Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:955

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-05-2021
Datum publicatie
05-05-2021
Zaaknummer
201806052/3/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij tussenuitspraak van 4 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3025, heeft de Afdeling de raad van de gemeente Roerdalen opgedragen om binnen 26 weken na de verzending daarvan het gebrek in het besluit van 7 juni 2018 tot vaststelling van het bestemmingsplan "De Donck Posterholt" te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht. De tussenuitspraak is gedaan naar aanleiding van het beroep van GRS. De Afdeling heeft daarin overwogen dat de raad niet toereikend heeft gemotiveerd dat de aan de percelen van GRS toegekende agrarische bestemming ruimtelijk aanvaardbaar is. De gronden zijn in een ver verleden weliswaar gebruikt voor agrarische doeleinden, maar van een agrarisch gebruik is al zeer geruime tijd geen sprake meer, de gronden zijn gedurende lange tijd bebouwd geweest met bedrijfsgebouwen, zijn verhard en voor niet-agrarische bedrijfsdoeleinden aangewend, terwijl ze thans braak liggen. Uit de besluitvorming van de raad blijkt niet dat deze omstandigheden daarin zijn betrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201806052/3/R1.

Datum uitspraak: 4 mei 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

GRS Invest B.V., gevestigd te Heel, gemeente Maasgouw,

appellante,

en

de raad van de gemeente Roerdalen,

verweerder.

Procesverloop

Bij tussenuitspraak van 4 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3025, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 26 weken na de verzending daarvan het gebrek in het besluit van 7 juni 2018 tot vaststelling van het bestemmingsplan "De Donck Posterholt" te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij beschikkingen van 7 februari 2020 en 23 maart 2020 heeft de Afdeling op verzoek van de raad de bij de tussenuitspraak bepaalde termijn verlengd tot en met 24 maart 2020 respectievelijk 28 april 2020.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de raad het plan "De Donck Posterholt" bij besluit van 28 april 2020 gewijzigd vastgesteld (hierna: het herstelbesluit).

GRS heeft een zienswijze naar voren gebracht.

De raad heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, gereageerd op de zienswijze van GRS.

GRS heeft, daarbij bij brief van 1 februari 2021 in de gelegenheid gesteld, gereageerd op de reactie van de raad.

De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Tussenuitspraak

1.       De tussenuitspraak is gedaan naar aanleiding van het beroep van GRS. De Afdeling heeft daarin overwogen dat de raad niet toereikend heeft gemotiveerd dat de aan de percelen van GRS toegekende agrarische bestemming ruimtelijk aanvaardbaar is. De gronden zijn in een ver verleden weliswaar gebruikt voor agrarische doeleinden, maar van een agrarisch gebruik is al zeer geruime tijd geen sprake meer, de gronden zijn gedurende lange tijd bebouwd geweest met bedrijfsgebouwen, zijn verhard en voor niet-agrarische bedrijfsdoeleinden aangewend, terwijl ze thans braak liggen. Uit de besluitvorming van de raad blijkt niet dat deze omstandigheden daarin zijn betrokken. Daarom is overwogen dat het besluit in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

2.       Gelet op wat in de tussenuitspraak is overwogen, is het beroep van GRS tegen het besluit van 7 juni 2018 gegrond. Dit besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

Herstelbesluit

3.       In de tussenuitspraak heeft de Afdeling de raad opgedragen het gebrek in het besluit van 7 juni 2018 te herstellen. De raad diende hiertoe, met inachtneming van overweging 5.3 van de tussenuitspraak, toereikend te motiveren waarom hij de bestemming "Agrarisch" ter plaatse van de percelen van GRS passend acht, dan wel diende de raad het besluit te wijzigen door vaststelling van een andere planregeling.

