Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:780

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-04-2021
Datum publicatie
14-04-2021
Zaaknummer
202002915/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 februari 2019 heeft de burgemeester van Woerden aan [appellant] een last onder dwangsom opgelegd ter voorkoming van overtreding van artikel 2:74 van de Algemene Plaatselijke Verordening Woerden 2015, inhoudende een verbod op het dealen van drugs op straat. De burgemeester stelt zich op het standpunt dat [appellant] zich binnen de gemeente Woerden heeft beziggehouden met drugshandel, ook vanaf openbare plaatsen. Dit is een overtreding van artikel 2:74 van de APV. De burgemeester heeft daarom gelast dat [appellant] zich niet meer ophoudt op een openbare plaats binnen de gemeentegrenzen van de gemeente Woerden met als kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling, af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen. Indien [appellant] niet aan deze lastgeving voldoet dan verbeurt hij een dwangsom van € 5.000,00 per geconstateerde overtreding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202002915/1/A3.

Datum uitspraak: 14 april 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Woerden,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 2 april 2020 in zaak nr. 19/3116 in het geding tussen:

[appellant]

en

de burgemeester van Woerden.

Procesverloop

Bij besluit van 7 februari 2019 heeft de burgemeester aan [appellant] een last onder dwangsom opgelegd ter voorkoming van overtreding van artikel 2:74 van de Algemene Plaatselijke Verordening Woerden 2015 (hierna: de APV), inhoudende een verbod op het dealen van drugs op straat.

Bij besluit van 30 september 2019 heeft de burgemeester het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en daarmee het eerdere besluit op bezwaar, verzonden op 10 juli 2019, vervangen.

Bij uitspraak van 2 april 2020 heeft de rechtbank, voor zover van belang, het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De burgemeester heeft een nader stuk ingediend. De burgemeester heeft de vertrouwelijke versie van een bestuurlijke rapportage verstrekt en met een verwijzing naar artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) medegedeeld dat uitsluitend de Afdeling kennis zal mogen nemen van dit stuk.

Op 27 oktober 2020 heeft de Afdeling in een andere samenstelling beslist dat de verzochte beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is.

[appellant] heeft de Afdeling toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb om kennis te nemen van de niet aan hem verstrekte vertrouwelijke versie van het stuk.

Bij besluit van 21 februari 2020 is de burgemeester overgegaan tot invordering van een verbeurde dwangsom van € 5.000,00.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 februari 2021, waar [appellant], bijgestaan door mr. M. Rotgans, advocaat te Utrecht, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. A. Arnold en mr. A. Hogendoorn, zijn verschenen.

Overwegingen

Wettelijk kader

1.       Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.

Inleiding

2.       De burgemeester stelt zich op het standpunt dat [appellant] zich binnen de gemeente Woerden heeft beziggehouden met drugshandel, ook vanaf openbare plaatsen. Dit is een overtreding van artikel 2:74 van de APV. De burgemeester heeft daarom gelast dat [appellant] zich niet meer ophoudt op een openbare plaats binnen de gemeentegrenzen van de gemeente Woerden met als kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling, af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen. Indien [appellant] niet aan deze lastgeving voldoet dan verbeurt hij een dwangsom van € 5.000,00 per geconstateerde overtreding van artikel 2:74 van de APV per dag, met een maximumbedrag van € 20.000,00. De burgemeester heeft het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Aangevallen uitspraak

3.       Naar het oordeel van de rechtbank heeft de burgemeester in redelijkheid een last onder dwangsom aan [appellant] opgelegd ter voorkoming van herhaling van de overtreding van artikel 2:74 van de APV. De rechtbank heeft overwogen dat de burgemeester terecht op basis van de in de bestuurlijke rapportage vermelde feiten heeft geconcludeerd dat aannemelijk is dat [appellant] artikel 2:74 van de APV heeft overtreden. Voorts is de rechtbank van oordeel dat de burgemeester de onschuldpresumptie, die van toepassing is vanwege de samenloop met het strafrechtelijk traject, niet heeft geschonden. De burgemeester heeft geen definitief oordeel gegeven over de vermeende strafbare feiten, maar een vermoeden uitgesproken. De burgemeester heeft na een eigen beoordeling van de inhoud van de bestuurlijke rapportage aannemelijk geacht dat [appellant] artikel 2:74 van de APV heeft overtreden. Voorts bestaat volgens de rechtbank geen grond voor het oordeel dat handhavend optreden in dit concrete geval dusdanig onevenredig is dat van handhaving had moeten worden afgezien. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de burgemeester zich in redelijkheid op het standpunt mogen stellen dat een bedrag van € 5.000,00 met een maximum van € 20.000,00 in redelijke verhouding staat tot het ermee te dienen doel.

