Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:961

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-05-2021
Datum publicatie
05-05-2021
Zaaknummer
202003991/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2020:5116, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 maart 2019 heeft de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen het verzoek om herziening van het in bezwaar gehandhaafde besluit van 12 september 2018, waarbij [appellant] is verplicht mee te werken aan een onderzoek naar zijn alcoholgebruik, afgewezen. Bij besluit van 12 september 2018 heeft het CBR [appellant] verplicht mee te werken aan een onderzoek naar zijn alcoholgebruik. Daaraan heeft het CBR een op ambtseed en ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van de Politie Eenheid Rotterdam van 1 juli 2018 ten grondslag gelegd. Daaruit blijkt dat [appellant] op die datum als bestuurder van een auto is aangehouden voor het rijden onder invloed van alcohol. [appellant] heeft daartegen bezwaar gemaakt. Dat bezwaar heeft het CBR bij besluit van 27 november 2018 niet-ontvankelijk verklaard, omdat het buiten de bezwaartermijn was ingediend en [appellant] niet had gereageerd op het verzoek van het CBR om aan te geven wat de reden daarvoor was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202003991/1/A2.

Datum uitspraak: 4 mei 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 juni 2020 in zaak nr. 19/2108 in het geding tussen:

[appellant]

en

de algemeen directeur (lees: de directie) van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR).

Procesverloop

Bij besluit van 18 maart 2019 heeft het CBR het verzoek om herziening van het in bezwaar gehandhaafde besluit van 12 september 2018, waarbij [appellant] is verplicht mee te werken aan een onderzoek naar zijn alcoholgebruik, afgewezen.

Bij besluit van 7 mei 2019 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 juni 2020 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het CBR heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 februari 2021, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. S. Benali, advocaat te Rotterdam, en het CBR, vertegenwoordigd door drs. M.M. van Dongen, zijn verschenen. [appellant] en Benali hebben via een videoverbinding aan de zitting deelgenomen.

Overwegingen

Inleiding

1.       Bij besluit van 12 september 2018 heeft het CBR [appellant] verplicht mee te werken aan een onderzoek naar zijn alcoholgebruik. Daaraan heeft het CBR een op ambtseed en ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van de Politie Eenheid Rotterdam van 1 juli 2018 ten grondslag gelegd. Daaruit blijkt dat [appellant] op die datum als bestuurder van een auto is aangehouden voor het rijden onder invloed van alcohol.

1.1.    [appellant] heeft daartegen bezwaar gemaakt. Dat bezwaar heeft het CBR bij besluit van 27 november 2018 niet-ontvankelijk verklaard, omdat het buiten de bezwaartermijn was ingediend en [appellant] niet had gereageerd op het verzoek van het CBR om aan te geven wat de reden daarvoor was.

1.2.    Op 26 februari 2019 heeft [appellant] verzocht om herziening van het besluit van 12 september 2018. Hij stelt dat niet hij, maar een ander de bestuurder van de auto was. Hij heeft een aantekening mondeling vonnis van de politierechter van 29 januari 2019 overgelegd, waaruit blijkt dat hij in de strafzaak is vrijgesproken van het rijden onder invloed.

1.3.    Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 18 maart 2019 heeft het CBR het verzoek van [appellant] afgewezen. Het CBR heeft daaraan ten grondslag gelegd dat [appellant] in een tijdig bezwaar tegen het besluit van 12 september 2018 had moeten aanvoeren dat hij op 1 juli 2018 niet de bestuurder van de auto is geweest. Daarnaast heeft het CBR gewezen op de eigen beoordelingsbevoegdheid, die verschilt van het strafrecht waarin sprake is van andere beoordelingskaders en bewijsregels. Bovendien blijkt volgens het CBR uit de uitspraak van de politierechter niet wat de grondslag voor de strafrechtelijke vrijspraak is. Daarom is de vrijspraak geen nieuw gebleken feit dat moet leiden tot herziening van het besluit van 12 september 2018.

1.4.    Hierna heeft [appellant] in beroep processen-verbaal van de zittingen bij de politierechter op 23 oktober 2018 en 29 januari 2019 overgelegd. Volgens de politierechter was sprake van twijfel of [appellant] de bestuurder was. Daarom heeft de politierechter in zijn voordeel geoordeeld en hem vrijgesproken. Volgens het CBR blijkt uit dat oordeel niet dat de bestuurder een bepaalde andere persoon is geweest.

