Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:964

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-05-2021
Datum publicatie
05-05-2021
Zaaknummer
201908860/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 september 2019 heeft de raad van de gemeente Enkhuizen het bestemmingsplan "Partiële herziening bestemmingsplan Gommerwijk West-West" vastgesteld. De partiële herziening heeft betrekking op het bestemmingsplan "Gommerwijk West-West" dat de raad op 19 februari 2008 heeft vastgesteld. Laatstgenoemd plan voorziet in een uitwerkingsplicht van de bestemming "Wonen - uit te werken" waarmee wordt voorzien in maximaal 700 woningen op onder meer de gronden van [appellant] en anderen aan de westkant van de bestaande woonwijk Gommerwijk-West. Op grond van artikel 6.2, van de planvoorschriften van dat plan werkt de raad de bestemming uit. Met de partiële herziening heeft de raad één van de uitwerkingsregels gewijzigd. Dit betreft artikel 6.2.1, onder b, van de planvoorschriften. Volgens de plantoelichting beoogt de raad hiermee te bereiken dat het maximum aantal woningen van 700 waarop de uitwerkingsplicht betrekking heeft, niet langer tot de zogenoemde harde plancapaciteit wordt gerekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2021/8522
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201908860/1/R1.

Datum uitspraak: 4 mei 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Enkhuizen, en anderen,

en

de raad van de gemeente Enkhuizen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 24 september 2019 heeft de raad het bestemmingsplan "Partiële herziening bestemmingsplan Gommerwijk West-West" (hierna: de partiële herziening) vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en anderen en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 januari 2021, waar [appellant] en anderen, van wie [appellant], [appellant A] en [appellant B], bijgestaan door mr. J.T.A.M. van Mierlo, advocaat in Zwolle, en de raad, vertegenwoordigd door mr. W.J. Bosma, advocaat in Den Haag, en ing. W.J.W.M. Leemreize, zijn verschenen.

Daartoe na de zitting in de gelegenheid gesteld, hebben de raad en [appellant] en anderen nadere reacties ingediend.

Partijen zijn gewezen op hun recht opnieuw ter zitting te worden gehoord. De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft nadat geen van de partijen binnen een door haar gestelde termijn had verklaard dat zij gebruik wil maken van dit recht.

Overwegingen

Inleiding

1.       De partiële herziening heeft betrekking op het bestemmingsplan "Gommerwijk West-West" dat de raad op 19 februari 2008 heeft vastgesteld. Laatstgenoemd plan voorziet in een uitwerkingsplicht van de bestemming "Wonen - uit te werken" waarmee wordt voorzien in maximaal 700 woningen op onder meer de gronden van [appellant] en anderen aan de westkant van de bestaande woonwijk Gommerwijk-West. Op grond van artikel 6.2, van de planvoorschriften van dat plan werkt de raad de bestemming uit.

Met de partiële herziening heeft de raad één van de uitwerkingsregels gewijzigd. Dit betreft artikel 6.2.1, onder b, van de planvoorschriften. Volgens de plantoelichting beoogt de raad hiermee te bereiken dat het maximum aantal woningen van 700 waarop de uitwerkingsplicht betrekking heeft, niet langer tot de zogenoemde harde plancapaciteit wordt gerekend, zodat de mogelijkheid ontstaat ook in andere delen van de gemeente Enkhuizen medewerking te verlenen aan de bouw van nieuwe woningen.

Toetsingskader

2.       Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Procesbelang

3.       De raad betwist het procesbelang van [appellant] en anderen bij de vaststelling van de partiële herziening. In dat verband wijst de raad erop dat hij het voornemen heeft om de gronden waarop het bedrijf van [appellant] en anderen wordt geëxploiteerd overeenkomstig het huidige (legale) agrarische gebruik te bestemmen, zodat de partiële herziening niet (meer) op deze gronden van toepassing zal zijn. Verder stelt de raad dat [appellant] en anderen met hun beroep niet kunnen bereiken wat zij daarmee nastreven, namelijk te voorkomen dat er een nadere afweging over de woningbehoefte zal (moeten) plaatsvinden die ertoe kan leiden dat op de gronden van [appellant] en anderen geen woningbouw meer zal (kunnen) worden toegestaan. Volgens de raad zijn [appellant] en anderen daarnaast niet in staat om deze woningbouw zelf te realiseren.

