Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:824

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-04-2021
Datum publicatie
21-04-2021
Zaaknummer
202004685/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 juli 2020 heeft de raad van de gemeente Amsterdam het bestemmingsplan "Eerste partiële herziening bestemmingsplan Food Center Amsterdam (2e herstelbesluit)" vastgesteld. Het plan voorziet in een actualisatie van het bestemmingsplan "Food Center Amsterdam (2e herstelbesluit)" dat de raad bij besluit van 1 juni 2016 heeft vastgesteld. Het plangebied van zowel het voorliggende plan als het moederplan omvat het Food Center Amsterdam-terrein aan de Jan van Galenstraat 4 tot en met 14. Het moederplan voorziet in een gefaseerde herontwikkeling van het verouderde FCA-terrein. De raad heeft de fasering als volgt voor ogen gehad. Op de noordelijke helft van het terrein komt een nieuw FCA, waar bedrijven uit het zuiden naar toe verhuizen. Op de vrijkomende ruimte op het zuidelijke deel komt een nieuw woongebied. In het centrum van het plangebied blijft de Centrale Markthal staan. Marktkwartier zal zorgdragen voor de herontwikkeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202004685/1/R1.

Datum uitspraak: 21 april 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

Bidfood B.V., gevestigd te Ede,

appellante,

en

de raad van de gemeente Amsterdam,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 1 juli 2020 heeft de raad het bestemmingsplan "Eerste partiële herziening bestemmingsplan Food Center Amsterdam (2e herstelbesluit)" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft Bidfood beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Marktkwartier C.V. heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 februari 2021, waar Bidfood, vertegenwoordigd door mr. A. Franken van Bloemendaal en mr. J.M. Gerretsen, beiden advocaat te Amsterdam, en de raad, vertegenwoordigd door R.M. de Graaf, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Marktkwartier, vertegenwoordigd door [gemachtigde A], bijgestaan door mr. W.D. de Vos, advocaat te Amsterdam en [gemachtigde B], gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.       Het plan voorziet in een actualisatie van het bestemmingsplan "Food Center Amsterdam (2e herstelbesluit)" (hierna: het moederplan) dat de raad bij besluit van 1 juni 2016 heeft vastgesteld. Het plangebied van zowel het voorliggende plan als het moederplan omvat het Food Center Amsterdam-terrein (hierna: FCA-terrein) aan de Jan van Galenstraat 4 tot en met 14. Het moederplan voorziet in een gefaseerde herontwikkeling van het verouderde FCA-terrein. De raad heeft de fasering als volgt voor ogen gehad. Op de noordelijke helft van het terrein komt een nieuw FCA, waar bedrijven uit het zuiden naar toe verhuizen. Op de vrijkomende ruimte op het zuidelijke deel komt een nieuw woongebied. In het centrum van het plangebied blijft de Centrale Markthal staan. Marktkwartier zal zorgdragen voor de herontwikkeling.

Om ruimte en flexibiliteit aan de planontwikkeling te bieden is in het moederplan aan het noordelijke gedeelte grotendeels de bestemming "Bedrijventerrein - Uit te werken" toegekend. Aan het overige deel van de gronden is de bestemming "Bedrijventerrein" toegekend. Bidfood heeft haar bedrijfsgebouwen op de gronden met deze bestemming staan.

Aan de gronden in het midden van het plangebied, waar de Centrale Markthal staat, is de bestemming "Gemengd" toegekend.

Aan het zuidelijke deel is hoofdzakelijk en voor zover hier relevant de bestemming "Woongebied - Uit te werken" toegekend.

Het nu voorliggende plan is opgesteld om enkele beleidswijzigingen, met name op het gebied van de parkeernormen, en verduidelijkingen op het gebied van meetregels door te voeren. Verder is voor een perceel aan de zuidzijde van het terrein de bestemming "Horeca - Voorlopig" gewijzigd in "Wonen - Uit te werken" en is voor een strook grond aan de zuidzijde een specifieke bepaling voor het peil opgenomen. Deze wijziging in het peil is opgenomen omdat het peil zoals opgenomen in het moederplan zou leiden tot een onbedoelde beperking in de bouwmogelijkheden.

