg) te verhogen en te verbreden. Op verzoek van [appellant sub 1] heeft het waterschap het plan aangepast, door langs zijn perceel niet de dijk te verhogen en te verbreden, maar door een waterkering op zijn perceel aan te leggen, zodanig dat de woning binnendijks kwam te liggen. Niet het waterschap, maar [appellant sub 1] heeft voor deze optie gekozen.

[appellant sub 1] heeft het risico aanvaard dat de bouw van de waterkering ongunstig zou uitvallen voor de waarde van de woning. De door [appellant sub 1] gestelde schade komt daarom voor zijn rekening. In een tussen [appellant sub 1] en het waterschap gesloten overeenkomst zijn de rechten en plichten met betrekking tot de bouw van de waterkering vastgelegd. Deze overeenkomst is bepalend geweest voor de keuze om de waterkering aan te leggen. Daarnaast is de woning door de aanleg van de waterkering binnendijks komen te liggen. Op grond van het voorgaande mocht het dagelijks bestuur er redelijkerwijs vanuit gaan dat er geen twijfel over bestaat dat [appellant sub 1] het risico op waardevermindering van de woning heeft aanvaard.

De waterhuishouding is niet gewijzigd met het aanbrengen van de klepstuw. Op de hoorzitting van de commissie heeft [appellant sub 1] te kennen gegeven dat hij het eens is met deze vaststelling.

De Woltersumer Ae in ieder geval sinds 1 januari 1995 geen vaarweg meer. Daarom was sindsdien voorzienbaar dat de Woltersumer Ae ooit wordt afgesloten. Bovendien is er nog steeds een vaarverbinding, zij het met een beperktere doorvaartbreedte, naar het Slochterdiep. De mogelijkheid om bij de woning met een boot of jacht aan te leggen is ongewijzigd. Op grond van het voorgaande mocht het dagelijks bestuur er redelijkerwijs vanuit gaan dat sprake is van een normale maatschappelijke ontwikkeling, die voorzienbaar was en waarvan eventuele schade volgens vaste jurisprudentie voor rekening van de benadeelde blijft, aldus het dagelijks bestuur.

beoordeling van de hoger beroepen

7.       [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het dagelijks bestuur het verzoek om schadevergoeding terecht kennelijk ongegrond heeft verklaard voor zover dat verzoek betrekking heeft op de bouw van de hardhouten waterkering. Hij is het niet eens met het oordeel van de rechtbank dat het dagelijks bestuur zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij het risico van de schade als gevolg van de bouw van de waterkering heeft aanvaard.

[appellant sub 1] voert aan dat de rechtbank heeft miskend dat de bouw van de waterkering verband houdt met de feitelijke verhoging van het waterpeil in de Woltersumer Ae, die in 2011 heeft plaatsgevonden en in 2014, in het projectplan, is bekrachtigd. In het projectplan is de maatgevende hoogwaterstand vastgesteld op 0,65 m beneden NAP. Op 3 maart 2011 is een bijeenkomst van omwonenden en vertegenwoordigers van het waterschap gehouden. In het van deze bijeenkomst gemaakte verslag heeft het waterschap vermeld dat de te verwachten hoogste boezemwaterstand ten westen van de kade 0,62 m beneden NAP is. Dat de aanvankelijk beoogde verhoging van de kade niet heeft plaatsgevonden, maar het waterschap - in plaats daarvan - een hardhouten waterkering heeft aangelegd, betekent volgens [appellant sub 1] niet dat hij heeft ingestemd met het ontstaan van schade in de vorm van waardevermindering van de woning als gevolg van de waterkering. [appellant sub 1] vindt dat hij schadebeperkend heeft gehandeld door te kiezen voor de waterkering.

