Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:899

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-04-2021
Datum publicatie
28-04-2021
Zaaknummer
201905638/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 oktober 2016 heeft de minister van Infrastructuur en Waterstaat [appellant] een schadevergoeding van € 16.250,00, te vermeerderen met de wettelijke rente, toegekend. [appellant] is sinds 21 november 1977 eigenaar van de woning aan de [locatie] te [plaats]. De woning is gelegen in de nabijheid van de A1. [appellant] heeft de minister verzocht om vergoeding van de schade die hij heeft geleden als gevolg van het besluit van 21 maart 2011 tot vaststelling van het Tracébesluit weguitbreiding Schiphol-Amsterdam-Almere en het besluit van 23 september 2014 tot wijziging van dat tracébesluit. Het Tracébesluit 2011 voorziet onder meer in de verbreding van de A1 en de aanleg van een busbaan ter hoogte van de woning. Het Tracébesluit 2014 voorziet onder meer in de aanleg van een nieuwe spoorbrug over de A1 ter hoogte van de woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201905638/1/A2.

Datum uitspraak: 28 april 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

de minister van Infrastructuur en Waterstaat,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 10 oktober 2016 heeft de minister [appellant] een schadevergoeding van € 16.250,00, te vermeerderen met de wettelijke rente, toegekend.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 15 juli 2019 heeft de minister het besluit van 10 oktober 2016 herroepen, maar de rechtsgevolgen ervan in stand gelaten. Tevens heeft de minister het verzoek om vergoeding van de proceskosten afgewezen.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De minister heeft een nader stuk ingediend.

[appellant] heeft eveneens een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 april 2021, waar [appellant], in persoon, en de minister, vertegenwoordigd door mr. R.J.A. Soupart en mr. R.J.J. Haans, zijn verschenen.

Overwegingen

1.       [appellant] is sinds 21 november 1977 eigenaar van de woning aan de [locatie] te [plaats] (hierna: de woning). De woning is gelegen in de nabijheid van de A1.

2.       [appellant] heeft de minister verzocht om vergoeding van de schade die hij heeft geleden als gevolg van het besluit van 21 maart 2011 tot vaststelling van het Tracébesluit weguitbreiding Schiphol-Amsterdam-Almere (hierna: het Tracébesluit 2011) en het besluit van 23 september 2014 tot wijziging van dat tracébesluit (hierna: het Tracébesluit 2014). Het Tracébesluit 2011 voorziet onder meer in de verbreding van de A1 en de aanleg van een busbaan ter hoogte van de woning. Het Tracébesluit 2014 voorziet onder meer in de aanleg van een nieuwe spoorbrug over de A1 ter hoogte van de woning. Aan de aanvraag heeft [appellant] ten grondslag gelegd dat hij schade heeft geleden in de vorm van waardevermindering van de woning en aantasting van het woongenot tijdens de uitvoeringswerkzaamheden.

besluit van 10 oktober 2016

3.       De minister heeft de aanvraag van [appellant] behandeld met toepassing van de Beleidsregel Nadeelcompensatie Infrastructuur en Milieu 2014 (hierna: de beleidsregel). De minister heeft een commissie als bedoeld in artikel 15 van de beleidsregel ingesteld en mr. B.S. Ten Kate (hierna: Ten Kate) benoemd als enig lid van de commissie. Ten Kate heeft zich laten bijstaan door taxateur P. Beudeker (hierna: Beudeker). De minister heeft het advies van Ten Kate van 27 mei 2016 aan het besluit van 10 oktober 2016 ten grondslag gelegd. In dit advies is het volgende vermeld.

waardevermindering van de woning

3.1.    Om te kunnen vaststellen of de door [appellant] gestelde waardevermindering van de woning een gevolg is van de tracébesluiten, wordt onderzocht of hij door de inwerkingtreding van de tracébesluiten in een nadeliger planologische situatie is komen te verkeren. Dat is het geval als de planologische mogelijkheden door de inwerkingtreding van de tracébesluiten in zijn nadeel zijn gewijzigd.

