Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:859

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-04-2021
Datum publicatie
21-04-2021
Zaaknummer
202000380/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

[appellanten] hebben de 'Schoolbestuur voor primair en voortgezet onderwijs tussen Lauwers en Eems-stichting' (hierna: de stichting) op 23 en 26 januari 2015 verzocht stukken openbaar te maken. Omdat een reactie hierop uitbleef, hebben zij beroep ingesteld tegen het niet-tijdig nemen van een besluit op hun verzoek. In de uitspraak van 3 maart 2017 heeft de rechtbank Noord-Nederland dit beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat de directeur-bestuurder van de stichting bij brieven van 6 maart 2015, aangevuld bij brief van 23 maart 2015, inmiddels een besluit had genomen op het verzoek om stukken openbaar te maken. Op 2 maart 2018 hebben [appellanten] bij de rechtbank een verzoek ingediend om herziening van deze uitspraak van 3 maart 2017. In de uitspraak waartegen het hoger beroep is gericht, heeft de rechtbank opnieuw uitspraak gedaan op dit verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2021/8484
JB 2021/99
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202000380/1/A3.

Datum uitspraak: 21 april 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te Den Andel, gemeente Het Hogeland,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 10 december 2019 in zaak nr. 18/705 op het verzoek tot herziening van:

[appellanten]

Procesverloop

[appellanten] hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op hun aanvraag op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob).

Bij uitspraak van 3 maart 2017, ECLI:NL:RBNNE:2017:5178, heeft de rechtbank dit beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 30 maart 2018, ECLI:NL:RBNNE:2018:1137, heeft de rechtbank het verzoek van [appellanten] om de uitspraak van 3 maart 2017 te herzien, afgewezen.

Bij uitspraak van 20 juli 2018 in zaak nr. LEE 18/705 V, heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen gedane verzet, gegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 december 2019 heeft de rechtbank het verzoek van [appellanten] om de uitspraak van 3 maart 2017 te herzien, opnieuw afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld.

[appellanten] hebben een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 februari 2021, waar [appellanten] zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       [appellanten] hebben de 'Schoolbestuur voor primair en voortgezet onderwijs tussen Lauwers en Eems-stichting' (hierna: de stichting) op 23 en 26 januari 2015 verzocht stukken openbaar te maken. Omdat een reactie hierop uitbleef, hebben zij beroep ingesteld tegen het niet-tijdig nemen van een besluit op hun verzoek. In de uitspraak van 3 maart 2017 heeft de rechtbank Noord-Nederland dit beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat de directeur-bestuurder van de stichting bij brieven van 6 maart 2015, aangevuld bij brief van 23 maart 2015, inmiddels een besluit had genomen op het verzoek om stukken openbaar te maken. Op 2 maart 2018 hebben [appellanten] bij de rechtbank een verzoek ingediend om herziening van deze uitspraak van 3 maart 2017. In de uitspraak waartegen het hoger beroep is gericht, heeft de rechtbank opnieuw uitspraak gedaan op dit verzoek.

Oordeel rechtbank

2.       De rechtbank heeft overwogen dat [appellanten] aan hun verzoek om herziening ten grondslag hebben gelegd dat de rechtbank in de uitspraak van 3 maart 2017 niet heeft onderkend dat de directeur-bestuurder die de beslissingen van 6 maart 2015 en 23 maart 2015 heeft genomen, niet bevoegd was om namens de stichting een besluit te nemen op hun verzoek om stukken openbaar te maken, omdat hij op die data nog niet was benoemd. De rechtbank heeft het herzieningsverzoek afgewezen, omdat de gestelde onbevoegdheid van de directeur-bestuurder al bestond vóór de uitspraak van 3 maart 2017 en [appellanten] hiermee toen al bekend hadden kunnen zijn. Daarom kan ook de door hen overgelegde brief van 5 april 2017 van de stichting, waarin staat dat de directeur-bestuurders van de stichting als gevolg van een fout in de statuten nog niet zijn benoemd, niet als nieuw feit of omstandigheid worden aangemerkt. Dat de rechtbank in de uitspraak van 3 maart 2017 ambtshalve had moeten beoordelen of de directeur-bestuurder bevoegd was om namens de stichting een besluit te nemen, doet hieraan niet af, aldus de rechtbank.

Hoger beroep

3.       [appellanten] betogen dat de aangevallen uitspraak ten onrechte mede is gedaan door een rechter die de uitspraak van 3 maart 2017 mede heeft gedaan.

