Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:920

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-04-2021
Datum publicatie
28-04-2021
Zaaknummer
202004444/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 juni 2020 heeft de raad van de gemeente Zwolle het bestemmingsplan "Berkum, Campherbeeklaan 53-55" vastgesteld. Bij besluit van 2 juli 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zwoll aan Resido Vastgoed B.V. een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van 27 appartementen voor het appartementencomplex Emmaüshof op de percelen Campherbeeklaan 53-55. Op deze locatie staan in de huidige situatie een kerkgebouw en een pastorie. De kerkgemeenschap is opgegaan in de Sionskerk te Aalanden, waardoor het kerkgebouw en de pastorie niet meer in gebruik zijn. Resido wil daarom op deze locatie een appartementsgebouw met 27 levensloopbestendige appartementen oprichten. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] zijn omwonenden van de locatie. Zij zijn tegen de bouw van het appartementsgebouw, omdat zij vrezen dat dit zal leiden tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202004444/1/R3.
Datum uitspraak: 28 april 2021

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. appellanten sub 1] (hierna gezamenlijk en in enkelvoud te noemen: [appellant sub 1]), beiden wonend te Zwolle,

2. [ appellant sub 2], wonend te Zwolle,

3. De vereniging Ondernemersclub Berkum (hierna: de vereniging), gevestigd te Nieuwleusen, gemeente Dalfsen,

appellanten,

en

1. het college van burgemeester en wethouders van Zwolle,

2. de raad van de gemeente Zwolle,

verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van 15 juni 2020 heeft de raad het bestemmingsplan "Berkum, Campherbeeklaan 53-55" vastgesteld.

Bij besluit van 2 juli 2020 heeft het college aan Resido Vastgoed B.V. een omgevingsvergunning verleend ten behoeve van de bouw van 27 appartementen voor het appartementencomplex Emmaüshof op de percelen Campherbeeklaan 53-55.

Deze besluiten zijn gecoördineerd voorbereid en bekendgemaakt met toepassing van artikel 3.30 van de Wet ruimtelijke ordening.

Tegen beide besluiten hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] beroep ingesteld. De vereniging heeft alleen beroep tegen het besluit van 15 juni 2020 tot vaststelling van het plan ingesteld.

De raad en het college hebben een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 februari 2021, waar [appellant sub 1], vertegenwoordigd door mr. D. Tanke, en de raad en het college, vertegenwoordigd door N.R. Hesselink en drs. S.S.T. Weertman, zijn verschenen. Verder is Resido Vastgoed B.V. (hierna: Resido), vertegenwoordigd door [gemachtigden], gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1. De Campherbeeklaan 53-55 te Zwolle is de locatie van de Emmaüskerk. Op deze locatie staan in de huidige situatie een kerkgebouw en een pastorie. De kerkgemeenschap is opgegaan in de Sionskerk te Aalanden, waardoor het kerkgebouw en de pastorie niet meer in gebruik zijn. Resido wil daarom op deze locatie een appartementsgebouw met 27 levensloopbestendige appartementen oprichten. De bestreden besluiten maken dit mogelijk.

[appellant sub 1] en [appellant sub 2] zijn omwonenden van de locatie. Zij zijn tegen de bouw van het appartementsgebouw, omdat zij vrezen dat dit zal leiden tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van hun woningen. De vereniging is ook tegen de komst van het appartementsgebouw. Zij vreest dat bezoekers van het appartementsgebouw zullen parkeren op het nabijgelegen winkelplein, wat nadelig is voor haar leden die daar winkels exploiteren.

HET BESTEMMINGSPLAN

Toetsingskader

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Inspraak en maatschappelijk draagvlak

3. [ appellant sub 1] betoogt dat het plan onzorgvuldig is voorbereid. Hij voert aan dat aan hem en andere omwonenden onvoldoende inspraak is geboden bij de totstandkoming van het plan. Hierdoor bestaat volgens hem veel verzet tegen het plan en ontbreekt een maatschappelijk draagvlak voor de bouw van het appartementsgebouw.

3.1.

Het bieden van inspraak voorafgaande aan de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan maakt geen onderdeel uit van de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) geregelde bestemmingsplanprocedure. Het niet bieden van inspraak in die eerdere fase heeft daarom geen gevolgen voor de rechtmatigheid van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan.

Verder valt in de Wet ruimtelijke ordening, noch in enig ander wettelijk voorschrift, een bepaling aan te wijzen op grond waarvan het gemeentebestuur in een geval als hier aan de orde verplicht is om omwonenden en andere belanghebbenden vooraf persoonlijk in kennis te stellen over het plan.

Het ontwerpplan heeft overeenkomstig de procedure in de Wro ter inzage gelegen en [appellant sub 1] heeft zijn zienswijze kenbaar kunnen maken. In de zienswijzennota is de raad gemotiveerd op deze zienswijze ingegaan, waarna hij het plan heeft vastgesteld. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken.

3.2.

Over het betoog van [appellant sub 1] dat onvoldoende maatschappelijk draagvlak bestaat voor het appartementsgebouw, overweegt de Afdeling, onder verwijzing naar haar uitspraak van 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:616, dat het ontbreken van draagvlak bij de bewoners in de omgeving van het appartementsgebouw, wat daar ook van zij, op zichzelf niet betekent dat de raad het plan om die reden niet zou hebben mogen vaststellen. Er is geen wettelijke regel die bepaalt dat een bestemmingsplan een ontwikkeling alleen mogelijk mag maken als daarvoor voldoende draagvlak in de omgeving bestaat.

3.3.

Het betoog slaagt niet.

Doelgroep

4. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] voeren aan dat de raad met het plan beoogt woonruimte te bieden aan senioren. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betwijfelen of dit daadwerkelijk zo is. Volgens [appellant sub 2] stelt de raad dat de appartementen levensloopbestendig zijn, maar kan dit niet uit bouwtekeningen of beschrijvingen worden opgemaakt. Volgens [appellant sub 1] staat het plan er niet aan in de weg dat de appartementen worden bewoond door werkenden of jongeren. Gelet hierop heeft de raad volgens hem ten onrechte alleen rekening gehouden met de ruimtelijke gevolgen van het plan bij bewoning van de voorziene appartementen door senioren. Bewoning door jongeren levert volgens [appellant sub 1] vanwege hun leeftijdssamenstelling en levensritme andere ruimtelijke gevolgen op.

4.1.

Ingevolge artikel 1.40 van de planregels wordt onder meergezinshuis verstaan: "Een gebouw, dat meerdere naast elkaar en/of geheel of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen omvat en dat qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid beschouwd kan worden.";

Ingevolge artikel 1.56 van de planregels wordt onder een woning verstaan: "Een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden, waarbij inwoning is toegestaan.";

Artikel 5.1 luidt:

"De voor ‘Wonen- Meergezinshuis’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. meergezinshuizen al dan niet in combinatie met ruimte voor beroep aan huis;

met daaraan ondergeschikt:

b. opritten, parkeervoorzieningen en paden;

met de daarbij behorende:

c. tuinen en erven;

d. dakterrassen ter plaatse van de functieaanduiding 'terras';

e. overige bouwwerken.".

4.2.

Onder verwijzing naar overweging 3.3 van de uitspraak van de Afdeling van 4 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2241, stelt de Afdeling voorop dat het opnemen van een verbod op het gebruik van woningen door personen buiten de beoogde doelgroep senioren in een bestemmingsplan niet mogelijk is, omdat dit zou leiden tot een niet ruimtelijk relevant onderscheid naar leeftijd. De raad heeft dit ook erkend en stelt dan ook dat in het plan geen garantie kan worden opgenomen dat de voorziene appartementen alleen aan senioren mogen worden verkocht of dat de appartementen alleen door hen mogen worden gebruikt. Volgens de raad heeft hij evenwel bij de beoordeling van de ruimtelijke gevolgen van het plan met dit gegeven rekening gehouden. Daarbij wijst de raad allereerst erop dat uit de jurisprudentie van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van 8 februari 2012,ECLI:NL:RVS:2012:BV3229) volgt dat er een ruimtelijk relevant verschil kan bestaan tussen bewoning van een pand door studenten en door een gezin. Volgens de raad staat het plan geen studentenhuisvesting of andere vormen van onzelfstandig wonen toe. Daarbij stelt de raad dat op de gronden met de bestemming "Wonen - Meergezinshuis", vanwege de definitie van de term "woning" in het plan, in de voorziene appartementen alleen de huisvesting van één afzonderlijk huishouden is toegestaan. Volgens de raad is bij studentenhuisvesting geen sprake van één afzonderlijk huishouden, waardoor die vorm van bewoning ter plaatse niet is toegestaan. Gelet op de redactie van de artikelen 1.40, 1.56 en 5.1, onder a, van de planregels, ook in onderlinge samenhang bezien, acht de Afdeling dit standpunt van de raad juist. Verder heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat tussen seniorenhuishoudens en huishoudens met jonge gezinnen of werkenden geen ruimtelijk relevant verschil bestaat.