7.1.    Het betoog dat de rechtbank heeft miskend dat de bouw van de hardhouten waterkering is terug te voeren op de verhoging van het waterpeil in de Woltersumer Ae, faalt. In het verslag van de hoorzitting bij de commissie van 18 oktober 2017 is vermeld dat het project tot versterking van de kade langs de Woltersumer Ae niets aan de waterstanden heeft gewijzigd. Uit dat verslag valt niet af te leiden dat [appellant sub 1] dit heeft weersproken. In het besluit van 6 december 2017 is de in het taxatierapport van 30 december 2016 bedoelde mogelijkheid tot het verhogen van de waterstand in de Woltersumer Ae niet betrokken als oorzaak van de door [appellant sub 1] gestelde schade. [appellant sub 1] heeft bij brief van 2 maart 2018 de gronden aangevoerd van het tegen dat besluit ingestelde beroep. Uit de brief valt niet af te leiden dat hij zich op het standpunt heeft gesteld dat het nadeel verband houdt met een voornemen om het waterpeil in de Woltersumer Ae te verhogen. Dat betekent dat de rechtbank de in hoger beroep bedoelde verhoging van het waterpeil in de Woltersumer Ae terecht buiten beschouwing heeft gelaten en dat zij zich, voor zover thans van belang, terecht heeft beperkt tot de bouw van de hardhouten waterkering als gestelde oorzaak van de door [appellant sub 1] gestelde schade.

7.2.    Over de vraag of [appellant sub 1] het risico van de schade als gevolg van de bouw van de waterkering heeft aanvaard, wordt het volgende overwogen.

7.3.    In artikel 7.14, eerste lid, van de Waterwet is bepaald dat aan degene die als gevolg van de rechtmatige uitoefening van een taak of bevoegdheid in het kader van het waterbeheer schade lijdt of zal lijden, op zijn verzoek door het betrokken bestuursorgaan een vergoeding wordt toegekend, voor zover de schade redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en de vergoeding ervan niet of niet voldoende anderszins is verzekerd.

7.4.    Indien schade wordt geleden in de vorm van waardevermindering van een onroerende zaak en de nadelige ontwikkeling ten tijde van de aankoop van de onroerende zaak door de eigenaar voor een redelijk denkend en handelend koper voorzienbaar was, mag het bestuursorgaan de schade voor rekening van de eigenaar laten, omdat hij in dat geval wordt geacht bij de aankoop van de onroerende zaak de mogelijkheid van verwezenlijking van de negatieve ontwikkeling te hebben aanvaard en hij de schade dan niet op de overheid kan afwentelen.

7.5.    [appellant sub 1] heeft de woning in 1973 gekocht. Niet in geschil is dat de negatieve ontwikkeling toen niet voorzienbaar was. Dat betekent dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het dagelijks bestuur zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat [appellant sub 1] het risico van de schade als gevolg van de bouw van de waterkering heeft aanvaard.

7.6.    In het door [appellant sub 1] bedoelde verslag van de bijeenkomst van 23 maart 2011 is vermeld dat het waterschap het voornemen heeft om, ter uitvoering van het masterplan, de ten oosten van de Woltersumer Ae gelegen kade met ongeveer 0,30 m te verhogen en dat de omwonenden om een alternatief hebben gevraagd. In het geval van [appellant sub 1] heeft dit geleid tot een voorstel van het waterschap om een hardhouten waterkering op zijn perceel aan te leggen. Daardoor zou de woning, die ten westen van de kade - buitendijks - was gelegen, binnendijks komen te liggen. [appellant sub 1] is akkoord gegaan met dit voorstel. Het masterplan is daarop aangepast

7.7.    Ter zitting van de Afdeling heeft het dagelijks bestuur zich op het standpunt gesteld dat uitvoering van het oorspronkelijke masterplan door middel van het verhogen van de kade niet zou hebben geleid tot schade voor [appellant sub 1]. [appellant sub 1] heeft dit weersproken.

Het dagelijks bestuur heeft in het besluit van 7 december 2017 niet deugdelijk gemotiveerd dat op voorhand was uitgesloten dat [appellant sub 1] bij uitvoering van het oorspronkelijke masterplan door middel van het verhogen van de kade schade in de vorm van waardevermindering van de woning zou hebben geleden.