Indien, zoals hier, sprake is van meerdere elkaar opvolgende planologische besluiten, wordt in beginsel voor iedere planologische maatregel een vergelijking met het aan de inwerkingtreding van die maatregel voorgaande planologische regime gemaakt. Dat is echter niet het geval wanneer de planologische besluiten dusdanig met elkaar verknoopt zijn dat zij als één planologische maatregel kunnen worden beschouwd. Ten aanzien van het Tracébesluit 2011 en het Tracébesluit 2014 is sprake van verknooptheid, omdat het Tracébesluit 2014 tot doel om het Tracébesluit 2011 zodanig aan te passen, dat de daarin beschreven infrastructurele maatregelen uitvoerbaar zijn. Daarom wordt een vergelijking gemaakt tussen de situatie voorafgaand aan de inwerkingtreding van het Tracébesluit 2011 (op 31 maart 2011) en de situatie na de inwerkingtreding van het Tracébesluit 2014 (op 1 oktober 2014). Uit deze vergelijking volgt dat [appellant] in een nadeliger planologische situatie is komen te verkeren.

3.2.    Om te kunnen vaststellen of die planologische verslechtering ook tot waardevermindering van de woning heeft geleid, is een vergelijking gemaakt tussen de waarde van de woning vóór de inwerkingtreding van het Tracébesluit 2011 en de waarde van de woning na de inwerkingtreding van het Tracébesluit 2014, waarbij voor beide situaties is uitgegaan van de maximale invulling van de op dat moment bestaande planologische mogelijkheden en 1 oktober 2014 als peildatum heeft te gelden. Ten Kate heeft Beudeker verzocht de omvang van de schade te taxeren. In een taxatierapport van 22 december 2015 is Beudeker tot de conclusie gekomen dat de waarde van de woning op de peildatum van € 645.000,00 naar € 605.000,00 is gedaald. Ten Kate kan zich met de inhoud van dit rapport verenigen en heeft de inhoud ervan tot onderdeel van het advies gemaakt.

aantasting van het woongenot

3.3.    Het nadeel dat [appellant] ondervindt als gevolg van de uitvoering van de werkzaamheden is van tijdelijke aard. Het komt alleen voor vergoeding in aanmerking, wanneer duur, intensiteit en omvang van de hinder van dien aard zijn, dat deze het normale maatschappelijke risico te boven gaan.

3.4.    De omvang van het gederfde woongenot als gevolg van de tijdelijke hinder is bepaald door de huurwaarde van de woning na voltooiing van het project te vergelijken met de huurwaarde van de woning op het moment dat de tijdelijke hinder wordt ondervonden. Ten Kate heeft Beudeker gevraagd de huurwaarde van de woning in beide situaties te bepalen. Volgens Beudeker is de huurwaarde van de woning tijdens de uitvoering van de werkzaamheden € 500,00 per maand lager. Ten Kate heeft deze taxatie overgenomen.

3.5.    In de periode van maart 2015 tot en met oktober 2016 is [appellant] geconfronteerd met overlast van werkzaamheden die uitgaat boven de overlast van de al aanwezige infrastructuur. Ten Kate heeft de tijdelijke afname van de huurwaarde berekend op € 10.000,00 (20 maanden - maart 2015 tot en met oktober 2016 - maal € 500,00).

omvang van het normale maatschappelijke risico

3.6.    Gezien de ligging van de woning nabij onder meer de A1 en de te verwachten toename in verkeersdrukte, was er voor [appellant] redelijke grond om rekening te houden met het risico dat de infrastructuur nabij de woning wordt uitgebreid. Daarom stelt Ten Kate voor een aftrek toe te passen van 5 procent van de waarde van de woning voorafgaande aan de peildatum. De aftrek is gelijk aan € 32.250,00 (5 procent van € 645.000,00).