4.3.

Onder de genoemde omstandigheden, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in het kader van de vaststelling van het plan onvoldoende rekening heeft gehouden met bewoning door andere doelgroepen dan de beoogde doelgroep senioren.

Het betoog slaagt niet.

Ladder voor duurzame verstedelijking

5. [appellant sub 1] betoogt dat in het plan op onjuiste wijze toepassing is gegeven aan de ladder voor duurzame verstedelijking, zoals neergelegd in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro. [appellant sub 1] voert in dat kader aan dat de raad ter onderbouwing van de behoefte aan levensloopbestendige appartementen verwijst naar het Structuurplan 2020 van de gemeente Zwolle (hierna: het Structuurplan). In het Structuurplan is evenwel aangegeven dat voorzieningen voor grootschalige woningbouw ontbreken. Bovendien is ook bewoning in de appartementen door andere doelgroepen mogelijk.

Gelet op een en ander vreest [appellant sub 1] dat de bouw van het appartementsgebouw leidt tot een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau. Daarbij stelt [appellant sub 1] dat met de ladder voor duurzame verstedelijking juist is beoogd zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren.

5.1.

Blijkens paragraaf 2.2.1.1 van de plantoelichting heeft de raad het plan getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking. De plantoelichting vermeldt dat het plan is aan te merken als een stedelijke ontwikkeling. Volgens de plantoelichting is namelijk sprake van een woningbouwlocatie, waarbij wordt voorzien in de bouw van 27 appartementen. Ten aanzien van de behoefte is vermeld dat voor de gemeente Zwolle in de periode 2017-2027 een woningbehoefte bestaat van ongeveer 5500-6000 woningen en dat de harde plancapaciteit (inclusief de gebieden met uitwerkingsplicht) ruim 70% van dat aantal beslaat. Dat betekent volgens de plantoelichting dat een behoefte aan woningen resteert van ongeveer 30%, wat neerkomt op ongeveer 1500-2000 woningen. Dit biedt volgens de plantoelichting voldoende ruimte voor verdere ontwikkeling van de stad door onder andere inbreidings- en transformatieplannen.

5.2.

De raad heeft toegelicht dat het plan de bouw van slechts 27 appartementen mogelijk maakt en dat dit aantal, afgezet tegen de totale woningvoorraad in Zwolle en Berkum, niet met zich brengt dat ten deze sprake is van grootschalige woningbouw. De raad heeft er daarbij op gewezen dat de harde plancapaciteit op 1 oktober 2019 ongeveer 3.750 woningen bedroeg, terwijl de behoefte aan woningen voor de periode 2019 tot 2029 7.600 bedraagt. Gezien deze aantallen, stelt de raad terecht dat de voorgenomen ontwikkeling in een behoefte voorziet. Daarbij heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat met het plan juist een verdere ongewenste leegstand wordt voorkomen en een zorgvuldig ruimtegebruik worden gestimuleerd, omdat niet meer als zodanig in gebruik zijnde kerkbebouwing plaats maakt voor woningen waar behoefte aan bestaat.

Voor zover [appellant sub 1] erop heeft gewezen dat het plan ook bewoning door andere doelgroepen mogelijk maakt, volgt de Afdeling dit standpunt niet. Het feit dat het plan niet in de weg staat aan bewoning van de voorziene appartementen door personen buiten de beoogde doelgroep raakt niet aan de vraag naar de behoefte aan die woningen, aangezien hoe dan ook behoefte aan die woningen bestaat (vergelijk overweging 7.3 van de uitspraak van de Afdeling van 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017,705).

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat op onjuiste wijze toepassing is gegeven aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Het plan is derhalve niet in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro vastgesteld.

Het betoog slaagt niet.

Parkeren

Parkeeronderzoek en berekening parkeerdruk

6. [appellant sub 2], [appellant sub 1] en de vereniging voeren aan dat de memo "Parkeeronderzoek bouwplan Campherbeeklaan 53-55" van 4 april 2019 van BonoTraffics B.V. (hierna: het parkeeronderzoek) ondeugdelijk is en daarom niet aan het plan ten grondslag kon worden gelegd. Zij zijn daarom van mening dat het plan niet kan voldoen aan de parkeerbehoefte van 54 parkeerplaatsen die als gevolg van het plan ontstaat, waarbij zij erop wijzen dat het plan voorziet in slechts 33 parkeerplaatsen op het eigen terrein.

[appellant sub 2] voert aan dat het parkeeronderzoek inmiddels meer dan 2 jaar geleden is verricht en dat in de tussentijd er in de omgeving veel veranderd is, zoals ruimere winkeltijden en een toename van de verkeers- en parkeerdruk.

[appellant sub 2], [appellant sub 1] en de vereniging voeren verder aan dat voor de bepaling van het aantal beschikbare openbare parkeerplaatsen in de omgeving van het plangebied, ten onrechte niet is gemeten op het volgens hen drukste moment van de week. Dat is volgens [appellant sub 2] en de vereniging op een zaterdagochtend, in de periode van 11:00 tot 12:00 uur.

[appellant sub 2] stelt verder dat in het parkeeronderzoek geen rekening wordt gehouden met de regel in de Regeling parkeernormen 2016 van de gemeente Zwolle (hierna: de Regeling parkeernormen) die betrekking heeft op loopafstand voor de vaststelling van het invloedgebied. Daarbij wijst hij erop dat in het parkeeronderzoek een groot aantal parkeerplaatsen ten onrechte binnen de 50 m loopafstand zone zijn gesitueerd, terwijl de geplande entree van het appartementsgebouw volgens hem op een verdere afstand ligt.

[appellant sub 2] voert daarnaast aan dat teveel parkeerplaatsen in het openbaar gebied zijn meegeteld. [appellant sub 2] wijst erop dat een aantal parkeerplaatsen in de omgeving, zoals de parkeerplaatsen aan de Acacialaan en de Meidoornlaan, niet voldoet aan de vereiste afmetingen op grond van CROW-publicatie "Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom" (hierna: de ASVV 2012). Verder wordt een aantal getelde bestaande parkeerplaatsen in het openbaar gebied volgens hem zelden tot nooit gebruikt, omdat het gebruik van die parkeerplaatsen ernstige verkeersonveiligheid en ernstige verkeersdrukte oplevert.

Tot slot is volgens [appellant sub 2] bij de berekening van het aantal parkeerplaatsen in het openbaar gebied, geen rekening gehouden met de uitbreidingsplannen van de nabijgelegen supermarkt Coop. Deze uitbreiding zal zorgen voor nog meer parkeerdruk op de openbare parkeerplaatsen van het winkelplein, waardoor [appellant sub 2] betwijfelt of er voldoende openbare parkeerplaatsen beschikbaar zijn voor de bezoekers en de bewoners van het appartementsgebouw.

6.1.

De raad stelt dat het parkeeronderzoek deugdelijk is. Volgens de raad zijn de gehanteerde maatgevende momenten in overeenstemming met de richtlijnen van het CROW, omdat op die momenten de aanwezigheidspercentages van de bewoners en de bezoekers in het appartementsgebouw het hoogst zijn. Op het door [appellant sub 2] en de vereniging aangedragen tijdstip op de zaterdagochtend, zullen er volgens de raad relatief weinig bezoekers en bewoners in het voorziene appartementsgebouw aanwezig zijn.

De raad stelt verder dat in het parkeeronderzoek bij de meting van de loopafstanden is uitgegaan van logische looproutes en dat het parkeeronderzoek in dat opzicht dan ook in overeenstemming is met de Regeling parkeernormen.

De raad stelt daarnaast dat de openbare parkeerplaatsen die zijn meegerekend in het parkeeronderzoek allemaal bestaand zijn en bruikbaar zijn voor parkeren. Het parkeerterrein bij de winkels aan de Campherbeeklaan behoort ook tot de openbare ruimte en kunnen volgens de raad niet exclusief aan de daar gelegen winkels worden toegeschreven.

6.2.

Artikel 3.1.1a van het Bro luidt:

"Bij de vaststelling van een bestemmingsplan kan in ieder geval gebruik worden gemaakt van gegevens en onderzoeken die niet ouder zijn dan twee jaar."