3.1.    Met de partiële herziening heeft de raad één van de uitwerkingsregels gewijzigd. Deze uitwerkingsregel heeft gelet op de verbeelding ook betrekking op de gronden van [appellant] en anderen. Gelet hierop en nu de bestemming van de gronden niet overeenkomstig het voornemen is gewijzigd, kan de raad niet worden gevolgd in zijn stelling dat de partiële herziening niet meer van toepassing is op de gronden van [appellant] en anderen. De stellingen van de raad dat [appellant] en anderen met hun beroep niet kunnen bereiken wat zij nastreven en dat zij niet in staat zijn zelf woningbouw te realiseren, maken, wat daarvan ook zij, niet dat zij geen procesbelang hebben. De door de raad genoemde omstandigheden geven daarom geen aanleiding voor het oordeel dat [appellant] en anderen niet langer procesbelang hebben bij een uitspraak op het beroep tegen de partiële herziening.

Te laat ingediende aanvullende beroepsgronden?

4.       De raad stelt zich op het standpunt dat de beroepsgronden in het nadere stuk van [appellant] en anderen van 4 januari 2021 buiten beschouwing moeten worden gelaten gelet op artikel 1.6a van de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw). Volgens de raad kan dit bestemmingsplan worden aangemerkt als een besluit dat is genomen voor de ontwikkeling of verwezenlijking van meer dan 11 woningen op grond van artikel 1.1 lid 1 onder a, in samenhang bezien met Bijlage 1, onder 3.1, van de Chw.

4.1.    Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Chw is afdeling 2 van toepassing op alle besluiten die krachtens enig wettelijk voorschrift zijn vereist voor de ontwikkeling of verwezenlijking van de in bijlage I bij deze wet bedoelde categorieën ruimtelijke en infrastructurele projecten dan wel voor de in bijlage II bij deze wet bedoelde ruimtelijke en infrastructurele projecten;

Ingevolge artikel 1.6a, dat deel uitmaakt van afdeling 2 van hoofdstuk 1, kunnen na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen beroepsgronden meer worden aangevoerd.

In categorie 3, onder 3.1, van bijlage 1 van de Chw wordt als categorie ruimtelijke en infrastructurele projecten als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, aangemerkt de ontwikkeling en verwezenlijking van werken en gebieden krachtens afdeling 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening ten behoeve van de bouw van meer dan 11 woningen in een aaneengesloten gebied of de herstructurering van woon- en werkgebieden.

4.2.    Onder verwijzing naar de uitspraak van 7 oktober 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO0224, overweegt de Afdeling dat een bestemmingsplan dat eerst moet worden uitgewerkt alvorens de bouw van meer dan 11 woningen in een aaneengesloten gebied mogelijk wordt gemaakt, niet al een besluit is dat is vereist als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Chw. Het bestemmingsplan maakt in een dergelijk geval immers niet bij recht de bouw van meer dan 11 woningen mogelijk. Gelet op het vorenstaande is afdeling 2, van hoofdstuk 1, van de Chw op dit besluit niet van toepassing. Dit betekent dat de Afdeling het nadere stuk van 4 januari 2021 niet buiten beschouwing zal laten en dit zal betrekken bij de bespreking van de beroepsgronden.

Financiële aspecten

5.       [appellant] en anderen betogen dat financiële aspecten een rol hebben gespeeld bij de vaststelling van de partiële herziening. Zij verzoeken de Afdeling daarom op grond van 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kennis te nemen van 1) de Notitie PAS Gommerwijk West-West financiële haalbaarheid 3 varianten, projectnummer N152960-1072-05 van 14 februari 2017, 2) het Strategisch beleidsadvies SAOZ planschade Gommerwijk West-West, opdracht 3731360 van juni 2017 en 3) Grondexploitaties varianten Gommerwijk West-West van 14 januari 2019.

