Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:963

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-05-2021
Datum publicatie
05-05-2021
Zaaknummer
201908312/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 december 2018 heeft de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR). het verzoek van [appellant] om herziening van het besluit van 7 juli 2017, waarbij hem een Educatieve maatregel alcohol en verkeer is opgelegd, afgewezen. De Politie Eenheid Zeeland-West-Brabant heeft aan het CBR een mededeling gedaan als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Deze mededeling houdt in dat het vermoeden bestaat dat [appellant] niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel geschiktheid om een motorrijtuig van de categorieën AM, B en T te besturen. Dat zijn de categorieën waarvoor het rijbewijs van [appellant] is afgegeven. Aan deze mededeling ligt ten grondslag dat [appellant] volgens een op ambtseed en ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van 18 juni 2017 op diezelfde datum een voertuig zou hebben bestuurd terwijl hij teveel alcohol had gedronken. Hij moest meewerken aan een ademonderzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201908312/1/A2.

Datum uitspraak: 4 mei 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 24 september 2019 in zaak nr. 19/1556 in het geding tussen:

[appellant]

en

de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR).

Procesverloop

Bij besluit van 4 december 2018 heeft het CBR het verzoek van [appellant] om herziening van het besluit van 7 juli 2017, waarbij hem een Educatieve maatregel alcohol en verkeer (hierna: een EMA) is opgelegd, afgewezen.

Bij besluit van 14 maart 2019 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 september 2019 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het CBR heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 maart 2021, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. R.W. van Voorst Vader, advocaat te Terneuzen, en het CBR, vertegenwoordigd door mr. S.J.M. Ditvoorst-van der Ark, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       De Politie Eenheid Zeeland-West-Brabant heeft aan het CBR een mededeling gedaan als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de Wvw 1994). Deze mededeling houdt in dat het vermoeden bestaat dat [appellant] niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel geschiktheid om een motorrijtuig van de categorieën AM, B en T te besturen. Dat zijn de categorieën waarvoor het rijbewijs van [appellant] is afgegeven.

Aan deze mededeling ligt ten grondslag dat [appellant] volgens een op ambtseed en ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van 18 juni 2017 op diezelfde datum een voertuig zou hebben bestuurd terwijl hij teveel alcohol had gedronken. Hij moest meewerken aan een ademonderzoek. Daarbij werd bij [appellant] een alcoholgehalte van 730 µg/l geconstateerd. Daarom heeft het CBR bij besluit van 7 juli 2017 aan [appellant] een EMA opgelegd. Dit is een verplichte cursus over alcohol en verkeer, waarbij de cursist de risico’s van alcoholgebruik in het verkeer worden bijgebracht en hem wordt geleerd niet meer met alcohol op te gaan rijden. [appellant] heeft tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt. Dit betekent dat het besluit van 7 juli 2017 onherroepelijk is geworden. Omdat [appellant] de EMA niet volledig heeft gevolgd heeft het CBR zijn rijbewijs bij besluit van 12 juli 2018 ongeldig verklaard. Het CBR heeft de bezwaren van [appellant] daartegen bij besluit van 18 september 2018 ongegrond verklaard.

2.       Op 8 november 2018 heeft [appellant] het CBR verzocht om het besluit van 7 juli 2017 te herzien. In het kader van dit verzoek heeft [appellant] een aantekening mondeling vonnis van de politierechter van 22 juni 2018, een dagvaarding, een proces-verbaal van de eerste strafzitting van 27 oktober 2017, vijf processen-verbaal van verhoor en de vordering van de Officier van Justitie overgelegd. Uit de aantekening mondeling vonnis blijkt dat [appellant] in de strafzaak is vrijgesproken van rijden onder invloed op 18 juni 2017. Volgens [appellant] volgt uit de processen-verbaal van getuigenverhoor dat hij niet de bestuurder was en hebben deze getuigenverklaringen geleid tot de vrijspraak.

3.       Het CBR heeft het verzoek om herziening van [appellant] afgewezen, omdat de door hem overgelegde aantekening mondeling vonnis van de politierechter niet valt aan te merken als een relevant nieuw feit dat of veranderde omstandigheid die dient te leiden tot herziening van het besluit van 7 juli 2017. [appellant] is het hier niet mee eens.

Wettelijk kader

4.       Artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) luidt:

"1. Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.

2. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking."

Artikel 4:6, tweede lid, van de Awb kan overeenkomstig worden toegepast op een verzoek om terug te komen van een eerder besluit.