4.       Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de raad het herstelbesluit genomen en het plan gewijzigd vastgesteld. Aan de percelen van GRS is opnieuw de bestemming "Agrarisch" toegekend. De raad heeft een nadere motivering gegeven waarom hij deze bestemming, ondanks de in de tussenuitspraak opgesomde omstandigheden, passend acht. Daarnaast is aan deze percelen de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - hobbymatig gebruik" toegekend.

5.       Gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb is het herstelbesluit onderdeel van dit geding. Het beroep van GRS wordt geacht mede te zijn gericht tegen dit besluit. Hierna zal de Afdeling aan de hand van de naar voren gebrachte zienswijze beoordelen of de raad met het gewijzigd vaststellen van het plan heeft voldaan aan de opdracht in de tussenuitspraak.

Behoefte woningbouw

6.       GRS betwist het nut en de noodzaak van het plan, omdat behoefte bestaat aan woningen in de gemeente Roerdalen. Zij voert aan dat op basis van de regionale Structuurvisie Wonen, Zorg en Woonomgeving Midden-Limburg, vastgesteld door de raad bij besluit van 17 december 2014, (hierna: de regionale Structuurvisie) geen verplichting bestaat tot het laten vervallen van de bouwmogelijkheden. In dat verband voert GRS aan dat de raad niet heeft aangetoond dat met andere gemeenten afspraken zijn gemaakt over het terugbrengen van de woningbouwcapaciteit voor de periode 2018-2023.

Verder betoogt GRS dat bij het nemen van het herstelbesluit ten onrechte niet opnieuw is beoordeeld of het laten vervallen van de bouwmogelijkheden van 19 woningen ruimtelijk aanvaardbaar is. In dat verband heeft GRS een haalbaarheidsstudie uit juni 2020 overgelegd waaruit volgt dat ruimte is voor een nieuwbouwproject in Posterholt en dat het plangebied voldoet aan de daartoe gestelde voorwaarden. Dat behoefte bestaat aan woningbouw volgt volgens haar tevens uit de omstandigheden dat de gemeente in overleg is met een wooncorporatie over de bouw van huurwoningen en de gemeente budget heeft vrijgemaakt om de capaciteit voor woningbouw- en ruimtelijke projecten te vergroten.

Daarnaast betoogt GRS dat het woningbouwproject past binnen de regionale Structuurvisie, omdat ter plaatse van het plangebied sprake is van een zogenoemde inbreidingslocatie en uit het beleid volgt dat herstructurerings- en inbreidingslocaties binnen bestaand stedelijk gebied de voorkeur hebben boven uitbreidingsgebieden. Daartoe voert zij aan dat ter plaatse een fabriek en een supermarkt waren gevestigd, dat de locatie tot de stedelijke contour behoort en in de structuurvisie Roerdalen 2030 van 20 december 2012, is aangewezen als "bestaand bedrijfsterrein/herstructurering".

Volgens GRS stelt de raad enerzijds dat vrijkomende contingenten zullen worden gebruikt om de planvoorraad af te bouwen, terwijl anderzijds wel medewerking wordt verleend aan andere woningbouwprojecten. Zij wijst op een schoollocatie waar 14 woningen worden gerealiseerd, een cafélocatie waar 12 appartementen komen en een locatie waar in plaats van een zorgtehuis reguliere woningen worden gerealiseerd.