5.1.    De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 5 weergegeven stukken geen op de zaak betrekking hebbende stukken zijn als bedoeld in artikel 8:42 van de Awb. Volgens de raad liggen deze stukken, waarvan de inhoud financieel van aard is, niet aan de gewijzigde uitwerkingsregel ten grondslag en hebben deze geen rol gespeeld bij de afweging.

Gelet op de toelichting van de raad dat financiële overwegingen bij het besluit tot vaststelling van de partiële herziening geen rol hebben gespeeld en in aanmerking genomen het onder 2 weergegeven toetsingskader, ziet de Afdeling geen noodzaak om kennis te nemen van de onder 5 weergegeven stukken. De Afdeling merkt op dat in deze uitspraak, gelet hierop, zal worden beoordeeld of bij de partiële herziening ruimtelijke overwegingen een rol hebben gespeeld en of die motieven het besluit tot vaststelling van de partiële herziening kunnen dragen.

Het betoog faalt.

Discrepantie plantoelichting en gewijzigd planvoorschrift

6.       [appellant] en anderen betogen dat sprake is van een discrepantie tussen de plantoelichting en het gewijzigde artikel 2.1.1 van de planregels van de partiële herziening. Zij wijzen erop dat volgens paragraaf 2.3 van de plantoelichting van belang is dat de plancapaciteit van 700 woningen, zoals vastgesteld in het bestemmingsplan "Gommerwijk West-West", niet meer van toepassing is en dat in plaats daarvan alleen een koppeling moet worden gemaakt met het geldende woningbouwbeleid. In artikel 2.1.1 van de planregels is het maximaal aantal woningen van 700 echter nog steeds opgenomen, zodat van een uitsluitende koppeling aan de geldende woningbouwcapaciteit geen sprake is.

6.1.    Ingevolge artikel 2.1.1 van de planregels van de partiële herziening wordt het bepaalde onder b van artikel 6.2.1 van de planvoorschriften als volgt gewijzigd: "b. de kwantitatieve woningprogrammering dient in overeenstemming te zijn met de Regionale woonvisie West Friesland en het uitvoeringsprogramma daarvan, zoals opgenomen in het Regionaal Actieplan (RAP), met dien verstande dat ter plaatse van het plangebied Gommerwijk West-west het maximale aantal toegelaten woningen 700 bedraagt."

Volgens de plantoelichting van de partiële herziening dient de "harde plancapaciteit" van 700 woningen in het bestemmingsplan "Gommerwijk West-West" te worden geschrapt en is een koppeling nodig met de beleidsmatig vastgestelde woningbouwcapaciteit in Enkhuizen om ook woningbouw in andere gebieden planologisch mogelijk te maken. De enkele omstandigheid dat in artikel 2.1.1 van de planregels is opgenomen dat het maximale aantal woningen 700 bedraagt, maakt, gelet op de formulering van dat artikel, niet dat van een koppeling aan de geldende woningbouwcapaciteit geen sprake is. Verder is de plantoelichting geen juridisch bindend onderdeel van het bestemmingsplan.

Het betoog faalt.

Bevoegdheid

7.       [appellant] en anderen betogen dat in het onherroepelijke bestemmingsplan "Gommerwijk West-West" geen wijzigingsbevoegdheid is opgenomen, zodat de raad niet mocht overgaan tot vaststelling van de partiële herziening. Volgens hen ondermijnt het herzien of wijzigen van een onherroepelijk bestemmingsplan de betekenis van de onherroepelijkheid en de aan de raad opgelegde verplichting tot uitwerking, zoals dat in het bestemmingsplan "Gommerwijk West-West" is opgenomen. [appellant] en anderen wijzen erop dat de raad conform de uitspraak van de Afdeling van 17 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1221, had moeten overgaan tot uitwerking van de bestemming "Wonen - uit te werken" of tot vaststelling van een geheel nieuw bestemmingsplan. Nu dit niet is gebeurd, handelt de raad in strijd met een goede ruimtelijke ordening, zo stellen [appellant] en anderen.

