Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:872

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-04-2021
Datum publicatie
28-04-2021
Zaaknummer
201906190/6/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Mondelinge uitspraak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 juni 2019 heeft de raad van de gemeente Maasdriel het bestemmingsplan "Buitengebied herziening 2016" vastgesteld. Tegen dit besluit hebben verschillende appellanten beroep ingesteld. De beroepen tegen dit plan zijn overigens geregistreerd onder zaak nummer 201906190/1/R4. Het beroep van [appellant] is echter administratief afgesplitst en heeft zaaknummer 201906190/6/R4 gekregen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201906190/6/R4.

Datum uitspraak: 20 april 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak van 20 april 2021 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het beroep in het geding tussen:

[appellant], wonend te Heerewaarden,

en

de raad van de gemeente Maasdriel,

verweerder.

Openbare zitting gehouden op 20 april 2021

Tegenwoordig:

Staatsraad mr. E.A. Minderhoud   voorzitter

Staatsraad mr. E.J. Daalder           rapporteur (rapp.)

Staatsraad mr. G.T.J.M. Jurgens   lid

griffier: mr. M.L.M. van Loo

Verschenen:

[appellant] is niet verschenen.

Namens de raad van de gemeente Maasdriel zijn verschenen:

T.W. Tuenter, A.G. van Liempt, J.A.G. van Kempen en H.J. Veldhuis

Bij besluit van 26 juni 2019 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied herziening 2016" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben verschillende appellanten beroep ingesteld. De beroepen tegen dit plan zijn overigens geregistreerd onder zaak nummer 201906190/1/R4. Het beroep van [appellant] is echter administratief afgesplitst en heeft zaaknummer 201906190/6/R4 gekregen.

De Afdeling verklaart het beroep van [appellant] tegen het besluit van 26 juli 2019 ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

De Afdeling overweegt daartoe het volgende.

[appellant] wenst primair dat aan de bedrijfswoning op het perceel [locatie] te Heerewaarden een woonbestemming wordt toegekend. Subsidiair wenst [appellant] dat de woning gebruikt mag worden voor de huisvestiging van arbeidsmigranten.

Deze bedrijfswoning heeft nooit eerder een bestemming gehad, op grond waarvan een burgerwoning is toegestaan. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad in redelijkheid het in ruimtelijk opzicht onwenselijk kunnen vinden om hier een burgerwoning toe te staan, gelet op de ligging op een bedrijventerrein, waar bedrijven tot en met categorie 3.2 zijn toegestaan. Zoals de raad heeft toegelicht, zou het toekennen van een bestemming als burgerwoning kunnen betekenen dat de bedrijven hier worden belemmerd in hun bedrijfsvoering, wat de raad onwenselijk heeft mogen vinden. Bovendien hanteert de raad een restrictief beleid ten aanzien van het toestaan van burgerwoningen op bedrijventerreinen. De Afdeling ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad in dit geval niet aan dit beleid heeft mogen vasthouden. De verwijzing van [appellant] naar de omstandigheid dat aan de overzijde een burgerwoning is toegestaan, leidt niet tot een ander oordeel. Daar is namelijk sprake van een burgerwoning die al sinds 2006 als burgerwoning was bestemd. Bovendien is die burgerwoning, anders dan de bedrijfswoning van [appellant], niet op een bedrijventerrein gelegen. In deze opzichten verschilt de situatie ter plaatse van de burgerwoning met die van de bedrijfswoning van [appellant]. Van strijd met het gelijkheidsbeginsel is geen sprake. Het betoog slaagt niet.

De Afdeling stelt vast dat in het plan ter plaatse van de bedrijfswoning van [appellant] de huisvesting van arbeidsmigranten niet is toegestaan. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad hier het huisvesten van arbeidsmigranten had moeten toestaan. Hierbij neemt de Afdeling in ogenschouw dat de raad heeft gewezen op het Beleid huisvesting arbeidsmigranten 2019, waarin is vermeld dat het huisvesten van arbeidsmigranten in het buitengebied alleen wenselijk is indien dit direct verband houdt met lokale agrarische activiteiten. Omdat ter plaatse van de bedrijfswoning van appellant geen sprake is van lokale agrarische activiteiten, vindt de raad het toestaan van het huisvesten van arbeidsmigranten terecht niet in overeenstemming met het door hem gevoerde beleid. De Afdeling ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad in dit geval niet mocht vasthouden aan dit beleid. Over de verwijzing van [appellant] naar het voor-ontwerpplan, merkt de Afdeling op dat daaraan geen rechten kunnen worden ontleend. Overigens heeft de raad toegelicht dat het voorontwerp in zoverre hier huisvesting van arbeidsmigranten was opgenomen op een vergissing beruste. Het betoog slaagt niet.

w.g. mr. E.A. Minderhoud  w.g. mr. M.L.M. van Loo

voorzitter     griffier

418.