Ontvankelijkheid

2.       De raad en Marktkwartier stellen dat het beroep van Bidfood niet-ontvankelijk is, omdat zij geen gevolgen ondervindt van het plan. Zij wijzen er op dat Bidfood bezorgd is of zij na de herontwikkeling van het noordelijke FCA-terrein mag terugkeren. De herziening waarin het voorliggende plan voorziet, ziet alleen op het woongebied, dat nog moet worden uitgewerkt in een uitwerkingsplan. Voor dat gebied geldt ook een voorlopig bouwverbod. Nu de herziening geen betrekking heeft op het bedrijventerrein en de locatie van Bidfood, is er geen verband met de hervestigingsmogelijkheden van Bidfood. Ook is in artikel 10.2, onder b, van de regels van het moederplan bepaald dat het bedrijventerrein fysiek gescheiden wordt van het woongebied. Bewoners en bezoekers van het woongedeelte kunnen dus niet een parkeerplek zoeken op het bedrijvengedeelte. Ook anderszins zijn er geen feitelijke gevolgen van de herziening voor Bidfood te noemen.

3.       Artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht luidt: "Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken."

3.1.    De Afdeling stelt vast dat het voorliggende plan onder meer een wijziging betekent van de parkeerregeling die op grond van de uitwerkingsregels voor de bestemming "Woongebied - Uit te werken" door het college in acht moet worden genomen. Zoals de raad ter zitting heeft erkend, verplicht het moederplan er niet toe dat het bedrijventerrein waarop Bidfood is gevestig fysiek wordt gescheiden van het woongebied. De bedrijfsgebouwen van Bidfood bevinden zich op ongeveer 150 m van de gronden met de uit te werken woonbestemming. Gelet op deze afstand acht de Afdeling het aannemelijk dat Bidfood gevolgen kan ondervinden van de wijziging in de parkeerregeling die dit plan met zich brengt. Dat de woonbestemming nog moet worden uitgewerkt maakt dit niet anders, aangezien het college gehouden is de regelingen voor de uit te werken bestemmingen in acht te nemen bij het vaststellen van het uitwerkingsplan. Op dat moment kan Bidfood niet meer opkomen tegen de parkeernormen in de uitwerkingsregels die in het voorliggende plan zijn opgenomen. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat Bidfood geen belanghebbende is bij het voorliggende besluit en dat om die reden het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Hervestigingsmogelijkheden

4.       Bidfood betoogt dat het plan in de weg staat aan een integrale herhuisvesting en uitbreidingsplannen van de bestaande bedrijven. Zij stelt dat het plan ten onrechte voorziet in meer mogelijkheden voor woningbouw, terwijl de herontwikkeling van de bedrijven in het noordelijke deel onzeker is. Zij wijst erop dat een integrale ontwikkeling van beide delen van het FCA-terrein als voorwaarde was vastgelegd in een Ambitiedocument dat de raad in 2010 heeft vastgesteld. Ook is het plan in strijd met de hoofdlijnenovereenkomst (hierna: HLO) tussen Marktkwartier en de Vereniging Herstructurering, die voor de herhuisvesting van bedrijven zorg zal dragen. In die overeenkomst staat dat aan de hand van alle individuele overeenkomsten met de verschillende ondernemers de daadwerkelijk kwalitatieve en kwantitatieve ruimtevraag kan worden vastgesteld. Verder voert zij aan dat diverse besluiten van de Vereniging Herstructurering in een civiele procedure zijn vernietigd, waardoor mogelijk andere herhuisvestingsafspraken met de bedrijven op het FCA zullen moeten worden gemaakt.

4.1.    De Afdeling overweegt dat het begrijpelijk is dat Bidfood de zekerheid wenst dat haar bedrijf na de herontwikkeling wordt gehervestigd op het noordelijke deel van het FCA-terrein. Vooropgesteld moet echter worden dat het voorliggende plan geen betrekking heeft op de bestemming van de gronden waarop Bidfood is gevestigd of op de planologische mogelijkheden tot hervestiging daar. De vraag of Bidfood zich te zijner tijd mag hervestigen is vooral een privaatrechtelijke kwestie, die in deze procedure niet aan de orde is. Wat betreft de genoemde overeenkomst tussen Marktkwartier C.V. en de Vereniging Herstructurering overweegt de Afdeling dat de raad niet gebonden is aan wat deze rechtspersonen onderling hebben afgesproken. Hij hoefde hiermee evenmin rekening te houden in het kader van de vraag of het voorliggende plan in overeenstemming is met goede ruimtelijke ordening.