Artikel 1 van de Regeling parkeernormen luidt:

"In deze Regeling wordt verstaan onder:

[…];

h. Invloedgebied: Het gebied rondom een plan dat wordt begrensd op basis van acceptabele loopafstanden behorende bij de functie van het plan. Wanneer het plan gelegen is binnen een parkeervergunningenbeleid, is het invloedgebied gelijk aan de parkeersector en de daarbij behorende parkeeraccommodaties."

In de toelichting bij de Regeling parkeernomen is met betrekking tot artikel 1, onder h, het volgende opgenomen:

"In principe moet de parkeeropgave op eigen terrein worden gerealiseerd. Als de gemeente ermee akkoord kan gaat dat dat niet mogelijk is en een afwijking wordt toegestaan, moet de parkeeropgave worden gerealiseerd binnen het invloedgebied van het plan, omdat binnen dit gebied de parkeerdruk zich zal manifesteren. […]. Buiten het parkeervergunningengebied wordt het invloedgebied voor zowel de gebruikers als de bezoekers begrensd door de bij een functie van het plan behorende maximaal acceptabele loopafstanden, gemeten via logische looproutes en niet hemelsbreed. Hiervoor worden de volgende loopafstanden gehanteerd:

Tabel loopstanden/invloedgebied Zwolle

Functie

Acceptabele loopafstand

Wonen, gezondheidszorg

50 tot 200 meter

(200 m in het centrum, 100 m in de schil, 50 m daarbuiten)

Winkelen en ontspanning

200 tot 800 meter

(ook hier is in het centrum de afstand het grootst)

Werken en onderwijs

400 tot 800 meter

(ook hier is in het centrum de afstand het grootst)

6.3.

In de plantoelichting staat dat het gemeentelijke beleid is dat de parkeeropgave van een voorziene ontwikkeling primair op eigen terrein gerealiseerd wordt. Wat de parkeeropgave is, wordt volgens de plantoelichting bepaald aan de hand van de parkeerkerncijfers CROW. De hoogte van de parkeernorm voor (gestapelde) woningen is afhankelijk van het prijssegment en of het om koop- dan wel huurwoningen gaat. Daarnaast speelt de locatie een rol. De parkeerplaatsen moeten afzonderlijk kunnen worden gebruikt en bereikbaar zijn op een verkeersveilige wijze.

De plantoelichting vermeldt verder dat de parkeerbehoefte voor de bewoners en de bezoekers van het appartementsgebouw in principe moet worden voorzien op eigen terrein. Indien dit niet haalbaar is, moet volgens de plantoelichting gekeken worden naar de mogelijkheden om gebruik te kunnen maken van de parkeerplaatsen in de openbare ruimte. Daarbij mag de parkeerdruk dan maximaal 80% bedragen.

6.4.

In het parkeeronderzoek is vermeld dat de parkeermetingen zijn uitgevoerd in een gebied rond de potentiële bouwlocatie, waarbij een begrenzing is aangegeven op 50 meter en 100 meter loopafstand vanaf het plangebied. Verder is vermeld dat binnen een loopafstand van 50 meter 70 openbare parkeerplaatsen liggen. Bij de meting van het aantal openbare parkeerplaatsen in het onderzoeksgebied zijn volgens het parkeeronderzoek alle in de openbare ruimte geparkeerde voertuigen geteld. Daarbij is gemeten op 4 momenten, namelijk donderdag 19 oktober 2017 14:00-16:00, donderdag 19 oktober 2017 18:30-19:30, dinsdag 31 oktober 2017 19:00-20:00 en zaterdag 4 november 2017, 15:00-16:00 (hierna: de toetsingsmomenten). De hoogste bezettingsgraad van de 70 openbare parkeerplaatsen binnen 50 meter van het plangebied betrof 54%.

Het parkeeronderzoek vermeldt verder dat de maximale parkeerbehoefte van de 27 appartementen 54 parkeerplaatsen bedraagt, waarvan het aandeel van de bewoners 46 parkeerplaatsen bedraagt. Volgens het parkeeronderzoek worden 21 parkeerplaatsen in de openbare ruimte gevonden.

In het parkeeronderzoek is geconcludeerd dat de parkeerdruk als gevolg van het opvangen van de extra parkeerbehoefte op de aan de orde zijnde onderzoeksmomenten niet tot een parkeerdruk van meer dan 80% in de directe omgeving binnen een loopafstand van 50 meter vanuit het plangebied leidt.

6.5.

Waar [appellant sub 2] stelt dat het parkeeronderzoek inmiddels meer dan twee jaar geleden verricht is, overweegt de Afdeling dat artikel 3.1.1a van het Bro er niet aan in de weg staat dat onderzoeksgegevens ouder dan twee jaar aan een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan ten grondslag worden gelegd. De Afdeling heeft dit bijvoorbeeld eerder overwogen in de uitspraak van 20 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1075. [appellant sub 2] heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat het parkeeronderzoek uit 2017 zodanig verouderd is, dan wel dat zich na de totstandkoming van dat onderzoek zodanige ontwikkelingen in de omgeving van het plangebied hebben voorgedaan, dat de raad dit onderzoek niet aan het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan ten grondslag heeft mogen leggen. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat desgevraagd door de raad ter zitting is bevestigd dat in de periode tussen de datum van het parkeeronderzoek en de datum van de vaststelling van het plan, in de omgeving geen noemenswaardige veranderingen hebben plaatsgevonden die van invloed kunnen zijn op de parkeersituatie aldaar.

6.6.

Voor zover [appellant sub 2], [appellant sub 1] en de vereniging stellen dat voor het bepalen van het aantal beschikbare openbare parkeerplaatsen in de omgeving, in het parkeeronderzoek ten onrechte niet is uitgegaan van de zaterdagochtend als toetsingsmoment, overweegt de Afdeling dat de raad heeft toegelicht dat de in het parkeeronderzoek gehanteerde toetsingsmomenten in overeenstemming zijn met de richtlijnen van het CROW. Daarbij is het uitgangspunt dat moet worden gemeten op de momenten dat de aanwezigheidpercentages van de bewoners en de bezoekers in het voorziene appartementsgebouw het hoogst zijn. Volgens de raad genereert het appartementsgebouw op de gehanteerde toetsingsmomenten de meeste parkeerdruk. De gehanteerde toetsingsmomenten vormen daarmee een representatieve afspiegeling van de parkeerdruk in de omgeving. Op zaterdagochtend is er volgens de raad weliswaar sprake van drukte bij het nabijgelegen winkelcentrum, maar is het aanwezigheidspercentage in het appartementsgebouw niet het hoogst en is er aldus minder parkeerdruk vanuit het voorziene appartementsgebouw. De raad heeft daarom afgezien van de zaterdagochtend als toetsingsmoment. De Afdeling is van oordeel dat de raad dit zo heeft mogen doen.

6.7.

Voor zover [appellant sub 2] stelt dat in het parkeeronderzoek de bepaling van de loopafstand vanaf het appartementsgebouw op onjuiste uitgangspunten is gebaseerd, omdat niet is gemeten vanaf de geplande entree van het appartementsgebouw, overweegt de Afdeling dat de raad erop heeft gewezen dat in het parkeeronderzoek bij het bepalen van de loopafstand is gemeten vanaf het in het plan opgenomen bouwvlak, omdat het plan daar bouwmogelijkheden toekent, ook voor een mogelijke entree. De Afdeling acht dit een reëel uitgangspunt.

6.8.

Waar [appellant sub 2] stelt dat ten onrechte een aantal openbare parkeerplaatsen is meegeteld, omdat die parkeerplaatsen niet voldoen aan de vereiste afmetingen op grond van de ASVV 2012 en het gebruik van een aantal van die parkeerplaatsen leidt tot ernstige verkeershinder en verkeersonveiligheid, heeft de raad erop gewezen dat het gaat om bestaande parkeerplaatsen die als zodanig veelvuldig in gebruik zijn. Gelet hierop heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling deze parkeerplaatsen terecht meegeteld. De omstandigheden dat deze bestaande parkeerplaatsen mogelijkerwijs niet voldoen aan de in de ASVV 2012 voorgeschreven afmetingen en mogelijk kunnen zorgen voor verkeersveiligheidsproblemen, maken niet dat de raad deze parkeerplaatsen bij voorbaat buiten beschouwing had moeten laten.

6.9.

