Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:80

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-01-2021
Datum publicatie
27-01-2021
Zaaknummer
202004610/1/R2 en 202004610/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij het besluit van 8 juli 2020 heeft de raad van de gemeente Weert het bestemmingsplan "Laarveld 2020" vastgesteld. Het plan maakt deel uit van het woningbouwproject Laarveld aan de noordkant van Weert, dat in totaal 868 nieuwe woningen omvat, te realiseren in vier fasen. Het voorliggende plan voorziet onder meer in de bouw van 152 woningen in fase 3 van het woningbouwproject. Voor fase 4 is in het plan ten behoeve van de bouw van 310 woningen de bestemming 'Wonen - Uit te werken' opgenomen. De Vereniging Dorpsbelangen Laar (hierna: de vereniging) komt blijkens haar statuten op voor behoud en verbetering van de leefbaarheid van het kerkdorp Laar en het behoud van de agrarische identiteit daarvan. De vereniging vreest onder meer voor aantasting van het beschermd dorpsgezicht Laarakker en voor aantasting van het leefgebied van in het plangebied aanwezige beschermde diersoorten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2021/8486
M en R 2021/43 met annotatie van M.A.A. Soppe
JM 2021/52 met annotatie van Hoevenaars, G.A.J.M.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202004610/1/R2 en 202004610/2/R2.

Datum uitspraak: 20 januari 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

Vereniging Dorpsbelangen Laar, gevestigd te Weert,

appellante,

en

de raad van de gemeente Weert,

verweerder.

Procesverloop

Bij het besluit van 8 juli 2020 heeft de raad het bestemmingsplan "Laarveld 2020" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft de Vereniging Dorpsbelangen Laar beroep ingesteld.

De Vereniging Dorpsbelangen Laar heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De raad heeft nadere stukken ingediend.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 19 november 2020, waar de Vereniging Dorpsbelangen Laar, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en de raad, vertegenwoordigd door mr. M.J. Jans en ing. M. Arts, zijn verschenen.

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Overwegingen

Inleiding

1.       Het plan maakt deel uit van het woningbouwproject Laarveld aan de noordkant van Weert, dat in totaal 868 nieuwe woningen omvat, te realiseren in vier fasen. De woningen in fase 1 en 2 zijn vrijwel alle gerealiseerd op grond van het bestemmingsplan "Laarveld 2016, fase 1 en 2".

Het voorliggende plan voorziet onder meer in de bouw van 152 woningen in fase 3 van het woningbouwproject. Voor fase 4 is in het plan ten behoeve van de bouw van 310 woningen de bestemming 'Wonen - Uit te werken' opgenomen.

Het gebied van fase 3 wordt aan de noordkant begrensd door de Rietstraat en de Schonkenstraat, aan de oostkant door de Laarderweg, aan de zuidkant door de Ringbaan-Noord en aan de westkant door de woonwijk Hushoven.

Het plangebied van fase 3 en 4 is hoofdzakelijk in agrarisch gebruik.

1.1.    De Vereniging Dorpsbelangen Laar (hierna: de vereniging) komt blijkens haar statuten op voor behoud en verbetering van de leefbaarheid van het kerkdorp Laar en het behoud van de agrarische identiteit daarvan.

De vereniging vreest onder meer voor aantasting van het beschermd dorpsgezicht Laarakker en voor aantasting van het leefgebied van in het plangebied aanwezige beschermde diersoorten.

1.2.    Het relevante wettelijke kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

Kortsluiting

2.       In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Verkeer en verkeersveiligheid

3.       De vereniging betoogt dat de geschiktheid van de Laarderweg als ontsluitingsweg van het plangebied onvoldoende is onderbouwd.

Daarbij voert zij aan dat de Laarderweg ook al als ontsluitingsweg voor fase 1 en 2 van het plan fungeert en dat de raad niet heeft onderzocht hoeveel extra verkeersbewegingen het plan op de Laarderweg tot gevolg zal hebben. De vaststelling van de raad dat de Laarderweg over voldoende capaciteit beschikt voor het extra verkeer is daarmee volgens haar onvoldoende gemotiveerd. Volgens de vereniging is bij die vaststelling bovendien geen rekening gehouden met het feit dat de Laarderweg een smalle, bochtige weg is die wordt gebruikt door verkeer met verschillende snelheden.

