Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:818

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-04-2021
Datum publicatie
21-04-2021
Zaaknummer
202001392/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 december 2019 heeft de raad van de gemeente Leeuwarden het bestemmingsplan "Leeuwarden - Aansluiting Overijsselselaan Zuid" vastgesteld. Het plan voorziet in een directe aansluiting vanaf de Brédyk op de Overijsselselaan, ten zuiden van Leeuwarden. Volgens de plantoelichting staat langs de Brédyk ten zuiden van Leeuwarden een aantal woningen die vanwege de aanleg van de Haak rond Leeuwarden met de auto niet meer goed bereikbaar zijn. Het plan moet een goede autobereikbaarheid van de bewoners langs de Brédyk in de toekomst garanderen. De aansluiting zal in de toekomst ook worden gebruikt voor de ontsluiting van de nieuwbouwwijk Middelsee, die aan de westkant van de Overijsselselaan zal worden ontwikkeld. De gewenste situatie kan niet op basis van de huidige planologische regeling worden gerealiseerd. Er geldt voor een deel van het plangebied een agrarische bestemming. Om deze reden is een planherziening noodzakelijk. Het bestemmingsplan voorziet hierin.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202001392/1/R3.

Datum uitspraak: 21 april 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de erven van [overleden appellant], wonende te Stiens, Leeuwarden en Groningen (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]),

appellanten,

en

de raad van de gemeente Leeuwarden,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 18 december 2019 heeft de raad het bestemmingsplan "Leeuwarden - Aansluiting Overijsselselaan Zuid" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 april 2021, waaraan [appellant], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door A. den Herder, door middel van een videoverbinding hebben deelgenomen.

Overwegingen

Inleiding

1.       Het plan voorziet in een directe aansluiting vanaf de Brédyk op de Overijsselselaan, ten zuiden van Leeuwarden. Volgens de plantoelichting staat langs de Brédyk ten zuiden van Leeuwarden een aantal woningen die vanwege de aanleg van de Haak rond Leeuwarden met de auto niet meer goed bereikbaar zijn. Het plan moet een goede autobereikbaarheid van de bewoners langs de Brédyk in de toekomst garanderen. De aansluiting zal in de toekomst ook worden gebruikt voor de ontsluiting van de nieuwbouwwijk Middelsee, die aan de westkant van de Overijsselselaan zal worden ontwikkeld. De gewenste situatie kan niet op basis van de huidige planologische regeling worden gerealiseerd. Er geldt voor een deel van het plangebied een agrarische bestemming. Om deze reden is een planherziening noodzakelijk. Het bestemmingsplan voorziet hierin.

[appellant] exploiteert in de nabijheid van het plangebied een tankstation voor de verkoop van motorbrandstoffen. Hij kan zich niet verenigen met het plan.

Toetsingskader

2.       Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Inhoudelijk

3.       [appellant] betoogt dat bij de vaststelling van het plan daarin ten onrechte niet is opgenomen dat binnen de bestemming "Verkeer" een verkooppunt voor motorbrandstoffen niet is toegestaan. [appellant] wijst in dit verband op de expliciete uitsluiting van een standplaats voor kampeermiddelen en een seksinrichting binnen deze bestemming. [appellant] betoogt dat de raad hiermee de indruk wekt dat deze functies bij gebreke van uitsluiting wel zouden zijn toegestaan binnen de bestemming "Verkeer" in het plan. Nu de raad er niet voor heeft gekozen om ook een verkooppunt voor motorbrandstoffen expliciet uit te sluiten, is de planregeling volgens [appellant] daarmee rechtsonzeker, omdat niet duidelijk is of een dergelijk verkooppunt is toegelaten. Daarbij wijst [appellant] ook op een uitspraak van de Afdeling van 14 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3721, waaruit volgens [appellant] blijkt dat een verkooppunt voor motorbrandstoffen ook onder een detailhandelsbestemming kan vallen, terwijl een dergelijk verkooppunt volgens [appellant] alleen onder de bestemming "Bedrijf" is toegelaten.

Hij wijst er in dit verband verder op dat het expliciet uitsluiten van een standplaats voor kampeermiddelen en een seksinrichting binnen de bestemming "Verkeer" niet in overeenstemming is met de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (hierna: SVBP 2012), nu deze functies niet horen bij de bestemming "Verkeer". [appellant] verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling van 29 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1356, waarin is overwogen dat een bestemmingsplan vormgegeven dient te worden overeenkomstig de SVBP 2012.