Het Ambitie- en procesdocument, dat de raad bij besluit van 18 februari 2010 heeft vastgesteld, heeft onder meer tot doel enkele ruimtelijke uitgangspunten te bieden voor de herontwikkeling van het FCA-terrein. In hoofdstuk 3, onder A, is als minimumeis 1 vermeld: "Het plangebied dient integraal te worden herontwikkeld tot één gebied bestaande uit drie componenten: het nieuwe (afgesloten) FCA, de centrale markthal en het openbare deel." Wat de raad heeft bedoeld met de term "integraal" is niet uitgelegd. De formulering van deze minimumeis op zichzelf brengt naar het oordeel van de Afdeling al met zich dat het terrein met de bedrijven niet geïntegreerd is met het terrein waar de woningen komen. Beide terrein zouden volgens het Ambitie- en procesdocument immers fysiek moeten worden gescheiden. Evenmin is uit de minimumeis af te leiden dat de uitwerkingsplannen voor het noordelijke en zuidelijke deel van het FCA-terrein op hetzelfde moment moeten worden vastgesteld. De raad heeft dit in de stukken en ter zitting  ook bevestigd en verklaard dat het gebied gefaseerd zal moeten worden ontwikkeld. Uit de formulering van de minimumeis volgt ook niet dat de raad na vaststelling van het moederplan geen aanpassingen aan de uitwerkingsregels van het moederplan meer mag aanbrengen. Bidfood heeft verder niet inzichtelijk kunnen maken waarom het voorliggende plan in de weg staat aan de uitvoering van het Ambitie- en procesdocument zoals de raad dat voor ogen heeft gehad. De Afdeling ziet daarom in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat het voorliggende plan in strijd is met het Ambitie- en procesdocument.

Gelet op het voorgaande slaagt dit betoog niet.

Parkeren

5.       Bidfood betoogt dat op grond van het nieuwe beleid voor het bepalen van de benodigde parkeernormen lagere parkeernormen gelden dan in het moederplan. Volgens haar had de raad niet de nieuwe normen mogen opnemen, omdat het moederplan al is vastgesteld en het parkeervraagstuk daar al is behandeld.

5.1.    In het algemeen kunnen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten, zoals in dit geval de geactualiseerde uitgangspunten voor de parkeernormen, en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. Dit betoog faalt.

6.       Bidfood kan zich niet verenigen met artikel 11, zevende lid, van de planregels en de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - 1" die aan een strook grond van 1.710 m2 aan de zuidzijde van het plangebied is toegekend. Deze bepaling regelt voor de gronden met de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - 1" een afwijkend peil dat gehanteerd moet worden bij het bepalen van de maximaal toegestane bouwhoogte. Deze wijziging brengt volgens Bidfood, kort weergegeven, mee dat een extra bouwlaag kan worden gerealiseerd. De extra woonruimte genereert dan ook meer parkeerbehoefte, waarmee de raad geen rekening heeft gehouden. Die parkeerbehoefte zal volgens haar niet kunnen worden gevonden in het deel waar de woningen komen en dus zullen bewoners en bezoekers uitwijken naar het deel met de bedrijven. Bidfood betoogt verder dat bij de berekening van de parkeerbehoefte voor de Centrale Markthal rekening is gehouden met het gebruik van parkeerdaken van gebouwen op het bedrijventerrein. Dit gebruik is planologisch echter niet geregeld. Ook heeft de raad onvoldoende inzichtelijk gemaakt of het zowel technisch als financieel haalbaar is om meerlaagse ondergrondse parkeergarages mogelijk te maken, in het geval niet op de daken  geparkeerd kan worden. Hierdoor is eveneens onzeker of in de parkeerbehoefte kan worden voorzien en of het plan uitvoerbaar is.