3.7.    Bij het bepalen van de omvang van het normale maatschappelijke risico bij de aantasting van het woongenot is betrokken dat [appellant] gedurende een periode van 20 maanden overlast heeft ondervonden, dat de tijdelijk toegenomen geluidoverlast ook in de nacht heeft plaatsgevonden en dat de woning ook voorafgaand aan de uitvoeringswerkzaamheden was gelegen in een gebied dat onder invloed stond van grote infrastructurele werken. Uit deze omstandigheden is de conclusie getrokken dat 15 procent van de verminderde huurwaarde als gevolg van de werkzaamheden voor rekening van [appellant] blijft. Dit is € 1.500,00 (15 procent van de huurwaardevermindering van € 10.000,00 gedurende een periode van 20 maanden).

tegemoetkoming in de schade

3.8.    Ten Kate stelt voor om [appellant] tegemoetkomingen toe te kennen van € 7.750,00 (de waardevermindering van de woning van € 40.000,00 minus de aftrek van € 32.250,00) en € 8.500,00 (de huurwaardevermindering in de schadeperiode van € 10.000,00 minus de aftrek van € 1.500,00), te vermeerderen met de wettelijke rente.

besluit van 15 juli 2019

4.       De minister heeft [appellant] bij e-mail van 16 december 2016 meegedeeld dat aan Ten Kate de schijn van partijdigheid kleeft. De minister heeft vervolgens opnieuw een commissie als bedoeld in artikel 15 van de beleidsregel ingesteld en mr. dr. O.M. Te Rijdt (hierna: Te Rijdt) benoemd als enig lid van de commissie. In het advies van Te Rijdt van 28 februari 2018 is het volgende vermeld.

waardevermindering van de woning

4.1.    De reden voor het vaststellen van het Tracébesluit 2014 is uitsluitend gelegen in het mogelijk maken van de uitvoering van het Tracébesluit 2011. Hoewel dit wijst op een nauwe verwevenheid tussen deze besluiten, is, mede gezien de uitspraak van de Afdeling van 23 maart 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:795), sprake van twee planologische regimes.

4.2.    De bekendmaking van het Tracébesluit 2011 heeft plaatsgevonden op 30 maart 2011. Dit is de peildatum voor het ontstaan van schade als gevolg van de verbreding van de A1. De bekendmaking van het Tracébesluit 2014 heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2014. Dit is de peildatum voor het ontstaan van schade als gevolg van de aanleg van de nieuwe spoorbrug. De aanleg van de nieuwe spoorbrug heeft geleid tot een waardevermindering van de woning door een aantasting van het uitzicht. Dit is echter, anders dan in het advies van Ten Kate is vermeld, geen gevolg van het Tracébesluit 2014, maar van het bestemmingsplan Landelijk gebied Muiden van 4 juni 2013. Voor [appellant] maakt dat verder niets uit. Dit kan immers niet leiden tot het verlagen van de bij besluit van 10 oktober 2016 vastgestelde tegemoetkoming, omdat [appellant] daardoor in een slechtere positie wordt gebracht dan het geval zou zijn geweest, indien hij geen rechtsmiddelen tegen dat besluit had aangewend.

4.3.    De verbreding van de A1 ter hoogte van Muiderberg is een normale maatschappelijke ontwikkeling die past binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving en het ruimtelijke beleid. De omvang van het normale maatschappelijke risico is gelijk aan 5 procent van de waarde van de woning. Hierbij wordt in aanmerking dat de A1 slechts 12 m is opgeschoven in de richting van de woning, op een afstand van 180 meter.

aantasting van het woongenot

4.4.    Te Rijdt heeft voor het vaststellen van de tegemoetkoming voor gederfd woongenot als gevolg van tijdelijke hinder een andere methode gehanteerd dan Ten Kate. Waar Ten Kate een korting van 15 procent heeft toegepast op de verminderde huurwaarde, heeft Te Rijdt als uitgangspunt gehanteerd dat de overlast die [appellant] door de uitvoeringswerkzaamheden heeft ondervonden gedurende negen maanden voor zijn rekening wordt gelaten wegens het normale maatschappelijke risico. Verder is van belang dat Rijkswaterstaat van 12 september 2016 tot 12 juli 2017 een vervangende woonruimte voor [appellant] heeft gehuurd in Amsterdam. Over deze periode is tegemoetkoming in de schade grotendeels of geheel anderszins verzekerd.

4.5.      Te Rijdt heeft geen aanleiding gezien voor verhoging van de aan [appellant] toegekende tegemoetkoming. Te Rijdt zou, mede gelet op de jurisprudentie van de Afdeling, een hogere aftrek wegens het normale maatschappelijke risico hebben toegepast dan Ten Kate in het advies van 27 mei 2016 heeft gedaan. Omdat [appellant] niet in een slechtere positie mag komen te verkeren dan het geval zou zijn geweest, indien hij geen rechtsmiddelen tegen het besluit van 10 oktober 2016 had aangewend, is die hogere aftrek echter niet aan de orde, aldus Te Rijdt.