3.1.    De aangevallen uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer. De voorzitter van deze kamer, was ook lid van de meervoudige kamer die de uitspraak van 3 maart 2017 heeft gedaan, waar het herzieningsverzoek over gaat. Anders dan [appellanten] betogen, verzet de Algemene wet bestuursrecht zich niet hiertegen. Artikel 8:55, zesde lid, van die wet, waar zij een beroep op doen, gaat niet over herzieningsverzoeken maar over verzet. Die bepaling is ook niet krachtens artikel 8:119, tweede lid, van die wet, van overeenkomstige toepassing op herzieningsverzoeken. Ook de Code zaakstoedeling (www.rechtspraak.nl) en het Bestuursreglement van de Rechtbank Noord-Nederland (Stcrt. 2014, 15691) bevatten geen bepalingen die zich verzetten tegen de handelwijze van de rechtbank. Het betoog faalt.

4.       [appellanten] hebben in hun hogerberoepschrift toegelicht waarom de directeur-bestuurder onbevoegd was om het besluit van 6 maart 2015, aangevuld bij brief van 23 maart 2015, te nemen. Dat deze onbevoegdheid al bestond vóór de uitspraak van 3 maart 2017 en [appellanten] hiermee toen al bekend hadden kunnen zijn, is, anders dan de rechtbank heeft overwogen, geen reden om hun herzieningsverzoek af te wijzen. Het gaat namelijk om een bevoegdheidsvraag. Er moet altijd om herziening gevraagd kunnen worden als een verzoeker na het onherroepelijk worden van een uitspraak, bekend wordt met feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat een besluit onbevoegd is genomen. [appellanten] verwijzen hiertoe naar de uitspraak van de Afdeling van 7 mei 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1625.

4.1.    Ingevolge artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan de bestuursrechter op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

4.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 19 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:177) is herziening een buitengewoon rechtsmiddel waarmee een onherroepelijke rechterlijke uitspraak kan worden gecorrigeerd indien blijkt dat deze berust op een onjuiste feitelijke grondslag en ook overigens aan de vereisten van artikel 8:119, eerste lid, van de Awb is voldaan. Alleen aangelegenheden van feitelijke aard kunnen tot herziening leiden.

4.3.    Ter zitting bij de Afdeling hebben [appellanten] gesteld dat zij al vóór 3 maart 2017 bij de rechtbank hebben betwist dat de directeur-bestuurder bevoegd was om het besluit van 6 maart 2015, aangevuld bij brief van 23 maart 2015, te nemen. Deze stelling wordt bevestigd door een aan de stichting gerichte brief van [appellanten] van 16 december 2015, die zich in het dossier bevindt. Daarin betwisten zij dat de directeur-bestuurder bevoegd was om namens de stichting besluiten te nemen. [appellanten] waren dus vóór 3 maart 2017 bekend met de onbevoegdheid van de directeur-bestuurder. Dat de onbevoegdheid van de directeur-bestuurder in de brief van 5 april 2017 is bevestigd, brengt hierin geen verandering. Hieruit volgt dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat de door hen gestelde onbevoegdheid van de directeur-bestuurder, gelet op artikel 8:119, aanhef en onder b, van de Awb, niet kan leiden tot inwilliging van het verzoek. Bovendien liep de termijn voor het instellen van hoger beroep tegen de uitspraak van 3 maart 2017 nog, toen [appellanten] bekend raakten met de brief van 5 april 2017. Zij hadden naar aanleiding van die brief dus hoger beroep kunnen instellen, wat zij niet hebben gedaan. Dat de rechtbank de bevoegdheid van de directeur-bestuurder ambtshalve had moeten beoordelen, maakt wat hiervoor staat niet anders (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 30 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3152). De door [appellanten] aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 7 mei 2014, leidt niet tot een ander oordeel. Die uitspraak gaat namelijk niet over herziening, maar over de vraag of een betoog over de bevoegdheid dat pas in hoger beroep is aangevoerd, bij de beoordeling van het hoger beroep kan worden betrokken. Het betoog slaagt niet.

5.       Over de overige betogen van [appellanten] heeft de Afdeling al een oordeel gegeven in de uitspraken van 23 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3070 en ECLI:NL:RVS:2020:3067. Die betogen slagen niet.

6.       Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

7.       Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, voorzitter, en mr. J.J. van Eck en mr. A. Kuijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.R. Fernandez, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 21 april 2021

753.