6.1.    Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar tussenuitspraak, heeft de raad zich onder verwijzing naar de regionale Structuurvisie in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er sprake is van een gewijzigd planologisch inzicht. Daarin is vermeld dat in verschillende gemeenten in de regio Midden-Limburg, waaronder Roerdalen, sprake is van een overcapaciteit van woningen op de woningmarkt, dat die overcapaciteit in de periode van 2014-2017 met 40% is gereduceerd en dat een reductie van de overcapaciteit ook voor de periode 2018-2023 nodig blijft. Verder staat in de tussenuitspraak dat de regionale Structuurvisie weliswaar geen lijst met te schrappen woningbouwtitels bevat, maar dat het beleid erop is gericht om de planvoorraad voor woningen af te bouwen en dat elke gemeente zelf bepaalt welke bouwplannen geschrapt zullen worden. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad, buiten de opdracht van de Afdeling, had moeten concluderen dat het laten vervallen van de bouwmogelijkheden niet langer ruimtelijk aanvaardbaar is. Met de haalbaarheidsstudie heeft GRS niet aannemelijk gemaakt dat het door de raad gehanteerde onderzoek zodanig is verouderd, dan wel dat er na de totstandkoming daarvan zodanige ontwikkelingen hebben plaatsgevonden dat de raad dit niet langer aan het besluit tot vaststelling van het plan ten grondslag heeft mogen leggen. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat in de haalbaarheidsstudie de behoefte aan woningbouw binnen geheel Posterholt is onderzocht en de raad reeds eerder heeft toegelicht dat binnen de kern van Posterholt betere locaties beschikbaar zijn voor woningbouw. De overige omstandigheden leiden evenmin tot het oordeel dat getwijfeld moet worden aan de representativiteit van de gehanteerde onderzoeksgegevens.

Het betoog faalt in zoverre.

6.2.    Verder ziet de Afdeling in het betoog dat woningbouw in het plangebied past binnen de regionale Structuurvisie evenmin aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen. De regionale Structuurvisie geeft een afwegingskader voor het invullen van de resterende opgave met nieuwbouw en gaat uit van verschillende typen woonzones. De kern Posterholt, waaronder de planlocatie valt, behoort tot de woonzone "Platteland Oost". Binnen deze woonzone gelden onder meer de uitgangspunten dat bij het bouwen herstructurerings- en inbreidingslocaties binnen bestaand stedelijk gebied de voorkeur hebben boven uitbreidingsgebieden en dat gebouwd wordt binnen de in de regionale Structuurvisie vermelde contouren. Ook in de structuurvisie Roerdalen 2030 gaat de voorkeur uit naar inbreidingslocaties. De raad heeft toegelicht dat, hoewel het plangebied binnen de zogenoemde rode contour ligt, het bouwplan niet past binnen de uitgangspunten, zoals neergelegd in de regionale Structuurvisie, omdat de realisatie van het bouwplan betekent dat sprake zal zijn van uitbreiding van de kern Posterholt. Daartoe heeft de raad toegelicht dat voor de begrippen inbreiding en uitbreiding wordt aangesloten bij de regionale Structuurvisie. In de regionale Structuurvisie wordt het begrip uitbreiding gedefinieerd als: "uitbreiding aan de randen van het bebouwd gebied (al dan niet buiten de rode contouren)", terwijl het begrip inbreiding wordt gedefinieerd als: "in het bestaand bebouwd gebied". Het plangebied betreft een uitbreidingslocatie, omdat die aan de rand van bebouwd gebied ligt - aan de zuidzijde van de kern van Posterholt, met een decentrale ligging ten opzichte van het centrum - en de realisatie van het bouwplan tot een uitbreiding van de kern Posterholt leidt, aldus de raad. Volgens de raad zijn er binnen de kern Posterholt betere locaties beschikbaar voor woningbouw, zoals de locatie bij de markt. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich, gelet op de regionale Structuurvisie en de ligging van het plangebied ten opzichte van het centrum, terecht op het standpunt kunnen stellen dat de voorliggende locatie geen inbreidingslocatie betreft en daarom niet past binnen de uitgangspunten, zoals neergelegd in de regionale structuurvisie. Het betoog van GRS met betrekking tot de structuurvisie Roerdalen 2030 doet hier niet aan af, alleen al omdat de door GRS genoemde fabriek en supermarkt al geruime tijd geleden zijn gesloopt.

Het betoog faalt.