5.       De minister heeft [appellant] op 9 april 2019 over het bezwaar gehoord. Van de hoorzitting is een verslag opgemaakt.

6.       De minister heeft het advies van Te Rijdt van 28 februari 2018 aan het besluit van 15 juli 2019 ten grondslag gelegd.

beroep

7.       [appellant] is het er niet mee eens dat de minister de bij besluit van 10 oktober 2016 toegekende schadevergoeding niet heeft verhoogd. In zijn beroepschrift van 25 juli 2019, gelezen in samenhang met zijn bezwaarschrift van 11 december 2016 en zijn aanvullend bezwaarschrift van 9 april 2018, heeft hij een aantal beroepsgronden tegen het besluit van 15 juli 2019 aangevoerd.

Ter zitting van de Afdeling heeft [appellant] de beroepsgronden met betrekking tot de planologische vergelijking, de omvang van het normale maatschappelijke risico, de duur van de schadeperiode en de samenstelling van de commissie als bedoeld in artikel 15 van de Beleidsregel ingetrokken. Verder heeft hij gronden met betrekking tot de aanvang van de schadeperiode aangevoerd.

8.       De Afdeling zal hierna eerst ingaan op het toetsingskader. Vervolgens zal zij de (resterende en nieuwe) beroepsgronden bespreken en afsluiten met een conclusie.

toetsingskader

9.       Het bestuursorgaan mag op het advies van een deskundige afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) voor de wettelijk adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs. Indien een partij concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het bestuursorgaan niet zonder nadere motivering op het advies afgaan. Zo nodig vraagt het bestuursorgaan de adviseur een reactie op wat over het advies is aangevoerd.

10.     Bij de waardering van onroerende zaken spelen niet alleen de taxatiemethode, maar ook de kennis en ervaring van de deskundige een rol. De bestuursrechter beoordeelt daarom slechts of het bestuursorgaan de taxatie in redelijkheid aan zijn besluit ten grondslag heeft mogen leggen. Verder moet de besluitvorming voldoen aan de eisen die het recht aan de zorgvuldigheid en de motivering stelt en moet de rechter toetsen of de besluitvorming aan die eisen voldoet.

taxatie van de waardevermindering van de woning

11.     [appellant] betoogt dat de minister heeft miskend dat in het taxatierapport van Beudeker ten onrechte de datum van inwerkingtreding van het Tracébesluit 2014 als peildatum voor de schadeberekening is gehanteerd. Hij voert aan dat voor potentiële kopers van de woning vanaf de terinzagelegging van de zogenoemde Startnotitie Hoofdwegverbinding Schiphol-Almere op 3 januari 2005 (hierna: de startnotitie) voorzienbaar was dat de planologische situatie ter plaatse in ongunstige zin zou veranderen. Dat betekent dat de waardevermindering van de woning op die datum heeft plaatsgevonden. De waarde in het kader van de toepassing van de Wet waardering onroerende zaken op 1 januari 2005 is vastgesteld op € 730.000,00. Daaruit valt af te leiden dat de woning op 3 januari 2005 minstens € 85.000,00 meer waard was dan in het taxatierapport van Beudeker is vermeld.

11.1.  Indien, zoals [appellant] heeft gesteld, de bekendmaking van de startnotitie een negatieve invloed op de waarde van de woning heeft gehad, kan dit niet leiden tot het oordeel dat bij de schadeberekening een verkeerde peildatum is gehanteerd. Die waardevermindering vloeit immers niet voort uit een tracébesluit als bedoeld in artikel 22 van de Tracéwet. Bij een aanvraag om schadevergoeding op grond van deze bepaling is de datum van inwerkingtreding van het desbetreffende tracébesluit peildatum voor het antwoord op de vraag of ten gevolge van dat tracébesluit schade is geleden.

Het betoog faalt.