7.8.    Voor het geval zou kunnen worden geoordeeld dat [appellant sub 1] als gevolg van de uitvoering van het oorspronkelijke masterplan door middel van het verhogen van de kade geen schade in de vorm van waardevermindering van de woning zou hebben geleden, overweegt de Afdeling dat [appellant sub 1] bij het waterschap heeft aangedrongen op de bouw van een hardhouten waterkering in plaats van een verhoging van de kade. Onder die omstandigheden zou het nadeel dat hij stelt te lijden als gevolg van deze hardhouten waterkering redelijkerwijze te zijnen laste behoren te blijven.

7.9.    Voor het geval dat dit niet geoordeeld zou kunnen worden, overweegt de Afdeling dat niet in geschil is dat de woning als gevolg van de aanleg van de hardhouten waterkering binnendijks komt te liggen en dit een voordeel voor [appellant sub 1] oplevert. [appellant sub 1] stelt zich echter op het standpunt dat tegenover dit voordeel ook een nadeel in de vorm van aantasting van het aanzicht van de woning staat en dat de bouw van de hardhouten waterkering per saldo tot waardevermindering van de woning heeft geleid. In het besluit van 6 december 2017 heeft het dagelijks bestuur niet deugdelijk gemotiveerd dat de voordelen van de hardhouten waterkering de nadelen daarvan voor [appellant sub 1] overstijgen. Daaruit blijkt ook niet dat is onderzocht of het eventuele nadeel dat [appellant sub 1] als gevolg van de aanleg van de hardhouten waterkering lijdt al dan niet te zijnen laste kan worden gelaten, bijvoorbeeld indien de bouw van de hardhouten waterkering tot een hogere schade heeft geleid dan de schade die [appellant sub 1] eventueel zou hebben geleden bij uitvoering van het oorspronkelijke plan, door middel van het verhogen van de kade.

7.10.  Uit het voorgaande volgt dat ten tijde van de besluitvorming niet buiten twijfel was dat [appellant sub 1] per saldo geen schade heeft geleden als gevolg van de bouw van de hardhouten waterkering of dat er geen aanleiding bestaat voor vergoeding van die schade. Dat betekent dat het dagelijks bestuur het verzoek om schadevergoeding ten onrechte kennelijk ongegrond heeft verklaard voor zover het verzoek betrekking heeft op de bouw van de hardhouten waterkering. De rechtbank heeft dat niet onderkend.

Het betoog slaagt.

8.       Het dagelijks bestuur betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het verzoek om schadevergoeding, voor zover het betrekking heeft op de aanleg van de klepstuw, ten onrechte kennelijk ongegrond is verklaard.

Het dagelijks bestuur voert in de eerste plaats aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het zich, gelet op de planschadejurisprudentie van de Afdeling, zonder schadetaxatie in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aanleg van de klepstuw niet tot waardevermindering van de woning heeft geleid. Los van het feit dat [appellant sub 1] geen boot bezit, bestaat er na de aanleg van de klepstuw nog steeds een vaarverbinding naar het Slochterdiep, waarbij een boot met een grootte die past bij het varen op de Woltersumer Ae nog steeds de doorvaart kan maken naar het Slochterdiep. De mogelijkheid om bij de woning een boot aan te leggen is praktisch ongewijzigd. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de vaarverbinding naar het Slochterdiep in ieder geval vanaf 1966 is beperkt doordat vanuit de Woltersumer Ae onder een vaste betonbrug moet worden doorgevaren. Daardoor was het in de oude situatie al vrijwel uitgesloten dat een boot met een breedte van meer dan 3 m, laat staan een boot met een breedte van 6,80 m, voorafgaand aan de aanleg van de klepstuw vanuit de Woltersumer Ae naar het Slochterdiep kon varen. Verder is er vanuit de woning slechts beperkt zicht op de klepstuw.

Het dagelijks bestuur stelt zich daarom op het standpunt dat de aanleg van de klepstuw geen nadelige invloed op het woongenot heeft gehad en evenmin tot een rechtstreekse beperking van de gebruiksmogelijkheden van de woning heeft geleid. [appellant sub 1] is in een betere positie komen te verkeren, omdat de waterveiligheid van de woning is verbeterd door de klepstuw. In zijn algemeenheid is de waterveiligheid een belangrijke factor bij het bepalen van de waarde van een onroerende zaak.