Ook is volgens de vereniging onduidelijk of rekening is gehouden met de hinder die de toename van het verkeer zal hebben voor de bewoners van de percelen aan de Laarderweg. Weliswaar is de Laarderweg als 30 km-zone aangemerkt, maar zonder bijpassende inrichting van die weg met snelheidsbeperkende maatregelen zullen automobilisten zich volgens de vereniging niet aan die snelheidsbeperking houden. Hierdoor zal de bereikbaarheid van de aangrenzende percelen verslechteren en het woongenot bij de daar gelegen woningen worden aangetast. Ook zal de beperking van de snelheid tot 30 km p/u volgens haar de doorstroming van het verkeer op de Laarderweg belemmeren.

De vereniging heeft voorts aangevoerd dat niet uit het plan blijkt welke maatregelen zullen worden getroffen ten behoeve van de verkeersveiligheid op de Laarderweg. Daarbij stelt zij onder meer dat grote hoeveelheden fietsers van die weg gebruik maken, onder meer naar scholen in de wijk Molenakker ten zuiden van Ringbaan-Noord. Het door de raad voorgestelde gebruik van de wegen in de nieuwe woonwijk van fase 3 is volgens haar geen oplossing, mede door het kruisende verkeer in woonwijken.

3.1.    In de Nota van zienswijzen staat dat voor de berekening van de verkeersstromen ter plaatse is uitgegaan van de verkeerscijfers uit het verkeersmodel voor het prognosejaar 2030 van de gemeente Weert. In dit verkeersmodel is een berekening gemaakt op basis van de verwachte toename van het aantal verkeersbewegingen. Daarbij is rekening gehouden met de verdere afbouw van het woningbouwgebied Laarveld.

Bij het akoestisch onderzoek "Akoestisch onderzoek Wegverkeer Laarveld 2020", dat bij de plantoelichting is gevoegd, is op basis daarvan de te verwachten etmaalintensiteit van de Laarderweg in 2030 berekend.

Hierbij zijn drie wegvakken onderscheiden, te weten tussen de Ringbaan-Noord en de Thomassenweg, tussen de Thomassenweg en Schonkenstraat en de Laarderweg ten noorden van de Schonkenstraat, van respectievelijk 3600, 2800 en 2200 motorvoertuigen per etmaal.

De raad heeft naar voren gebracht dat recent verkeerstellingen zijn gedaan die in lijn zijn met deze prognoses. De capaciteit van de Laarderweg bedraagt volgens de raad ongeveer 5000 tot 6000 motorvoertuigen per etmaal. De vereniging heeft de door de raad gehanteerde cijfers niet met feiten en gegevens onderbouwd bestreden.

Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich op grond van de beschikbare gegevens niet in redelijkheid op het standpunt heeft mogen stellen dat de capaciteit van de Laarderweg toereikend moet worden geacht om het extra verkeer van de woonwijken te kunnen afwikkelen. Evenmin is er aanleiding te oordelen dat de raad  slechts aan de hand van nieuw onderzoek de gevolgen van het plan voor de verkeersintensiteit op de Laarderweg had mogen bezien.

Hetgeen de vereniging heeft aangevoerd over het smalle en bochtige karakter van de Laarderweg leidt niet tot een ander oordeel.

Naar de raad terecht heeft gesteld is hij in beginsel niet verplicht de bij het ontwerp van een weg gemaakte keuzes die betrekking hebben op de gedetailleerde inrichting van een weg en de aard van het gebruik daarvan in het bestemmingsplan vast te leggen. Dit betekent echter niet dat de raad een plan mag vaststellen dat in de weg staat aan een verkeersveilige of anderszins uit oogpunt van een goede verkeersafwikkeling aanvaardbare situatie.

In de plantoelichting staat dat de Laarderweg vanaf de Thomassenweg tot aan de huidige komgrens van Laar een 30 km-zone zal worden. Volgens de raad zullen de kruisingen met de bestaande wegen zodanig worden vormgegeven dat de in verkeerstechnisch opzicht ondergeschikte functie van de bestaande routes duidelijk blijkt. Vanaf de ontsluitingstructuur in Laarveld zal volgens de raad door lusvormige, secundaire ontsluitingsroutes gezorgd worden voor een goede ontsluiting van de woonclusters.

