Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:892

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-04-2021
Datum publicatie
28-04-2021
Zaaknummer
201908520/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 oktober 2019 heeft de raad van de gemeente Peel en Maas het bestemmingsplan "[locatie 1] te Helden" vastgesteld. Bij besluit van 8 oktober 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders van Peel en Maas een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bedrijfsgebouw aan de [locatie 2] te Helden verleend. Het plan maakt een kleinschalig bedrijventerrein mogelijk op het perceel van een voormalige glastuinbouwlocatie met bedrijfswoning. Het plangebied ligt naast het bestaande bedrijventerrein "Panningen" en vormt een uitbreiding van dat bedrijventerrein. De locatie van de bedrijfswoning heeft in het plan een woonbestemming gekregen. Het gedeelte van het plangebied dat een bedrijfsbestemming heeft gekregen, heeft drie bouwvlakken.Initiatiefnemer van de herontwikkeling is [partij], die haar bouwbedrijf naar het plangebied wil verplaatsen. De op 8 oktober 2019 verleende omgevingsvergunning heeft betrekking op de bouw van haar bedrijfsgebouw op het meest noordelijk gelegen bouwvlak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201908520/1/R1.

Datum uitspraak: 28 april 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.       [appellant sub 1], wonend te Helden, gemeente Peel en Maas,

2.       [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]), wonend te Helden, gemeente Peel en Maas,

appellanten,

en

1.       de raad van de gemeente Peel en Maas,

2.       het college van burgemeester en wethouders van Peel en Maas,

verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van 8 oktober 2019 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie 1] te Helden" vastgesteld.

Bij besluit van 8 oktober 2019 heeft het college een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bedrijfsgebouw aan de [locatie 2] te Helden verleend.

Deze besluiten zijn gecoördineerd voorbereid en bekendgemaakt met toepassing van artikel 3.30 van de Wet ruimtelijke ordening.

Tegen deze besluiten hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

[appellant sub 1], [appellant sub 2] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De raad en het college hebben een verweerschrift ingediend.

[partij A] en [partij B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [partij]) hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 maart 2021, waar [appellant sub 1], vergezeld door [gemachtigde A] en bijgestaan door mr. R.A.M. Verkoijen, advocaat te Helmond, [appellant sub 2], bijgestaan door mr. J.H.D. Elings, advocaat te Tilburg, en de raad en het college, beide vertegenwoordigd door drs. A.P. Langerak, zijn verschenen. Verder zijn als partij gehoord [partij], [partij C] en [partij D], alle vertegenwoordigd door [gemachtigde B] en mr. M.R.A. Arntz, rechtsbijstandverlener te Roermond.

Overwegingen

Inleiding

1.       Het plan maakt een kleinschalig bedrijventerrein mogelijk op het perceel van een voormalige glastuinbouwlocatie met bedrijfswoning. Het plangebied ligt naast het bestaande bedrijventerrein "Panningen" en vormt een uitbreiding van dat bedrijventerrein. De locatie van de bedrijfswoning heeft in het plan een woonbestemming gekregen. Het gedeelte van het plangebied dat een bedrijfsbestemming heeft gekregen, heeft drie bouwvlakken.

Initiatiefnemer van de herontwikkeling is [partij], die haar bouwbedrijf naar het plangebied wil verplaatsen. De op 8 oktober 2019 verleende omgevingsvergunning heeft betrekking op de bouw van haar bedrijfsgebouw op het meest noordelijk gelegen bouwvlak. Het is de bedoeling dat naast het bouwbedrijf van [partij] nog twee bedrijven zich in het plangebied vestigen.

2.       [appellant sub 1] woont aan de [locatie 3], ten zuidwesten van en direct naast het plangebied. [appellant sub 2] woont aan [locatie 4], ten noordoosten van het plangebied. Zij kunnen zich niet verenigen met de bestemmingswijziging van het perceel. Hun beroepsgronden zijn gericht tegen het vastgestelde bestemmingsplan, maar hun beroepen richten zich vanwege de samenhang ook tegen de verleende omgevingsvergunning.