In antwoord op het betoog van [appellant sub 2] dat bij de berekening van het aantal beschikbare openbare parkeerplaatsen geen rekening is gehouden met de uitbreidingsplannen van de nabijgelegen supermarkt, heeft de raad opgemerkt dat ten tijde van de vaststelling van het plan van zo’n initiatief nog geen sprake was, zodat hiermee bij de telling van het aantal beschikbare openbare parkeerplaatsen geen rekening kon worden gehouden. Dit standpunt is door [appellant sub 2] niet weersproken. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat vanwege uitbreidingsplannen van de nabijgelegen supermarkt, het parkeeronderzoek ondeugdelijk is.

6.10.

Gelet op het voorgaande hebben [appellant sub 2], [appellant sub 1] en de vereniging niet aannemelijk gemaakt dat het parkeeronderzoek ondeugdelijk is. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het parkeeronderzoek niet aan het plan ten grondslag heeft mogen leggen. Nu uit het parkeeronderzoek naar voren komt dat binnen een straal van 50 m van het voorziene appartementsgebouw voldoende parkeerplaatsen in het openbaar gebied beschikbaar zijn om de parkeerbehoefte van het voorziene appartementsgebouw gedeeltelijk ook aldaar op te vangen, ziet de Afdeling in de berekening van het aantal openbare parkeerplaatsen geen aanleiding voor het oordeel dat de raad vanwege de parkeerbehoefte van de bezoekers en de bewoners van het appartementsgebouw niet in redelijkheid het plan heeft kunnen vaststellen.

Het betoog slaagt niet.

Geschiktheid parkeerplaatsen eigen terrein

7. [appellant sub 2] voert aan dat de parkeerplaatsen ter plaatse van de gronden met de bestemming "Tuin" en de aanduiding "parkeerterrein" in het zuidoostelijke deel van het plangebied te krap en daardoor grotendeels onbruikbaar zijn. Daarbij stelt hij dat de afmetingen van de parkeerplaatsen niet voldoen aan de afmetingen zoals opgenomen in de meest recente uitgave van de NEN 2443, Parkeergarages en parkeerterreinen. Gelet op deze omstandigheden, is [appellant sub 2] van mening dat deze parkeerplaatsen ten onrechte zijn meegewogen in de beoordeling van de parkeerdruk die als gevolg van het appartementsgebouw ontstaat.

7.1.

Artikel 3.1 van de planregels luidt:

"De voor ‘Tuin’ aangewezen gronden zijn bestemd voor;

[…];

b. een parkeerterrein ter plaatse van de aanduiding ‘parkeerterrein’.

[…]".

Artikel 11.1 luidt:

"a. Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen en/of een omgevingsvergunning voor een wijziging van het gebruik is verzekerd, dat op eigen terrein, dat bij dat bouwwerk of terrein waarvoor vergunning wordt verleend hoort, wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid voor motorvoertuigen. Daarbij moet worden voldaan worden aan de parkeeropgave, zoals neergelegd in de "Regeling Parkeernormen 2016". Indien deze regeling wordt gewijzigd, moet rekening worden gehouden met deze wijziging.

b, De onder a. bedoelde plaatsen voor het parkeren van motorvoertuigen moeten afmetingen hebben die afgestemd zijn op gangbare motorvoertuigen, zoals neergelegd in de "Regeling Parkeernormen 2016". Indien deze regeling wordt gewijzigd, moet rekening worden gehouden met deze wijziging.

Artikel 3.1 van de Regeling parkeernormen luidt:

"Een afmeting en inrichting van een parkeerplaats en van een laad- en losplaats moet minimaal voldoen aan de meest recente ASVV, de aanbevelingen voor parkeervoorzieningen binnen de bebouwde kom."

7.2.

De raad heeft erop gewezen dat uit de bij de verleende omgevingsvergunning behorende situatietekening volgt dat de betrokken parkeerplaatsen een breedte van 2,40 meter en een diepte van 5 meter hebben. Verder is er volgens de raad op het parkeerterrein overal minimaal 6 meter lengte ruimte om achteruit te rijden. Volgens de raad voldoen de parkeerplaatsen daarmee aan de vereisten uit de ASVV 2012. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen aanleiding om aan dit standpunt van de raad te twijfelen.

Voor zover [appellant sub 2] erop heeft gewezen dat de afmetingen van de parkeerplaatsen niet voldoen aan de meest recente uitgave van de NEN 2443, overweegt de Afdeling dat de raad voor de afmetingen van deze parkeerplaatsen aansluiting heeft gezocht bij de Regeling parkeernormen.

Op grond van artikel 3.1 van de Regeling parkeernomen vormt de meest recente ASVV, en niet de NEN 2443, het kader voor de afmetingen van parkeerplaatsen. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de voorziene parkeerplaatsen in het zuidoostelijke deel van het plangebied geschikt dan wel bruikbaar zijn.

Het betoog slaagt niet.

8. [appellant sub 2] en [appellant sub 1] betogen dat de aanleg van haakse parkeerplaatsen aan de Acacialaan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Zij voeren aan dat deze parkeerplaatsen niet voldoen aan de normen uit de CROW die worden gehanteerd voor parkeerplaatsen. Verder is volgens hen de Acacialaan te smal voor haakse parkeerplaatsen. Volgens hen zullen de parkeerplaatsen aan de Acacialaan dan ook leiden tot onaanvaardbare verkeershinder en verkeersonveiligheid.

8.1.

Aan het noordoostelijke deel van het plangebied is binnen de bestemming "Tuin" eveneens de aanduiding "parkeerterrein" toegekend.

De raad heeft toegelicht dat de aanleg van haakse parkeerplaatsen op deze gronden ruimtelijk aanvaardbaar is. Daartoe stelt de raad dat de wegbreedte inclusief de lengte van de parkeervakken in overeenstemming is met de normen uit de CROW-publicatie ASVV 2012. Volgens de raad zullen bij de aanleg van haakse parkeerplaatsen deze normen worden toegepast en is er ook voldoende ruimte voor de parkeerplaatsen, te meer omdat de parkeerplaatsen niet op de Acacialaan, maar op het eigen terrein zullen worden aangelegd. De Afdeling stelt, mede aan de hand van de verbeelding, vast dat de afstand tussen de kadastrale grens aan de overzijde van de Acacialaan en de zuidelijke grens van de gronden met de aanduiding "parkeerterrein" ongeveer 10,5 meter bedraagt. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding om te twijfelen aan het standpunt van de raad dat er voldoende ruimte is voor de aanleg van deze parkeerplaatsen. Nu de raad verder heeft gesteld dat bij de aanleg van de parkeerplaatsen de normen voor haaks parkeren uit de ASVV 2012 zullen worden gehanteerd, ziet de Afdeling verder geen aanleiding [appellant sub 2] en [appellant sub 1] te volgen in hun standpunt dat met de aanleg van haakse parakeerplaatsen niet wordt voldaan aan de CROW-normen.

Waar [appellant sub 2] en [appellant sub 1] stellen dat de aanleg van haakse parkeerplaatsen op de Acacialaan zal leiden tot verkeershinder en verkeersonveiligheid, heeft de raad toegelicht dat de aanleg van dergelijke parkeerplaatsen juist de verkeersveiligheid ten goede komt. Daarbij stelt de raad dat in de bestaande situatie op de Acacialaan sprake is van langsparkeren, waardoor er minder ruimte is voor het autoverkeer op de Acacialaan om te passeren. Bovendien bevordert dit de verkeersveiligheid van fietsers op de Acacialaan. De Afdeling acht dit aannemelijk.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad vanwege de aanleg van haakse parkeerplaatsen ter plaatse van de gronden met de bestemming "Tuin" en de aanduiding "parkeerterrein" in het noordoostelijke deel van het plangebied, niet in redelijkheid het plan heeft kunnen vaststellen.

Het betoog slaagt niet.

In- en uitrit parkeerterrein

9. [appellant sub 2] voert aan dat in het plan een in- en uitrit met eenrichtingsverkeer is voorzien voor het zuidoostelijk gelegen parkeerterrein. [appellant sub 2] stelt dat deze en in- en uitrit leidt tot verkeersonveiligheid op de Acacialaan. Hij wijst erop dat de Acacialaan te smal is en er daarom onvoldoende ruimte is voor wachtende auto’s.

9.1.

De raad stelt dat de afmetingen van de in- en uitrit alleen geschikt zijn voor eenrichtingsverkeer. Volgens de raad is een dergelijke constructie niet ongebruikelijk voor een in- en uitrit voor een privéterrein. De positie van de in- en uitrit levert volgens de raad geen verkeersonveilige situaties op.

9.2.