7.1.    Anders dan [appellant] en anderen veronderstellen, kan in overeenstemming met het systeem van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) op zichzelf een bestemmingsplan worden vastgesteld dat alleen voorziet in planonderdelen (bestemmingen, aanduidingen en regels) die ten opzichte van een bestaand bestemmingsplan worden gewijzigd. Daarvoor is niet nodig dat terzake in een onherroepelijk bestemmingsplan een wijzigingsbevoegdheid is opgenomen. Een wijzigingsplan is in de systematiek van de Wro ook niet gelijk te stellen met een nieuw bestemmingsplan. Verder overweegt de Afdeling dat de partiële herziening de raad niet ontslaat van de verplichting de bestemming "Wonen - uit te werken", zoals opgenomen in het bestemmingsplan "Gommerwijk West-West", uit te werken. Dit geldt ook voor de opdracht van de Afdeling aan de raad in haar uitspraak van 17 april 2019, te weten een besluit te nemen inhoudende de vaststelling van een uitwerkingsplan of een bestemmingsplan of een afwijzing van de aanvraag.

Het betoog faalt.

Doel van het plan

8.       [appellant] en anderen betogen dat met de wijziging van artikel 6.2.1, onder b, van de planvoorschriften, anders dan de raad heeft beoogd, niet de mogelijkheid ontstaat elders in de gemeente woningbouw te realiseren. Zij wijzen erop dat er zo goed als geen verschil is tussen de oude formulering en de nieuwe formulering van het gewijzigde artikel. Als de oude formulering een "harde" formulering was waardoor de totale woningbouwcapaciteit volledig wordt opgevuld door de 700 woningen, dan zien [appellant] en anderen niet in dat dat niet zou gelden voor de formulering van het gewijzigde artikel.

8.1.    Volgens de plantoelichting voorziet het bestemmingsplan "Gommerwijk West-West" in de ontwikkeling van een woonwijk voor 700 woningen. Het eerste deel met een capaciteit van ongeveer 100 woningen is uitgewerkt en inmiddels nagenoeg gerealiseerd, waardoor in dit plangebied planologisch nog ruimte is voor ongeveer 600 woningen. De behoefte aan woningbouw is hier nog steeds actueel. Het wordt echter wenselijk geacht dat ook in andere delen van Enkhuizen woningbouw kan worden ontwikkeld, maar dit is nu niet mogelijk, omdat de behoefte daaraan niet kan worden aangetoond. Het plan Gommerwijk West-West voorziet immers in die behoefte. De consequentie hiervan is dat er voor woningbouwplannen elders in de gemeente geen planologische procedure kan worden gestart, omdat voor die woningbouwplannen niet kan worden voldaan aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Om woningbouw in andere gebieden planologisch mogelijk te maken, moet de "harde plancapaciteit" van 700 woningen in het bestemmingsplan "Gommerwijk West-West" worden geschrapt en is een koppeling nodig met de beleidsmatig vastgelegde woningbouwcapaciteit in Enkhuizen. Op deze manier kan bij de uitwerking worden getoetst aan de kwantitatieve woningbouwbehoefte, in die zin dat daarbij ook beoogde nieuwbouwplannen en al gerealiseerde woningen elders betrokken kunnen worden. Andersom geldt voor plannen elders dat deze doorgang kunnen vinden, omdat de capaciteit van het woongebied Gommerwijk West-West ook is gekoppeld aan het woningbouwbeleid, zo staat in de plantoelichting.

8.2.    De raad beoogt aldus met de partiële herziening te bereiken dat het maximum aantal woningen van 700 waarop de uitwerkingsplicht betrekking heeft, niet langer tot de harde plancapaciteit wordt gerekend, zodat de mogelijkheid ontstaat ook in andere delen van de gemeente Enkhuizen medewerking te verlenen aan de bouw van woningen. Daartoe heeft de raad met de partiële herziening artikel 6.2.1, onder b, van de planvoorschriften gewijzigd. Deze bepaling luidt in het bestemmingsplan "Gommerwijk West-West" als volgt: "b. het aantal woningen zal ten hoogste 700 bedragen". Ingevolge artikel 2.1.1, van de planregels van de partiële herziening wordt de tekst onder b als volgt aangepast: "b. de kwantitatieve woningprogrammering dient in overeenstemming te zijn met de Regionale woonvisie West Friesland en het uitvoeringsprogramma daarvan, zoals opgenomen in het Regionaal Actieplan (RAP), met dien verstande dat ter plaatse van het plangebied Gommerwijk West-west het maximale aantal toegelaten woningen 700 bedraagt."