Voor het geval de aanleg van de klepstuw, ondanks het voorgaande, tot waardevermindering van de woning heeft geleid, stelt het dagelijks bestuur zich op het standpunt dat [appellant sub 1] het risico op deze schade heeft aanvaard en dat deze schade daarom, mede gelet op de planschadejurisprudentie van de Afdeling, voor zijn rekening blijft. [appellant sub 1] had ten tijde van de aankoop van de woning in 1973 rekening kunnen houden met de mogelijkheid dat de Woltersumer Ae afsluitbaar wordt gemaakt, omdat de Woltersumer Ae sinds 1971 niet meer was aangewezen als vaarweg. Daarom wordt het ervoor gehouden dat hij deze mogelijkheid heeft aanvaard en heeft verdisconteerd in zijn beslissing tot aankoop van de woning, aldus het dagelijks bestuur.

8.1.    Het dagelijks bestuur stelt zich, samengevat weergegeven, primair op het standpunt dat [appellant sub 1] geen schade in de vorm van waardevermindering van de woning heeft geleden als gevolg van de aanleg van de klepstuw, subsidiair dat de schade ten tijde van de aankoop van de woning voorzienbaar was en meer subsidiair dat de schade onder het normale maatschappelijke risico valt.

8.2.    Dat [appellant sub 1] geen boot bezit, zoals het dagelijks bestuur stelt, is - daargelaten dat [appellant sub 1] deze stelling ter zitting van de Afdeling heeft weersproken - niet relevant. Het gaat er in de eerste plaats om of de mogelijkheid om bij de woning een boot aan te leggen een positieve invloed op de waarde van de woning heeft. Dat valt zonder het advies van een deskundige niet uit te sluiten. Verder volgt uit het betoog van het dagelijks bestuur niet dat het in de oude situatie met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet mogelijk was om met een boot met een breedte van meer dan 3 m van de Woltersumer Ae naar het Slochterdiep te varen. Indien dat mogelijk was, valt niet uit te sluiten dat het wegvallen van die mogelijkheid tot schade in de vorm van waardevermindering van de woning heeft geleid. Indien er, zoals het dagelijks bestuur stelt, vanuit de woning slechts beperkt zicht op de klepstuw is, wil dat verder nog niet zeggen dat het uitzicht niet is verslechterd en dat dit niet tot schade heeft geleid. Het betoog van het dagelijks bestuur biedt, gelet op het voorgaande, geen grond voor het oordeel dat ten tijde van de besluitvorming buiten twijfel was dat de aanleg van de klepstuw geen invloed op de waarde van de woning heeft gehad. Daarom is het dagelijks bestuur ten onrechte zonder advies van de adviescommissie tot de conclusie gekomen dat [appellant sub 1] geen schade heeft geleden die verband houdt met de aanleg van de klepstuw en dat het verzoek om schadevergoeding alleen al hierom kennelijk ongegrond is.

De verwijzing naar de jurisprudentie van de Afdeling over het achterwege laten van een taxatie van de voor- en nadelen van een planologische maatregel doet hier niet aan af. Die jurisprudentie ziet op de situatie dat een deskundige, in het kader van het maken van een vergelijking tussen het oude en nieuwe planologische regime, met verwijzing naar de voor- en nadelen van de desbetreffende maatregel te kennen heeft gegeven dat de betrokkene per saldo niet slechter af is. Die situatie doet zich hier niet voor, omdat het dagelijks bestuur geen advies heeft gevraagd aan de adviescommissie, maar zelf een oordeel over de voor- en nadelen van de klepstuw heeft gegeven, terwijl het niet over de daarvoor benodigde deskundigheid beschikt.

8.3.    Niet in geschil is dat de Woltersumer Ae sinds 1971, vóór de aankoop van de woning door [appellant sub 1] in 1973, niet meer als vaarweg is aangewezen. Zonder nadere toelichting, die nu ontbreekt, valt echter niet in te zien waarom dit met zich brengt dat voorzienbaar was dat de Woltersumer Ae vroeg of laat geheel of gedeeltelijk wordt afgesloten. In elk geval is niet gebleken dat er in 1973 een concreet beleidsvoornemen was om een klepstuw in de Woltersumer Ae te realiseren of een andere maatregel te nemen met voor [appellant sub 1] vergelijkbare nadelen. Overeenkomstige toepassing van de door het dagelijks bestuur aangehaalde planschadejurisprudentie leidt niet tot de conclusie dat [appellant sub 1] het risico op de schade heeft aanvaard en dat het verzoek om schadevergoeding alleen al hierom kennelijk ongegrond is.

