Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:941

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-05-2021
Datum publicatie
05-05-2021
Zaaknummer
201900845/4/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 november 2018 heeft het dagelijks bestuur van Waterschap Aa en Maas het projectplan "Projectplan Waterwet Leegveld" vastgesteld. Bij besluit van 22 november 2018 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant goedkeuring verleend aan dat besluit. Bij besluit van 7 december 2018 hebben provinciale staten het inpassingsplan "PAS Leegveld, Deurne" vastgesteld. Het doel van het inpassingsplan en het projectplan is om de achteruitgang van het restant aan hoogveen als gevolg van verdroging en stikstofdepositie te stoppen en het hoogveen te herstellen. Het projectplan voorziet in het treffen van hydrologische maatregelen. [verzoekster] en anderen hebben een recreatiebedrijf en paardenhouderij aan de [locatie] in Liessel. Zij stellen dat het waterschap de stuwpeilen in het plangebied na de tussenuitspraak met tientallen cm heeft opgezet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2021/228
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201900845/4/R2.

Datum uitspraak: 3 mei 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekster], gevestigd te Liessel, gemeente Deurne, waarvan de vennoten zijn [vennoot A] en [vennoot B], beiden wonend te Liessel, gemeente Deurne, en anderen,

verzoekers,

en

1.       provinciale staten van Noord-Brabant,

2.       het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van 19 november 2018 heeft het dagelijks bestuur van Waterschap Aa en Maas (hierna: het waterschap) het projectplan "Projectplan Waterwet Leegveld" vastgesteld. Bij besluit van 22 november 2018 heeft het college van gedeputeerde staten goedkeuring verleend aan dat besluit. Bij besluit van 7 december 2018 hebben provinciale staten het inpassingsplan "PAS Leegveld, Deurne" vastgesteld.

Tegen deze besluiten hebben [verzoekster] en anderen beroep ingesteld.

De Afdeling heeft het beroep van [verzoekster] en anderen ter zitting behandeld op de zitting van 29 en 30 september 2020.

Bij tussenuitspraak van 13 januari 2021 in zaaknr. 201900845/1/R2 (hierna: de tussenuitspraak) heeft de Afdeling de raad opgedragen om het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek binnen 26 weken te herstellen. Deze uitspraak is aangehecht.

[verzoekster] en anderen hebben de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het college van gedeputeerde staten en provinciale staten en [verzoekster] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 15 april 2021, waar [vennoot A], bijgestaan door [gemachtigde], en het college van gedeputeerde staten en provinciale staten, beide vertegenwoordigd door S.G. Ubink en H.A.J. van Hout, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting het dagelijks bestuur van het waterschap, vertegenwoordigd door mr. ing. E.H.J. van Laarhoven en S. Hoek, gehoord.

Overwegingen

1.       Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.       Het doel van het inpassingsplan en het projectplan is om de achteruitgang van het restant aan hoogveen als gevolg van verdroging en stikstofdepositie te stoppen en het hoogveen te herstellen. Het projectplan voorziet in het treffen van hydrologische maatregelen. Het inpassingsplan ziet op een klein aantal gronden binnen het gebied Leegveld waar maatregelen ten behoeve van natuurherstel plaatsvinden.

3.       [verzoekster] en anderen hebben een recreatiebedrijf en paardenhouderij aan de [locatie] in Liessel. Zij stellen dat het waterschap de stuwpeilen in het plangebied na de tussenuitspraak met tientallen cm heeft opgezet. Daardoor komen hun landerijen voor de paarden onder water te staan, zo stellen zij. Volgens [verzoekster] en anderen wordt dit effect versterkt omdat de waterdruk in het gebied al groot is. Zij betogen dat het college van gedeputeerde staten door het opzetten van het waterpeil dus ten onrechte is begonnen met de uitvoering van het projectplan. [verzoekster] en anderen verzoeken de voorzieningenrechter dan ook om een voorlopige voorziening te treffen. Ook hebben zij de voorzieningenrechter verzocht om getuigen dan wel deskundigen op te roepen.

4.       Provinciale staten en het college van gedeputeerde staten betwisten dat de wateroverlast die [verzoekster] en anderen nu op hun gronden ondervinden het gevolg is van de aan de orde zijnde plannen. Pas eind 2022 is de start met het voor de natuur gewenste peilbeheer op grond van de plannen voorzien, in welk verband onder meer de stuwen en gemalen worden ingesteld op de peilen zoals in het projectplan opgenomen, zo stellen zij. Voor zover de stuwpeilen na de tussenuitspraak - in het kader van regulier peilbeheer - zijn opgezet, liggen de voorliggende plannen daar dus niet aan ten grondslag, aldus provinciale staten en het college van gedeputeerde staten.

5.       In wat [verzoekster] en anderen hebben aangevoerd ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om te twijfelen aan de toelichting van provinciale staten en het college van gedeputeerde staten. Op de zitting hebben [verzoekster] en anderen videobeelden vertoond van wateroverlast op hun gronden die zich sinds de tussenuitspraak heeft voorgedaan, maar daaruit kan niet worden afgeleid dat deze het gevolg is van een verhoging van het waterpeil ter uitvoering van de voorliggende plannen.

Met schorsing van de plannen, waarom [verzoekster] en anderen in deze procedure verzoeken, kan dus niet worden voorkomen dat [verzoekster] en anderen los van de plannen worden geconfronteerd met nattigheid op hun gronden, zoals sinds de tussenuitspraak het geval is. Het betoog slaagt alleen al om deze reden niet. In verband hiermee is de Afdeling ook tot de conclusie gekomen dat het ter zitting horen van de getuigen en deskundigen, zoals [verzoekster] en anderen hebben verzocht, niet noodzakelijk is voor de vaststelling van de relevante en in geschil zijnde feiten.

6.       Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

7.       Provinciale staten en het college van gedeputeerde staten hoeven geen proceskosten te vergoeden. 

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.E.H.J. Vollaers, griffier.

De voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 3 mei 2021

880