12.     [appellant] betoogt verder dat hij een taxatierapport van taxateur mr. A.E.P. Vlaanderen (hierna: Vlaanderen) van 8 januari 2018 heeft overgelegd en dat in het besluit van 15 juli 2019 onvoldoende rekening is gehouden met dat taxatierapport.

12.1.  In dat taxatierapport is Vlaanderen tot de conclusie gekomen dat de waarde van de woning op de door Beudeker gehanteerde peildatum van 1 oktober 2014 is gedaald van € 1.000.000,00 naar € 600.000,00 en dat de huurwaarde van de woning op deze peildatum is gedaald van € 1.750,00 naar € 1.000,00 per maand. Voor de taxatie is als referentie gebruik gemaakt van verkoopcijfers met betrekking tot de panden aan de Noordpolderweg 1 te Muiden en de Amsterdamsestraatweg 75 te Naarden.

12.2.  In het advies van Te Rijdt is over het taxatierapport van Vlaanderen het volgende vermeld.

Te Rijdt heeft het taxatierapport aan Beudeker overgelegd. Beudeker heeft te kennen gegeven dat de onderbouwing van Vlaanderen met betrekking tot de waardestijgingen van woningen in de regio zeer ongebruikelijk is. Beudeker heeft voor zijn taxatie gebruik gemaakt van informatie van de NVM. Deze informatie is betrouwbaar en door eenieder geaccepteerd.

De door Vlaanderen aangedragen referentietransactie Noordpolderweg 1 Muiden is volgens Beudeker onvoldoende representatief. Dit pand is in september 2015 verkocht en heeft bijna twee jaar te koop gestaan. Verder is dit pand gelegen in een open groen gebied en aan water en gaat het bij dit pand om 26.750 m² grond. Over de Amsterdamsestraatweg 75 te Naarden heeft Beudeker opgemerkt dat hij dit pand zelf voor de vastgoedcrisis heeft getaxeerd in het kader van een minnelijke aankoop en dat dit daarom voor hem geen bruikbare referentie is.

          Beudeker acht de door Vlaanderen getaxeerde waarde van € 1.000.000,00 op de peildatum, gelet op de voorgaande overwegingen en het prijspeil van de waardering, onwaarschijnlijk hoog. Beudeker heeft geen aanleiding gezien om zijn taxatie aan te passen.

12.3.  De minister heeft het advies van 28 februari 2018 ten grondslag gelegd aan het besluit van 15 juli 2019. De minister heeft dus rekening gehouden met het rapport van Vlaanderen.

Dat tussen Beudeker en Vlaanderen een verschil van inzicht bestaat over de waardering van de schade, brengt niet met zich dat [appellant] aannemelijk heeft gemaakt dat de taxatie van Beudeker onzorgvuldig of onvolledig is geweest, dan wel dat Beudeker de omvang van de schade heeft onderschat. Uit het rapport van Vlaanderen blijkt niet van concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van de taxatie van Beudeker. In het betoog van [appellant] is geen grond te vinden voor het oordeel dat de minister die taxatie niet in redelijkheid aan de besluitvorming ten grondslag heeft kunnen leggen.

Het betoog faalt.

aanvang van de schadeperiode

13.     [appellant] betoogt dat de minister niet heeft onderkend dat de schadeperiode in november 2013 is aangevangen en niet, zoals in het advies van Te Rijdt is vermeld, in oktober 2014. Hij voert aan dat de bomen en struiken tussen de A1 en de woning in november 2013 zijn verwijderd en dat de geluidoverlast als gevolg van het verkeer op de A1 daardoor is toegenomen.

13.1.  In het advies van Ten Kate is de periode van maart 2015 tot en met oktober 2016 genomen als uitgangspunt bij de berekening van de tegemoetkoming in de door [appellant] geleden schade in de vorm van een aantasting van het woongenot. In de zienswijze naar aanleiding van het conceptadvies van Te Rijdt heeft [appellant] onder meer aangevoerd dat hij er prijs op stelt dat deze periode wordt uitgebreid van november 2013 tot en met oktober 2017. In het advies van 28 februari 2018 heeft Te Rijdt, in reactie op de zienswijze, vermeld dat hij in het kader van de advisering over verzoeken van andere bewoners van de Hakkelaarsbrug en directe omgeving een bruto-schadeperiode van 37 maanden, van oktober 2014 tot en met oktober 2017, heeft gehanteerd en dat hij geen aanleiding ziet om daarvan in het geval van [appellant] af te wijken.