Onder verwijzing naar wat hierna onder 11.2 zal worden overwogen, overweegt de Afdeling dat het plan leidt tot een beperkte toename van gemotoriseerd verkeer. Gelet op deze beperkte toename, is de Afdeling van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de voorziene in- en uitrit naar verwachting niet zal leiden tot meer verkeersonveiligheid op de Acacialaan. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de in het plan voorziene bebouwing aan de zijde van de Acacialaan, terug ligt ten opzichte van de Acacialaan. Hierdoor heeft de raad kunnen oordelen dat er vanaf de in- en uitrit bij het naderen van de Acacialaan, en omgekeerd, voldoende zicht voor weggebruikers is. Bovendien heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een dergelijke in- en uitritconstructie met éénrichtingsverkeer voor privéterreinen niet ongebruikelijk is.

Het betoog slaagt niet.

Ondergrondse parkeergarage

10. [appellant sub 1] voert aan dat het plan ten onrechte niet voorziet in een ondergrondse parkeergarage voor het appartementencomplex. Hij wijst daarbij op een passage uit het Structuurplan 2020, waaruit naar voren komt dat in buurten waar de parkeerdruk hoog is, een ondergrondse parkeergarage een ruimtelijk kwalitatief goede oplossing is. Volgens [appellant sub 1] is alleen vanuit een oogpunt van kostenbesparing niet voor een ondergrondse parkeergarage gekozen.

10.1.

De raad heeft erop gewezen dat een ondergrondse parkeergarage in een wijk als Berkum niet past in het stedenbouwkundig beeld, waar auto’s op straat of op de eigen oprit staan geparkeerd. Bovendien levert een ondergrondse parkeergarage volgens de raad slechts in beperkte mate extra parkeerruimte op en leidt de hellingbaan van die garage tot een verlies van parkeerruimte op maaiveldniveau. Tot slot stelt de raad dat het aanleggen van een ondergrondse parkeergarage een kostbare aangelegenheid is, waardoor het plan mogelijk financieel niet meer uitvoerbaar is. Om voornoemde redenen heeft de raad afgezien van het mogelijk maken van een ondergrondse parkeergarage voor het appartementsgebouw. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen afzien van het mogelijk maken van een ondergrondse parkeergarage voor het appartementsgebouw.

Het betoog slaagt niet.

Verkeer

11. [appellant sub 2] voert aan dat het plan leidt tot een toename van het verkeer in de omgeving. Deze toename leidt volgens hem tot verkeersonveilige situaties en verkeersoverlast. Hij stelt in dat kader dat de doorstroming van het verkeer naar zijn woning nadelig zal worden beïnvloed. Hij wijst daarbij erop dat de huidige infrastructuur bestaat uit smalle wegen, met veel auto’s die langsparkeren. Verder stelt hij dat het plan leidt tot verkeersonveilige situaties. Daarbij wijst hij in het bijzonder op de kruising van de Acacialaan met de Campherbeeklaan. Volgens [appellant sub 2] leidt het plan ertoe dat het zicht vanuit de Acacialaan op de Campherbeeklaan, en omgekeerd, op ernstige wijze wordt beperkt, waardoor van een aanvaardbare verkeersveilige situatie daar geen sprake meer is. Bovendien ligt deze kruising volgens hem vlakbij de geplande uitrit van het parkeerterrein van het appartementsgebouw.

11.1.

De raad stelt dat de effecten van het plan op de verkeersveiligheid zijn onderzocht. Daarbij is volgens de raad gekeken naar de omliggende wegenstructuur, de ontsluiting van het plangebied en de verkeersbewegingen. Volgens de raad volgt uit dit onderzoek dat de verkeersveiligheid niet in het geding komt.

11.2.

De Afdeling stelt vast dat in het aan het plan ten grondslag gelegde rapport "Resido vastgoed woningbouw" van 3 oktober 2019 van Tauw inzake de uitstoot van stikstof is vermeld dat het plan leidt tot een verkeersgeneratie van ongeveer 191 verkeersbewegingen per etmaal. Dit aantal is door [appellant sub 2] niet bestreden. Gelet op dit aantal heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan leidt tot een beperkte toename van gemotoriseerd verkeer. Wat betreft de omliggende wegenstructuur, heeft de raad erkend dat deze structuur niet aan de hedendaagse eisen voldoet, maar de raad heeft ook toegelicht dat deze wegenstructuur in de praktijk niet tot verkeersonveilige situaties leidt. Daarbij heeft de raad erop gewezen dat de straten in de omgeving van oudsher minder breed zijn, waardoor mensen hun rijsnelheid hierop aanpassen. Voorts geldt volgens de raad voor de wegen in de omgeving van het plangebied een maximumsnelheid van 30 km per uur. Gelet op voornoemde omstandigheden alsmede de beperkte toename van het gemotoriseerd verkeer als gevolg van het plan, heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er vanwege het plan geen onaanvaardbare gevolgen voor de verkeersveiligheid zullen zijn.

Voor zover [appellant sub 2] in dat kader nog heeft gewezen op de verkeerssituatie ter hoogte van de kruising van de Acacialaan met de Campherbeeklaan, heeft de raad ter zitting toegelicht dat in de huidige situatie op de hoek van die kruising een groene haag staat die het zicht sterk belemmert. Deze groene haag zal worden verwijderd. Verder zal het zicht door een andere groenaanleg en een nieuw te realiseren trottoir aan de Acacialaan volgens de raad verbeteren. Tevens is de bebouwing op grond van het voorliggende plan ten opzichte van het vorige bestemmingsplan "Berkum" nauwelijks dichter tegen de hoek van de kruising gesitueerd en geldt ook voor de Acacialaan en de Campherbeeklaan een maximumsnelheid van 30 km per uur, zodat verwacht mag worden dat het gemotoriseerd verkeer deze kruising rustig zal benaderen. De Afdeling ziet in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad had moeten oordelen dat het plan zal leiden tot een onevenredige aantasting van de verkeersveiligheid ter hoogte van de kruising van de Acacialaan met de Campherbeeklaan.

11.3.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad vanwege de verkeersveiligheid niet in redelijkheid het plan heeft kunnen vaststellen.

Het betoog slaagt niet.

Lichthinder

12. [appellant sub 2] voert aan dat het plan zal leiden tot meer lichthinder vanwege licht vanuit de voorziene appartementen en vanwege langsrijdend verkeer.

12.1.

De raad stelt dat het plangebied gesitueerd is in een bestaande bebouwde omgeving waarin hoofdzakelijk woningen aanwezig zijn. In de directe omgeving zijn geen bedrijfsmatige vorm van lichtbronnen, zoals verlichting bij sportvelden, aanwezig.

Ten aanzien van lichthinder veroorzaakt door koplampen stelt de raad dat de in het plan voorziene parkeerplaatsen op eigen terrein zijn opgenomen en dat voor deze parkeerplaatsen een in- en uitrit uitkomend op de Acacialaan is voorzien. Het autoverkeer gaat daar vervolgens op in het bestaande verkeersysteem. De woning van [appellant sub 2] ligt niet in het verlengde van die uitrit, zodat hij daar geen lichthinder van ondervindt.

12.2.

De Afdeling stelt vast dat de kortste afstand tussen de in het plan voorziene bouwvlakken en het perceel van [appellant sub 2] ongeveer 20 m bedraagt. De woning van [appellant sub 2] ligt verder schuin tegenover de beoogde uitrit voor het parkeerterrein. De raad heeft onderkend dat enige lichtuitstraling als gevolg van het plan niet valt uit te sluiten. De Afdeling is evenwel van oordeel dat, mede gelet op de beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen en de afstand tussen het appartementsgebouw en de woning van [appellant sub 2], de raad wat betreft dat lichtaspect zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat ter zake geen onaanvaardbare situatie zal ontstaan. Hierbij heeft de raad in redelijkheid kunnen betrekken dat sprake is van een stedelijke omgeving, waarbij het geconfronteerd worden met licht vanwege nabijgelegen woningen of autoverkeer niet geheel valt te voorkomen.

Gelet op het voorgaande heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling bij de afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de lichtuitstraling die [appellant sub 2] vanwege het plan ondervindt, niet zodanig is dat er in zoverre geen sprake is van een goede ruimtelijke ordening.

Het betoog slaagt niet.

Geluid

13. [appellant sub 2] stelt dat het plan leidt tot een toename van het verkeer in de omgeving. Dit heeft volgens hem tot gevolg dat ter plaatse van zijn woning sprake zal zijn van onaanvaardbare geluidhinder.