Aangevallen uitspraak

5.       De rechtbank heeft geoordeeld dat het CBR zich, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 3 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3203, terecht op het standpunt heeft gesteld dat de (ongemotiveerde) vrijspraak geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid is en niet dient te leiden tot herziening van het besluit van 7 juli 2017. Het CBR heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht gesteld dat volgens vaste rechtspraak van de Afdeling een vrijspraak op zichzelf geen nieuw feit of veranderde omstandigheid betreft en dat uit de ongemotiveerde "aantekening mondeling vonnis" van de politierechter van 22 juni 2018 niet blijkt waarom [appellant] is vrijgesproken. De rechtbank heeft verder overwogen dat [appellant] zijn stelling dat hij het voertuig op 18 juni 2017 niet heeft bestuurd al naar voren had kunnen en moeten brengen in een procedure tegen het besluit van 7 juli 2017 tot het opleggen van de EMA. Aangezien het CBR zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, kan dat de afwijzing van het verzoek om terug te komen van het besluit van 7 juli 2017 in beginsel dragen. Nu [appellant] niets heeft aangevoerd omtrent de evidente onredelijkheid ziet de rechtbank alleen al daarom geen aanleiding voor het oordeel dat, ondanks het ontbreken van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, het besluit op het verzoek om terug te komen van het besluit van 7 juli 2017 evident onredelijk is.

Hoger beroep en beoordeling daarvan

6.       [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte volstond met zich te verenigen met het standpunt van het CBR dat de (ongemotiveerde) vrijspraak geen nieuw gebleken feit of omstandigheid is. Uit de overgelegde stukken van de strafprocedure blijkt op voldoende overtuigende wijze dat [appellant] in werkelijkheid niet onder invloed van alcohol heeft gereden, althans dat dit niet bewezen kon worden en hij juist om die reden werd vrijgesproken. Daarmee is de grondslag aan het besluit van 7 juli 2017 komen te ontvallen. De rechtbank had deze stukken niet buiten de beoordeling mogen laten maar (vol) moeten meewegen. De redenering van het CBR en de rechtbank volgende, zou alleen een door de rechtbank (uitdrukkelijk) gemotiveerde vrijspraak tot herziening kunnen leiden. Die redenering is volgens [appellant] onjuist. Andere gegevens waarmee aannemelijk wordt waarom de vrijspraak gegeven is, dienen mee te worden gewogen. In dit geval hebben getuigen bij de rechter-commissaris in de strafzaak verklaringen afgelegd. Die verklaringen bestonden nog niet ten tijde van de besluitvorming door het CBR.

De rechtbank heeft volgens [appellant] verder ten onrechte overwogen dat niets werd aangevoerd omtrent de evidente onredelijkheid van het besluit van 14 maart 2019. Uit alle stukken in bezwaar en beroep blijkt dat er redenen zijn om aan te nemen dat het besluit om herziening te weigeren evident onredelijk is. In het geval dat de gegeven vrijspraak op zichzelf niet zou moeten worden aangemerkt als een nieuw feit in het kader van de herziening, zijn de vrijspraak en het feit dat ook het openbaar ministerie zich daarbij heeft neergelegd door geen hoger beroep in te stellen, volgens [appellant] toch reden voor een uitdrukkelijke nadere afweging. Het gaat erom of er in dit specifieke geval, waarbij niet is komen vast te staan dat de verkeersveiligheid daadwerkelijk in gevaar werd gebracht en de persoonlijke belangen van hem en zijn gezin bij het kunnen vinden van werk zwaar wegen, toch omstandigheden zijn die nopen tot de uitkomst dat handhaving van het besluit waarvan herziening gevraagd werd evident onredelijk is, aldus [appellant].

6.1.    Als het bestuursorgaan toepassing geeft aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, dan toetst de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden en eventueel door het bestuursorgaan gevoerd beleid, of het bestuursorgaan zich terecht, en zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn.

Als de bestuursrechter tot het oordeel komt dat het bestuursorgaan zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, dan kan dat afwijzing van het verzoek om terug te komen van een besluit in beginsel dragen. De bestuursrechter kan aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd evenwel tot het oordeel komen dat het besluit op het verzoek om terug te komen van een besluit evident onredelijk is (zie de uitspraak van de Afdeling van 23 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3131, waarnaar de rechtbank ook heeft verwezen).

In dit geval heeft het CBR toepassing gegeven aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb.