Bidfood B.V. betoogt verder dat de raad bij het vaststellen van het moederplan voor de parkeervraag is uitgegaan van 255 goedkope woningen en 1.275 dure woningen. In het voorliggende plan is echter uitgegaan van 255 woningen in de vrije sector tussen de 30 en 60 m2, 1.020 woningen in de vrije sector groter dan 60 m2 en 425 woningen voor de sociale huur. Het onderscheid tussen woningen met een oppervlakte van 30 tot 60 m2 en groter dan 60 m2 is niet vastgelegd in het plan. Ook het precieze aantal woningen is nog niet bekend. Daarom had voor die berekening uit moeten worden gegaan van 1.700 woningen van elke omvang en in elke sector. Nu de raad dit niet heeft gedaan, is volgens Bidfood ten onrechte niet uitgegaan van de maximale representatieve invulling van het plan en is het besluit onzorgvuldig tot stand gekomen.

6.1.    De raad erkent dat een groter bouwvolume gerealiseerd kan worden. In zijn opdracht heeft Van Riezen en Partners een memo, gedateerd 26 november 2020, opgesteld, waarin is berekend in hoeverre een groter bouwvolume ook tot een grotere parkeerbehoefte kan leiden en of in die parkeerbehoefte kan worden voorzien. Op basis van een worst-case scenario en uitgaande van de Nota Parkeernormen Auto waarin voor grote woningen als minimummaat 60 m2 bvo is aangehouden, zouden er binnen het hierboven genoemde aanduidingsvlak maximaal 29 grote woningen van 60 m2 bvo gebouwd kunnen worden. Uitgaande van 29 woningen van minimaal 60 m2 bvo levert dit op basis van Nota parkeernormen Auto een extra parkeerbehoefte op van maximaal 18 parkeerplekken. Dit tamelijk geringe aantal is volgens de raad makkelijk te realiseren in ondergrondse parkeerkelders die planologisch zijn toegestaan in het uit te werken woongebied. De raad stelt dat het geringe extra bouwvolume geen noemenswaardige ruimtelijke gevolgen heeft en ook niet in de weg staat aan de uitvoerbaarheid.

De raad stelt over de parkeerdaken dat niet alleen de parkeerdaken maar ook de ondergrondse parkeergarages in het woongebied kunnen worden gebruikt door bezoekers van de Centrale Markthal. Deze parkeergarages kunnen eventueel meerlaags worden uitgevoerd en zijn in beginsel ook uitvoerbaar.

Over de verdeling in woonsegmenten stelt de raad hij bij de berekening van de parkeerbehoefte een representatieve en realistische invulling heeft toegepast van de woningsegmenten (sociale huur, vrije sector) en woningoppervlaktes, zoals beschreven in paragraaf 4.2.1. van de plantoelichting. De raad wijst er verder op dat privaatrechtelijk is vastgelegd dat Marktkwartier tenminste 25% sociale huurwoningen zal realiseren. Gelet hierop zal het uitsluitend bouwen van vrijesectorwoningen niet mogelijk zijn en zou het enkel theorie zijn om ervan uit te gaan dat alle 1.700 woningen vrijesectorwoningen zijn. In het memo van Van Riezen is desondanks berekend hoeveel parkeerplekken in dat geval nodig zouden zijn. De uitkomst is dat er 331 meer parkeerplaatsen nodig zijn dan de 689 plekken die voor woningen zijn berekend in paragraaf 4.2.1 van de toelichting van het voorliggende plan. Ook dit hogere aantal parkeerplekken kan echter worden gerealiseerd in de parkeerkelders onder beide te bouwen woonhoven.

6.2.    Het voorliggende plan voorziet in wijzigingen van de bestemming "Woongebied - Uit te werken", waaronder het aan te houden peil bij het bepalen van de maximale bouwhoogte ter plaatse van de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - 1". Op grond van artikel 16.4, onder c, van de planregels is het aantal toegestane woningen in het moederplan bepaald op 1.700 woningen. Het nu voorliggende plan verandert aan dat maximale aantal niets.