1.5.    De rechtbank is het CBR gevolgd in het standpunt dat er geen nieuw gebleken feit is dat moet leiden tot herziening van het besluit van 12 september 2018. Evenmin heeft de rechtbank grond gezien voor het oordeel dat het besluit van het CBR om niet terug te komen op het besluit van 12 september 2018 evident onredelijk is.

Wettelijk kader

2.       Artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) luidt:

"1.  Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.

2. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking."

Artikel 4:6, tweede lid, van de Awb kan overeenkomstig worden toegepast op een verzoek om terug te komen van een eerder besluit.

Hoger beroep en beoordeling ervan

3.       [appellant] voert aan dat hij zich niet kan vinden in de overwegingen van de rechtbank. Hij stelt zich op het standpunt dat er wel degelijk nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn die tot heroverweging nopen. Hij voert hiertoe aan dat de strafrechter heeft vastgesteld dat het proces-verbaal van de politie dat ten grondslag is gelegd aan het besluit van 12 september 2018 gebrekkig is geweest. De rechter heeft volgens [appellant] vastgesteld dat op basis van dat proces-verbaal niet kan worden vastgesteld dat hij de bestuurder was. Dit zijn feiten en omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen en die niet voor dat besluit of in de eerdere procedure konden worden aangevoerd. Daarom is er geen sprake van het heropenen van het debat. Verder heeft [appellant] verwezen naar het politiedossier. De bestuurder heeft geen identiteitsbewijs getoond. De politie heeft er ook niet naar gevraagd, maar heeft het register van de RDW geraadpleegd en gezocht op het kenteken. De politie heeft toen de foto van [appellant] uit dat register vergeleken met de bestuurder en ging er ten onrechte vanuit dat [appellant] de bestuurder was. De bestuurder heeft ook meerdere papieren getekend. Zijn handtekeningen komen echter niet overeen met die van [appellant]. Op verzoek van de politierechter heeft de politie ook nog een aanvullend proces-verbaal opgemaakt, maar daaruit is geen verduidelijking gebleken. De politie heeft volgens [appellant] niet voldoende gedaan om vast te stellen of hij daadwerkelijk de bestuurder was. Hij kan geen uitgewerkt vonnis overleggen, omdat dat er niet is. Uit de processen-verbaal van de zittingen bij de politierechter en het feit dat hij daarna is vrijgesproken blijkt volgens hem dat het proces-verbaal van de politie zodanig gebrekkig was dat het CBR het besluit van 12 september 2018 hierop niet had mogen baseren. Op de zitting heeft [appellant] toegelicht dat de bestuurder geen vreemde is geweest, maar iemand uit zijn eigen kring aan wie hij zijn auto had uitgeleend. Hij heeft aan iedereen aan wie hij zijn auto in die periode heeft uitgeleend gevraagd wie de bestuurder was, maar daar heeft niemand op gereageerd.

3.1.    Als het bestuursorgaan toepassing geeft aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, dan toetst de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden en eventueel door het bestuursorgaan gevoerd beleid, of het bestuursorgaan zich terecht, en zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn.

Als de bestuursrechter tot het oordeel komt dat het bestuursorgaan zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, dan kan dat de afwijzing van het verzoek om terug te komen van een besluit in beginsel dragen. De bestuursrechter kan aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd evenwel tot het oordeel komen dat het besluit op het verzoek om terug te komen van een besluit evident onredelijk is (zie de uitspraak van de Afdeling van 23 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3131).

In dit geval heeft het CBR toepassing gegeven aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb.

3.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 16 januari 2013, (ECLI:NL:RVS:2013:BY8566) en waarnaar de rechtbank terecht heeft verwezen, mag een bestuursorgaan, in dit geval het CBR, in beginsel uitgaan van de juistheid van een op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal. Dat geldt evenzeer voor de rechter, tenzij tegenbewijs noopt tot afwijking van dit uitgangspunt. Indien uit een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal een vermoeden van ongeschiktheid tot het besturen van een motorrijtuig als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 kan worden afgeleid, vormt dit voldoende grondslag om een bestuursrechtelijke maatregel op te leggen. Zo’n maatregel is erop gericht de verkeersveiligheid te waarborgen en staat los van een eventuele strafrechtelijke procedure. Vrijspraak door de politierechter van het ten laste gelegde laat dat gegronde vermoeden in beginsel onverlet. Dat kan anders zijn indien het strafrechtelijke vonnis de inhoud van de processen-verbaal die ten grondslag zijn gelegd aan de oplegging van het onderzoek naar de rijgeschiktheid onderuit haalt of anderszins een ander licht werpt op de feiten of omstandigheden waarop ook de bestuursrechtelijke maatregel is gebaseerd. Zie de uitspraak van de Afdeling van 3 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3203, waarnaar de rechtbank ook heeft verwezen.