Door de inrichting van de Laarderweg als 30 km-zone zal ook het langzame verkeer, waaronder voetgangers en fietsers, gebruik kunnen maken van de nieuwe ontsluitingsstructuur. Ook kan volgens de raad door langzaam verkeer veilig gebruik worden gemaakt van de woonstraten in fase 3 die worden ingericht als 30-km gebied. De stelling van de vereniging dat dit geen echte oplossing biedt omdat daar sprake zal zijn van kruisend verkeer is niet nader onderbouwd. De raad heeft in dat kader verklaard dat hij voornemens is om op de twee punten in fase 3-gebied waar naar verwachting kruisend verkeer zal ontstaan, verhoogde plateaus aan te leggen.

Volgens de raad zal met belanghebbenden ook nog verder worden gesproken over de verdere inrichting van de Laarderweg. Daarbij is ook de aanleg van vrij liggende fiets- en voetpaden bespreekbaar, waarbij de raad wel opmerkt dat de beschikbare ruimte hiervoor beperkt is.

Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter geen grond voor het oordeel dat de raad onvoldoende rekening heeft gehouden met het smalle en bochtige karakter van de Laarderweg en het gebruik door verschillende soorten verkeersdeelnemers. Daarbij wordt opgemerkt dat bij dat oordeel, anders dan de vereniging kennelijk meent, geen rol kan spelen dat er op de Laarderweg mogelijk te hard zal worden gereden, omdat dat een kwestie is van handhaving van de verkeersregels.

Het betoog kan niet slagen.

Beschermd dorpsgezicht en buffer

4.       De vereniging betoogt dat de woningbouw ten noorden van de sloot de Schonkenlossing een onaanvaardbare inbreuk vormt op het beschermde dorpsgezicht Laarakker, zoals dat is aangewezen in de Nota aanwijzing gemeentelijke stads- en dorpsgezichten uit 2008 (hierna: de Nota stads- en dorpsgezichten). In dit stuk is het open, agrarisch karakter met beperkte lintbebouwing als waardevol aangemerkt. Ook is daarin het oude wegenpatroon ter plaatse als waardevol en beschermenswaardig aangemerkt.

Door de bouw van nieuwe woningen ten noorden van de Schonkenlossing en de aanleg van een nieuwe ontsluitingsweg wordt het open en agrarische karakter van Laarakker en het oude wegenpatroon aangetast. Daarmee wordt tevens een onaanvaardbare inbreuk gemaakt op het beschermd dorpsgezicht, aldus de vereniging.

De vereniging stelt voorts dat het plan ten onrechte niet voorziet in een groene buffer om de zelfstandige identiteit van het kerkdorp Laar te behouden tussen de nieuwe bebouwing en de bestaande bebouwing van Laar. Het belang van handhaving van die zelfstandige identiteit ten opzichte van de nieuwe wijken van Weert staat volgens vereniging in vele beleidsstukken. De Schonkenlossing is vanwege de beperkte lengte en breedte daarvan volgens haar geen toereikende buffer.

4.1.    In de Nota stads- en dorpsgezichten is het deel van het plangebied dat grenst aan het dorp Laar als beschermd stads- en dorpsgezicht "Laarakker" aangewezen.

Zoals de voorzieningenrechter eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in de uitspraak van 18 augustus 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN4277, strekt de aanwijzing tot een beschermd stads- of dorpsgezicht er niet toe de bestaande situatie te bevriezen. Het is echter wel van belang dat bij de verdere ontwikkeling, of noodzakelijk geachte veranderingen, aan de waarde van het geheel geen, althans zo weinig mogelijk schade wordt toegebracht.

De raad heeft in het verweerschrift naar voren gebracht dat in het plan geprobeerd is om met inachtneming van de kwaliteiten van het gebied invulling te geven aan de behoefte aan woningen in Laar.

Daarbij wijst de raad erop dat in de zogenoemde redengevende omschrijving, die in bijlage 1b bij de planregels is gevoegd, als belangrijkste kenmerken van het stads- en dorpsgezicht de bolle kransakkers en de oude wegenstructuur inclusief de driehoekige dorpspleinen, de zogenoemde driesen zijn genoemd.

