Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:874

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-04-2021
Datum publicatie
28-04-2021
Zaaknummer
202005549/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 juni 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam hogere waarden vastgesteld voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting vanwege het industrieterrein Feijenoord van maximaal 130 woningen die mogen worden gebouwd op basis van het bestemmingsplan "Piekstraat Punt". De Afdeling ziet zich voor de vraag gesteld of het beroep tegen het hogerewaardenbesluit tijdig is ingediend. De termijn voor het indienen van een beroepschrift is zes weken (artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht, hierna: Awb). Omdat het hogerewaardenbesluit is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb, ving de beroepstermijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit ter inzage is gelegd (artikel 6:8, vierde lid, van de Awb). Het hogerewaardenbesluit is samen met het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan "Piekstraat Punt" ter inzage gelegd op 17 juli 2020. De beroepstermijn liep daarom van 18 juli 2020 tot en met 28 augustus 2020.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202005549/1/R3.

Datum uitspraak: 28 april 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

Hunter Douglas Europe B.V. (hierna: Hunter Douglas), gevestigd te Rotterdam,

appellante,

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 30 juni 2020 heeft het college hogere waarden vastgesteld voor de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting vanwege het industrieterrein Feijenoord van maximaal 130 woningen die mogen worden gebouwd op basis van het bestemmingsplan "Piekstraat Punt".

Tegen dit besluit heeft Hunter Douglas beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft Heijmans Vastgoed B.V. een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 december 2020, waar zijn verschenen:

         Hunter Douglas, vertegenwoordigd door mr. E.T. Sillevis Smitt, advocaat te Rotterdam, [gemachtigde A] en [gemachtigde B];

         het college, vertegenwoordigd door mr. S.B.H. Fijneman, ing. G. Lutje Schipholt en mr. E. Schothorst.

Ook is op de zitting gehoord Heijmans Vastgoed, vertegenwoordigd door mr. W.J. Bosma, advocaat te Den Haag, [gemachtigde C] en [gemachtigde D].

Overwegingen

1.       De Afdeling ziet zich voor de vraag gesteld of het beroep tegen het hogerewaardenbesluit tijdig is ingediend.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift is zes weken (artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht, hierna: Awb). Omdat het hogerewaardenbesluit is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb, ving de beroepstermijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit ter inzage is gelegd (artikel 6:8, vierde lid, van de Awb). Het hogerewaardenbesluit is samen met het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan "Piekstraat Punt" ter inzage gelegd op 17 juli 2020. De beroepstermijn liep daarom van 18 juli 2020 tot en met 28 augustus 2020.

2.       Hunter Douglas heeft op 25 augustus 2020 aan de Afdeling een brief gestuurd met als onderwerp "Beroep tegen bestemmingsplan Piekstraat Punt, vastgesteld door de gemeente Rotterdam". In de eerste zin staat dat beroep wordt ingesteld tegen "het door de gemeenteraad van de gemeente Rotterdam op 2 juli 2020 vastgestelde (postzegel)bestemmingsplan ‘Piekstraat Punt’." In de overige inleidende opmerkingen op de eerste pagina van de brief wordt alleen gerefereerd aan het bestemmingsplan. Aan het einde van de brief, onder de kop "Tot slot", staat de conclusie dat "het bestemmingsplan Piekstraat Punt door verweerders niet op 2 juli 2020 had kunnen worden vastgesteld". Na een korte samenvatting van de beroepsgronden staat er: "Het bestemmingsplan kan om deze redenen geen standhouden." In de laatste alinea staat het verzoek om "het bestreden besluit" te vernietigen.

3.       Hunter Douglas heeft bij afzonderlijke brief van 25 augustus 2020 de voorzieningenrechter van de Afdeling verzocht om het bestemmingsplan te schorsen.

Bij brief van 1 oktober heeft Hunter Douglas de voorzieningenrechter verzocht om ook het hogerewaardenbesluit te schorsen. Er staat dat in het beroepschrift van 25 augustus onder punten 3.11 tot en met 3.20 ook beroepsgronden zijn aangevoerd tegen het hogerewaardenbesluit. Op 14 oktober 2020 heeft Hunter Douglas aan de Afdeling een brief met dezelfde strekking gestuurd. Daarin staat ook:

"In punt 3.20 verzoek ik (aan het slot) ook dat besluit te vernietigen en eventueel griffierecht via de rekening-courant van AKD te verrekenen ovv: ‘griffierecht inzake 290326’ en gevoegd met de zaak van het beroep tegen het bestemmingsplan te behandelen."

4.       Gelet op de hiervoor onder 2 aangehaalde passages is de Afdeling van oordeel dat met de brief van 25 augustus alleen beroep is ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan "Piekstraat Punt". In punten 3.11 tot en met 3.20 van de brief, waarnaar Hunter Douglas verwijst, staat niet dat ook beroep wordt ingesteld tegen het hogerewaardenbesluit. Het is ook niet zo dat die passages geen andere uitleg toelaten dan dat het beroep ook tegen het hogerewaardenbesluit is gericht. In beroep tegen het bestemmingsplan kan namelijk aan de orde komen of de vastgestelde hogere waarden in acht zijn genomen en punten 3.11 tot en met 3.20 van de brief kunnen ook op die vraag zijn gericht. Verder is van belang dat, anders dan Hunter Douglas stelt, in punt 3.20 van de brief geen verzoek staat om het hogerewaardenbesluit te vernietigen. Ook staat daarin niets over griffierecht of gevoegde behandeling.

Pas met de brieven van 1 en 14 oktober heeft Hunter Douglas duidelijk gemaakt dat zij ook beroep heeft willen instellen tegen het hogerewaardenbesluit. Toen was de beroepstermijn echter al afgelopen. Er is geen reden waarom redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat Hunter Douglas in verzuim is geweest. Daarom is het beroep tegen het hogerewaardenbesluit niet-ontvankelijk.

5.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt en mr. B. Meijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.      

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 28 april 2021

159-717.