3.1.    Met betrekking tot de bestemming "Verkeer" in het plan is naar de mening van de raad geen sprake van rechtsonzekerheid. De gronden hebben enkel de verkeersbestemming, zonder nadere functieaanduiding. De realisatie van een verkooppunt voor motorbrandstoffen is volgens de raad binnen deze bestemming niet mogelijk. De omstandigheid dat een standplaats voor kampeermiddelen en een seksinrichting expliciet zijn uitgesloten binnen de bestemming "Verkeer", maakt dit volgens de raad niet anders.

3.2.    Artikel 3.1 (‘Bestemmingsomschrijving’) van de planregels luidt:

"De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. voorzieningen voor verkeer en verblijf;

b. fiets- en voetpaden;

c. fietstunnels;

d. parkeervoorzieningen;

e. groenvoorzieningen;

f. cultuurgrond;

g. nutsvoorzieningen;

h. water- en waterhuishoudkundige voorzieningen."

Artikel 9.1.1 van de planregels luidt:

"a. Het is op grond van artikel 7.2 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) verboden de gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de gegeven bestemmingen volgens de artikel 3;

b. Tot een gebruik strijdig met de gegeven bestemmingen, zoals bedoeld in lid a wordt in ieder geval gerekend:

1. het gebruik van de gronden voor de stallingen en opslag van (aan het oorspronkelijke gebruik onttrokken) voer-, vaar en/of vliegtuigen;

2. het gebruik van de gronden voor opslag van schroot, afbraak- en bouwmaterialen, grond, bodemspecie en puin en voor het storten van vuil, anders dan ten behoeve van de uitvoering van krachtens de bestemming toegelaten bouwactiviteiten, werken en werkzaamheden;

3. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting;

4. het gebruik van gronden als standplaats voor kampeermiddelen."

3.3.    De Afdeling stelt vast dat het plan voorziet in de bestemming "Verkeer". In artikel 9.1.1 van de planregels staat dat het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting en het gebruik van de gronden als standplaats voor kampeermiddelen in ieder geval in strijd is met de bestemming "Verkeer". Dit betekent, anders dan waarvan [appellant] uitgaat, niet dat ieder gebruik dat niet expliciet is uitgesloten in de algemene gebruiksregels, is toegestaan. Bepalend is wat op grond van de bestemmingsomschrijving, zoals opgenomen in artikel 3.1 van de planregels, is toegestaan. In dit artikel zijn geen functies opgenomen die een verkooppunt voor motorbrandstoffen mogelijk maken. Gelet daarop heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat de realisatie van een dergelijk verkooppunt binnen de bestemming "Verkeer" in het plan niet mogelijk is. Overigens heeft de raad ter zitting toegelicht dat het plan bedoeld is om twee wegen met elkaar te verbinden en dat de raad binnen het plangebied geen verkooppunt voor motorbrandstoffen mogelijk wil maken. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat er met betrekking tot de bestemming "Verkeer" in het plan in zoverre geen sprake is van rechtsonzekerheid en dat het expliciet uitsluiten van een verkooppunt voor motorbrandstoffen daarom niet nodig is. De omstandigheid dat de uitsluiting van een standplaats voor kampeermiddelen en een seksinrichting binnen de bestemming "Verkeer" niet in overeenstemming zou zijn met de SVBP 2012, wat hiervan ook zij, maakt dit niet anders.

Ook de verwijzing van [appellant] naar de uitspraak van de Afdeling van 14 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3721, leidt niet tot een ander oordeel. Dit is alleen al zo omdat het plan niet voorziet in een detailhandelsbestemming, maar in de bestemming "Verkeer". Het plan voorziet evenmin in de bestemming "Bedrijf". De Afdeling komt dan ook niet toe aan de vraag of een verkooppunt voor motorbrandstoffen al dan niet alleen binnen de bestemming "Bedrijf" mogelijk is.

Het betoog slaagt niet.

Zienswijze herhaald en ingelast

4.       [appellant] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de "Reactie- en antwoordnota zienswijze ontwerpbestemmingsplan Leeuwarden - aansluiting Overijsselselaan Zuid", die door de raad is vastgesteld, is ingegaan op deze zienswijze. [appellant] heeft in het beroepschrift of op de zitting geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze door de raad onjuist zou zijn.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie

5.       Het beroep is ongegrond.

Proceskosten

6.       De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.J.J.M. Pans, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 21 april 2021

288-866.