Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:986

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-05-2021
Datum publicatie
19-05-2021
Zaaknummer
202000236/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 januari 2018 heeft het college van burgemeester en wethouders van Schouwen-Duiveland aan Oud-Bommenede Vastgoed B.V. een omgevingsvergunning eerste fase verleend voor de activiteiten "gebruiken in strijd met het bestemmingsplan" en "het verrichten van een activiteit die van invloed kan zijn op de fysieke leefomgeving" voor het realiseren van 17 zorg-recreatiewoningen, een gezondheidscentrum met 3 behandelkamers, een zorgchalet op de minicamping, het in gebruik nemen van de bedrijfswoning ten behoeve van de huisvesting of overnachtingsmogelijkheid voor zorgverleners en het gebruiken van een bestaand gebouw (Jachthuis) voor ontvangst, ontmoeting, zorg-gerelateerde workshops/ cursussen op het perceel Kijkuitsedijk 3 te Zonnemaire. [verzoeker] woont aan de [locatie]. De 17 zorgvilla’s zijn ten oosten van zijn woning voorzien op een afstand van ongeveer 50 meter vanaf zijn woning. Hij verzet zich tegen deze ontwikkeling omdat hij gehecht is aan de ruimte en het uitzicht rondom zijn woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202000236/2/R2.

Datum uitspraak: 12 mei 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek van [verzoeker], wonend te Zonnemaire, gemeente Schouwen-Duiveland, om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Schouwen-Duiveland,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 19 november 2019 in zaken nrs. 18/1244 en 18/1621 in het geding tussen onder andere:

[verzoeker]

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 15 januari 2018 heeft het college aan Oud-Bommenede Vastgoed B.V. (hierna: OBV) een omgevingsvergunning eerste fase verleend voor de activiteiten "gebruiken in strijd met het bestemmingsplan" en "het verrichten van een activiteit die van invloed kan zijn op de fysieke leefomgeving" voor het realiseren van 17 zorg-recreatiewoningen, een gezondheidscentrum met 3 behandelkamers, een zorgchalet op de minicamping, het in gebruik nemen van de bedrijfswoning ten behoeve van de huisvesting of overnachtingsmogelijkheid voor zorgverleners en het gebruiken van een bestaand gebouw (Jachthuis) voor ontvangst, ontmoeting, zorg-gerelateerde workshops/ cursussen op het perceel Kijkuitsedijk 3 te Zonnemaire.

Bij uitspraak van 19 november 2019 heeft de rechtbank het door onder andere [verzoeker] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 15 januari 2018 vernietigd en het college opgedragen om een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van OBV.

Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.

Bij besluit van 13 oktober 2020 heeft het college aan OBV een  omgevingsvergunning eerste fase verleend voor de activiteiten "gebruiken in strijd met het bestemmingsplan" en "het verrichten van een activiteit die van invloed kan zijn op de fysieke leefomgeving" voor het realiseren van 17 zorg-recreatiewoningen, een gezondheidscentrum met 3 behandelkamers, een zorgchalet op de minicamping en het in gebruik nemen van de bedrijfswoning ten behoeve van de huisvesting of overnachtingsmogelijkheid voor zorgverleners op het perceel Kijkuitsedijk 3 te Zonnemaire.

Bij besluit van 22 oktober 2020 heeft het college aan OBV een omgevingsvergunning tweede fase verleend voor de activiteit "bouwen" voor het bouwen van 17 zorg-recreatiewoningen en een zorgchalet op het adres Kijkuitsedijk 3 te Zonnemaire.

Tegen deze besluiten heeft [verzoeker] gronden aangevoerd.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

OBV heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Bij besluit van 31 maart 2021 heeft het college aan OBV een omgevingsvergunning verleend waarbij de verleende vergunning is gewijzigd wat betreft de activiteit "bouwen".

Tegen dit besluit heeft [verzoeker] gronden ingediend.

[verzoeker] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

OBV heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 4 mei 2021, waar zijn verschenen:

- [verzoeker], bijgestaan door mr. M.M. Beukers, rechtsbijstandverlener bij DAS,

- het college, vertegenwoordigd door mr. L.P. Koster-Braad,

- OBV, vertegenwoordigd door N.A. van Putte en B.B.C. van Putte-Voet, bijgestaan door R.P. Bosman.

