Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:785

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-04-2021
Datum publicatie
14-04-2021
Zaaknummer
202003712/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 januari 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Katwijk het verzoek van de stichting om handhavend op te treden tegen het gebruik van rubbergranulaat als vulling voor kunstgrasvelden in Katwijk afgewezen. De stichting heeft op 27 oktober 2019 het college verzocht om handhavend op te treden tegen het gebruik van rubbergranulaat als vulling voor in totaal drie kunstgrasvelden bij de voetbalclubs KVV Quick Boys en VV Katwijk in Katwijk. De stichting heeft aan dit verzoek ten grondslag gelegd dat rubbergranulaat een bodemverontreinigende stof is en dat het gebruik hiervan als vulling op kunstgrasvelden in strijd is met artikel 13 van de Wet bodembescherming. Tegen het besluit van 30 januari 2020, waarbij het handhavingsverzoek is afgewezen, heeft de stichting op 11 maart 2020 zowel per post als digitaal, via DigiD, een nog niet van gronden voorzien bezwaarschrift ingediend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2021/265
OGR-Updates.nl 2021-0098
NJB 2021/1341
JOM 2020/192
AB 2021/175 met annotatie van T. Groot
JOM 2021/192
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202003712/1/R1.

Datum uitspraak: 14 april 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het geding tussen:

Stichting InStrepitus, gevestigd te Leeuwarden,

appellante,

en

het college van burgemeester en wethouders van Katwijk,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 30 januari 2020 heeft het college het verzoek van de stichting om handhavend op te treden tegen het gebruik van rubbergranulaat als vulling voor kunstgrasvelden in Katwijk afgewezen.

Bij besluit van 6 mei 2020 heeft het college het door de stichting hiertegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

De stichting heeft daartegen beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De stichting en het college hebben nadere stukken ingediend.

Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

Inleiding

1.       De stichting heeft op 27 oktober 2019 het college verzocht om handhavend op te treden tegen het gebruik van rubbergranulaat als vulling voor in totaal drie kunstgrasvelden bij de voetbalclubs KVV Quick Boys en VV Katwijk in Katwijk. De stichting heeft aan dit verzoek ten grondslag gelegd dat rubbergranulaat een bodemverontreinigende stof is en dat het gebruik hiervan als vulling op kunstgrasvelden in strijd is met artikel 13 van de Wet bodembescherming.

2.       Tegen het besluit van 30 januari 2020, waarbij het handhavingsverzoek is afgewezen, heeft de stichting op 11 maart 2020 zowel per post als digitaal, via DigiD, een nog niet van gronden voorzien bezwaarschrift ingediend. Daarbij heeft de stichting het college verzocht om de ontvangst van het bezwaarschrift te bevestigen en een termijn van ten minste vier weken te verlenen voor het indienen van gronden. Op 11 maart 2020 heeft de gemeente via een automatisch e-mailbericht de ontvangst van het digitaal ingediende bezwaar bevestigd. Bij brief van 12 maart 2020 heeft de gemeente Katwijk de ontvangst van het per post ingediende bezwaar bevestigd en vermeld dat dit in behandeling wordt genomen. Vervolgens heeft het college bij e-mailbericht van 16 maart 2020 de stichting in de gelegenheid gesteld om de gronden van bezwaar uiterlijk op 13 april 2020 in te dienen.

3.       Bij besluit van 6 mei 2020 heeft het college, na advies van de bezwaarschriftencommissie, het bezwaar van de stichting niet-ontvankelijk verklaard. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat de gronden van bezwaar niet binnen de, in het e-mailbericht van 16 maart 2020 gestelde, termijn zijn ontvangen. Daarnaast heeft de stichting volgens het college niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding.

Wettelijk kader

4.       Artikel 2:14, eerste lid, van de Awb luidt:

"1. Een bestuursorgaan kan een bericht dat tot een of meer geadresseerden is gericht, elektronisch verzenden voor zover de geadresseerde kenbaar heeft gemaakt dat hij langs deze weg voldoende bereikbaar is."

Artikel 6:5, eerste lid, van de Awb luidt:

"1. Het bezwaar- of beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

[…]

d. de gronden van het bezwaar of beroep."

Artikel 6:6 van de Awb luidt:

"Het bezwaar of beroep kan niet-ontvankelijk worden verklaard, indien:

a. niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, […]

mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn."

De gronden van het beroep

5.         De stichting betoogt dat het college haar bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De stichting voert daartoe aan dat het college in strijd heeft gehandeld met artikel 2:14, eerste lid, van de Awb door ervoor te kiezen de termijn voor het indienen van de gronden van bezwaar per e-mailbericht aan de gemachtigde van de stichting mede te delen. De stichting voert aan dat zij dit e-mailbericht nooit heeft ontvangen en dat zij noch bij indiening via het loket van DigiD, noch daarna kenbaar heeft gemaakt dat zij via de elektronische weg bereikbaar is voor besluiten en anderszins belangrijke post.

