Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:958

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-05-2021
Datum publicatie
05-05-2021
Zaaknummer
202004223/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 februari 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad de aanvraag van [appellante] om een verklaring voor woningurgentie afgewezen. Op 27 december 2018 heeft [appellante] een aanvraag gedaan om een verklaring voor woningurgentie. Bij de aanvraag heeft [appellante] vermeld dat zij in de provincie Groningen woont en haar zoon beschermd woont in Wormerveer, gemeente Zaanstad, en zij met de urgentieaanvraag dichter bij haar zoon wil wonen omdat hij haar zorg niet kan missen. Bij het besluit van 19 februari 2019 heeft het college zich op het standpunt gesteld dat een van de algemene weigeringsgronden voor het verkrijgen van een woningurgentie, te weten artikel 2.5.5, eerste lid, onder i, van de Huisvestingsverordening Zaanstad 2018, van toepassing is. [appellante] heeft in de periode direct voorafgaand aan het indienen van de aanvraag niet tenminste twee jaar onafgebroken gewoond in de gemeente waar de urgentieverklaring is aangevraagd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202004223/1/A3.

Datum uitspraak: 4 mei 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 25 juni 2020 in zaak nr. 19/5589 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad.

Procesverloop

Bij besluit van 19 februari 2019 heeft het college de aanvraag van [appellante] om een verklaring voor woningurgentie afgewezen.

Bij besluit van 5 november 2019 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 juni 2020 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb heeft gesloten.

Overwegingen

Inleiding

1.       Op 27 december 2018 heeft [appellante] een aanvraag gedaan om een verklaring voor woningurgentie. Bij de aanvraag heeft [appellante] vermeld dat zij in de provincie Groningen woont en haar zoon beschermd woont in Wormerveer, gemeente Zaanstad, en zij met de urgentieaanvraag dichter bij haar zoon wil wonen omdat hij haar zorg niet kan missen.                   

Bij het besluit van 19 februari 2019 heeft het college zich op het standpunt gesteld dat een van de algemene weigeringsgronden voor het verkrijgen van een woningurgentie, te weten artikel 2.5.5, eerste lid, onder i, van de Huisvestingsverordening Zaanstad 2018, van toepassing is. [appellante] heeft in de periode direct voorafgaand aan het indienen van de aanvraag niet tenminste twee jaar onafgebroken gewoond in de gemeente waar de urgentieverklaring is aangevraagd. Daarnaast heeft het college zich onder overneming van een advies van een arts van Argonaut van 18 februari 2019 op het standpunt gesteld dat er geen levensontwrichtende of levensbedreigende problemen zijn, die uitsluitend door huisvesting in Zaanstad kunnen worden opgelost. In het advies staat dat [appellante] voor haar zoon een beschermde woonplek bij Stichting Forniamo in Wormerveer heeft kunnen regelen en dat het Sociaal wijkteam van de gemeente Groningen hiermee akkoord is gegaan en voor deze woonplek heeft betaald. Verder is vermeld dat de zoon van [appellante] sinds 2018 bij Forniamo woont en dus een adequate woonruimte heeft via beschermd wonen. Hier krijgt de zoon van [appellante] alle noodzakelijke zorg en ondersteuning die hij nodig heeft. Voor de gebruikelijke bezoekregeling tussen [appellante] en haar zoon kan worden gereisd naar elke normaal bereikbare woonplaats in Nederland. Er is daarom geen medische noodzaak dat [appellante] dicht bij haar zoon moet wonen, aldus het college. Voor verlening van woningurgentie op basis van de hardheidsclausule heeft het college evenmin aanleiding gezien.            

Hoger beroep

2.       [appellante] heeft de gronden in bezwaar en in beroep als herhaald ingelast. Zij betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er geen reden is om over te gaan tot toepassing van de hardheidsclausule. Zij voert verder aan dat haar zoon inmiddels, omdat zijn verblijf bij Forniamo ten einde kwam, dakloos is.

Wettelijk kader

3.       Artikel 2.5.11 van de Huisvestingsverordening Zaanstad 2018 luidt:

" Hardheidsclausule

1. Burgemeester en wethouders zijn, indien toepassing van deze verordening zou leiden tot weigering van een urgentieverklaring, bevoegd om toch een urgentieverklaring toe te kennen indien:

a. weigering van een urgentieverklaring leidt tot een schrijnende situatie; en,

b. sprake is van bijzondere, bij het vaststellen van de verordening onvoorziene, omstandigheden die gelet op het doel van de verordening redelijkerwijs toch een grond voor de verlening van een urgentieverklaring zouden kunnen zijn.

[…]"

Beoordeling

4.       De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er geen reden is om over te gaan tot toepassing van de hardheidsclausule van artikel 2.5.11 van de Huisvestingsverordening. Niet is gebleken van een situatie als bedoeld in dat artikel. Ingevolge die bepaling kan het college een urgentieverklaring toekennen indien de weigering leidt tot een schrijnende situatie en sprake is van bijzondere, bij het vaststellen van de verordening onvoorziene, omstandigheden die gelet op het doel van de verordening redelijkerwijs toch een grond voor de verlening van een urgentieverklaring zouden kunnen zijn.     

         Zoals de rechtbank heeft overwogen is de door [appellante] geschetste situatie lastig en stress-veroorzakend voor haar en haar zoon, maar hoefde het college niet te concluderen dat het niet verlenen van een urgentieverklaring tot een schrijnende situatie leidt en dat sprake is van bijzondere omstandigheden als hiervoor bedoeld. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat, volgens het aanvullend medische advies van 30 oktober 2019 dat als basis heeft gediend voor het besluit van 5 november 2019, bij [appellante] geen ernstige medische of psychiatrische stoornissen zijn geconstateerd, die uitsluitend door huisvestiging in Zaanstad kunnen worden opgelost. Hetgeen [appellante] aanvoert biedt geen grond voor het oordeel dat het college zich niet op dit advies mocht baseren.                         

Het betoog faalt.

4.1.    Voor zover [appellante] in hoger beroep haar in bezwaar en in beroep aangevoerde gronden heeft herhaald en ingelast, overweegt de Afdeling dat het hoger beroep in zoverre een niet nader gemotiveerde herhaling betreft. De rechtbank is op die gronden ingegaan. [appellante] heeft in hoger beroep geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist, dan wel onvolledig zou zijn. Gelet hierop kan het aldus aangevoerde niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

Slotsom

5.       Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, griffier.

w.g. Bijloos

lid van de enkelvoudige kamer     

w.g. Sparreboom

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2021

195-836.