Overwegingen

1.       Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

Inleiding

2.       Op het terrein van het agrarisch bedrijf Résidence Oud-Bommenede, gevestigd aan de Kijkuitsedijk 1 en 3, zijn twee minicampings met in totaal 30 eenheden aanwezig. De bedrijfsvoering richt zich in toenemende mate op zorgverlening in combinatie met verblijfsrecreatie. In dat kader heeft OBV een omgevingsvergunning aangevraagd voor onder meer 17 zorg-recreatiewoningen, ook zorgvilla’s genoemd. Het betreft aangepaste recreatiewoningen voor zorgbehoevenden. Zo nodig kan er tijdens het recreatief verblijf ook zorg worden ontvangen.

3.       [verzoeker] woont aan de [locatie]. De 17 zorgvilla’s zijn ten oosten van zijn woning voorzien op een afstand van ongeveer 50 meter vanaf zijn woning. Hij verzet zich tegen deze ontwikkeling omdat hij gehecht is aan de ruimte en het uitzicht rondom zijn woning. Daarnaast leiden alle ontwikkelingen in zijn woonomgeving tezamen tot toenemende drukte op de Kijkuitsedijk.

4.       De voorzieningenrechter beperkt zich in het kader van deze voorlopige voorziening tot de bij de besluiten van 13 oktober 2020 en 22 oktober 2020 verleende omgevingsvergunning, zoals die nadien is gewijzigd bij besluit van 31 maart 2021, en de gronden die [verzoeker] daartegen heeft aangevoerd. OBV is immers voornemens om op grondslag van deze omgevingsvergunning te starten met de realisatie van de vergunde activiteiten. Het hoger beroep van het college en het incidenteel hoger beroep en het beroep van rechtswege van de Vereniging Natuur- en Vogelwacht Schouwen-Duiveland zullen in de hoofdzaak aan de orde komen.

Inhoudelijk

De omgevingsvergunning van 31 maart 2021

5.       [verzoeker] betoogt dat de verleende omgevingsvergunning van 31 maart 2021 voor het wijzigen van de verleende omgevingsvergunning niet gefaseerd is verleend en dat deze wijzigingsvergunning daarmee in de plaats treedt van zowel de omgevingsvergunning eerste fase als de omgevingsvergunning tweede fase. Omdat de wijzigingsvergunning alleen betrekking heeft op de activiteit bouwen, ontbreekt nu een vergunning voor de activiteiten "gebruiken in strijd met het bestemmingsplan" en "het verrichten van een activiteit die van invloed kan zijn op de fysieke leefomgeving". Hij wijst er daarbij op dat in de wijzigingsvergunning staat dat het bouwplan is getoetst aan het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied Schouwen-Duiveland" en dat het ingediende bouwplan voldoet aan de bepalingen van dit bestemmingsplan, hetgeen dus niet het geval is.

5.1.    Het college heeft ter zitting bevestigd dat in de overwegingen die ten grondslag liggen aan het besluit ten onrechte staat dat aan de bepalingen van het bestemmingsplan is getoetst. Uit het besluit blijkt dat is bedoeld om alleen de omgevingsvergunning voor de activiteit "bouwen" te wijzigen.

5.2.    Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan het besluit tot wijziging van de verleende omgevingsvergunning niet anders worden uitgelegd dan dat deze alleen de omgevingsvergunning wijzigt voor zover het de activiteit "bouwen" betreft. In de wijzigingsvergunning is geen aanwijzing te vinden dat de omgevingsvergunning voor de andere activiteiten is ingetrokken. Dit betekent dat de overigens vergunde activiteiten ongewijzigd vergund blijven.

De verklaring van geen bedenkingen

6.       [verzoeker] betoogt dat het besluit van de raad van de gemeente Schouwen-Duiveland van 24 september 2020 tot het afgeven van een verklaring van geen bedenkingen ten onrechte niet is gemotiveerd.

6.1.    De voorzieningenrechter stelt vast dat aan het besluit van 24 september 2020 onder meer een raadsvoorstel, de ruimtelijke onderbouwing van 24 september 2020, de zienswijze van [verzoeker] en een antwoordnotitie ten grondslag liggen. In deze stukken ligt de motivering van de raad besloten. Gelet hierop mist het betoog feitelijke grondslag.

De Verordening Ruimte

7.       [verzoeker] betoogt dat de omgevingsvergunning in strijd is met artikel 2.2, lid 1, van de Verordening Ruimte van de Provincie Zeeland. Volgens [verzoeker] maakt de omgevingsvergunning een zorgfunctie mogelijk, een vorm van bedrijvigheid waaraan dit artikel in de weg staat. Hij meent dat de ontwikkeling als één geheel dient te worden beschouwd, en niet - zoals het college heeft gedaan - als een ontwikkeling die in twee delen kan worden gescheiden. Het college beschouwt de 17 zorgvilla’s als uitbreiding van het een bestaand recreatief bedrijf en de overigens vergunde activiteiten als nieuwe economische drager (NED). Volgens [verzoeker] is dat onjuist en staat ook bij de 17 zorgvilla’s de zorg voorop als onderdeel van de gehele ontwikkeling. Daarbij wijst hij erop de zorgvilla’s het grootste deel van het jaar verplicht een zorgfunctie hebben en slechts drie maanden per jaar een louter recreatieve functie.