De oude wegenstructuur wordt volgens de raad door het plan niet aangetast. Met die structuur is juist rekening gehouden door langs de Schonkenweg vrijstaande woningen te projecteren, zodat de lintbebouwing langs deze oude wegen wordt voortgezet. De aanleg van een nieuwe ontsluitingsweg voor de woningen is aan de achterkant van deze lintbebouwing gepland, zodat ook die weg het oude wegenpatroon niet verstoort, aldus de raad. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de raad zich aldus in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de oude wegenstructuur rond het beschermde stads- en dorpsgezicht in het plan in voldoende mate zal worden gehandhaafd.

De raad heeft voorts naar voren gebracht dat de bouw van de nieuwe woningen ter plaatse geen afbreuk zal doen aan het agrarische en groene karakter van dit dorpsgezicht. Daarbij wijst de raad erop dat de waardering van het dorpsgezicht met name ziet op de bolle kransakkers en dat op deze akkers zelf geen bebouwing mogelijk wordt gemaakt.

De voorzieningenrechter overweegt dat niet kan worden uitgesloten dat de nieuwbouw, ook al is die niet op de kransakkers voorzien, in enige mate afbreuk zal doen aan het groene, open karakter van het aanzicht van het dorp. Aard en omvang van de mogelijke aantasting is echter niet dusdanig, dat de raad niet in redelijkheid een groter gewicht heeft kunnen toekennen aan de belangen bij realisering van de voorziene woningbouw dan aan het belang bij het ongewijzigd blijven van de bestaande situatie.

4.2.    Met betrekking tot de door de vereniging gewenste buffer heeft de raad naar voren gebracht dat daarin wordt voorzien door de Schonkenlossing, die een breedte heeft van ongeveer 5 m.

De raad staat op het standpunt dat de begrenzing van het kerkdorp Laar wordt gevormd door de Schonkenstraat en dat het gebied tussen de Schonkenstraat en de Schonkenlossing behoort tot het buitengebied van Laar en niet tot het kerkdorp Laar. De voorzieningenrechter acht dit uitgangspunt gelet op het in het dossier aanwezige (kaart)materiaal niet onredelijk.

De bestemming "Verkeer" ligt aan de noordzijde van de Schonkenlossing. Hier zijn tevens groenvoorzieningen gepland. Aan de zuidzijde van de lossing zijn deels ook groenvoorzieningen voorzien op gronden met de bestemming "Verkeer".

Gelet op het voorgaande acht de voorzieningenrechter het standpunt van de raad dat de Schonkenlossing een zekere logische, natuurlijke en toereikende begrenzing vormt tussen het kerkdorp Laar en Laarveld fase 3 niet onbegrijpelijk en ook niet onredelijk. Mede op grond hiervan ziet de voorzieningenrechter in hetgeen de vereniging heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de raad zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan aldus niet zal leiden tot aantasting van de zelfstandige identiteit van het kerkdorp Laar.

Gelet hierop is er geen reden nader in te gaan op de stelling van de vereniging dat in beleidsstukken is vermeld dat nieuwe woningbouw ter plaatse niet mag leiden tot inbreuk op dat zelfstandige karakter.

4.3.    Het betoog slaagt niet.

Milieueffectrapportage

5.       De vereniging heeft betoogd dat de raad er ten onrechte van is uitgegaan dat in dit geval alleen een zogenoemde vormvrije milieueffectbeoordeling (hierna: m.e.r- beoordeling) als bedoeld in artikel 2, vijfde lid, van het Besluit milieueffectrapportage (hierna: Besluit m.e.r.) gemaakt hoefde te worden. De raad heeft daarbij ten onrechte niet ook de milieugevolgen van fase 4 betrokken en heeft, mede op basis van die beperkte toets, ten onrechte geoordeeld dat zich in dit geval geen bijzondere omstandigheden voordoen die meebrengen dat een milieueffectrapport (hierna: MER) noodzakelijk was, aldus de vereniging.

Ter onderbouwing hiervan heeft de vereniging gewezen op de ligging van het plangebied ten opzichte van bedrijven in milieucategorie 4 en 5 en op het belang van het plangebied voor uilen en vleermuizen. In de m.e.r.-beoordeling is volgens de vereniging dan ook ten onrechte geconcludeerd dat geen sprake is van mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen als gevolg van het plan en dat daarom geen MER hoefde te worden opgesteld.