Volgens de stichting kan uit het indienen van het bezwaar via DigiD en het daarbij invullen van haar e-mailadres omwille van een ontvangstbevestiging van het bezwaar niet worden afgeleid dat aan het college kenbaar is gemaakt dat berichten via de elektronische weg kunnen worden verzonden. De stichting voert aan dat zij volledigheidshalve en zorgvuldigheidshalve niet alleen per post, maar ook digitaal bezwaar heeft gemaakt omdat het digitale systeem een onmiddellijk bewijs van verzending en ontvangst verschaft. Het college verwijst volgens de stichting ten onrechte naar jurisprudentie die ziet op personen die uitsluitend elektronisch communiceren.

De stichting betoogt daarnaast dat uit het vermelden van een e-mailadres in het briefhoofd van het bezwaarschrift niet kan worden afgeleid dat impliciet kenbaar is gemaakt dat zij bereikbaar is via de elektronische weg. Daarbij komt dat het door het college gebruikte e-mailadres een ander e-mailadres is dan het adres dat in het briefhoofd staat.

5.1.    Het college stelt zich op het standpunt dat de stichting impliciet kenbaar heeft gemaakt dat het langs  elektronische weg bereikbaar is. Het college wijst daarbij op de uitspraak van de Afdeling van 17 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3392, waarin de Afdeling heeft overwogen dat het kenbaar maken in de zin van artikel 2:14, eerste lid, van de Awb zowel impliciet als expliciet kan geschieden en dat uit de tekst van de memorie van toelichting bij dit artikel, gezien de sterke ontwikkeling van het elektronisch verkeer met de overheid, niet kan worden afgeleid dat kenbaarmaking nu nog altijd uitdrukkelijk zou moeten geschieden. Het college stelt, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 19 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1967, dat gelet op het feit dat de gemachtigde een professioneel rechtsbijstandverlener is, die zijn bezwaarschrift elektronisch heeft ingediend en in het briefhoofd een e-mailadres heeft vermeld, het redelijkerwijs heeft mogen aannemen dat de gemachtigde - al dan niet impliciet - kenbaar heeft gemaakt dat hij elektronisch bereikbaar is.

5.2.    De Afdeling overweegt dat het college, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 17 oktober 2018, terecht heeft gesteld dat kenbaar maken in de zin van artikel 2:14, eerste lid, van de Awb zowel expliciet als impliciet kan geschieden. De Afdeling stelt vast dat de stichting niet expliciet kenbaar heeft gemaakt dat zij bereikbaar was voor het ontvangen van berichten via de elektronische weg.

De Afdeling overweegt voorts dat uit de gegeven omstandigheden niet kan worden afgeleid dat de stichting impliciet kenbaar heeft gemaakt dat zij bereikbaar was via de elektronische weg. Uit de uitspraak van de Afdeling van 17 oktober 2018 volgt dat het vermelden van een e-mailadres op briefpapier op zichzelf niet doorslaggevend is voor de vraag of iemand impliciet kenbaar heeft gemaakt dat hij bereikbaar is via de elektronische weg. De Afdeling neemt in het nu voorliggende geval ook in aanmerking dat het door het college gebruikte e-mailadres niet overeenkomt met het e-mailadres dat in het briefhoofd staat op het per post ingediende bezwaar. In de uitspraak van 17 oktober 2018 was door de Afdeling aangenomen dat wel sprake was van het impliciet kenbaar maken van bereikbaarheid via  elektronische weg omdat de gemachtigde in andere bezwaarzaken bij dezelfde gemeente al meerdere malen via e-mailberichten had gecommuniceerd. Anders dan in die uitspraak is in deze zaak van eerdere communicatie via de elektronische weg tussen de stichting en het college niet gebleken. De enkele omstandigheid dat in dit geval het bezwaarschrift ook elektronisch, met gebruikmaking van DigiD, is ingediend is onvoldoende voor het oordeel dat impliciet kenbaar is gemaakt dat sprake is van bereikbaarheid via de elektronische weg. De verwijzing door het college naar het arrest van de Hoge Raad van 19 oktober 2018 maakt het voorgaande niet anders, omdat in die zaak sprake was van verzending van het bezwaarschrift per e-mail.

Uit het bovenstaande volgt dat het college niet heeft mogen volstaan met het per e-mailbericht in de gelegenheid stellen om de gronden van bezwaar in te dienen. De stichting heeft niet de gelegenheid gehad om het verzuim, omdat niet is voldaan aan artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb, te herstellen. Het college heeft derhalve in strijd met artikel 6:6 van de Awb bij besluit van 6 mei 2020 het bezwaar van de stichting niet-ontvankelijk verklaard.

Het betoog slaagt.

5.3.    Hetgeen de stichting voor het overige heeft aangevoerd behoeft gelet op het voorgaande geen verdere bespreking.

Conclusie

6.       Het beroep is gegrond. Het besluit van 6 mei 2020 dient wegens strijd met artikel 6:6 van de Awb te worden vernietigd.

7.       Het college moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het beroep van Stichting InStrepitus gegrond;

II.       vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Katwijk van 6 mei 2020, kenmerk 1653152, waarbij het bezwaar van Stichting InStrepitus niet-ontvankelijk is verklaard;

III.      veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Katwijk tot vergoeding van bij Stichting InStrepitus in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 534,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV.     gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Katwijk aan Stichting InStrepitus het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 354,00 (zegge: driehonderdvierenvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.     

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 14 april 2021

91-970.