Beoordeling gronden

4.       [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de burgemeester op basis van de bestuurlijke rapportage heeft kunnen concluderen dat hij artikel 2:74 van de APV zou hebben overtreden. Daartoe voert [appellant] aan dat onduidelijk is op basis van welk onderzoek is gebleken dat [appellant] de vaste bezoeker is waarover een verklaring in de bestuurlijke rapportage is opgenomen. Ook is de verklaring die een getuige over deze vaste bezoeker heeft afgelegd vaag. [appellant] plaatst vraagtekens bij de betrouwbaarheid van deze verklaring. Voorts betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de burgemeester ook de politiecontrole in 2018 in de buurgemeente aan zijn beslissing ten grondslag mocht leggen. De rechtbank is volgens [appellant] voorbijgegaan aan zijn beroepsgronden met betrekking tot deze politiecontrole. [appellant] vindt dat er geen waarde mag worden gehecht aan de verklaringen van getuigen die zelf drugsgebruikers zijn. Ook trekt hij de fotoherkenning in twijfel. Volgens [appellant] is daarbij gehandeld in strijd met het Besluit toepassing maatregelen in het belang van het onderzoek (hierna: het Besluit). Verder is volgens [appellant] onvoldoende aannemelijk dat hij in september 2016 zou hebben gehandeld in cocaïne. Ook het benoemen van een anonieme melding is volgens [appellant] onvoldoende om een overtreding van artikel 2:74 van de APV aannemelijk te maken. Volgens [appellant] dient het strafrechtelijk criterium van een redelijk vermoeden van schuld gelijk te zijn aan het criterium voor het aannemelijk maken van de overtreding van de APV. [appellant] betwist voorts dat het op zak hebben van twee telefoons en de kleine contante bedragen kunnen worden aangemerkt als indicatie voor drugshandel. Het contante bedrag van € 1.895,00 was afkomstig van de verkoop van een scooter en is niet in beslag genomen. Voorts wijst hij op het tijdsverloop sinds de controles in januari, mei en oktober 2018.

4.1.    De bestuurlijke rapportage betreft een bestuurlijke rapportage op basis van op ambtseed opgemaakte processen-verbaal. De Afdeling is van oordeel dat wat [appellant] heeft aangevoerd geen twijfel wekt aan de betrouwbaarheid van de vastlegging in de bestuurlijke rapportage. Dat niet bekend is hoe de politie aan haar informatie is gekomen en strafrechtelijk nog niets vaststaat omtrent de juistheid van het rapport, is hiervoor niet voldoende. Voor zover [appellant] betoogt dat de handelwijze bij de fotoconfrontatie in strijd is met het Besluit, overweegt de Afdeling onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad  van 9 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK6146, dat het Besluit niet ziet op een fotoconfrontatie als hier aan de orde ten behoeve van de opsporing van een nog onbekende verdachte. Voorts heeft [appellant] slechts gesteld dat de bij een controle aangetroffen € 1.895,00 niet van hem is geweest en daarom niet in beslag is genomen. Zelfs als zou blijken dat dit geld niet van [appellant] was, doet dat slechts ten dele af aan de betrouwbaarheid van de bestuurlijke rapportage. Het overige deel bevat nog voldoende aanwijzingen op basis waarvan de burgemeester heeft kunnen concluderen dat [appellant] artikel 2:74 van de APV heeft overtreden.

4.2.    Het betoog faalt.

5.       Verder betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de onschuldpresumptie niet is geschonden. Daartoe voert hij aan dat hij als verdachte is aangemerkt in een strafzaak. Verder wijst hij erop dat de burgemeester omstandigheden als feiten aanmerkt, bijvoorbeeld dat [appellant] een handelshoeveelheid drugs bij zich had tijdens een controle en dat hij meerdere malen met handel in drugs in aanraking is gekomen. Dit kan niet worden gelezen in de context van een vermoeden.