5.1.    Het bevoegd gezag dient een vormvrije m.e.r.-beoordeling uit te voeren in gevallen waarin een activiteit genoemd wordt in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r., maar de omvang van deze activiteit onder de in kolom 2 vastgelegde drempelwaarden blijft. Bezien dient te worden of die activiteit, ondanks dat de drempelwaarden niet worden overschreden, mogelijk belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben en het doorlopen van plan van een MER-procedure alsnog noodzakelijk is.

Het voorliggende plan maakt de bouw van 462 woningen in een aaneengesloten gebied mogelijk.

Niet in geschil is dat het plan daarmee voorziet in een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in categorie 11.2, onderdeel D, van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Ook niet in geschil is dat de daarin opgenomen drempelwaarden niet worden overschreden, zodat alleen een zogenoemde vormvrije m.e.r.-beoordeling gemaakt hoefde te worden.

Het college van burgemeester en wethouders heeft ter uitvoering van deze verplichting op 17 maart 2020 besloten dat voor het plan geen MER noodzakelijk is, omdat de voorgenomen ontwikkeling geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zal veroorzaken. Dit m.e.r.-beoordelingsbesluit is opgenomen in bijlage 9 bij de plantoelichting.

5.2.    Het plan bevat ten aanzien van de bouw van de woningen niet alleen plandelen met een eindbestemming ("Wonen"), maar tevens plandelen met een uit te werken bestemming (de bestemming "Wonen - Uit te werken"), onderscheidenlijk voor fase 3 en fase 4.

In dit geval is derhalve sprake van een zogenoemd gemengd bestemmingsplan als bedoeld in overwegingen 2.4.2.1 en 2.4.2.3 van de uitspraak van de Afdeling van 28 mei 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BD2641. Bij de totstandkoming van een dergelijk plan moet, zo oordeelde de Afdeling in die uitspraak - als aan de overige voorwaarden daarvoor wordt voldaan - een m.e.r. voor besluiten uit kolom 4 worden uitgevoerd die betrekking heeft op het gehele project.

De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat ook bij de vraag of met een vormvrije m.e.r.-beoordeling kan worden volstaan, het plan als geheel in de beoordeling moet worden betrokken.

Nu bij het besluit van 17 maart 2020 niet ook de milieugevolgen van fase 4 van het plan zijn betrokken, is de voorzieningenrechter van  oordeel dat het aan het bestreden besluit ten grondslag liggende standpunt van de raad dat uitgesloten is dat het plan mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen heeft die het opstellen van een MER noodzakelijk maakten, strijdt met het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel.

In stand laten van de rechtsgevolgen

6.       Op 6 oktober 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders alsnog de gezamenlijke milieugevolgen van fasen 3 en 4 beoordeeld. Het college is tot de conclusie gekomen dat voor de ontwikkeling daarvan vanwege de te verwachten gevolgen voor het milieu, het opstellen van een MER niet is vereist.

Nu het geconstateerde gebrek in de bij de planvaststelling gevolgde procedure in zoverre is hersteld, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om te onderzoeken of de rechtsgevolgen van het bestemmingsplan met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb in stand kunnen worden gelaten. Daarvoor zullen hieronder de beroepsgronden worden beoordeeld die de vereniging heeft aangevoerd ter ondersteuning van haar betoog dat vanwege de van het plan te verwachten gevolgen voor het milieu een MER had moeten worden gemaakt.

Milieuzonering

6.1.    De vereniging heeft in het kader van haar betoog dat een MER had moeten worden gemaakt eerst gewezen op de ligging van het plangebied binnen de invloedssfeer van industrieterrein Kampershoek-Noord. Daarbij heeft zij aangevoerd dat op dat industrieterrein bedrijven zijn toegestaan in milieucategorie 4 en 5 en dat niet wordt voldaan aan de richtafstanden die in de VNG-brochure tussen gevoelige bestemmingen en milieubelastende functies worden aanbevolen.

6.2.    Gelet op de ontwikkeling die het plan mogelijk maakt, is hier aan de orde de vraag of de geplande woningbouw zodanige nadelige milieugevolgen heeft dat een MER had moeten worden opgesteld. Op die vraag ziet de beroepsgrond van de Vereniging echter niet. Die grond heeft betrekking op het spiegelbeeld, namelijk de vraag of de bouw van nieuwe woningen al dan niet aanvaardbaar is vanwege de te verwachten milieubelasting bij die woningen van een industrieterrein in de omgeving. Die toets aan de m.e.r.-plicht is in de onderhavige procedure niet aan de orde.