8.3.    De Afdeling begrijpt de raad zo dat hij met deze wijziging van artikel 6.2.1, onder b, van de planvoorschriften toepassing heeft willen geven aan de zogenoemde "doorschuifmogelijkheid" in artikel 3.1.6, derde lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro).

8.4.    In haar overzichtsuitspraak van 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724, heeft de Afdeling overwogen:

"3.2. In het derde lid van artikel 3.1.6 van het Bro is, anders dan in het Bro zoals dat luidt tot 1 juli 2017, bepaald dat het bevoegde bestuursorgaan de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling kan ‘doorschuiven’ van het bestemmingsplan naar het uitwerkings- of wijzigingsplan. Toepassing van dit artikellid heeft, volgens de Nota van toelichting (2017), tot gevolg dat de met uitwerkingsplicht of wijzigingsbevoegdheid bestemde locatie, tot het moment van vaststelling van het wijzigings- of uitwerkingsplan, geen onderdeel zal uitmaken van het aanbod (de planologische voorraad) bij toetsen voor andere locaties in de omgeving. Het eventueel doorschuiven van de toets laat het bepaalde in artikel 3.1.6, eerste lid, van het Bro onverlet. Aangenomen wordt dat de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan dat voorziet in de mogelijkheid van een wijzigings- of uitwerkingsplan, wat globaler kan worden gemotiveerd, aldus de Nota van Toelichting (2017)."

8.5.    Als gevolg van het gewijzigde artikel 6.2.1, onder b, van de planvoorschriften, moet de kwantitatieve woningprogrammering in overeenstemming zijn met de Regionale woonvisie West Friesland en het uitvoeringsprogramma daarvan, zoals opgenomen in het Regionaal Actieplan (RAP). De raad heeft hiermee in zoverre de beoordeling van de behoefte met toepassing van artikel 3.1.6, derde lid, van het Bro doorgeschoven naar het moment van het vaststellen van het uitwerkingsplan. Zoals hiervoor onder 8.4 is overwogen, heeft toepassing van dit artikellid, volgens de Nota van toelichting (2017), tot gevolg dat de met uitwerkingsplicht bestemde locatie, tot het moment van vaststelling van het uitwerkingsplan, geen onderdeel uitmaakt van het aanbod (de planologische voorraad). Dit betekent dat de woningen waarop de uitwerkingsplicht ziet geen rol spelen bij het uitvoeren van de laddertoets bij stedelijke ontwikkelingen op andere locaties in de omgeving.

De Afdeling stelt vast dat, anders dan [appellant] en anderen betogen,  met het gewijzigde artikel wel het beoogde doel wordt bereikt. Tot het moment van het vaststellen van het uitwerkingsplan maken de 600 woningen (er zijn er immers al 100 gerealiseerd), geen onderdeel meer uit van de planologische voorraad en vormen deze dus ook geen harde plancapaciteit. Dat in het gewijzigde artikel nog steeds die 700 woningen worden genoemd, maakt dit niet anders, omdat in het artikel de beperking is toegevoegd dat de kwantitatieve woningprogrammering in overeenstemming moet zijn met de Regionale woonvisie West Friesland en het uitvoeringsprogramma daarvan, zoals opgenomen in het Regionaal Actieplan (RAP).

Het betoog faalt.

