Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:834

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-04-2021
Datum publicatie
21-04-2021
Zaaknummer
201909117/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 januari 2018 heeft het college van burgemeester en wethouders van Lansingerland het verzoek van [persoon A] h.o.d.n. [naam appellante] om compensatie van nadeel als gevolg van de afsluiting van de Noordeindseweg te Berkel en Rodenrijs afgewezen. [appellante] exploiteert sinds 19 augustus 1993 een tankstation aan de [locatie] in Berkel en Rodenrijs. [persoon A] is de enige bestuurder van [appellante]. Alle aandelen van [appellante] behoren toe aan de Holding, de persoonlijke holdingvennootschap van [persoon A]. Alle aandelen van de Holding behoren toe aan [bedrijf A] [persoon A] is enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf A]. [persoon A] h.o.d.n. [appellante] heeft het college verzocht om nadeelcompensatie. Hij stelt schade te hebben geleden als gevolg van de verkeersbesluiten van 3 februari 2010 en 3 augustus 2012.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201909117/1/A2.

Datum uitspraak: 21 april 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 november 2019 in zaak nr. 18/4966 in het geding tussen:

[persoon A]

en

het college van burgemeester en wethouders van Lansingerland.

Procesverloop

Bij besluit van 16 januari 2018 heeft het college het verzoek van [persoon A] h.o.d.n. [appellante] om compensatie van nadeel als gevolg van de afsluiting van de Noordeindseweg te Berkel en Rodenrijs afgewezen.

Bij besluit van 16 augustus 2018 heeft het college het door [persoon A] h.o.d.n. [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 november 2019 heeft de rechtbank het door [persoon A] h.o.d.n. [bedrijf A] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college en [appellante] hebben nadere stukken ingebracht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 april 2021, waar [appellante], vertegenwoordigd door [persoon A] en mr. I.P.A. van Heijst, advocaat te Rozendaal (Gld.), en het college, vertegenwoordigd door mr. L.J. Gerritsen, advocaat te Nijmegen, en N. Faklili, zijn verschenen.

Overwegingen

1.       [appellante] exploiteert sinds 19 augustus 1993 een tankstation aan de [locatie] in Berkel en Rodenrijs.

2.       [persoon A] is de enige bestuurder van [appellante]. Alle aandelen van [appellante] behoren toe aan de Holding, de persoonlijke holdingvennootschap van [persoon A]. Alle aandelen van de Holding behoren toe aan [bedrijf B]. [persoon A] is enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf B].

3.       [persoon A] h.o.d.n. [appellante] heeft het college verzocht om nadeelcompensatie. Hij stelt schade te hebben geleden als gevolg van de verkeersbesluiten van 3 februari 2010 en 3 augustus 2012. De bereikbaarheid van het tankstation is verslechterd als gevolg van de in deze verkeersbesluiten voorziene afsluiting van de Noordeindseweg ter hoogte van de Planetenweg en de Herenstraat te Berkel en Rodenrijs in 2012.

Besluitvorming op het verzoek

4.       Bij besluit van 16 januari 2018 heeft het college het namens "[persoon A] h.o.d.n. [appellante]" bij hem ingediende verzoek om nadeelcompensatie, dat het college in dit besluit heeft aangemerkt als een "namens de besloten vennootschap [appellante" ingediend verzoek, afgewezen. Onder verwijzing naar een advies van drs. K.F.J.P. de Bont van 23 oktober 2017, "inzake het verzoek om schadevergoeding door de heer E [persoon A] namens [appellante]", heeft het college aan deze afwijzing ten grondslag gelegd dat de gestelde schade voorzienbaar was ten tijde van de aanvang van de exploitatie van het benzinestation in augustus 1993.

5.       Het college heeft de afwijzing gehandhaafd bij besluit van 16 augustus 2018 op het "namens [persoon A], h.o.d.n. [appellante]" gemaakte bezwaar. Dit bezwaar heeft het college in dit besluit op bezwaar aangemerkt als een namens "de besloten vennootschap [appellante]" gemaakt bezwaar.