Bestemmingsplan

Toetsingskader

3.       Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Ladder voor duurzame verstedelijking

4.       [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat het plan niet voldoet aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: het Bro). Het plan biedt ruimte voor diverse bedrijvigheid tot en met een bepaalde milieucategorie en de behoefte daaraan is volgens hen ten onrechte niet onderzocht. Zij wijzen in dat verband op de uitspraak van de Afdeling van 2 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3326. Het behoefteonderzoek van de provincie Limburg is meer dan 10 jaar oud en daarnaar kan volgens [appellant sub 2] nu niet meer worden verwezen. Volgens [appellant sub 1] en [appellant sub 2] is in de plantoelichting ook niet toereikend gemotiveerd waarom niet binnen bestaand stedelijk gebied in de gestelde behoefte kan worden voorzien. Gegevens over een representatief onderzoek naar alternatieve locaties ontbreken. Zij wijzen beiden op locaties binnen bestaand stedelijk gebied die volgens hen ten tijde van de vaststelling van het plan beschikbaar waren en geschikt zijn. [appellant sub 2] heeft ter ondersteuning van zijn betoog een advies van Rho adviseurs voor leefruimte van 17 maart 2020 overgelegd, waarin geconcludeerd is dat de behoefte en de locatieafweging in de plantoelichting onvoldoende gemotiveerd zijn.

4.1.    In artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is de ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen. Daarin is bepaald:

"De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien."

4.2.    Met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is bedoeld uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening ongewenste leegstand te vermijden en zorgvuldig ruimtegebruik te stimuleren. De ladder voor duurzame verstedelijking is geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen, maar zorgt ervoor dat de wens om een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk te maken met het toetsingskader van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro nadrukkelijk in de plantoelichting wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied en voor de toekomstige ruimtebehoefte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het bevoegd gezag, dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging over die ontwikkeling, moet beoordelen of het bereikte resultaat optimaal is.

4.3.    Zoals ook is vermeld in paragraaf 3.1.2 van de plantoelichting, maakt het plan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk en moet daarom de ladder voor duurzame verstedelijking worden doorlopen.

In de plantoelichting staat over de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling dat [partij] op de locatie Schrames een bouwbedrijf exploiteerde en vanwege beoogde woningbouwontwikkeling in de wijk Schrames een nieuwe locatie nodig heeft. Vanaf 2006 is gestart met het zoeken naar een alternatieve locatie en in 2008 is het plangebied als locatie gevonden en aangekocht. Omdat het plangebied te groot is voor het bouwbedrijf, is overleg met de gemeente gevoerd om binnen het plangebied een aantal andere bedrijven te vestigen. Met [partij] is een intentieovereenkomst gesloten. Op basis van deze gegevens kan volgens de plantoelichting worden geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling voorziet in een concrete behoefte. Daarnaast is in de plantoelichting gewezen op een behoefteonderzoek van de provincie Limburg naar bedrijventerreinen. Destijds werd de behoefte aan bedrijfskavels in de toenmalige gemeente Helden voorzien op ongeveer 20 ha. Verder vermeldt de plantoelichting dat het planvoornemen in 2013 is afgestemd met de regio en de provincie Limburg en dat het plangebied in het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014) is weergegeven als bedrijventerrein. Gelet hierop en met verwijzing naar de bedrijventerreinenvisie van de werkgroep POL2014-Uitwerking werklocaties Noord-Limburg (hierna: de regionale Visie Bedrijventerreinen), concludeert de raad dat bij de onderzoeken naar de behoefte, die ten grondslag liggen aan de regionale en provinciale afstemming en provinciale stukken, rekening is gehouden met de realisatie van het planvoornemen.

In de plantoelichting staat over de locatie van de voorgenomen stedelijke ontwikkeling dat uit de zoektocht van [partij] in samenspraak met de gemeente in de periode tot 2008 is gebleken dat er geen geschikte bestaande bedrijfslocaties beschikbaar waren voor vestiging van het bouwbedrijf. De kavels op de bedrijventerreinen "Kennedylaan" en "Panningen" hadden een te kleine omvang of waren ongeschikt vanwege de toegestane milieucategorie. Gezien de huidige economische situatie is volgens de plantoelichting de kans op het vinden van een geschikte alternatieve locatie alleen maar kleiner geworden.