5.1.    Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraken van 11 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:331, en 1 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1057, in navolging van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 27 september 2011, Hrdalo tegen Kroatië, ECLI:CE:ECHR:2011:0927JUD002327207, is de reikwijdte van artikel 6, tweede lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) niet beperkt tot strafrechtelijke procedures, maar kan deze zich in voorkomend geval uitstrekken tot een bestuursrechtelijke procedure, indien de geschilpunten in de bestuursrechtelijke procedure voortvloeien uit en samenhangen met een strafrechtelijke procedure. Deze situatie kan zich voordoen tijdens een strafrechtelijke procedure alsook na het staken van de strafrechtelijke procedure of na een vrijspraak. Indien in een bestuursrechtelijke procedure wordt teruggevallen op het feit dat een strafrechtelijke procedure aanhangig is of op een nog niet onherroepelijke veroordeling, brengt dit een zodanige band tussen de bestuursrechtelijke en de strafrechtelijke procedure mee dat artikel 6, tweede lid, in eerstgenoemde procedure van toepassing is. Schending van de onschuldpresumptie is aan de orde indien een rechterlijke beslissing of een uiting van een ambtenaar een oordeel weergeeft omtrent de schuld van iemand die is aangeklaagd ter zake van het plegen van een strafbaar feit voordat de schuld van die persoon in de strafrechtelijke procedure is komen vast te staan. Alleen het uitspreken van een vermoeden dat iemand schuldig is aan het strafbare feit waarvoor hij is aangeklaagd, levert geen schending van de onschuldpresumptie op.

Het opleggen van een last onder dwangsom is geen bestraffende sanctie, maar een herstelsanctie. Bij het opleggen van een last onder dwangsom vindt daarom in beginsel geen vaststelling van schuld plaats. De burgemeester heeft aannemelijk geacht dat [appellant] zich bezighoudt met overtreding van artikel 2:74 van de APV. Dat artikel richt zich niet op de overtreder, maar ziet op het beëindigen en voorkomen van de overtreding. Met deze bepaling wordt beoogd negatieve effecten van de handel in drugs, onder meer bezien vanuit het perspectief van de openbare orde, tegen te gaan. Hoewel de burgemeester daartoe aannemelijk heeft geacht dat [appellant] betrokken is geweest bij drugshandel, betekent dat niet dat de burgemeester hem schuldig acht aan het plegen van strafbare feiten. Dat de burgemeester zich voor het opleggen van de last onder dwangsom mede heeft gebaseerd op informatie afkomstig uit een strafrechtelijk onderzoek, maakt evenmin dat hij de onschuldpresumptie heeft geschonden.

5.2.    Het betoog faalt.

6.       Tot slot betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de hoogte van de dwangsom in redelijke verhouding staat tot het ermee te dienen doel. Daartoe voert hij aan dat de hoogte van de dwangsom disproportioneel is ten opzichte een boete van € 750,00 die een strafrechter zou opleggen en een ander geval waarnaar de burgemeester heeft verwezen, omdat daarin sprake is van veel ernstigere gedragingen dan hetgeen [appellant] wordt verweten. Volgens [appellant] moet naar de specifieke omstandigheden van het geval worden gekeken, die hij bovendien uitvoerig heeft weerlegd.

6.1.    Het doel van de last onder dwangsom is in dit geval het voorkomen van herhaling van de overtreding van artikel 2:74, eerste lid, van de APV. Indien [appellant] niet opnieuw de overtreding begaat, verbeurt hij ook geen dwangsom. Hij heeft dit daarom zelf in de hand. De last onder dwangsom heeft daarmee niet tot doel om [appellant] leed toe te brengen, maar om herhaling van de overtreding te voorkomen.

6.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 12 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4039) maakt de omstandigheid dat in dit soort gevallen strafrechtelijk kan worden opgetreden, niet dat het daarnaast opleggen van een last onder dwangsom reeds om die reden onevenredig is. In artikel 5:32b, derde lid, van de Awb is bepaald dat de vast te stellen dwangsom in redelijke verhouding moet staan tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom. De burgemeester heeft toegelicht dat de openbare orde wordt verstoord door het rondhangen van drugshandelaren en het aanbieden van drugs op openbare plaatsen en dat dit inbreuk maakt op de woon- en leefomgeving. Met de last wil de burgemeester dit soort praktijken in de gemeente terugdringen. De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de burgemeester zich in redelijkheid op het standpunt heeft mogen stellen dat een bedrag van € 5.000,00 met een maximum van € 20.000,00 in redelijke verhouding staat tot het ermee te dienen doel.