[appellant sub 1] voert aan dat aan de gronden in het zuidoostelijke deel van het plangebied de aanduiding ‘parkeerterrein’ is toegekend. Volgens [appellant sub 1] zal hij in zijn woning en tuin onaanvaardbare geluidhinder ondervinden van het geluid vanwege startende en rijdende auto’s op het parkeerterrein. Het aan het plan ten grondslag gelegde geluidonderzoek is naar de mening van [appellant sub 1] in dit kader niet deugdelijk te achten. Volgens hem is er ten onrechte geen onderzoek verricht naar die geluidhinder. Daarbij stelt hij dat het geluidonderzoek volgens hem niet representatief is voor de maximale mogelijkheden die het plan biedt, omdat de geluidmeting niet tijdens de meest drukke tijden heeft plaatsgevonden.

13.1.

De raad stelt dat het plan niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat vanwege het wegverkeersgeluid. Volgens de raad zal de hoeveelheid verkeer als gevolg van het plan slechts beperkt toenemen. De raad verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt naar een ongedateerd akoestisch onderzoek van de Omgevingsdienst IJsselland (hierna: het akoestisch onderzoek).

De raad stelt verder dat het gebruik van de parkeerplaatsen niet bedrijfsmatig van aard is, maar uitsluitend bedoeld is voor de bewoners en bezoekers van het appartementsgebouw. Het gebruik van de parkeerplaats is daarmee volgens de raad overeenkomstig het gebruik van het gebied waarin het plan wordt gerealiseerd. Van onaanvaardbare geluidhinder is volgens de raad geen sprake. De raad verwijst hierbij naar het akoestisch onderzoek.

13.2.

In het akoestisch onderzoek is op basis van het geluidmodel "Omgevingsmodel wegverkeer_EU GBK 2016-2035" van de gemeente Zwolle een inschatting gemaakt van de gevolgen van het plan voor de geluidbelasting in de omgeving. Daarbij is uitgegaan van een toename van gemiddeld 191 motorvoertuigen per etmaal. Uit het akoestisch onderzoek komt naar voren dat als gevolg van die extra voertuigbewegingen en parkeerbewegingen in de worst case situatie sprake is van een toename van de geluidbelasting op omliggende woningen van 0 tot 2 dB. Verder vermeldt het akoestisch onderzoek dat na aftrek op grond van artikel 110g van de Wet geluidhinder, geen overschrijding plaatsvindt van de voorkeurgrenswaarde van 48 dB voor wegverkeerslawaai.

In een bijlage bij het akoestisch onderzoek zijn tevens een tweetal kaarten opgenomen. Op deze kaarten is het geluidniveau vanwege het wegverkeer en het parkeren in de huidige situatie en de in het plan voorziene situatie weergegeven. De woningen van [appellant sub 2] en [appellant sub 1] zijn daarbij als meetpunten gehanteerd. Uit deze kaarten komt naar voren dat het geluidniveau vanwege het wegverkeer en de parkeerbewegingen ter plaatse van die woningen met maximaal 2 dB toeneemt.

13.3.

De Afdeling overweegt dat [appellant sub 2] en [appellant sub 1] geen concrete gegevens hebben overgelegd waaruit naar voren komt dat de bevindingen in het akoestisch onderzoek zodanige gebreken dan wel leemtes in kennis vertonen, dat de raad zich daarop niet heeft kunnen baseren. Gezien de bevindingen in het akoestisch onderzoek, is de Afdeling van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de hoeveelheid verkeer als gevolg van het plan slechts beperkt toeneemt en dat deze toename niet leidt tot onaanvaardbare geluidhinder ter plaatse van de woningen van [appellant sub 2]. Verder is de Afdeling van oordeel dat de raad zich gezien de bevindingen in het akoestisch onderzoek, in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat vanwege het geluid van parkeerbewegingen geen onaanvaardbare geluidhinder ter plaatse van de woning en de tuin van [appellant sub 1] zal ontstaan. Waar [appellant sub 1] stelt dat het akoestisch onderzoek niet representatief is, omdat de geluidmeting niet tijdens de meest drukke tijden heeft plaatsgevonden, overweegt de Afdeling dat het vaststellen van de geluidsbelasting aan de hand van een rekenmodel een geaccepteerde methode is. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen reden voor het oordeel dat het geluidniveau in dit geval niet met een representatief te achten methode is bepaald.

13.4.

Gelet op het voorgaande, ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad vanwege onaanvaardbare geluidhinder als gevolg van het wegverkeer en parkeerbewegingen, niet in redelijkheid het plan heeft kunnen vaststellen.

Het betoog slaagt niet.

Stikstof

14. [appellant sub 1] voert aan dat het aan het plan ten grondslag gelegde rapport van 3 oktober 2019 van Tauw geen uitsluitsel geeft over de emissie van stikstof in de aanlegfase van het appartementsgebouw. Volgens [appellant sub 1] is gelet hierop niet aangetoond dat het plan niet zal leiden tot een toename van stikstofdepositie.

14.1.

Ingevolge artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

14.2.

Het betoog van [appellant sub 1] strekt tot een beroep op de normen uit de Wet natuurbescherming (Wnb). De bepalingen in de Wnb over de beoordeling van plannen die gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied strekken ter bescherming van het behoud van de natuurwaarden in deze gebieden. Het is vaste jurisprudentie van de Afdeling dat de individuele belangen van burgers bij het behoud van een goede kwaliteit van hun leefomgeving, waarvan een Natura 2000-gebied deel uitmaakt, zo verweven kunnen zijn met het algemene belang dat de Wnb beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen (zie de overzichtsuitspraak van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, rechtsoverwegingen 10.51-10.52). Die situatie doet zich hier niet voor. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht ligt namelijk op 700 m afstand. Het Natura 2000-gebied behoort dus niet tot de woon- en leefomgeving van [appellant sub 1]. De normen in de Wnb waarop [appellant sub 1] zich beroept, strekken daarom kennelijk niet tot bescherming van zijn belangen.

Bezonning

15. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat het plan zal leiden tot een substantiële afname van zonlicht op hun woningen. Zij voeren in dat kader aan dat het aan het plan ten grondslag gelegde bezonningsstudie ondeugdelijk is te achten. Volgens hen is in de bezonningsstudie ten onrechte uitgegaan van de "lichte" TNO-norm. De raad had in dit geval de "strenge" TNO-norm voor bezonning moeten hanteren. [appellant sub 2] stelt hierbij verder dat de raad ten onrechte niet de ‘donkere’ maanden november, december en januari in de bezonningsstudie heeft opgenomen.

15.1.

De raad stelt dat sprake is van een aanvaardbare bezonningssituatie. De raad wijst erop dat het plan voldoet aan de "lichte" TNO-norm.

15.2.

De Afdeling overweegt dat voor de bezonning van woningen geen wettelijke normen bestaan. Dat neemt niet weg dat in het kader van de vaststelling van een bestemmingsplan een afweging dient plaats te vinden van alle bij het gebruik van de gronden betrokken belangen.

Ten behoeve van het plan is voor het appartementsgebouw de bezonningsstudie "Ontwikkeling locatie Emmaüskerk Berkum" (hierna: de bezonningsstudie) met peildatum 2 november 2017 uitgevoerd om te bepalen welke schaduweffecten de voorziene ontwikkeling heeft op de bestaande bebouwing in de omgeving. Daarbij is getoetst aan de "lichte" TNO-norm.

In de bezonningsstudie is de schaduwwerking van het voorziene appartementsgebouw in kaart gebracht op drie verschillende tijdstippen, namelijk 09:00, 12:00 en 15:00 uur op de data 19 februari, 21 juni en 21 oktober. Volgens de bezonningsstudie vindt op alle gemeten dagen een toename plaats van schaduwwerking ten opzichte van de bestaande situatie. Er wordt volgens de bezonningsstudie voldaan aan de ‘lichte’ TNO-norm van minimaal twee uur zon per dag.

15.3.

Uit de bezonningsstudie volgt dat voor de woningen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] voldaan wordt aan de "lichte" TNO-norm, omdat bij die woningen sprake is van minimaal 2 uur bezonningsuren per etmaal in de periode van 19 februari tot en met 21 oktober.

Voor zover [appellant sub 2] en [appellant sub 1] stellen dat ten onrechte niet de "strenge" TNO-norm is toegepast, ziet de Afdeling geen aanleiding om hen hierin te volgen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad in redelijkheid kunnen kiezen voor toepassing van de ‘lichte’ TNO-norm, omdat het niet ongebruikelijk is dat deze norm wordt toegepast bij woningen die in een stedelijke omgeving liggen.

Waar [appellant sub 2] stelt dat in de bezonningsstudie ten onrechte geen onderzoek is verricht naar de bezonning van omliggende bebouwing in de maanden november, december en januari, overweegt de Afdeling dat de ‘lichte’ TNO-norm geen betrekking heeft op die maanden. De raad heeft dan ook voor de vraag of voldaan wordt aan de ‘lichte’ TNO-norm mogen afzien van een onderzoek naar de bezonning van woningen in die maanden.