7.1.    Het college stelt dat de hoofdfunctie van de zorgvilla’s recreatief verblijf is. Het gaat om recreatiewoningen die geschikt zijn voor mensen die vanwege hun beperking niet terecht kunnen in een doorsnee vakantiewoning. Zo zijn de recreatiewoningen gelijkvloers en ruimer opgezet ten behoeve van rollator- en rolstoelgebruikers. De zorgvilla’s zijn bedoeld voor het recreatief verblijf van het hele gezin. Zo nodig kan tijdens het recreatief verblijf de zorg die zorgbehoevenden thuis ontvangen worden voortgezet. Eventuele behandelingen vinden plaats in het behandelcentrum, dat nu ook al wordt gebruikt voor zorg.

7.2.    Artikel 2.2, eerste en tweede lid, van de Verordening Ruimte luiden: "1. In een bestemmingsplan worden bedrijven uitsluitend toegelaten op gronden die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening daartoe zijn bestemd alsmede op bedrijventerreinen.

2. Het eerste lid is niet van toepassing op:

a. grondstoffenwinning;

b. olie- en gaswinning;

c. waterwinning;

d. afvalstort;

e. nutsvoorzieningen;

f. horeca- en recreatiebedrijven;

g. agrarische bedrijven, de vestiging van nieuwe economische dragers, de mogelijkheden voor niet-agrarische activiteiten in het landelijk gebied en energieopwekking als bedoeld in bijlage 1 bij deze verordening alsmede overige krachtens deze verordening toegelaten bedrijvigheid;

h. overige functioneel aan het buitengebied gebonden bedrijvigheid;

i. solitaire bedrijvigheid binnen de bebouwde kom."

In artikel 1.1, onder e, is ‘bedrijf’ gedefinieerd als: "bedrijf: een onderneming die is gericht op het vervaardigen, bewerken, installeren en verhandelen van goederen dan wel op het bedrijfsmatig verlenen van diensten waarbij eventueel detailhandel uitsluitend plaatsvindt als ondergeschikt en niet zelfstandig onderdeel van de onderneming in de vorm van verkoop of levering van ter plaatse vervaardigde bewerkte of herstelde goederen dan wel goederen die in rechtstreeks verband staan met de uitgeoefende handelingen;"

7.3.    De voorzieningenrechter is van oordeel dat artikel 2.2, eerste lid, van de Verordening Ruimte niet van toepassing is op de realisatie van de zorgvilla’s. Anders dan [verzoeker] betoogt, moeten deze zorgvilla’s in hoofdzaak als recreatiewoningen worden beschouwd en is de mogelijkheid om tijdens het recreatief verblijf te ontvangen in die mate ondergeschikt aan de recreatiefunctie dat dit onder Verordening Ruimte niet als een op zichzelf te bestempelen bedrijfsfunctie kan worden beschouwd. De voorzieningenrechter ziet hierom ook geen reden op grond waarvan het college deze zorgvilla’s niet afzonderlijk als uitbreiding van het recreatief bedrijf mocht beschouwen bij de toets aan de Verordening Ruimte.

Conclusie

8.       Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en de betrokken belangen in aanmerking genomen, bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen. Hierbij betrekt de voorzieningenrechter dat hetgeen [verzoeker] heeft gesteld niet de conclusie rechtvaardigt dat hij onevenredig in zijn belangen wordt geraakt als de werkzaamheden een aanvang nemen. Daarbij wijst de voorzieningenrechter erop dat een houder van een verleende vergunning, zolang deze niet in rechte onaantastbaar is, op eigen risico daarvan gebruik maakt, ook als het verzoek als thans aan de orde wordt afgewezen.

9.       Ten aanzien van [verzoeker] hoeft het college geen proceskosten te vergoeden.

Ook ten aanzien van OBV, die om vergoeding van diverse kosten heeft verzocht, bestaat voor een proceskostenvergoeding geen aanleiding. Zij is immers ter verdediging van een ten gunste van haar genomen besluit ter zitting gehoord.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Boer, griffier.

De voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2021

745.