4.4.    Voor zover in de plantoelichting is beschreven dat het plan voorziet in een concrete behoefte van de drie bedrijven die zich in het plangebied willen vestigen, is daarmee niet voldoende onderbouwd dat behoefte bestaat aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling die het plan mogelijk maakt. Het plan maakt een kleinschalig bedrijventerrein mogelijk en biedt planologisch ruimte voor diverse bedrijvigheid in de milieucategorieën 1, 2 en 3. De raad moet de behoefte daaraan onderzoeken. De Afdeling verwijst naar de onder 4 door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] genoemde uitspraak van de Afdeling van 2 oktober 2019. Het vermelden van gegadigden voor het bedrijventerrein is niet voldoende. Zoals de Afdeling in haar overzichtsuitspraak van 28 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1724) onder 9.2. en 9.3. heeft overwogen, dient de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling te worden beschreven aan de hand van actuele, concrete en zo mogelijk cijfermatige gegevens en dient tot uitdrukking te komen dat de behoefte is afgewogen tegen het bestaande aanbod. De raad heeft ter zitting toegelicht dat in 2008, nog voor het in werking treden van artikel 3.1.6. tweede lid, van het Bro, een behoefte-onderzoek is gedaan en dat bij de vaststelling van het bestemmingsplan nog globaal naar de behoefte is gekeken. De Afdeling is van oordeel dat het door de raad uitgevoerde onderzoek niet voldoet aan de eisen die daaraan ten tijde van het vaststellen van het plan moeten worden gesteld. De omstandigheid dat het plangebied bij behoefteberekeningen van regio en provincie is aangemerkt als een bestaand bedrijventerrein, zoals de plantoelichting vermeldt, betekent, anders dan de raad kennelijk meent, niet dat het bedrijventerrein ten tijde van de vaststelling van het plan ook in een behoefte voorziet. De Afdeling acht een nader onderzoek te meer aan de orde nu de raad op 6 juni 2017 de regionale Visie Bedrijventerreinen heeft vastgesteld, waarin staat dat op bedrijventerreinen in de regio Noord-Limburg nog ongeveer 435 ha netto uitgeefbaar is en dat er nog voor 180 ha netto aan plancapaciteit is. In bijlage 1 bij de regionale Visie Bedrijventerreinen is vermeld dat op bedrijventerreinen in de gemeente Peel en Maas 16,58 ha terstond uitgeefbaar is. Deze cijfers wijzen niet op een behoefte aan het beoogde bedrijventerrein met een oppervlakte van ongeveer 1,6 ha. Ook de omstandigheid dat het plangebied in 2008 door [partij] is aangekocht met het oog op verplaatsing van het bouwbedrijf, vormt geen omstandigheid op grond waarvan van een actueel onderzoek naar de behoefte ten tijde van het vaststellen van het plan kan worden afgezien.

Het plan is in zoverre dan ook in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro vastgesteld.

4.5.    Vast staat en niet in geschil is dat het plan een nieuwe stedelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk maakt.

Uit de plantoelichting kan worden opgemaakt dat de raad zijn standpunt dat de nieuwe stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd, eveneens voornamelijk baseert op in 2008 uitgevoerd onderzoek omdat de primaire besluitvorming over de locatiekeuze in 2008 plaatsvond. De Afdeling volgt de raad hierin niet. De raad moet op grond van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro verantwoorden dat de beoogde ontwikkeling ten tijde van de vaststelling van het plan niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd.

De raad heeft in het verweerschrift gesteld dat ook indien aan de huidige feiten en omstandigheden zou moeten worden getoetst, hij medewerking aan het planinitiatief zou kunnen verlenen. De raad heeft echter niet toegelicht waarom de beoogde ontwikkeling niet kan worden gerealiseerd op de door [appellant sub 1] en [appellant sub 2] aangedragen locaties binnen bestaand stedelijk gebied. De raad heeft hiermee zijn stelling in de plantoelichting dat de kans op het vinden van geschikte locaties sinds 2008 alleen maar kleiner is geworden, niet aannemelijk gemaakt.

Het plan is ook in zoverre in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro vastgesteld.

