Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:789

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-04-2021
Datum publicatie
21-04-2021
Zaaknummer
202000349/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 januari 2019 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2021/286
JV 2021/96 met annotatie van Klaassen, M.A.K.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202000349/1/V3.
Datum uitspraak: 16 april 2021

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 24 december 2019 in zaak nr. 19/3526 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 30 januari 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.

Bij besluit van 10 april 2019 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 december 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. V. Sarkisian, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

Inleiding

1. De vreemdeling komt uit Marokko en heeft een minderjarige dochter, geboren op [geboortedatum] 2013, met de Nederlandse nationaliteit. Nadat zij enige tijd met haar dochter in Spanje heeft gewoond, verblijft zij naar eigen zeggen sinds 2014 in Nederland. Haar partner, die de Nederlandse nationaliteit had, is op 5 september 2019 overleden. De vreemdeling beschikt over een geldige verblijfskaart waaruit volgt dat zij in Spanje een duurzaam verblijfsrecht heeft als familielid van een Unieburger. Zij heeft echter aangevoerd dat dit verblijfsrecht is geëindigd, zodat het weigeren van verblijf in Nederland ertoe leidt dat zij samen met haar dochter de Europese Unie zou moeten verlaten. Deze uitspraak gaat over de vraag of zich in deze zaak een situatie voordoet als bedoeld in het arrest van het Hof van Justitie van 10 mei 2017, Chavez-Vilchez, ECLI:EU:C:2017:354 (het arrest).

2. Deze uitspraak maakt deel uit van een cluster van drie uitspraken over het verblijfsrecht als bedoeld in het arrest. In twee andere uitspraken van vandaag gaat de Afdeling in op de vraag wanneer sprake is van een afhankelijkheidsverhouding als bedoeld in het arrest (ECLI:NL:RVS:2021:790) en op de toepassing van het arrest bij andere gezinssamenstellingen (ECLI:NL:RVS:2021:788).

Grieven

3. In de grieven klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris de aanvraag terecht heeft afgewezen omdat zij in het bezit is van een geldig Spaans verblijfsdocument voor duurzaam verblijf als familielid van een burger van de Unie. Zij betoogt dat dit verblijfsrecht is geëindigd, onder meer omdat zij al sinds 2014 in Nederland verblijft. Verder betoogt zij dat dit verblijfsrecht, zelfs als ervan wordt uitgegaan dat het niet is geëindigd, op zichzelf onvoldoende is om te concluderen dat zij zich met haar dochter in Spanje kan vestigen. De staatssecretaris had volgens de vreemdeling op basis van alle omstandigheden van het geval moeten nagaan of haar dochter gedwongen zou worden het grondgebied van de Europese Unie te verlaten en daarbij de hogere belangen van het kind in acht moeten nemen. Verder heeft de rechtbank ten onrechte geen belang gehecht aan de omstandigheid dat zij sinds het overlijden van haar partner als enige ouder de zorg over haar dochter heeft, aldus de vreemdeling.

De rechtspraak van het Hof

4. Het is vaste rechtspraak van het Hof dat er zeer bijzondere situaties bestaan waarin aan een onderdaan van een derde land die familielid is van een burger van de Unie een verblijfsrecht moet worden toegekend, omdat anders aan het Unieburgerschap de nuttige werking zou worden ontnomen indien, als gevolg van de weigering om een dergelijk recht te verlenen, deze burger feitelijk verplicht is het grondgebied van de gehele Unie te verlaten en hem zo het effectieve genot van de essentie van de aan die status ontleende rechten worden ontzegd (zie het arrest, punt 63, en de daar aangehaalde rechtspraak).

4.1. Zoals het Hof heeft benadrukt, gaat het hierbij om situaties dat de burger van de Unie feitelijk wordt verplicht om het grondgebied van niet alleen de lidstaat waarvan hij staatsburger is, maar ook dat van de Unie als geheel te verlaten (zie in het bijzonder het arrest van 15 november 2011, Dereci, ECLI:EU:C:2011:734, punt 66).

Dit betekent dat de onderdaan van een derde land geen aanspraak heeft op een afgeleid verblijfsrecht als hij zich met de burger van de Unie naar een andere lidstaat kan begeven (zie het arrest van 10 oktober 2013, Alokpa en Moudoulou, ECLI:EU:C:2013:645, punten 34 en 35, en het arrest van 13 september 2016, Rendón Marín, ECLI:EU:C:2016:675, punt 79). Hoewel in deze arresten het mogelijke verblijfsrecht in een andere lidstaat van de ouder afgeleid was van het verblijfsrecht van het kind als onderdaan van die andere lidstaat, is de Afdeling van oordeel dat deze regel ook op gaat als het gezamenlijke verblijf in een andere lidstaat mogelijk wordt gemaakt door een verblijfsrecht aldaar van de ouder. Het Hof baseert deze regel immers in algemene bewoordingen op het gevolg van een gezamenlijk verblijfsrecht in een andere lidstaat: dat het kind als Unieburger niet het grondgebied van de Unie als geheel hoeft te verlaten (punt 79 van het arrest Rendón Marín).

Op wie rust de bewijslast?