15.4.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in het aangevoerde geen grond voor het oordeel dat de bezonningsstudie onzorgvuldig tot stand is gekomen. De raad heeft, onder verwijzing naar de bezonningsstudie, zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de gevolgen voor de bezonning van de omliggende woningen aanvaardbaar zijn. Daarbij heeft de raad ook in redelijkheid gewicht kunnen toekennen aan de omstandigheid dat op grond van het vorige bestemmingsplan "Berkum" op de gronden van het plangebied reeds een hoofdgebouw met een hoogte van 11 m was toegestaan.

Het betoog slaagt niet.

Privacy

16. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat het plan leidt tot een onevenredige aantasting van hun privacy, omdat er vanaf de balkons van de appartementen direct zicht zal zijn op hun woon- en slaapkamer(s).

16.1.

Artikel 3.2.2 van de planregels luidt:

"Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

[…];

c. ter plaatse van de ‘specifieke bouwaanduiding - overbouwing’ mogen balkons en overbouwingen boven de tuinen ten behoeve van de bestemming Wonen - Meergezinshuis worden gerealiseerd, met dien verstande dat de diepte niet meer dan de aangeduide grens mag bedragen".

16.2.

Gelet op de afstand tussen het appartementsgebouw en de woningen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2], is enige beïnvloeding van hun privacy naar het oordeel van de Afdeling niet uit te sluiten. De Afdeling stelt evenwel vast dat de kortste afstand tussen de gronden met de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - overbouwing" en het perceel van [appellant sub 2] ongeveer 20 meter bedraagt. Een dergelijke afstand tussen woongebouwen (met balkons) is niet ongebruikelijk in een stedelijke omgeving. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de beïnvloeding van de privacy van [appellant sub 2] niet zodanig is dat er in zoverre geen sprake is van een goede ruimtelijke ordening.

De Afdeling stelt verder vast dat de kortste afstand tussen het perceel van [appellant sub 1] en de gronden met de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - overbouwing" ongeveer 7 meter bedraagt. De raad heeft in dit kader gesteld dat hij zich ervan bewust is dat het appartementsgebouw direct naast het perceel van [appellant sub 1] ligt. Om die reden is volgens de raad ervoor gekozen om aan de gronden ter hoogte van de oostelijke zijde van de bouwvlakken van het plan, naast het perceel van [appellant sub 1], geen aanduiding "specifieke bouwaanduiding - overbouwing" toe te kennen. Hierdoor is de bouw van balkons aan die zijde niet mogelijk en zal er vanaf die zijde geen zicht vanaf een balkon op het perceel van [appellant sub 1] zijn.

16.3.

Gelet daarop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad vanwege de privacy van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] niet in redelijkheid het plan heeft kunnen vaststellen.

Het betoog slaagt niet.

Stedenbouwkundige bezwaren

17. [appellant sub 2] en [appellant sub 1] betogen dat het plan leidt tot een onevenredige aantasting van het stedenbouwkundig beeld van de wijk Berkum. Zij betogen dat de wijk Berkum een dorpse karakter heeft en dat de voorziene hoogbouw niet strookt met dat dorpse karakter, wat getypeerd wordt door veel laagbouwwoningen met tuinen in lage dichtheden.

[appellant sub 2] merkt hierbij op dat de raad ten onrechte de locatie van het appartementsgebouw als markant en beeldbepalend heeft aangemerkt. Verder verhoudt de toegestane hoogbouw zich volgens hem niet tot de omgeving met veel laagbouw en staat de raad volgens hem ten onrechte met een enkele verwijzing naar een passage uit het uit 2008 daterende Structuurplan, deze hoogbouw met 4 bouwlagen toe. [appellant sub 2] stelt verder dat met het plan ten onrechte rooilijnen worden overschreden.

17.1.

De raad stelt dat het voorziene appartementsgebouw vanuit stedenbouwkundig oogpunt past in de omgeving. Verder doet het appartementsgebouw volgens de raad geen afbreuk aan het dorpse karakter van de omgeving.

17.2.

In paragraaf 3.1 en 3.1.2 van de plantoelichting is ingegaan op de stedenbouwkundige situatie van de locatie.

Paragraaf 3.1 vermeldt dat kenmerkend voor de stedenbouwkundige opzet van de omgeving van het plangebied, de aanwezige groenstrook en de teruggeschoven rooilijn van de woningen zijn. Verder is volgens de plantoelichting kenmerkend het samenhangend stedenbouwkundig ensemble van woningen en kerk. Voor een nieuwe invulling van de locatie moet recht worden gedaan aan de oorspronkelijke samenhang tussen woonbebouwing en deze locatie, de ruime en groene planopzet en het maken van een architectonische verbijzondering te op de kop van de Campherbeeklaan en de Acacialaan.

In paragraaf 3.1.2 van de plantoelichting zijn vervolgens de stedenbouwkundige uitgangspunten voor het plan beschreven, waarbij onder andere is ingegaan op de rooilijnen, de hoofdmassa van de bebouwing, de bouwhoogte en de kapvorm van de voorziene bebouwing.

Volgens de plantoelichting sluiten de rooilijnen van het plan goed aan op de stedenbouwkundige opzet in het gebied en borgen zij de groene planopzet. De rooilijn aan de Campherbeeklaan benadrukt de naar voren geschoven ligging van het hoofdvolume van de bebouwing op de locatie van de voormalige kerk. De rooilijn ter plaatse van de direct aangrenzende woonbebouwing aan de Acacialaan is 4 meter teruggelegd ten opzichte van het bouwvlak, om de geleding in het bouwvolume te benadrukken en iets meer licht en ruimte te creëren in het smalle profiel van de Acacialaan.

Ten aanzien van de massaliteit van de voorziene bebouwing, is in de plantoelichting opgemerkt dat in het plan de kenmerkende massaopbouw met een hoekaccent dat lager wordt richting de belendende bebouwing ten opzichte van het vorige geldende bestemmingsplan wordt overgenomen. Op de hoek van de Campherbeeklaan met de Acacialaan wordt een volume geplaatst van 4 bouwlagen met aansluitend een vleugel van 3 bouwlagen aan de zijde van de Campherbeeklaan. Vanaf de Campherbeeklaan gezien, vormt het middendeel van 3 bouwlagen een verbinding tussen het kopdeel en het overige deel van 3 bouwlagen. Aan de Acacialaan wordt een min of meer losgekoppeld woonvolume gerealiseerd dat middels loopbruggen met het kopdeel in verbinding staat. De planopzet sluit hiermee volgens de plantoelichting aan bij het bebouwingsbeeld in de omgeving en doet door de geleding in meerdere bouwdelen, recht aan de schaal, de maat en het karakter van de locatie.

Wat betreft de bouwhoogte en de kapvorm van de voorziene bebouwing, vermeldt de plantoelichting dat de bouwhoogte in overeenstemming is met de op grond van het vorige bestemmingsplan "Berkum" toegestane maximale bouwhoogte, met uitzondering van het gedeelte gelegen aan de hoek van de Campherbeeklaan en de Acacialaan waar 4 bouwlagen kunnen worden gerealiseerd omdat daar een bouwhoogte van 14 m is toegestaan. Deze 4 lagen bebouwing worden volgens de plantoelichting ingezet om het hoekaccent vorm te geven en sluiten deze goed aan bij de oorspronkelijke stedenbouwkundige opzet. De bouwhoogtes zijn voorts volgens de plantoelichting in overeenstemming met de hoogbouwvisie in het Structuurplan, omdat de Campherbeeklaan 53-55 op de kaart met bouwhoogtezonering is opgenomen in de zone "Laag". Binnen deze zone is een maximale bouwhoogte tot 16 meter toegestaan. Tot slot vermeldt de plantoelichting over de kapvorm dat het appartementsgebouw wordt voorzien van kapvormige daken, waardoor aansluiting ontstaat met de woningen in de directe omgeving.

17.3.

De Afdeling is van oordeel dat de raad met het bovenstaande voldoende heeft gemotiveerd waarom hij het voorziene appartementsgebouw passend heeft geacht in de omgeving. Bij het bepalen van de stedenbouwkundige opzet heeft de raad blijkens de plantoelichting rekening gehouden met de omliggende bebouwing in de omgeving en heeft hij de bouwmassa, bouwhoogtes en rooilijnen daarop ook afgestemd.