6.3.    Het betoog faalt.

Conclusie

7.       Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, voor zover aangevallen.

Besluit van 21 februari 2020 tot invordering dwangsom

8.       Artikel 5:39, eerste lid, van de Awb luidt als volgt:

"1. Het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de last onder dwangsom heeft mede betrekking op een beschikking die strekt tot invordering van de dwangsom, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist."

8.1.    Bij besluit van 21 februari 2020 heeft de burgemeester besloten tot invordering van een verbeurde dwangsom. Daaraan heeft de burgemeester, gelet op een bestuurlijke rapportage van 31 januari 2020, ten grondslag gelegd dat op 19 december 2019 onderzoek is gedaan naar mogelijk dealgedrag in de openbare ruimte door [appellant]. Politieambtenaren hebben hem die dag gevolgd en waargenomen dat hij een kort contactmoment had met andere personen in voertuigen. Dit is, in samenhang met andere omstandigheden, door de politieambtenaren omschreven als vermoedelijk dealergedrag. Diezelfde avond is de auto van [appellant] in beslag genomen, waarin achter het verwarmingspaneel in de middenconsole drie ponypacks met wit poeder zijn aangetroffen. Dit bleek cocaïne te zijn. Daarnaast geven meerdere registraties in de politiesystemen in 2019 blijk van typische gedragingen voor drugshandel. De burgemeester acht daarom aannemelijk dat [appellant] geen uitvoering heeft gegeven aan de opgelegde last. Verder overweegt de burgemeester dat drugshandel een zeer negatieve uitwerking heeft op de woon- en leefomgeving en op personen en bovendien inbreuk maakt op de openbare orde. Het financiële belang van [appellant] weegt niet op tegen het algemeen belang. Er zijn geen omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan zou moeten worden afgezien van invordering van de dwangsom. De burgemeester gaat daarom over tot invordering van de verbeurde dwangsombedrag van € 5.000,00.

Ingevolge artikel 5:39, eerste lid, van de Awb heeft het hoger beroep tegen de last onder dwangsom mede betrekking op dit invorderingsbesluit, nu [appellant] dit besluit betwist.

8.2.    [appellant] heeft aangevoerd dat de burgemeester de invordering van de verbeurde dwangsom niet mocht baseren op twee daaraan ten grondslag gelegde incidenten die plaatsvonden op 19 december 2019 en 16 oktober 2019. Volgens [appellant] is de omschrijving te summier en weinig concreet om daarop een overtreding van artikel 2:74 van de APV te baseren. [appellant] wijst erop dat de persoon die zijn hoofd in het voertuig heeft gestoken is aangehouden en dat zijn voertuig is onderzocht. Daarbij is niets relevants aangetroffen dat kan duiden op handel in harddrugs. Verder stelt [appellant] dat de auto op onrechtmatige wijze in beslag is genomen. Het bewijs dat door deze inbeslagname is verkregen moet daarom buiten beschouwing worden gelaten. Ook kan het contactmoment op 16 oktober 2019 niet worden omschreven als kenmerkend voor een drugsdeal. Enige overdracht van drugs of geld is niet waargenomen, aldus [appellant].

8.3.    Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie onder meer de uitspraak van 6 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1412) dient aan een invorderingsbesluit een deugdelijke en controleerbare vaststelling van relevante feiten en omstandigheden ten grondslag te liggen. Dit brengt onder meer met zich dat de waarneming van feiten en omstandigheden die leiden tot verbeurte van een dwangsom dient te worden gedaan door een ter zake deskundige medewerker van het bevoegd gezag en dat bevindingen op schrift worden gesteld. Het geschrift dient in beginsel ten minste te bevatten de plaats, het tijdstip en de datum van de waarneming, een inzichtelijke beschrijving van de gehanteerde werkwijze en een inzichtelijke beschrijving van hetgeen is waargenomen. Naar het oordeel van de Afdeling voldoet de door de burgemeester aan de besluitvorming ten grondslag gelegde bestuurlijke rapportage aan de hiervoor geformuleerde eisen. Niet aannemelijk is dat wat daarin is opgenomen geen juiste weergave vormt van wat heeft plaatsgevonden.