5. Over de bewijslast heeft het Hof in het arrest overwogen dat de onderdaan van een derde land die de erkenning van een op artikel 20 van het VWEU gebaseerd afgeleid verblijfsrecht wenst te verkrijgen, alle gegevens moet verschaffen aan de hand waarvan kan worden beoordeeld of aan de voorwaarden voor toepassing van die bepaling is voldaan. Het gaat vooral om de gegevens die aantonen dat het kind bij een weigering om een verblijfsrecht toe te kennen aan de ouder die onderdaan van een derde land is, het effectieve genot van de essentie van de aan de status van burger van de Unie ontleende rechten zou worden ontzegd doordat het genoopt zou zijn het grondgebied van de Unie in zijn geheel te verlaten (punt 75).

Het is volgens het Hof vervolgens aan de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat om aan de hand van de door de onderdaan van een derde land verschafte gegevens het nodige onderzoek te doen om, gelet op alle omstandigheden van het geval, te kunnen beoordelen of een weigering dergelijke gevolgen zou hebben (punt 78).

5.1. Dit betekent dat het in de eerste plaats aan de vreemdeling is om bij de aanvraag alle gegevens te verschaffen die aantonen dat hij of zij niet met de burger van de Unie in de tweede lidstaat kan verblijven, zodat die burger van de Unie verplicht zou zijn het grondgebied van de Europese Unie in zijn geheel te verlaten. Als de vreemdeling betoogt dat het verblijfsrecht in de tweede lidstaat niet meer bestaat of dat de burger van de Unie daar niet kan verblijven omdat deze niet aan de vereisten van de Verblijfsrichtlijn voldoet, is het dus in eerste instantie aan de vreemdeling om dat aannemelijk te maken. Dit zou bijvoorbeeld zo kunnen zijn als uit het verblijfsdocument, of andere overgelegde stukken, volgt dat het verblijfsrecht door de autoriteiten van de betreffende lidstaat is beëindigd. Pas als de vreemdeling dit aannemelijk heeft gemaakt, moet de staatssecretaris aan de hand van het betoog van de vreemdeling en de eventueel overgelegde stukken onderzoeken en deugdelijk motiveren of een weigering van een verblijfrecht tot gevolg heeft dat de burger van de Unie verplicht is het grondgebied van de Unie te verlaten.

Beoordeling in deze zaak

6. De rechtbank heeft, gelet op wat onder 4 tot en met 5.1 is overwogen, terecht geoordeeld dat het in de eerste instantie aan de vreemdeling is om de gegevens te verschaffen die aantonen dat het weigeren van een verblijfsrecht in Nederland tot gevolg heeft dat haar dochter de Europese Unie moet verlaten en dat het dus in de eerste instantie aan de vreemdeling is om aan te tonen dat zij niet langer een verblijfsrecht in Spanje heeft.

6.1. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling daarin niet is geslaagd. De vreemdeling is in het bezit van een Spaans verblijfsdocument voor duurzaam verblijf als familielid van een burger van de Unie. Dit verblijfsdocument is geldig tot 3 mei 2021. Dat dit verblijfsdocument, zoals de vreemdeling aanvoert, declaratoir van aard is, neemt niet weg dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat het verblijfsrecht op grond waarvan dit verblijfsdocument is verleend, is geëindigd. Over het betoog van de vreemdeling dat het verblijfsrecht volgens artikel 16, vierde lid, van de Verblijfsrichtlijn (PB 2004, L 158, met rectificatie in PB 2004, L 229) is geëindigd omdat zij al sinds 2014 in Nederland verblijft, heeft de staatssecretaris in zijn verweerschrift en zijn aanvullend verweerschrift terecht het standpunt ingenomen dat aan dit betoog afbreuk wordt gedaan doordat de vreemdeling pas op 18 juni 2018 in de BRP is geregistreerd en dat zij bovendien tussen 23 mei 2019 en 5 september 2019 stond geregistreerd als niet-ingezetene wegens verblijf in Spanje. Daarbij heeft de rechtbank terecht overwogen dat de vreemdeling haar standpunt dat het voor haar dochter niet mogelijk is om in Spanje bij haar te verblijven, op geen enkele manier heeft geconcretiseerd.

6.2. Het betoog dat de rechtbank er ten onrechte geen belang aan heeft gehecht dat de vreemdeling sinds het overlijden van haar partner op 5 september 2019 als enige verzorgende ouder de daadwerkelijke zorg- en opvoedtaken voor haar dochter op zich heeft genomen, faalt ook. De vraag of sprake is van daadwerkelijke zorg- en opvoedtaken, speelt namelijk in het kader van de beoordeling of er een daadwerkelijke afhankelijkheidsverhouding als bedoeld in het arrest is (zie daarover de uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2021:790). De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de beroepsgronden die hierover gaan in dit geval geen bespreking meer hoeven, omdat van de vreemdeling en haar dochter niet wordt verwacht dat zij het grondgebied van de Europese Unie verlaten, gelet op het verblijfsrecht in Spanje. Daarnaast is in deze zaak ook niet in geschil dat de vreemdeling daadwerkelijke zorg- en opvoedtaken voor haar dochter verricht.

7. De grieven falen.

Conclusie

8. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. H.G. Sevenster, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, griffier.

w.g. Verheij
voorzitter

w.g. Van Meurs-Heuvel
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 april 2021

846.