Uitspraak van de rechtbank

6.       In de uitspraak van 6 november 2019 heeft de rechtbank het beroep van [persoon A] h.o.d.n [bedrijf A] niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat [appellante] niet is genoemd in de - aanhef - van het beroepschrift, dat is ingediend door [persoon A] h.o.d.n. [bedrijf A]. Ter motivering van haar oordeel heeft de rechtbank gewezen op de uitspraak van de Afdeling van 30 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1521. In deze uitspraak op beroepen tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan is overwogen dat de omstandigheid dat beroep wordt ingesteld namens een persoon of personen van wie tijdens de beroepstermijn de identiteit niet kenbaar is, niet beschouwd kan worden als een vormverzuim dat op grond van artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) hersteld kan worden. In dat geval staat tijdens de beroepstermijn immers in het geheel nog niet vast wie beroep heeft willen instellen. Omdat in het beroepschrift niet is vermeld dat [appellante] de procespartij is, doet zich volgens de rechtbank een vergelijkbaar geval voor.

Gronden in hoger beroep

7.       Van de kant van [persoon A] en [appellante] wordt onderkend dat in het beroepschrift van 25 september 2018 de naam van [appellante] niet is genoemd. Dat laat echter onverlet dat het voor het college duidelijk is geweest dat het beroep namens [appellante] was ingesteld. [appellante] had immers als belanghebbende rechtspersoon verzocht om nadeelcompensatie en ook bezwaar gemaakt tegen de aan [appellante] gerichte afwijzing van het verzoek. In de beroepsprocedure heeft geen onduidelijkheid (kunnen) bestaan over de positie van [appellante] en over de relaties tussen [appellante] en de in de aanhef van het beroepschrift genoemde [persoon A] en de Holding. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling van het beroep zijn aan de rechtbank, desgevraagd, de bewijsstukken van deze onderlinge relaties toegestuurd. Tijdens de mondelinge behandeling is ook bevestigd dat het beroep namens [appellante] is ingesteld.

8.       De rechtbank heeft voorts volgens [appellante] miskend dat de jurisprudentie van de Afdeling ruimte laat voor het toerekenen van het beroepschrift van de directeur-enig aandeelhouder aan de eenmans-B.V., indien de eenmans-B.V. en haar directeur-enig aandeelhouder met elkaar vereenzelvigd kunnen worden. In dit geval is [persoon A] enig bestuurder van zijn drie vennootschappen en ook - via [bedrijf B] en de Holding - enig aandeelhouder van [appellante]. De belangen van [appellante] zijn identiek aan de belangen van [persoon A] in privé en de belangen van respectievelijk zijn holding- en beheervennootschap. Daarover kan, gelet op de inschrijvingen in het handelsregister, bij andere betrokkenen in het rechtsverkeer ook geen onduidelijkheid of onzekerheid (hebben) bestaan.

Beoordeling van het hoger beroep

9.       In hoger beroep is in geschil of de rechtbank het beroep van [persoon A] had moeten aanmerken als te zijn gedaan namens [appellante].

10.     Ter zitting heeft [appellante] zich op het standpunt gesteld dat, zoals ook het college heeft betoogd, [persoon A] en de Holding geen beroep of hoger beroep konden instellen, omdat beide geen bezwaar hebben gemaakt tegen het besluit van 16 januari 2018, waarbij het verzoek om nadeelcompensatie van [appellante] is afgewezen. De Afdeling gaat er dan ook vanuit dat het hoger beroep alleen geacht moet worden te zijn ingesteld door [appellante].

11.     Op grond van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb wordt het bezwaar- of beroepschrift ondertekend en bevat het ten minste de naam en het adres van de indiener. Onder indiener wordt verstaan degene die voor zichzelf beroep instelt, respectievelijk namens wie beroep wordt ingesteld.

12.     Tussen partijen is niet in geschil dat [appellante] als huurder en exploitant van het tankstation belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb is.