Zoals de raad ook heeft beaamd, kan de wijziging in het peil ervoor zorgen dat er meer bouwruimte komt en dat er dus grotere woningen worden gebouwd. De Afdeling acht het aannemelijk dat dit zijn weerslag kan hebben op de parkeerbehoefte, omdat door de extra ruimte verhoudingsgewijs meer woningen met een iets grotere oppervlakte kunnen worden gebouwd en daarvoor volgens de parkeernota een hogere parkeernorm geldt. Bidfood heeft niet weerlegd dat 18 parkeerplekken extra nodig zouden zijn in dat geval. Over de theoretische situatie dat uitsluitend vrijesectorwoningen worden gebouwd overweegt de Afdeling dat Bidfood evenmin heeft bestreden dat in die situatie 331 extra parkeerplaatsen nodig zijn. Dat zou betekenen dat inclusief in het slechtste scenario, waarbij zowel de 18 als de 331 extra parkeerplekken nodig zijn, in totaal 1.038 parkeerplekken nodig zouden kunnen zijn voor de woonfunctie. Verder genereren volgens de plantoelichting de verschillende voorzieningen binnen de Centrale Markthal een parkeerbehoefte van 519 parkeerplekken. De raad en Marktkwartier C.V. hebben op de zitting verklaard dat als een éénlaagse parkeergarage onder de wooneenheden wordt aangelegd, deze ruimte kan bieden aan tussen de 4.500 en 4.800 auto’s en dat er geen belemmeringen zijn om een garage van die omvang aan te leggen. Met de enkele stelling dat een garage met deze omvang hoge kosten met zich kan brengen, heeft Bidfood onvoldoende gemotiveerd bestreden dat een parkeergarage van deze omvang kan worden aangelegd. In het aangevoerde ziet de Afdeling daarom geen grond voor het oordeel dat het voorliggende plan betekent dat het moederplan uit het oogpunt van parkeren niet langer uitvoerbaar is.

Het betoog kan niet slagen.

Afsluiting perceel Bidfood

7.       Bidfood B.V. betoogt dat het voorliggende plan niet voorziet in een afsluiting van het bedrijventerrein, zodat onzeker is of het deel met de bedrijven in de toekomst afgesloten zal zijn van de rest van het FCA-terrein.

7.1.    De Afdeling overweegt dat, op grond van artikel 10.2, onder b, van de planregels van het moederplan, het uitwerkingsplan voor het deel met de bedrijven uitsluitend een aaneengesloten en afsluitbaar bedrijventerrein mogelijk maakt. De raad heeft daarom af kunnen zien om die verplichting nogmaals in het voorliggende plan op te nemen. Dit betoog kan niet slagen.

Conclusie

8.       Het beroep is ongegrond.

9.       De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter, en mr. R.J.J.M. Pans en mr. C.C.W. Lange, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.S. van Helvoort, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.      

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 21 april 2021

361.

 

BIJLAGE

 

Regels bestemmingsplan "Food Center Amsterdam (2e Herstelbesluit)"

Artikel 1.57 luidt: "Peil

" a. voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang, tenzij anders is bepaald;

b. voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw, tenzij anders is bepaald."

Artikel 4.1 luidt: "De voor 'Gemengd' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. bedrijf, met uitzondering van mainportbedrijf;

b. consumentverzorgende dienstverlening;

c. publieksgerichte zakelijke dienstverlening;

d. detailhandel;

e. horeca van categorie 3, horeca van categorie 4 en horeca van categorie 5;

f. maatschappelijke voorzieningen, met uitzondering van geluidgevoelige bestemmingen;

g. bergingen en andere nevenruimten;

h. verkeersareaal;

i. nutsvoorzieningen;

j. speelvoorzieningen."     

Artikel 10.1 luidt: "De voor "Bedrijventerrein - Uit te werken" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. buikbedrijf [...];

Aan de gronden ten oosten van Bidfood is de bestemming "Bedrijventerrein - Uit te werken" toegekend.

Artikel 10.2 luidt: "Burgemeester en wethouders werken het plan in één of meer uitgewerkte plannen uit overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening, met inachtneming van de volgende regels:

[...]

b. het uitwerkingsplan maakt uitsluitend een aaneengesloten en afsluitbaar bedrijventerrein mogelijk.

[...]."

Artikel 10.3.4, onder a, luidt: "Op de in artikel 10.1 genoemde gronden mogen gebouwen slechts worden gebouwd in overeenstemming met een door het dagelijks bestuur vastgesteld uitwerkingsplan."