4.6.    Het betoog slaagt.

Verkeer

5.       [appellant sub 2] betoogt dat zonder enig nader onderzoek niet kan worden uitgesloten dat de nieuwe ontsluitingsweg waarin het plan voorziet, zal leiden tot onaanvaardbare verkeershinder bij zijn woning aan het Loo. Onderzoek naar de verkeersdruk op het Loo ontbreekt. Dat zwaar vrachtverkeer het plangebied niet zou kunnen verlaten via de noordelijke richting van het Loo, doet er volgens hem niet aan af dat zwaar vrachtverkeer en ander verkeer het Loo kunnen gebruiken als aanrijroute. Hij wijst erop dat het Loo niet geschikt is voor vrachtverkeer. Voor ander verkeer geldt bovendien dat de ontsluiting geen belemmering vormt om het plangebied via de noordelijke richting te verlaten. [appellant sub 2] bestrijdt verder dat het plan leidt tot een toename van 400 motorvoertuigen per etmaal. Volgens hem moet voor de bouwvlakken Noord en Oost worden uitgegaan van arbeidsintensieve bedrijven, waardoor de totale verkeersgeneratie op 526,01 motorvoertuigen uitkomt.

5.1.    In de plantoelichting staat dat het planvoornemen leidt tot een toename van ongeveer 400 motorvoertuigen per dag op de Maasbreeseweg. De plantoelichting vermeldt verder, met verwijzing naar het inrichtingsplan, dat er voor de omgeving een specifieke fysieke verkeersvoorziening bij de noordoostelijke ontsluiting van het plangebied komt. Om te voorkomen dat vrachtverkeer vanuit het plangebied in noordelijke richting het Loo op rijdt, wordt een zodanige bocht aangelegd dat dit vrachtverkeer alleen rechts in zuidelijk richting kan afdraaien richting de Maasbreeseweg.

De raad stelt dat het los van de aan te leggen bocht ook niet logisch is voor vrachtverkeer en ander verkeer om in plaats van naar de Maasbreeseweg te rijden, het Loo af te rijden om het gebied te verlaten. De Maasbreeseweg vormt namelijk de hoofdontsluiting van het hele gebied, inclusief het bedrijventerrein. Het plangebied is zo ingericht dat de raad ook niet verwacht dat het Loo vanuit het noorden als aanrijroute zal worden gebruikt. Mocht blijken dat vrachtverkeer of ander verkeer van en naar het plangebied toch gebruik maakt van het noordelijke deel van het Loo, dan kunnen volgens de raad zo nodig verkeersmaatregelen worden getroffen om dit te voorkomen of te beperken.

In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van de aanname van de raad over de toename van verkeer en de inrichting van de weg. Gelet daarop ziet de Afdeling in wat [appellant sub 2] heeft aangevoerd evenmin aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat ter plaatse een aanvaardbare verkeerssituatie te realiseren is.

5.2.    Het betoog slaagt niet.

Parkeren

6.       [appellant sub 2] voert aan dat het plan niet voorziet in voldoende parkeerplaatsen, waardoor bij zijn woning mogelijk parkeeroverlast zal ontstaan. De raad heeft de parkeerbehoefte volgens hem ten onrechte vastgesteld aan de hand van de CROW-kengetallen. Indien de parkeerbehoefte wordt bepaald op de wijze als beschreven in de Nota Parkeernormen Peel en Maas 2018 (hierna: de Nota parkeernormen), leidt dit tot een hogere parkeerbehoefte. Daar komt bij dat het bouwbedrijf en een van de bedrijven die zich in het plangebied wil vestigen volgens [appellant sub 2] moeten worden aangemerkt als bedrijven die behoren tot de categorie ‘arbeidsintensief/bezoekersextensief’. Tot slot voert [appellant sub 2] aan dat moet worden uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden die het plan biedt en dat daarom moet worden uitgegaan van de meest belastende vorm voor alle drie bouwvlakken. Hierdoor komt de parkeerbehoefte nog hoger uit.

6.1.    De plantoelichting vermeldt dat is uitgegaan van de CROW-normen en de categorie ‘bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief’. Voor het grootste bouwvlak is de norm van een bedrijfsverzamelgebouw aangehouden. In de plantoelichting is berekend dat voor het bouwvlak in het noorden van het plangebied 13 parkeerplaatsen nodig zijn, voor het oostelijke bouwvlak 15 en voor westelijke bouwvlak 65. Deze parkeerplaatsen kunnen volgens de toelichting op de eigen erven van de bedrijven worden gerealiseerd of zijn voorzien in het plangebied.