6.3.    Ook bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld. Ten aanzien van de genoemde woningbouwprojecten heeft de raad toegelicht dat daarvoor contingenten noodzakelijk zijn en dat die in overeenstemming moeten zijn met de regionale Structuurvisie. Over het bouwplan "t Sittert" heeft de raad toegelicht dat ter plaatse weliswaar geen contingenten noodzakelijk zijn, maar dat sprake was van bestaande bouwmogelijkheden, waarbij het aantal te realiseren woningen ongewijzigd is gebleven. De Afdeling acht dit standpunt niet onredelijk. Gelet op de gegeven toelichting ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de situatie van de genoemde woningbouwprojecten vergelijkbaar is met de situatie van het plangebied.

Het betoog faalt.

Belangenafweging

7.       GRS betoogt dat de raad in de belangenafweging onvoldoende gewicht aan haar (financiële) belangen heeft toegekend. Zij voert aan dat de bestemmingswijziging niet voorzienbaar was, omdat de bouwmogelijkheden in een herziening van het bestemmingsplan uit 2016 nog waren opgenomen en de locatie tot de zogenoemde harde planvoorraad van de gemeente behoorde. Verder wijst zij op de omstandigheid dat de aan haar verleende bouwvergunningen zijn ingetrokken.

7.1.    In het algemeen kunnen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. Onder verwijzing naar de tussenuitspraak en naar de overwegingen hiervoor overweegt de Afdeling dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat in dit geval sprake is van een gewijzigd planologisch inzicht. Verder was een eventuele bestemmingswijziging voor de percelen van GRS voorzienbaar. Op 22 februari 2017 heeft een vooraankondiging als bedoeld in artikel 1.3.1 van het Besluit ruimtelijke ordening plaatsgevonden. Daarin is vermeld dat een herziening van het plan "1e herziening Kernen Roerdalen" wordt voorbereid voor gronden gelegen in het plangebied "De Donck", dat de gemeente voornemens is om de bestaande planologische woningbouwmogelijkheden te laten vervallen en dat daartoe begin 2018 een ontwerpplan ter inzage zal worden gelegd. Nu GRS de gemeente bij brief van 18 december 2017 heeft gemeld dat zij de gronden ondanks die vooraankondiging heeft gekocht, had zij daarmee rekening kunnen en moeten houden.

Evenmin bestaat aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat met de belangen van GRS voldoende rekening is gehouden. Onder verwijzing naar de regionale Structuurvisie heeft de raad een groter gewicht kunnen toekennen aan de reductie van de overcapaciteit op de woningmarkt dan aan de belangen van GRS bij behoud van woningbouwmogelijkheden. Daarbij heeft de raad in aanmerking mogen nemen dat GRS de gronden heeft verworven, terwijl zij op de hoogte was van het voornemen om de bouwmogelijkheden daarop weg te bestemmen, dat GRS geen gebruik heeft gemaakt van de reeds verleende bouwvergunning en dat zij niet tijdig een aanvraag om een nieuwe omgevingsvergunning heeft ingediend. Verder heeft de raad in de afweging mogen betrekken dat de raad het college van burgemeester en wethouders heeft gevraagd - ter compensatie van de bestemmingswijziging - in overleg te treden met grondeigenaren, waaronder GRS, over toekenning van woningbouwtitels voor herstructurerings- en inbreidingslocaties, gelegen in de kernen van Roerdalen, maar dat GRS des gevraagd geen gebruik heeft willen maken van deze mogelijkheid. Voor zover GRS stelt schade te lijden ten gevolge van het plan, heeft de raad terecht gewezen op de mogelijkheid een verzoek om een tegemoetkoming in planschade in te dienen.

Het betoog faalt.