8.4.    De Afdeling gaat niet mee in het betoog van [appellant] dat de burgemeester het aantreffen van drie zakjes met cocaïne achter een verwarmingspaneel in de middenconsole van zijn auto niet aan zijn besluitvorming ten grondslag mocht leggen, omdat deze informatie onrechtmatig zou zijn verkregen. Voor het in beslag nemen van een auto is een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit vereist. Met de enkele stelling dat er onvoldoende basis was voor een verdenking van een strafbaar feit en dat daarom zijn auto niet in beslag mocht worden genomen en niet mocht worden doorzocht, heeft [appellant] onvoldoende aangetoond dat een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit ontbrak. Daargelaten dat zowel de burgemeester als de Afdeling geen inzage hebben in het strafrechtelijk onderzoek naar [appellant], is bekend dat [appellant] eerder is aangehouden als verdachte in een strafrechtelijk onderzoek naar handel in verdovende middelen in een buurgemeente, dat uit de politiesystemen blijkt dat hij verschillende antecedenten heeft op het gebied van handel in verdovende middelen en dat politieambtenaren voorafgaand aan de inbeslagname van de auto diverse handelingen hebben herkend als dealergedrag.

Maar ook als het bewijs in strafrechtelijke zin onrechtmatig zou zijn verkregen, dan betekent dat nog niet dat het gebruik daarvan in deze bestuursrechtelijke procedure niet zou zijn toegestaan. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 21 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3383), bestaat geen rechtsregel die ieder gebruik verbiedt van strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijs. In het bestuursrechtelijke geding is zodanig bewijs slechts dan niet toegestaan, indien het is verkregen op een wijze, die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht.

Een zodanige handelwijze van de overheid ten opzichte van [appellant] is hier niet aan de orde.

8.5.    Gezien het vorenstaande heeft de burgemeester terecht op basis van de in de bestuurlijke rapportage genoemde omstandigheden aannemelijk geacht dat [appellant] geen uitvoering heeft gegeven aan de opgelegde last.

8.6.    Het betoog faalt.

9.       Het beroep tegen het besluit van 21 februari 2020 is ongegrond.

Proceskosten

10.     Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevallen;

II.       verklaart het beroep tegen het besluit van 21 februari 2020 ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.J.J.M. Pans, voorzitter, en mr. B.J. Schueler en mr. E.J. Daalder, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. van Deventer-Lustberg, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.      

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 14 april 2021

587.

 

BIJLAGE - Wettelijk kader

 

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 5:32b

1. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast hetzij op een bedrag ineens, hetzij op een bedrag per tijdseenheid waarin de last niet is uitgevoerd, dan wel per overtreding van de last.

2. Het bestuursorgaan stelt tevens een bedrag vast waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd.

3. De bedragen staan in redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom.

Artikel 5:39

1. Het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de last onder dwangsom heeft mede betrekking op een beschikking die strekt tot invordering van de dwangsom, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.

[…]

Artikel 7:15

[…]

2. De kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, worden door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

[…]

Artikel 8:29

1. Partijen die verplicht zijn inlichtingen te geven dan wel stukken over te leggen, kunnen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, het geven van inlichtingen dan wel het overleggen van stukken weigeren of de bestuursrechter mededelen dat uitsluitend hij kennis zal mogen nemen van de inlichtingen onderscheidenlijk de stukken.

[…]

3. De bestuursrechter beslist of de in het eerste lid bedoelde weigering onderscheidenlijk de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is.

4. Indien de bestuursrechter heeft beslist dat de weigering gerechtvaardigd is, vervalt de verplichting.

5. Indien de bestuursrechter heeft beslist dat de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is, kan hij slechts met toestemming van de andere partijen mede op de grondslag van die inlichtingen onderscheidenlijk die stukken uitspraak doen. Indien de toestemming wordt geweigerd, wordt de zaak verwezen naar een andere kamer.

Opiumwet

Artikel 2

Het is verboden een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst I dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid:

A. binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen;

B. te telen te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren;

C. aanwezig te hebben;

D. te vervaardigen.

Lijst 1

-        cocaïne       

Algemene Plaatselijke Verordening Woerden 2015

Artikel 1:1 Begripsbepalingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

[…]

- openbare plaats: hetgeen in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties daaronder wordt verstaan;

[…]

Artikel 2:74 Drugshandel op straat

Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling, af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.