De raad heeft ter zitting gesteld dat hij ten onrechte de CROW-normen heeft aangehouden. Bij toepassing van de Nota parkeernormen komt hij uit op respectievelijk 14, 15 en 67 benodigde parkeerplaatsen. Deze parkeerplaatsen kunnen volgens de raad binnen het plangebied worden gerealiseerd. De raad stelt zich verder op het standpunt dat er geen aanleiding is te veronderstellen dat ter plaatse arbeidsintensieve bedrijven gevestigd gaan worden en dat de gebruikte omschrijving van de bedrijvigheid correct is. Ter zitting heeft hij toegelicht dat hij hierbij is uitgegaan van de beoogde feitelijke invulling van het plangebied.

6.2.    In de Nota parkeernormen zijn voor de categorie ‘bedrijf arbeidsextensief/bezoekers extensief’ lagere parkeernormen gesteld dan voor de categorie ‘bedrijf arbeidsintensief/bezoekers extensief’. Niet in geschil is dat het plan ook arbeidsintensieve bedrijven toelaat. [appellant sub 2] heeft onweersproken gesteld dat indien daarvan wordt uitgegaan, ongeveer 140 parkeerplaatsen nodig zijn. De maximale mogelijkheden van het plan maken daarom een bedrijventerrein mogelijk met een aanzienlijk grotere parkeerbehoefte dan waarvan de raad is uitgegaan. Zijn standpunt dat het plan in voldoende parkeergelegenheid voorziet, is gelet hierop niet toereikend gemotiveerd. Het plan is in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Awb.

6.3.    Het betoog slaagt.

Landschappelijke inpassing en uitzicht

7.       [appellant sub 1] betoogt dat de in artikel 3.4.3 van de planregels opgenomen voorwaardelijke verplichting ten onrechte niet gekoppeld is aan het in gebruik nemen van het terrein. De in de Nota van zienswijze aangekondigde aanpassing is niet in de planregel verwerkt.

7.1.    Artikel 3.4.3 van de planregels luidt:

"Het gebruiken en (doen) gebruiken van de gebouwen voor een bedrijf is slechts toegestaan nadat de landschappelijke inpassing en de architectonische maatregelen, zoals bedoeld in het inrichtingsplan, dat als bijlage 2 bij deze regels is gevoegd, is uitgevoerd en in stand wordt gehouden."

7.2.    De Nota van zienswijze vermeldt dat, om [appellant sub 1] tegemoet te komen, de planregel wordt uitgebreid met "gebruik van gronden ten behoeve van de bestemming". Ter zitting heeft de raad te kennen gegeven dat het de bedoeling was deze passage aan artikel 3.4.3 toe te voegen en dat onduidelijk is waarom dat niet is gebeurd. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Awb niet zorgvuldig voorbereid.

7.3.    Het betoog slaagt.

8.       [appellant sub 1] betoogt verder dat bij de landschappelijke inpassing onvoldoende rekening is gehouden met zijn belangen. Het is voor hem van belang dat een groenblijvende haag van minimaal 3 m hoog tussen zijn perceel en het bedrijventerrein wordt aangeplant en in stand gehouden.

8.1.    Het inrichtingsplan voorziet niet in een haag op de door [appellant sub 1] gewenste locatie. De raad acht een haag daar niet nodig met het oog op een goede ruimtelijke ordening. De raad heeft daarbij betrokken dat onder het vorige bestemmingsplan de agrarische bedrijfsgebouwen tegen de perceelgrens van [appellant sub 1] aan lagen, zonder landschappelijke en ‘groene’ inpassing. De in het plan mogelijk gemaakte oprichting van een nieuw bedrijfsgebouw op een afstand van 3 m van de perceelgrens betekent dus geen verslechtering van de situatie. Bovendien heeft het perceel van [appellant sub 1] een bedrijfsbestemming en het is volgens de raad niet gebruikelijk om tussen twee bedrijven te voorzien in een groenblijvende afscherming.

De Afdeling ziet in wat [appellant sub 1] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad bij de landschappelijke inpassing meer gewicht had moeten toekennen aan de belangen [appellant sub 1] dan hij heeft gedaan. Gelet op de door de raad bij zijn beoordeling betrokken omstandigheden, heeft de raad op dit punt in redelijkheid de in het inrichtingsplan weergegeven situatie vanuit een oogpunt van ruimtelijke ordening aanvaardbaar kunnen achten.