Aan het zuidelijke deel van het FCA-terrein is in het moederplan grotendeels de bestemming "Woongebied - Uit te werken" toegekend.       

Artikel 11.1 luidt: "De voor "Woongebied - Uit te werken" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. woningen inclusief ruimten ten behoeve van praktijk- of vrije beroepsuitoefening aan huis/bedrijf aan huis;

[...].

Artikel 11.2 luidt: "Burgemeester en wethouders werken het plan in één of meer uitgewerkte plannen uit overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening, met in achtneming van de volgende regels:

[...]

f. in het uitwerkingsplan dient rekening te worden gehouden met voldoende parkeergelegenheid door toepassing van de minimum parkeernormen en aanwezigheidspercentages die zijn opgenomen in Bijlage 3 Parkeernormen en aanwezigheidspercentages woongebied;

[...];

Artikel 11.3.6 luidt: " Op de in artikel 11.1 genoemde gronden mogen gebouwen slechts worden gebouwd in overstemming met een door burgemeester en wethouders vastgesteld uitwerkingsplan."

Artikel 11.4 luidt: "Burgemeester en wethouders kunnen, gelet op het bepaalde in artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening, bij een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, aanhef onder a, onder 1, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, afwijken van het in artikel 11.3.6 bepaalde, indien een ontwerpuitwerkingsplan overeenkomstig het bepaalde in de Wet ruimtelijke ordening ter inzage is gelegd en het bouwplan in overeenstemming is met dit ontwerpuitwerkingsplan."

Artikel 16.4 luidt: "Ter plaatse van de als 'Bedrijventerrein', 'Gemengd', 'Bedrijventerrein - Uit te werken' en 'Woongebied - Uit te werken' aangewezen gronden gelden de volgende gebruiksregels:

[...]

c. Ten aanzien van de op grond van artikel 11.1 toegestane woningen geldt een gezamenlijk maximum van 1.700 woningen;"

Regels bestemmingsplan "Eerste partiële herziening bestemmingsplan Food Center Amsterdam (2e herstelbesluit)"

Artikel 11, eerste lid, luidt:

"Artikel 11 lid 2 'Uitwerkingsregels' onder 11.2, sub f wijzigt als volgt: 'in het uitwerkingsplan dient rekening te worden gehouden met voldoende parkeergelegenheid zoals bedoeld in artikel 15 lid 2', met dien verstande dat ook rekening wordt gehouden met voldoende parkeergelegenheid voor de op grond van artikel 4 toegestane functies, tenzij hiervoor buiten het plangebied van het uitwerkingsplan wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid;' [...]"

Artikel 11, zevende lid, luidt: "Artikel 11.3.2 van het Moederplan wijzigt in die zin dat ter plaatse van de aanduiding "specifieke bouwaanduiding -1" de bouwhoogte niet wordt gemeten vanaf de hoogte van de weg ter plaatse van de hoofdingang of de hoogte van het terrein ter plaatse van de hoofdingang (zoals bepaald in de artikel 1.57 en 2.3 van het Moederplan), maar vanaf +3,14 NAP."

Artikel 15 luidt: "Aan artikel 15 is een lid 2 'Parkeernormen' toegevoegd:

"a. Voor parkeren geldt dat bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen, uitbreiden, of wijzigen van de functie van gebouwen of gronden voldoende parkeergelegenheid moet worden gerealiseerd, waarbij voldoende betekent dat wordt voldaan aan de normen in de beleidsregels die zijn neergelegd in de gemeentelijke parkeernota's 'Nota Parkeernormen Auto' (in werking per 1 juli 2017, gewijzigd ) en 'Nota Parkeernormen Fiets en Scooter' (in werking per 28 augustus 2018). Indien deze beleidsregels gedurende de planperiode bij besluit (gelet op artikel 1:3, vierde lid, van de Awb) worden gewijzigd, dient rekening te worden gehouden met de wijziging;';

b. Het bepaalde onder a is niet van toepassing voor gronden die in het bestemmingsplan zijn bestemd als 'Bedrijventerrein' en 'Bedrijventerrein - Uit te werken', tenzij de betreffende gronden door toepassing van de wijzigingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 19.1.1 zijn gewijzigd in de bestemming 'Woongebied - Uit te werken'"