Agrarische bestemming

8.       GRS betoogt dat aan haar gronden ten onrechte de bestemming "Agrarisch" is toegekend, omdat de gronden niet langer geschikt zijn voor agrarisch gebruik. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft GRS de analyse van Eurofins Agro uit Wageningen, de notitie van 9 juli 2020 van Geofoxx Milieuexpertise, de notitie van CLM Onderzoek & Advies B.V., twee memo’s over kostenraming en de rapportage "De Donck Posterholt" van Geofoxx Milieuexpertise van13 juli 2020 overgelegd. Volgens haar volgt hieruit dat de percelen ongeschikt zijn voor agrarisch gebruik en dat deze pas over vijf jaar en tegen hoge kosten geschikt zijn te maken. Daarbij is ingegaan op de kenmerken en omgevingsfactoren van de percelen, de benodigde investeringen om de bodemkwaliteit geschikt te maken voor het beoogde gebruik en het ontbreken van een marktbehoefte voor agrarisch gebruik van deze percelen. GRS voert aan dat onvoldoende is onderbouwd dat behoefte bestaat aan agrarisch gebruik van deze gronden. Daarnaast heeft GRS het "Aanvullend rapport De Donck Posterholt" van Geofoxx Milieuexpertise van 8 februari 2021 ingebracht. Daarin staat dat het perceel qua bodemkwaliteit en waterhuishouding niet geschikt is voor agrarisch gebruik en de gronden de komende vijf jaar niet rendabel agrarisch kunnen worden gebruikt totdat een bepaalde bodemkwaliteit is bereikt. De herstelkosten zijn geraamd op € 178.000,00 om te voldoen aan voorschriften van de Nota Bodembeheer, € 19.000,00 voor het opschonen van de gronden en € 16.000,00 voor het herstel van de bodemkwaliteit. Volgens GRS is ook na de herstelperiode slechts een gering rendement te behalen.

8.1.    Artikel 3.1 van de planregels luidt: "De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. de uitoefening van een agrarisch bedrijf zoals genoemd in artikel 1.6;

met de daarbij behorende:

b. teeltondersteunende voorziening, erven, tuinen, groen, nutsvoorzieningen, in- en uitritten, ontsluitingswegen, recreatieve paden en voet- en fietspaden, water en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding waaronder ook voorzieningen ten behoeve van het bergen en infiltreren van water;

alsmede voor:

c. extensieve dagrecreatie;

d. ter plaatse van de aanduiding 'teeltondersteunende voorzieningen': tijdelijke teeltondersteunende voorzieningen;

e. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - hobbymatig gebruik': hobbymatig agrarisch gebruik."

Ingevolge artikel lid 1.6, wordt onder "agrarisch bedrijf" verstaan: "een bedrijf, gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren, nader te onderscheiden in:

a. akker- en vollegrondstuinbouw: de teelt van gewassen op open grond, daaronder niet begrepen sier-, fruit-, bollen- en champignonteelt;

b. grondgebonden veehouderij: het houden van melk- en ander vee (nagenoeg) geheel op open grond (waaronder ook begrepen een paardenfokkerij);

c. sierteelt: de teelt van tuin- en potplanten en/of bomen, al dan niet met behulp van kassen en al dan niet gecombineerd met de handel in deze gewassen;

d. fruitteelt: de teelt van fruit op open grond;

e. bollenteelt: de teelt van bloembollen in samenhang met de teelt van bolbloemen;

f. champignonteelt: de teelt van champignons."

Ingevolge artikel 1.18, wordt onder "extensieve dagrecreatie" verstaan: "vormen van recreatief medegebruik van gronden door middel van al dan niet aangelegde en aanwezige voorzieningen, waarbij de recreatie geen specifiek beslag legt op de ruimte, zoals wandel-, ruiter- en fietspaden, vis- en picknickplaatsen en strandjes."

Ingevolge artikel 1.22, wordt onder "hobbymatig agrarisch gebruik" verstaan: "het gebruik van grond ten behoeve van agrarische activiteiten in een omvang die niet als bedrijfsmatig kan worden beschouwd."