3.3.    [appellant] heeft in de bezwaarprocedure tegen het besluit van 12 september 2018 aangevoerd dat hij niet de bestuurder was en verzocht om de strafrechtelijke procedure af te wachten. Het CBR heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat dit bezwaar niet tijdig was ingediend, zodat het besluit van 12 september 2018 onherroepelijk is geworden. Het CBR heeft zich ook terecht op het standpunt gesteld dat de door [appellant] overgelegde aantekening mondeling vonnis van de politierechter van 29 januari 2019 niet is gemotiveerd. Er blijkt niet uit dat de strafrechter van oordeel was dat [appellant] niet de bestuurder was. [appellant] heeft echter in beroep ook processen-verbaal van de zittingen op 23 oktober 2018 en 29 januari 2019 bij de politierechter overgelegd. Daaruit blijkt dat de politierechter nader onderzoek heeft laten doen naar de manier waarop de identiteit van de bestuurder is vastgesteld. Vervolgens heeft hij geoordeeld dat gelet op de omstandigheden sprake is van twijfel of [appellant] de bestuurder was en dat de politierechter in zijn voordeel zal oordelen en hem daarom zal vrijspreken. Weliswaar heeft het CBR terecht aangevoerd dat de politierechter niet heeft vastgesteld dat het proces-verbaal van de politie van 1 juli 2018 gebrekkig is, maar uit de processen-verbaal van de zittingen kan wel worden afgeleid dat de politierechter op basis van het proces-verbaal en het aanvullend proces-verbaal van de politie van 26 januari 2019 en gelet op wat [appellant] heeft verklaard op de zittingen, niet kan vaststellen dat hij de bestuurder is geweest.

3.4.    De Afdeling is van oordeel dat [appellant] door in beroep de processen-verbaal van de zittingen bij de politierechter over te leggen, aanvullend bewijs heeft geleverd van zijn stelling dat hij niet de bestuurder is geweest. Daarmee is sprake van nieuwe feiten en omstandigheden die aanleiding moeten geven tot heroverweging van het besluit van 12 september 2018. Vaste rechtspraak is dat de bestuursrechter in de regel niet is gebonden aan het oordeel van de strafrechter. Hier is echter niet alleen een aantekening mondeling vonnis overgelegd, maar ook aanvullend bewijs waarop de strafrechter zijn vrijspraak heeft gebaseerd. Er is verder sprake van een nauw verband tussen de feiten die in de strafprocedure zijn beoordeeld en die in deze bestuursrechtelijke procedure moeten worden beoordeeld. De vrijspraak gaat immers over dezelfde rechtsvraag, namelijk of [appellant] de bestuurder was, en het standpunt van het CBR steunt op dezelfde bewijsmiddelen als waarover de politierechter beschikte. De Afdeling ziet daarom geen ruimte voor het CBR om zonder een nadere motivering af te wijken van het oordeel van de politierechter.

3.5.    Gelet op het voorgaande heeft [appellant], anders dan de rechtbank heeft overwogen, nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden naar voren gebracht. Het CBR moet beoordelen of die moeten leiden tot een herziening van het besluit van 12 september 2018.

Het betoog slaagt.

Conclusie

4.       Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 7 mei 2019 van het CBR alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt voor vernietiging in aanmerking.

4.1.    Het CBR moet in een nieuw besluit op bezwaar beoordelen of de door [appellant] aangevoerde nieuwe feiten en veranderde omstandigheden moeten leiden tot een herziening van het besluit van 12 september 2018. Daarbij moet het CBR dat wat in overweging 3.3-3.4 is overwogen, in acht nemen. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen door het CBR te nemen nieuwe besluit op bezwaar alleen bij haar beroep kan worden ingesteld.

4.2.    Het CBR moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 juni 2020 in zaak nr. 19/2108;

III.      verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.     vernietigt het besluit van de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen van 7 mei 2019, kenmerk 2018015678/JK;

V.      bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit alleen bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

VI.     veroordeelt de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.602,00 (zegge: zestienhonderdtwee euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII.     gelast dat de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 439,00 (zegge: vierhonderdnegenendertig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.S. Sanchit-Premchand, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.     

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2021

691.