13.2.  Uit het beroepschrift van 25 juli 2019, gelezen in samenhang met het bezwaarschrift van 11 december 2016 en het aanvullend bezwaarschrift van 9 april 2018, valt niet af te leiden dat [appellant] zich op het standpunt heeft gesteld dat de schadeperiode in november 2013 is aangevangen en dat het besluit van 15 juli 2019 daarom op een onjuist uitgangspunt is gebaseerd. [appellant] heeft dit standpunt voor het eerst ter zitting van de Afdeling ingenomen.

Naar het oordeel van de Afdeling is het pas ter zitting naar voren brengen van deze beroepsgrond in strijd met een goede procesorde. Zij neemt daarbij in aanmerking dat het, gelet op de aard van het aangevoerde, voor de minister niet mogelijk was ter zitting op een passende wijze te reageren. Verder valt niet in te zien waarom het voor [appellant] redelijkerwijs niet mogelijk was deze beroepsgrond eerder in beroep aan te voeren. Deze beroepsgrond wordt daarom niet bij de beoordeling van het besluit van 15 juli 2019 betrokken.

proceskosten in bezwaar

14.     [appellant] betoogt dat de minister ten onrechte heeft geweigerd een vergoeding toe te kennen voor de kosten die hij in verband met de behandeling van het bezwaar heeft gemaakt. Hij voert aan dat het besluit van 10 oktober 2016 wegens een aan de minister te wijten onrechtmatigheid is herroepen, omdat dat besluit is gebaseerd op het advies van Ten Kate, terwijl de minister wist of redelijkerwijs kon weten dat aan Ten Kate de schijn van partijdigheid kleeft.

14.1.  Niet in geschil is dat de minister, wegens het door [appellant] bedoelde gebrek, bij het nemen van het besluit van 10 oktober 2016 in strijd met artikel 3:2 van de Awb heeft gehandeld. Dit gebrek is aan de minister te wijten. Dat, naar de minister in het besluit van 15 juli 2019 heeft vermeld, het besluit van 10 oktober 2016 ambtshalve is herroepen, laat dus onverlet dat dit wegens een aan de minister te wijten onrechtmatigheid is gedaan. Dit betekent dat in het besluit van 15 juli 2019, gelet op artikel 7:15, tweede lid, van de Awb, onvoldoende is gemotiveerd dat er geen aanleiding bestaat voor het toekennen van een vergoeding van de kosten die [appellant] in verband met de behandeling van het bezwaar heeft gemaakt. Dat neemt niet weg, gelet op het volgende, dat de minister terecht geen vergoeding voor deze kosten aan [appellant] heeft toegekend.

14.2.  Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Awb, gelezen in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Bpb), kan de vergoeding uitsluitend betrekking hebben op de in artikel 1 van het Bpb limitatief opgesomde kosten. In de bijlage bij het Bpb is bepaald dat het bedrag van de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand wordt vastgesteld door aan de verrichte proceshandelingen punten toe te kennen overeenkomstig de in de bijlage opgenomen lijst (A) en die punten te vermenigvuldigen met de waarde per punt (B) en met de toepasselijke wegingsfactor (C).

14.3.  In bezwaar zijn geen proceshandelingen, als bedoeld in de bijlage bij het Bpb, verricht door een derde die zich beroepshalve bezighoudt met het verlenen van rechtsbijstand. [appellant] heeft zelf een bezwaarschrift ingediend en is zonder bijstand van een gemachtigde op de hoorzitting van 9 april 2019 verschenen.

De door [appellant] gestelde eigen kosten in bezwaar blijven voor zijn rekening. Deze kosten vallen immers niet binnen de limitatieve opsomming van kosten in artikel 1 van het Bpb, waarvoor de minister op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb een vergoeding kan toekennen.

Het betoog faalt.

conclusie

15.     Het beroep is ongegrond.

proceskosten

16.     De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. R.J.J.M. Pans en mr. B.P.M. van Ravels, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.       

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 28 april 2021

452.