13.     Het college is in zijn besluitvorming ervan uitgegaan dat [appellante] de belanghebbende vennootschap is bij de beslissing op het verzoek om nadeelcompensatie en de beslissing op het bezwaar. Zoals onder 4 is overwogen heeft het college in het primaire besluit het verzoek om nadeelcompensatie aangemerkt als een namens [appellante] ingediend verzoek en heeft zij het daartegen gemaakte bezwaar aangemerkt als een  door de toenmalige rechtsbijstandverlener van [appellante], [appellante] gemaakt bezwaar. Dit was in overeenstemming met de bedoeling van [appellante]. In bezwaar is ook door geen van de betrokkenen en ook niet door de bezwaarcommissie in haar advies van 19 juni 2018 aan de orde gesteld dat de aanvrager en indiener van het bezwaarschrift een andere (rechts)persoon zou zijn dan [appellante].

14.     De Afdeling stelt voorts vast dat uit het (pro forma) beroepschrift van 25 september 2018 kenbaar is dat namens [appellante] beroep is ingesteld tegen het besluit van 16 augustus 2018. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, was de identiteit van degene namens wie beroep is ingesteld, voor afloop van de beroepstermijn kenbaar. Hierbij is het volgende van belang.

15.     In het beroepschrift van 25 september 2018 is het volgende vermeld:

"Namens cliënt, de heer [persoon A], h.o.d.n. [bedrijf A] gevestigd aan de [locatie 2] te Ridderkerk, stel ik hierbij beroep in tegen het besluit van het college van burgermeester en wethouders van Lansingerland d.d. 16 augustus 2018. Met dat besluit wordt het bezwaar ongegrond verklaard dat ik namens cliënt indiende tegen het primaire besluit d.d. 16 januari 2018, waarmee het college het verzoek van cliënt om nadeelcompensatie afwijst, dat de rechtsbijstandverlener namens zijn cliënt, [persoon A], h.o.d.n. [bedrijf A] beroep ingesteld tegen het besluit van 16 augustus 2018.

Als bijlage 1 sluit ik een afschrift bij van het bestreden besluit. Een afschrift van het bezwaarschrift dat ik namens cliënt indiende treft u aan als bijlage 2 bij dit beroepschrift."

16.     Met partijen is de Afdeling van oordeel dat de scherpte van formulering van het beroepschrift door de voormalige rechtsbijstandsverlener van [appellante] te wensen overlaat. Dit betekent echter niet dat daaruit niet kenbaar was dat het beroep namens [appellante] werd ingesteld. Voor zover het college ter zitting heeft betoogd dat in de eerste zin van het beroepschrift met ‘cliënt’ niet [appellante] is bedoeld, volgt uit het vervolg van het beroepschrift dat met cliënt de indiener van het bezwaarschrift, tevens indiener van het verzoek om nadeelcompensatie, is bedoeld. Onder bezwaarmaker en indiener van het verzoek moet in de omstandigheden van dit geval, ook volgens het college, [appellante] worden verstaan.

Onder deze omstandigheden moet het er in dit geval voor worden gehouden dat de identiteit van de indiener van het beroepschrift, [appellante], kenbaar was voor afloop van de beroepstermijn. De rechtbank heeft ten onrechte het beroep van [persoon A] niet-ontvankelijk verklaard en had dit beroep moeten aanmerken als te zijn ingediend namens [appellante].

17.     Het hoger beroep van [appellante] is gegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd.

18.     Gelet op het bepaalde in artikel 8:115, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb dient de zaak terug te worden gewezen naar de rechtbank. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat [appellante] heeft verzocht om terugwijzing, omdat de inhoudelijke kant van de zaak bij de rechtbank niet aan de orde is geweest.

19.     Het college wordt op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten veroordeeld.

20.     Redelijke toepassing van artikel 8:114, eerste lid, van de Awb brengt met zich dat het in hoger beroep betaalde griffierecht door de griffier van de Raad van State aan [appellante] wordt terugbetaald.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 6 november 2019 in zaak nr. 18/4966;

III.      wijst de zaak naar de rechtbank terug;

IV.     veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Lansingerland tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.090,27 (zegge: duizendnegentig euro en zevenentwintig cent), waarvan € 1.068,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V.      verstaat dat de griffier van de Raad van State aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 519,00 (zegge: vijfhonderdnegentien euro) voor de behandeling van het hoger beroep terugbetaalt.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. B.P.M. van Ravels, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. Planken, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

w.g. Planken

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 april 2021

299.