Overigens wordt op deze laatste vraag wel ingegaan in paragraaf 3.3. van de aanmeldingsnotitie van 6 oktober 2020. Daarin staat dat op grond van het geldende bestemmingsplan "Kampershoek Noord 2010" op het bedrijventerrein Kampershoek-Noord bedrijven tot ten hoogste milieucategorie 4.1 zijn toegelaten. De raad heeft dit ter zitting bevestigd.

Vast staat dat voor milieucategorie 4.1 in de VNG-brochure een richtafstand wordt aangehouden van 200 m. Niet in geschil is dat de kortste afstand van de nieuwe woningen tot het bedrijventerrein ongeveer 350 m bedraagt. Gezien deze afstand wordt ruimschoots aan de richtafstand uit de VNG-brochure voldaan.

Beschermde diersoorten

6.3.    De vereniging is voorts van mening dat (ook) vanwege de mogelijke negatieve effecten van het plan op het verblijfs- en foerageergebied van steen- en kerkuilen en vleermuizen een MER had moeten worden gemaakt. Zij heeft daarbij in het bijzonder gewezen op de conclusie in het rapport van een door haar geraadpleegde ecoloog dat de geplande ontwikkeling tot een directe aantasting van het leefgebied van de steenuil zal leiden.

6.4.    Aan het plan is onder meer het "Verkennend Flora-en faunaonderzoek Laarveld fase 3" van bureau Kragten van 22 maart 2019 (hierna: verkennend onderzoek) ten grondslag gelegd.

In de aanmeldingsnotitie van 6 oktober 2020 is nader ingegaan op de gevolgen van het plan, inclusief fase 4, voor uilen en vleermuizen.

Daarin is, in aansluiting op het verkennend onderzoek, er vanuit gegaan dat zich op circa 150 meter ten noordoosten van het plangebied een nestlocatie van een kerkuil bevindt. Deze locatie valt volgens de notitie binnen het plangebied van bestemmingsplan Kampershoek 2.0. Gezien de omvang van het foerageergebied van een kerkuil functioneert echter ook het voorliggende plangebied mogelijk als foerageergebied. In het verkennend en aanvullend onderzoek van 11 november 2020 is opgemerkt dat  zich tijdens dat onderzoek geen aanwijzingen hebben voorgedaan dat het plangebied van essentieel belang is voor de kerkuil.

Het college is er voorts, mede op grond van het verslag van de door de vereniging geraadpleegde ecoloog vanuit gegaan dat blijkt dat waarschijnlijk een nestplaats van de steenuil aanwezig is aan de oostzijde van de Laarderweg, buiten het plangebied. Het daar liggende cluster aan kleinschalige erven biedt volgens het verkennend onderzoek een optimaal foerageergebied voor steenuilen. De functie van het plangebied voor de steenuil, onder meer als foerageergebied, is volgens dat onderzoek echter zo marginaal, dat een negatief effect op een aanwezig steenuilenterritorium niet optreedt.

De aanwezigheid van vleermuizen in het plangebied is onderzocht in het verkennend en aanvullend onderzoek van 11 november 2020.

In dat onderzoek is geconcludeerd dat niet is gebleken dat het plangebied een bijzondere functie voor vleermuizen heeft als foerageergebied of voor vliegroutes of anderszins van essentieel belang is voor vleermuizen. Er treedt volgens het college derhalve door het plan geen negatief effect voor  vleermuizen op.

De voorzieningenrechter ziet in wat de vereniging heeft aangevoerd geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid en volledigheid van de conclusies van de hiervoor genoemde onderzoeken.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is hetgeen door de Vereniging naar voren is gebracht onvoldoende om te oordelen dat niet kon worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling.

Het betoog faalt.

Conclusie

7.       Het beroep is gegrond. Het besluit van 8 juli 2020 dient wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd. De voorzieningenrechter zal evenwel bepalen dat de rechtsgevolgen ervan in stand blijven.

Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

Proceskosten

8.       De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Daarbij wordt het volgende overwogen.

Van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, aanhef en sub a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht is niet gebleken. De vereniging heeft zich laten vertegenwoordigen door haar voorzitter, [naam voorzitter], en algemeen lid, [naam algemeen lid]. [algemeen lid] is voor de vereniging niet als professionele rechtshulpverlener opgetreden.