8.2.    Dit betoog faalt.

9.       [appellant sub 2] voert aan dat het plan zijn woon- en leefklimaat zal aantasten, omdat het een overkapping met een forse bouwhoogte mogelijk maakt op korte afstand van de perceelgrens. Uit het inrichtingsplan blijkt volgens hem dat sprake zal zijn van een groene muur van een aanzienlijke omvang, die het uitzicht vanaf zijn perceel zal domineren.

9.1.    De raad stelt dat de desbetreffende luifel landschappelijk zal worden ingepast waardoor aan een eventuele aantasting van het uitzicht tegemoetgekomen wordt. Voor aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellant sub 2] hoeft volgens de raad niet te worden gevreesd, mede gelet op de afstand tot zijn woning en het feit dat voorheen ook bedrijfsbebouwing met een bepaalde hoogte mocht worden opgericht die niet landschappelijk hoefde te worden ingepast.

9.2.    Het plan maakt aan de noordzijde van het plangebied een overkapping mogelijk met een maximale bouwhoogte van 6,5 m en gedeeltelijk 12 m. In het inrichtingsplan is beschreven dat de kapconstructie van de overkapping zal bestaan uit een flauw hellende dakkraag met lage goot, die vanaf de buitenzijde oploopt. Aan de oostzijde loopt het dakvlak tot in een punt, die vanuit de omgeving te zien zal zijn. De toepassing van een groen talud aan de buitenzijde en groene dakbedekking met sedumbeplanting zorgen volgens het inrichtingsplan voor aansluiting bij het agrarische landschap en het oude zandpad.

De afstand tussen de woning van [appellant sub 2] en de voorziene overkapping bedraagt ongeveer 130 m. Gezien deze afstand heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan geen onaanvaardbare aantasting betekent van het  uitzicht van [appellant sub 2]. In wat [appellant sub 2] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin grond voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat met het groene talud en de groene dakbedekking een onaanvaardbare aantasting van het landschap wordt voorkomen.

9.3.    Ook dit betoog faalt.

Conclusie

10.     Uit wat hierboven onder 4.4, 4.5, 6.2 en 7.2 is overwogen volgt dat het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in strijd is met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro en de artikel 3:46 en 3:2 van de Awb.

11.     De beroepen zijn gegrond. Het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan van 8 oktober 2019 dient te worden vernietigd.

De overige beroepsgronden, waaronder het betoog van [appellant sub 1] over het uitgevoerde akoestische onderzoek, behoeven gelet hierop geen bespreking.

12.     De raad zal uit een oogpunt van rechtszekerheid worden opgedragen om deze beslissing te verwerken op www.ruimtelijkeplannen.nl.

Omgevingsvergunning

13.     De verleende omgevingsvergunning is gebaseerd op het bestemmingsplan. Zoals hierboven onder 11 is overwogen, moet het bestemmingsplan worden vernietigd. Daarmee ontvalt de grondslag aan het besluit tot vergunningverlening, zodat ook dat moet worden vernietigd.

Proceskosten

De raad en het college moeten de proceskosten van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart de beroepen gegrond;

II.       vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Peel en Maas van 8 oktober 2019 tot vaststelling van het bestemmingsplan "[locatie 1] te Helden";

III.      vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Peel en Maas van 8 oktober 2019 tot verlening van een omgevingsvergunning;

IV.     draagt de raad van de gemeente Peel en Maas op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat de beslissing onder II wordt verwerkt op de landelijke voorzieningen, http://www.ruimtelijkeplannen.nl;

V.      veroordeelt de raad en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Peel en Maas tezamen tot vergoeding van in verband met de behandeling van de beroepen opgekomen proceskosten tot een bedrag van:

a. € 2.925,47 (zegge: tweeduizend negenhonderdvijfentwintig euro en zevenenveertig cent) voor [appellant sub 1], waarvan € 1.068,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en waarvan € 1.800,00 kosten van een deskundige betreft; dit laatste bedrag moet worden vermeerderd met de daarover verschuldigde omzetbelasting;

b. € 1.068,00 (zegge: duizendachtenzestig euro) voor [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI.     gelast dat de raad en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Peel en Maas tezamen aan appellanten het door hen voor de behandeling van hun beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 174,00 (zegge: honderdvierenzeventig euro) voor [appellant sub 1] en € 174,00 (zegge: honderdvierenzeventig euro) voor [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. B. Meijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. Y.C. Visser, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 28 april 2021

148.