8.2.    Aan de gronden van GRS zijn de bestemming "Agrarisch" en de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - hobbymatig gebruik" toegekend. Ter onderbouwing dat dit gebruik ter plaatse van de percelen van GRS ruimtelijk aanvaardbaar is, heeft de raad de geschiktheid van de gronden laten beoordelen. De resultaten van die beoordeling zijn neergelegd in een notitie, die als bijlage 2 bij de plantoelichting is gevoegd. Op basis van verschillende onderzoeken is de milieuhygiënische en de cultuurtechnische kwaliteit van de bodem beoordeeld. Daarnaast zijn in het rapport "Cultuurtechnisch rapport; De Donck Posterholt" van Antea Group van 5 december 2019 de agrarische gebruiksmogelijkheden van de gronden onderzocht. Hieruit komt naar voren dat de percelen momenteel weliswaar niet (rendabel) agrarisch zijn te gebruiken, maar dat de gronden wel geschikt kunnen worden gemaakt door de bodemgesteldheid te verbeteren. In de notitie "Cultivering gronden De Donck en stikstof" van Aelmans van 18 december 2019 staat dat een grondverbetering nodig is door het aanbrengen van een goede en voldoende dikke humeuze bovengrond. Daarin wordt geadviseerd om de gronden te bemesten en compost aan te brengen. Ook wordt geadviseerd om de gronden in te zaaien met een groenbemester. Op basis van deze onderzoeken stelt de raad dat de gronden, na uitvoering van die werkzaamheden (rendabel) agrarisch zijn te gebruiken.

Naar aanleiding van de door GRS ingediende zienswijze heeft de raad de notitie van Antea Group van 21 januari 2021, de notitie van het Servicecentrum MER van 20 januari 2021 en de notitie Rentmeesterskantoor Huntjens van 18 januari 2021 overgelegd. Daarin wordt nogmaals bevestigd dat de gronden agrarisch kunnen worden gebruikt. Onder verwijzing naar die stukken heeft de raad toegelicht dat de gebruiksmogelijkheden momenteel weliswaar beperkt zijn, maar dat de gronden, ook in de huidige toestand, agrarisch kunnen worden gebruikt voor het beweiden van vee en de teelt van gras en gerst. Omdat de huidige gebruiksmogelijkheden beperkt zijn, is de raad in de onderbouwing van de toegekende agrarische bestemming uitgegaan van het realiseren van een minimale basis voor (rendabel) agrarisch gebruik. Daarbij is uitgegaan van het opschonen van de gronden en het eenmalig bemesten in het eerste jaar. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de kosten hiervoor zijn geraamd op ongeveer € 19.000,00 voor het opschonen en € 2.000,00 voor de bemesting van de gronden. De gronden kunnen vervolgens vanaf het tweede jaar in gebruik worden genomen en kunnen, afhankelijk van het beoogde gebruik, bedrijfsmatig of hobbymatig, verder worden verbeterd.

8.3.    De Afdeling acht uit wat GRS naar voren heeft gebracht, niet voldoende aannemelijk geworden dat de toegekende agrarische bestemming niet uitvoerbaar is. De raad heeft, onder verwijzing naar de onder 8.2 genoemde stukken, de toegekende bestemming in redelijkheid passend kunnen achten. Daarbij heeft de raad in aanmerking mogen nemen dat de gronden geschikt kunnen worden gemaakt voor een (rendabel) agrarisch gebruik en dat uit de stukken volgt op welke wijze de benodigde grondverbetering kan worden uitgevoerd. Verder heeft de raad in zijn afweging mogen betrekken dat de gebruiksmogelijkheden van de gronden zijn verruimd met de aanvulling van hobbymatige agrarische activiteiten, om zo de uitvoerbaarheid van de toegekende bestemming te vergroten.