6.2.    Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van 16 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BY8566) mag een bestuursorgaan, in dit geval het CBR, in beginsel uitgaan van de juistheid van een op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal. Dat geldt evenzeer voor de rechter, tenzij tegenbewijs noopt tot afwijking van dit uitgangspunt. Indien uit een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal een vermoeden van ongeschiktheid tot het besturen van een motorrijtuig als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wvw 1994 kan worden afgeleid, vormt dit voldoende grondslag om een bestuursrechtelijke maatregel op te leggen. Zo’n maatregel is erop gericht de verkeersveiligheid te waarborgen en staat los van een eventuele strafrechtelijke procedure. Vrijspraak door de politierechter van het ten laste gelegde laat dat gegronde vermoeden in beginsel onverlet. Dat kan anders zijn indien het strafrechtelijke vonnis de inhoud van het proces-verbaal dat ten grondslag is gelegd aan de oplegging van de EMA weerlegt of anderszins een ander licht werpt op de feiten of omstandigheden waarop ook de bestuursrechtelijke maatregel is gebaseerd. Zie de uitspraak van de Afdeling van 3 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3203.

6.3.    Aangezien het in dit geval gaat om een aantekening mondeling vonnis van de politierechter en daaruit niet blijkt waarom [appellant] van het hem ten laste gelegde is vrijgesproken noch dat de inhoud van het proces-verbaal van 18 juni 2017 onjuist is, heeft de rechtbank reeds daarom terecht geoordeeld dat de ongemotiveerde vrijspraak van de politierechter op zichzelf geen nieuw gebleken feit is dat dient te leiden tot herziening van het besluit van 7 juli 2017. [appellant] heeft geen proces-verbaal van de zitting van de politierechter van 22 juni 2018 overgelegd waaruit zou kunnen worden afgeleid waarom hij van het hem ten laste gelegde is vrijgesproken. Uit het door [appellant] wel overgelegde proces-verbaal van de eerste strafzitting van 27 oktober 2017 volgt alleen dat de politierechter aanleiding zag om vijf getuigen te laten horen. [appellant] heeft op de zitting van de Afdeling benadrukt dat hij niet zozeer de - uit de aantekening mondeling vonnis blijkende - vrijspraak als zodanig ziet als nieuw feit, als wel de overgelegde processen-verbaal van verhoor van getuigen. Er zijn vijf getuigen verhoord over de gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden op 18 juni 2017, toen [appellant] en vier anderen in zijn auto van een parkeerterrein wilden wegrijden nadat zij naar een feest waren geweest. Vier van de getuigen waren inzittenden en de vijfde was een medewerker van de organisatie van het feest. Volgens [appellant] doen de verklaringen van de getuigen, en met name die van de verhoorde neutrale getuige, afbreuk aan de verklaring van de BOA waarop het proces-verbaal van de politie van 18 juni 2017 is gebaseerd. Naar het oordeel van de Afdeling kan uit de getuigenverklaringen, in onderlinge samenhang bezien, echter niet worden afgeleid dat [appellant] de auto helemaal niet heeft bestuurd. Daaruit blijkt juist dat [appellant] op de bestuurdersstoel heeft gezeten en dat hij daarop zat ten tijde van de aanhouding. Deze getuigenverklaringen kunnen daarom niet afdoen aan de inhoud van het proces-verbaal van 18 juni 2017 en daarmee het eerdere besluit van het CBR van 7 juli 2017. De getuigenverklaringen zijn geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden die het CBR aanleiding hadden moeten geven tot heroverweging van het besluit van 7 juli 2017, dat los staat van de strafrechtelijke procedure en waarbij met het oog op de verkeersveiligheid een bestuursrechtelijke maatregel (een EMA) is opgelegd.

6.4.    Aangezien het CBR zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, kan dat de afwijzing van het verzoek om terug te komen van het besluit van 7 juli 2017 in beginsel dragen. Zoals vermeld onder 6.1 kan de bestuursrechter aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd evenwel tot het oordeel komen dat het besluit op het verzoek om terug te komen van een besluit evident onredelijk is. De door [appellant] overgelegde getuigenverklaringen zijn niet eensluidend en daaruit kan niet worden afgeleid dat [appellant] de auto niet heeft bestuurd. De Afdeling ziet daarom, en met inachtneming van hetgeen [appellant] overigens heeft aangevoerd, geen aanleiding voor dat oordeel.

Conclusie

7.       Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8.       Het CBR hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.     

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2021

18-949.