Noodzaak plan

9.       [appellant] en anderen betogen dat geen noodzaak bestaat om de partiële herziening vast te stellen. Volgens hen wil de raad met dit plan onder de uitwerkingsplicht uitkomen. [appellant] en anderen wijzen erop dat de raad zich bij het vaststellen van de partiële herziening rekenschap had moeten geven van de opdracht die de Afdeling hem bij de eerder genoemde uitspraak van 17 april 2019 heeft opgelegd, te weten een besluit te nemen inhoudende de vaststelling van een uitwerkings- of bestemmingsplan. Als uitvoering wordt gegeven aan de opdracht van de Afdeling en op korte termijn een uitwerkingsplan wordt vastgesteld, is de partiële herziening niet nodig, zo stellen [appellant] en anderen. Zij vrezen dat de raad door de partiële herziening elders binnen de gemeente en onmiddellijk daarbuiten woningbouw mogelijk zal maken, terwijl zij al jaren in onzekerheid verkeren. In dat verband wijzen zij onder meer op de ontwikkeling van de bouwlocaties Westeinde-Zuid in Enkhuizen en Florapark in Stede Broec. Volgens hen zijn de plannen voor deze locaties concreet en vastomlijnd, omdat een intentieovereenkomst is getekend voor 750 woningen voor deze bouwlocaties en de raden van beide gemeenten hierover op 23 september 2020 zijn geïnformeerd. Wordt dit plan onherroepelijk dan zal de raad volgens [appellant] en anderen hun gronden niet ontwikkelen voor woningbouw.

9.1.    De raad heeft ter zitting erkend dat met de partiële herziening geen uitvoering wordt gegeven aan de uitspraak van de Afdeling van 17 april 2019. Volgens de raad is ervoor gekozen om dit plan vast te stellen met het oog op het woningbouwbeleid. Er bestaat namelijk behoefte om in andere delen van Enkhuizen ook woningbouw te ontwikkelen. Als een nieuwbouwplan op meer dan elf woningen ziet, moet aan de ladder voor duurzame verstedelijking worden getoetst en moet de behoefte aan de desbetreffende woningbouw worden aangetoond. Deze behoefte kan volgens de plantoelichting echter niet worden aangetoond, omdat deze reeds wordt opgevangen in het plangebied Gommerwijk West-West met een nog resterende capaciteit van 600 woningen.

9.2.    De Afdeling stelt voorop dat, zoals hiervoor in 7.1 is overwogen, de partiële herziening niet tot gevolg heeft dat de raad niet meer hoeft te voldoen aan de opdracht van de Afdeling in haar uitspraak van 17 april 2019. De verplichting om een besluit te nemen inhoudende de vaststelling van een uitwerkingsplan of bestemmingsplan of een afwijzing van de aanvraag, blijft onverkort gelden. Dit volgt ook uit de uitspraak van de Afdeling van 24 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:638. Zoals in die uitspraak is overwogen moet de raad nog een keuze maken of op de gronden van [appellant] en anderen op termijn nog wel tot woningbouw kan worden overgegaan. Nu er nog onduidelijkheid bestaat over de vraag of op termijn op de gronden van [appellant] en anderen in woningbouw zal blijven worden voorzien, staat niet vast dat de partiële herziening niet nodig is. Voor zover [appellant] en anderen hebben gewezen op de bouwlocaties Westeinde-Zuid en Florapark, overweegt de Afdeling dat de omstandigheid dat inmiddels een intentieovereenkomst is getekend en de raden van de gemeenten Enkhuizen en Stede Broec hierover zijn geïnformeerd, niet betekent dat de voornemens voor deze locaties concreet en vastomlijnd zijn te achten. De raad heeft toegelicht dat op 24 november 2020 het college van burgemeester en wethouders van Enkhuizen het regionale Woonakkoord Westfriesland 2020-2025 (hierna: Woonakkoord) heeft vastgesteld. In dit Woonakkoord is voor Enkhuizen aangegeven dat voor het plan Westeinde geldt, dat dit een "zacht" plan is dat door de provincie bovendien op "rood" is gezet. Dit betekent dat het hier gaat om "lange termijn plannen", plannen waar nog veel onduidelijkheid over bestaat dan wel waar nog geen provinciaal standpunt over is ingenomen. Ook is de locatie Westeinde op de kaart behorende bij het Woonakkoord "rood" weergegeven, wat staat voor "lange termijn plannen". De raad heeft verder toegelicht dat hij wil dat eerst het plangebied Gommerwijk West-West wordt ontwikkeld. Als al wordt overgegaan tot de ontwikkeling van de locaties Westeinde-Zuid en Florapark, zal volgens de raad eerst de locatie Florapark in de gemeente Stede Broec worden ontwikkeld. Het deel in de gemeente Enkhuizen, locatie Westeinde, staat volgens de raad pas voor 2029-2034 op de planning. De Afdeling ziet in het aangevoerde geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van deze toelichting van de raad. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat geen noodzaak bestaat om de partiële herziening vast te stellen.