GRS heeft de gehanteerde uitgangspunten in de door de raad overgelegde stukken bestreden, voor zover het de bodemkwaliteit ter plaatse, de benodigde maatregelen en tijd voor het geschikt maken van de gronden voor (rendabel) agrarisch gebruik en de geraamde kosten betreft. In het aangevoerde bestaat echter geen aanleiding voor het oordeel dat de hiervoor onder 8.2 genoemde notities zodanige gebreken bevatten dat de raad zich daarop niet heeft mogen baseren. De Afdeling acht daarvoor het volgende van belang. Weliswaar is in de door GRS overgelegde stukken vermeld dat het perceel momenteel niet geschikt is voor (rendabel) agrarisch gebruik, maar niet is weerlegd dat de gronden geschikt kunnen worden gemaakt voor dit gebruik. Voor zover GRS stelt dat daarvoor een herstelperiode van vijf jaar nodig is, heeft de raad toegelicht dat de door GRS gewenste bodemkwaliteit niet voor alle toegelaten agrarische activiteiten nodig is. De Afdeling ziet geen grond om te veronderstellen dat deze toelichting onjuist is. Voor het door de raad bedoelde agrarische gebruik kan met minder vergaande en minder tijd in beslag nemende maatregelen worden volstaan. Weliswaar is aannemelijk dat dan sprake is van gronden met een lagere bodemkwaliteit dan wordt nagestreefd in het herstelscenario van GRS, maar de raad heeft deze omstandigheid in zijn afweging betrokken en een agrarische bestemming ter plaatse ruimtelijk aanvaardbaar geacht. Het betoog van GRS dat daarnaast aanvullende herstelwerkzaamheden nodig zijn en de raad ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de daarmee samenhangende kosten van € 178.000,00 en € 16.000,00, volgt de Afdeling evenmin. Zoals hiervoor onder 8.2 is vermeld, heeft de raad bij de onderbouwing van de toegekende bestemming rekening gehouden met de kosten die nodig zijn voor het geschikt maken van de gronden. Nu de Nota Bodembeheer Noord-Limburg 2020-2029 bij de vaststelling van het plan op 28 april 2020 geen geldend beleid was, hoeft aan de daarin opgenomen voorschriften niet te worden voldaan. Verder staat in de notitie van Antea Group van 21 januari 2021 dat de berekeningen van GRS op onjuiste uitgangspunten gebaseerd zijn en dat bepaalde kosten daarom te hoog zijn gecalculeerd. Zo is geen sprake van (een vermoeden van) een geval van ernstige bodemverontreiniging en is het verwijderen van bodemvreemde materialen uit de grond niet aan de orde. Dit betekent dat ook in zoverre de door GRS benoemde (aanvullende) herstelkosten niet hoeven te worden gemaakt. Onder deze omstandigheden is niet aannemelijk dat voor iedere mogelijkheid binnen de bestemming "Agrarisch" dezelfde (aanvullende) werkzaamheden moeten worden uitgevoerd, met steeds dezelfde hoge kosten, noch dat de gronden daarom gedurende vijf jaar onbruikbaar zullen zijn.

Het betoog faalt.

Financiële uitvoerbaarheid

9.       GRS betoogt dat het plan financieel niet uitvoerbaar is, omdat niet aannemelijk is dat de agrarische bestemming binnen de planperiode wordt verwezenlijkt. Zij is als eigenaar niet voornemens de gronden te ontwikkelen als agrarische bestemming en ook is niet bekend dat de gemeente zal overgaan tot aankoop of onteigening van deze gronden. In dat verband voert zij aan dat niet duidelijk is of de gemeente over voldoende middelen beschikt om de gronden te verkrijgen. Ter onderbouwing wijst GRS op de uitspraken van de Afdeling van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1783, 1 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2552, en 24 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3421.