Waar [appellant sub 2] stelt dat de raad ten onrechte de locatie van het appartementsgebouw als markant en beeldbepalend heeft aangemerkt, is naar het oordeel van de Afdeling in de plantoelichting genoegzaam gemotiveerd waarom de raad de betrokken locatie als zodanig heeft kunnen aanmerken.

Met betrekking tot de bezwaren van [appellant sub 2] over de bouwhoogte van het appartementsgebouw en de omstandigheid dat bebouwing met 4 bouwlagen is toegestaan, overweegt de Afdeling dat in de plantoelichting is beschreven waarom in het plan gekozen is voor de voornoemde maximale bouwhoogtes. Deze bouwhoogtes zijn bovendien in overeenstemming met de hoogbouwvisie die is genoemd in het Structuurplan. De raad heeft dan ook in redelijkheid kunnen kiezen voor de in het plan toegestane maximale bouwhoogtes. Tot slot heeft de raad vanwege stedenbouwkundige redenen in redelijkheid kunnen kiezen om bebouwing met 4 bouwlagen op de hoek van de Campherbeeklaan met de Acacialaan toe te staan om, zoals uit de plantoelichting naar voren komt, hiermee een hoekaccent aan te brengen.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad vanwege de stedenbouwkundige opzet van het plan alsmede het dorpse karakter van Berkum, niet in redelijkheid het plan heeft kunnen vaststellen.

Het betoog slaagt niet.

Groen

18. [appellant sub 2] voert aan dat het plan ten onrechte voorziet in te weinig groenvoorzieningen. Daarbij wijst hij erop dat vanwege het bouwplan twee bomen aan de Acacialaan moeten worden gekapt.

18.1.

In paragraaf 3.5.2 van de plantoelichting is vermeld dat in het Structuurplan wegen zijn aangegeven, waarlangs structuurgroen gewenst is. Tot deze wegen behoort volgens de plantoelichting ook de Campherbeeklaan. Om het groen verder te versterken zal bij elke nieuwe ontwikkeling getracht worden om groene voorterreinen te realiseren. Met de initiatiefnemer zijn volgens de plantoelichting afspraken gemaakt over de gewenste groeninrichting van het terrein.

18.2.

De raad heeft toegelicht dat in het ontwerp van het buitenterrein is gezocht naar aan balans tussen de ruimte voor parkeerplaatsen en groen. Met de gekozen indeling is er volgens de raad ruimte voor een riante groenstrook aan de straatzijden en tussen het appartementsgebouw en het parkeerterrein aan de achterzijde. Daarnaast wordt de ruimte aan de oostzijde van het gebouw en ten zuiden van het parkeerterrein op het achtererf gereserveerd voor een groene invulling.

De Afdeling stelt vast dat in het plan rondom de bouwvlakken aan de gronden van het plangebied de bestemming "Tuin" is toegekend. Deze bestemming staat niet in de weg aan de aanleg van groenvoorzieningen. Gelet op de omvang van de gronden met de bestemming "Tuin" alsmede de hiervoor weergegeven toelichting van de raad, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan voorziet in voldoende groenvoorzieningen.

Waar [appellant sub 2] stelt dat vanwege het plan twee bomen aan de Acacialaan worden gekapt, overweegt de Afdeling dat de raad ter zitting heeft aangegeven dat deze bomen niet monumentaal zijn en er ook geen verplichting aanwezig is om deze bomen te behouden. De door [appellant sub 2] genoemde bomen staan dan ook volgens de raad niet aan de uitvoering van het plan in de weg. De Afdeling ziet in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen.

Het betoog slaagt niet.

Bodem

19. [appellant sub 1] voert aan dat niet duidelijk is of ter plaatse van de gronden van het voorziene appartementsgebouw sprake is van met poly- en perfluoralkylstoffen (hierna: PFAS) vervuilde gronden. Daarbij stelt [appellant sub 1] dat het aan het plan ten grondslag gelegde verkennend bodemonderzoek van Van der Poel Milieu Advies B.V. (hierna: het bodemrapport) van april 2016 gedateerd is. Uit het bodemonderzoek kan volgens [appellant sub 1] niet worden opgemaakt of rekening is gehouden met de actuele ontwikkelingen rond PFAS.

19.1.

De Afdeling stelt voorop dat de vaststelling van de aanwezigheid van verontreinigingen in de bodem, de noodzaak van sanering van verontreinigde locaties en de wijze waarop deze saneringen moeten worden uitgevoerd, zijn geregeld in afzonderlijke wetgeving met eigen procedures, die thans niet ter beoordeling staan. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan met de daarin opgenomen bestemmingen niet had kunnen vaststellen indien en voor zover de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de aanwezigheid van bodemverontreiniging aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in de weg staat.

De raad heeft toegelicht dat de Omgevingsdienst IJsselland bodemonderzoek heeft laten uitvoeren voor de regio IJsselland om de lokale achtergrondwaarde voor PFAS vast te stellen. Uit dat onderzoek blijkt dat de lokale achtergrondwaarden in de regio IJsselland voor PFAS gelegen zijn onder de normwaarden voor wonen en industrie zoals deze zijn vastgelegd in het tijdelijk handelingskader dat door de minister van Infrastructuur en Waterstaat in 2019 is gepubliceerd en in de tussentijd is geactualiseerd. Verder heeft de raad erop gewezen dat in het bodemrapport is vermeld dat er op de betrokken locatie in het verleden geen activiteiten hebben plaatsgevonden op basis waarvan hoge gehalten aan PFAS verwacht kunnen worden.

19.2.

Gelet op deze door de raad genoemde omstandigheden, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de aanwezige bodemverontreiniging aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

Het betoog slaagt niet.

DE OMGEVINGSVERGUNNING

Toetsingskader

20. Artikel 2.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) luidt:

" Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

[…],

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,

[…".

Afstanden en maten

21. [ appellant sub 2] voert aan dat op de plattegrond horend bij het bouwplan geen afstanden en maten zijn genoemd. Hierdoor zijn volgens hem onder andere de omvang van het groen en de tuinen, de breedte van de parkeerplaatsen en de afstand van het appartementsgebouw tot de straat niet na te gaan. Een en ander leidt volgens [appellant sub 2] tot rechtsonzekerheid.

21.1.

De Afdeling begrijpt de beroepsgrond van [appellant sub 2] zo dat hij doelt op de bij de omgevingsvergunning horende situatietekening. Op die situatietekening is in het renvooi een schaal opgenomen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college terecht gesteld dat aan de hand van deze schaal de maatvoering van de door [appellant sub 2] genoemde objecten op juiste wijze kan worden nagegaan. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de omgevingsvergunning in strijd met de rechtszekerheid is verleend.

Het betoog slaagt niet.

Welstand

22. [appellant sub 2] voert aan dat de omgevingsvergunning in strijd met de redelijke eisen van welstand is verleend. [appellant sub 2] stelt in dat kader dat het bouwplan buitenproportioneel is en qua bouwstijl in grote mate afwijkt van de stijl van de bestaande bebouwing in het centrum van Berkum. Gelet op de Welstandsnota 2019 van de gemeente Zwolle (hierna: de Welstandsnota) vindt [appellant sub 2] het onbegrijpelijk dat de welstandscommissie met het bouwplan akkoord is gegaan.

22.1.

Het college heeft erop gewezen dat de welstands-/monumentencommisie Het Oversticht (hierna: de welstandscommissie) een positief advies heeft gegeven over het bouwplan.

Hoewel het college niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, mag het bij het nemen van zijn besluit op dat advies afgaan. Dat mag het doen, nadat het heeft nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Awb voor de wettelijk adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs. Het overnemen van een welstandsadvies behoeft in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders als de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies van een andere deskundig te achten persoon of instantie heeft overgelegd of gemotiveerd heeft aangevoerd dat het welstandsadvies in strijd is met de geldende welstandscriteria of anderszins onjuist dan wel onvolledig is.

22.2. [

appellant sub 2] heeft geen advies van een deskundige overgelegd en niet gemotiveerd aangevoerd dat het welstandsadvies in strijd is met de criteria zoals die zijn genoemd in de Welstandsnota. De enkele stelling van [appellant sub 2] dat het gezien de Welstandsnota, onbegrijpelijk is dat de welstandscommissie akkoord is gegaan met het bouwplan, is niet voldoende voor het oordeel dat het welstandsadvies ondeugdelijk is.

22.3.

Gelet op het voorgaande mocht het college zich bij de verlening van de omgevingsvergunning baseren op het welstandsadvies.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie

23. Gelet op het voorgaande zijn de beroepen ongegrond.

Proceskosten

24. De raad en het college hoeven geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D. Tieleman, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 28 april 2021

817.