Het betoog faalt.

Ladder voor duurzame verstedelijking en uitwerkingsplicht

10.     [appellant] en anderen betogen dat de woningbouw die met de uitwerkingsplicht mogelijk was, met dit plan ten onrechte onder de laddertoets in de zin van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is komen te vallen waardoor hun rechtspositie wordt aangetast. Zij wijzen erop dat de woningbouw eerst niet onder de laddertoets viel, omdat deze al sinds 2008 onder de "harde" capaciteit viel.

10.1.  Ingevolge artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro bevat de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Ingevolge artikel 1.1.1, derde lid, van het Bro wordt in hoofdstuk 3 van dit besluit en de hierop berustende bepalingen onder een bestemmingsplan mede begrepen een wijzigings- of uitwerkingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet.

Onder verwijzing naar overweging 5 van haar overzichtsuitspraak van 28 juni 2017 overweegt de Afdeling dat indien wordt overgegaan tot de vaststelling van een wijzigings- of uitwerkingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, onder i, van het Bro, ingevolge artikel 1.1.1, derde lid, van het Bro bij de vaststelling van een dergelijk plan zal moeten worden voldaan aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro. Verder heeft de Afdeling in overweging 7.10 overwogen dat bij het vaststellen van een uitwerkingsplan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro in acht zal moeten worden genomen indien het uitwerkingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro (uitspraak van 18 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1295 (Zevenaar)).

Gelet hierop moet, anders dan [appellant] en anderen veronderstellen, bij de vaststelling van een uitwerkingsplan waarin wordt voorzien in een nieuwe stedelijke ontwikkeling de ladder voor duurzame verstedelijking worden doorlopen. Dit was ook al het geval toen artikel 6.2.1, onder b, van de planvoorschriften nog niet was gewijzigd. Dat bij de vaststelling van het bestemmingsplan "Gommerwijk West-West" de woningbouw mogelijk niet onder de laddertoets viel, maakt dit niet anders, nu bij de vaststelling van een uitwerkingsplan dat voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, het op dat moment geldende recht in acht moet worden genomen.

Het betoog faalt.

Overgangsrecht

11.     [appellant] en anderen betogen dat hun bedrijf door het in de partiële herziening opgenomen overgangsrecht ten onrechte voor de tweede keer onder het overgangsrecht is gebracht, terwijl een motivering hiervoor ontbreekt. Verder wijzen [appellant] en anderen erop dat is gehandeld in strijd met het standpunt dat de raad en het college hebben ingenomen in het advies van de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: de SAOZ) van 7 december 2018 in het kader van de planschadeprocedure door hun bedrijf voor de tweede keer onder het overgangsrecht te brengen.

11.1.  Volgens de plantoelichting bestaat de wens om ook in andere delen van Enkhuizen woningbouw te realiseren. De behoefte aan die woningbouw kan nu echter niet worden aangetoond, terwijl dat vereist is in het kader van de toets aan de ladder voor duurzame verstedelijking. De in het bestemmingsplan "Gommerwijk West-West" opgenomen uitwerkingsplicht ziet immers op maximaal 700 woningen binnen het plangebied Gommerwijk West-West. Om woningbouw in andere gebieden planologisch mogelijk te maken, is dus een koppeling nodig met de beleidsmatig vastgelegde woningbouwcapaciteit in Enkhuizen. De voorliggende partiële herziening voorziet hierin door wijziging van artikel 6.2.1, onder b, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Gommerwijk West-West" dat ziet op de uitwerkingsplicht. Met deze partiële herziening worden geen bestemmingen gewijzigd of toegekend. Evenmin strekt de partiële herziening tot een herziening van het toegestane gebruik. Alleen al daarom ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bedrijf van [appellant] en anderen met het voorliggende plan opnieuw onder overgangsrecht is gebracht.

Het betoog faalt.

Conclusie

12.     Het beroep is ongegrond.

13.     De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R. Uylenburg, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. J.M.L. Niederer, leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.      

w.g. Sparreboom

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2021

195-877.