9.1.    De Afdeling overweegt dat een betoog over de uitvoerbaarheid in het kader van een beroep tegen een bestemmingsplan, waaronder de financiële uitvoerbaarheid, slechts kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit indien en voor zover het aangevoerde leidt tot de conclusie dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de financiële aspecten van dat plan aan de uitvoerbaarheid ervan in de weg staan. In paragraaf 6.1 van de plantoelichting is ingegaan op de financiële uitvoerbaarheid van het plan. Daarin staat dat het grondbeleid van de gemeente is vastgesteld in de "Grondnota Kadernota 2016-2019" en dat een mogelijke aankoop van de voorliggende gronden binnen dit grondbeleid past. Verder staat in de plantoelichting dat voor financiering van de aankoop van gronden middelen zijn gereserveerd. In dat verband wijst de raad op het investeringsschema (programmabegroting 2018-2021) dat als bijlage 11 bij de plantoelichting is gevoegd. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat de financiële uitvoerbaarheid onvoldoende is onderbouwd. De door GRS genoemde uitspraken leiden niet tot een ander oordeel. De raad heeft ook in dit geval afdoende onderbouwd dat de gemeente over voldoende middelen beschikt. Voor zover het betoog betrekking heeft op verzoeken om een tegemoetkoming in planschade, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat dergelijke tegemoetkomingen zodanig hoog zullen zijn dat de gemeente die kosten - voor zover aan de orde - niet zou kunnen dragen. Onder deze omstandigheden bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan niet kan worden uitgevoerd. Voor haar oordeel acht de Afdeling mede van betekenis dat in de plantoelichting gemotiveerd is uiteengezet dat aan agrarische gronden als die van GRS - vanwege de ligging van deze gronden aan de rand van de kern Posterholt en de verruimde gebruiksmogelijkheden - voldoende behoefte bestaat.

Het betoog faalt.

Natura 2000

10.     GRS betoogt dat de raad onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de toename van de stikstofdepositie door het plan op het nabijgelegen Natura 2000-gebied, omdat bepaalde werkzaamheden ten onrechte niet zijn betrokken in de uitgevoerde Aerius-berekeningen. Verder is onvoldoende rekening gehouden met de benodigde bemesting van de gronden, aldus GRS.

10.1.  De Afdeling stelt vast dat GRS deze beroepsgrond niet eerder heeft aangedragen. Gelet op het belang van een efficiënte geschilbeslechting alsmede de rechtszekerheid van de andere partijen, kan in het licht van de goede procesorde niet worden aanvaard dat na een tussenuitspraak nieuwe beroepsgronden worden aangevoerd die reeds tegen het oorspronkelijke besluit naar voren hadden kunnen worden gebracht. Nu de noodzaak voor bemesting van de gronden van GRS vanaf het begin van de planprocedure bekend was en de raad dit steeds heeft bevestigd, ziet de Afdeling geen rechtvaardiging voor de omstandigheid dat GRS deze grond niet eerder in de procedure heeft aangevoerd. Dit betekent dat wat GRS thans in dit opzicht aanvoert, buiten inhoudelijke bespreking blijft.

Conclusie

11.     Het beroep tegen het besluit van 28 april 2020 is ongegrond.

Proceskosten

12.     De raad dient vanwege de gegrondverklaring van het beroep tegen het besluit van 7 juni 2018 op de hierna te vermelden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het beroep tegen het besluit van de raad van de gemeente Roerdalen van 7 juni 2018 tot vaststelling van het plan "De Donck Posterholt" gegrond;

II.       vernietigt het onder I bedoelde besluit, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor de percelen die kadastraal bekend zijn als Posterholt, sectie D, nummers 2122 en 3498, en sectie G, nummer 68;

III.      verklaart het beroep tegen het besluit van de raad van de gemeente Roerdalen van 28 april 2020 tot het gewijzigd vaststellen van het plan "De Donck Posterholt" ongegrond;

IV.     veroordeelt de raad van de gemeente Roerdalen tot vergoeding van bij GRS Invest B.V. opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.335,00 (zegge: duizenddriehonderdvijfendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V.      gelast dat de raad van de gemeente Roerdalen aan GRS Invest B.V. het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 338,00 (zegge: driehonderdachtendertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, voorzitter, en mr. E.J. Daalder en mr. P.H.A. Knol, leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.      

w.g. Sparreboom

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2021

195-909.