8.4.    Indien de aanleg van de klepstuw in de lijn der verwachtingen lag, zoals het dagelijks bestuur stelt, zou dat bij overeenkomstige toepassing van de planschadejurisprudentie tot de conclusie leiden dat het dagelijks bestuur in het kader van het normale maatschappelijke risico een drempel van 5 procent van de waarde van de woning mag hanteren. Niet valt echter uit te sluiten dat de door [appellant sub 1] geleden schade boven deze drempel uitkomt. In dat geval valt de schade niet volledig onder het normale maatschappelijke risico en is het dagelijks bestuur in beginsel gehouden om een vergoeding voor het verschil tussen de schade en de drempel toe te kennen. Dat betekent dat het dagelijks bestuur niet zonder het advies van de adviescommissie over de omvang van de schade tot de conclusie heeft kunnen komen dat de gestelde schade onder het normale maatschappelijke risico valt.

8.5.    Het betoog faalt.

conclusie

9.       Het hoger beroep van [appellant sub 1] is gegrond. Het hoger beroep van het dagelijks bestuur is ongegrond.

definitieve beslechting van het geschil

10.     De Afdeling kan nu niet komen tot een definitieve beslechting van het geschil. Het dagelijks bestuur moet, met inachtneming van de overwegingen van de uitspraak van de Afdeling, een nieuw besluit op het door [appellant sub 1] tegen het besluit van 17 juli 2017 gemaakte bezwaar nemen. Het dagelijks bestuur moet ter voorbereiding van het te nemen besluit advies van de adviescommissie inwinnen.

11.     Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

overschrijding redelijke termijn

12.     [appellant sub 1] heeft bij brief van 1 april 2021 een verzoek ingediend om schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

12.1.  De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. Zie de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:188).

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (onder meer uitspraak van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2562) vangt de redelijke termijn in beginsel aan op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift heeft ontvangen. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel, indien deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd.

12.2.  Indien pas bij de Afdeling een beroep op schending van de redelijke termijn wordt gedaan, wordt de vraag of de redelijke termijn is overschreden beoordeeld naar de stand van de zaak op het moment van de uitspraak van de Afdeling, waarbij de duur van de totale procedure in ogenschouw wordt genomen.

12.3.  Het dagelijks bestuur heeft het door [appellant sub 1] ingediende  bezwaarschrift op 12 augustus 2017 ontvangen. Tot aan de uitspraak van de Afdeling van vandaag heeft de procedure drie jaren en negen maanden geduurd. Dat betekent dat sinds de ontvangst van het bezwaarschrift tot aan de uitspraak van de Afdeling nog geen vier jaren zijn verstreken. Daarom is de redelijke termijn niet overschreden.

12.4.  Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen.

proceskosten

13.     Het dagelijks bestuur moet de door [appellant sub 1] gemaakte proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] gegrond;

II.       verklaart het hoger beroep van het dagelijks bestuur van het Waterschap Hunze en Aa's ongegrond;

III.      bepaalt dat tegen het door het dagelijks bestuur van het Waterschap Hunze en Aa's te nemen nieuwe besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

IV.      wijst het verzoek van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af;

V.       veroordeelt het dagelijks bestuur van het Waterschap Hunze en Aa's tot vergoeding van bij [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.068,00 (zegge: duizendachtenzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI.      gelast dat het dagelijks bestuur van het Waterschap Hunze en Aa's aan [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] het door hen voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 259,00 (zegge: tweehonderdnegenenvijftig euro) vergoedt;

VII.     bepaalt dat van het dagelijks bestuur van het Waterschap Hunze en Aa's een griffierecht van € 519,00 (zegge: vijfhonderdnegentien euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. R.J.J.M. Pans en mr. B.P.M. van Ravels, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.       

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2021

452.