De reiskosten komen voor vergoeding in aanmerking, maar niet van beide gemachtigden, omdat van de noodzaak tot een dubbele vertegenwoordiging ter zitting niet is gebleken.

De vereniging heeft ten slotte verzocht om vergoeding door de raad van het griffierecht voor het indienen van het beroep en voor het indienen van een verzoek om een voorlopige voorziening, in het geval van toepassing van kortsluiting als bedoeld in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb. Voor inwilliging van dit verzoek ziet de voorzieningenrechter evenmin aanleiding. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt immers afgewezen en   zou ook zijn afgewezen zonder kortsluiting in verband met het ontbreken van spoedeisend belang.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het beroep gegrond;

II.       vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Weert van 8 juli 2020 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Laarveld 2020";

III.      bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven;

IV.     wijst het verzoek af;

V.      veroordeelt de raad van de gemeente Weert tot vergoeding van bij Vereniging Dorpsbelangen Laar in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 751,81 (zegge: zevenhonderdeenenvijftig euro en eenentachtig cent);

VI.     gelast dat de raad van de gemeente Weert aan Vereniging Dorpsbelangen Laar het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 354,00 (zegge: driehonderdvierenvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. N.T. Zijlstra, griffier.

w.g. Van Ettekoven

voorzieningenrechter

w.g. Zijlstra

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2021

240.

 

BIJLAGE

 

Wet milieubeheer

§ 7.2. Plannen en besluiten ten aanzien waarvan het maken van een milieueffectrapport verplicht is.

Artikel 7.2

1. Bij algemene maatregel van bestuur worden de activiteiten aangewezen:

a. […]

b. ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben.

[…]

4. Ter zake van de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder b, worden de categorieën van besluiten aangewezen in het kader waarvan het bevoegd gezag krachtens de artikelen 7.17 of 7.19 moet beoordelen of die activiteiten de in dat onderdeel bedoelde gevolgen hebben, en indien dat het geval is, bij de voorbereiding waarvan een milieueffectrapport moet worden gemaakt.

Besluit milieueffectrapportage

Hoofdstuk 2. Activiteiten, plannen en besluiten ten aanzien waarvan het maken van een milieueffectrapport verplicht is of ten aanzien waarvan de artikelen 7.16 tot en met 7.19 van de wet moeten worden toegepast.

Artikel 2

1. […]

2. Als activiteiten als bedoeld in artikel 7.2, eerste lid, onder b, van de wet worden aangewezen de activiteiten die behoren tot een categorie die in onderdeel D van de bijlage is omschreven, alsmede activiteiten die in onderdeel C van de bijlage zijn omschreven en die uitsluitend of hoofdzakelijk dienen voor het ontwikkelen en beproeven van nieuwe methoden of producten en die niet langer dan twee jaar worden gebruikt.

Indien een activiteit behoort tot een categorie van activiteiten die zowel in onderdeel C als in onderdeel D van de bijlage omschreven is en zij tevens voldoet aan de in de daarbij aangegeven categorieën van gevallen genoemde criteria, behoort zij tot de in onderdeel C omschreven categorie van activiteiten.

[…]

4. Als categorieën van besluiten als bedoeld in artikel 7.2, derde en vierde lid, van de wet, worden aangewezen de categorieën die in kolom 4 van onderdeel C onderscheidenlijk onderdeel D van de bijlage zijn omschreven.

5. Voor zover in de bijlage, onderdeel C, bij een categorie van activiteiten categorieën van gevallen zijn aangegeven, geldt de verplichting tot het maken van een milieueffectrapport in zodanige gevallen. Voor zover in de bijlage, onderdeel D, bij een categorie van activiteiten categorieën van gevallen zijn aangegeven, geldt:

a. de verplichting tot het toepassen van de artikelen 7.16 tot en met 7.19 en 7.20a van de wet in zodanige gevallen, en

b. de verplichting tot het toepassen van de artikelen 7.16, 7.17, eerste tot en met vierde lid, 7.18, 7.19, eerste en tweede lid, en 7.20a van de wet in overige gevallen, uitgezonderd de gevallen, bedoeld in de categorieën D 49.1, D 49.2 en D 49.3 van de bijlage bij dit besluit.

[…]

Bijlage behorende bij het Besluit milieueffectrapportage